Ontwerp wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening omgevingsbeleid 2025
Tekst van het document
Braassemerland (Westend, Veilingvaart,
119
jaar
bruto oppervlakte in ha
Holland Rijnland
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Centrum, GEM en Waterrijck) Katwijk
Katwijk
Locatie Valkenburg
2014
Lisse
Lisse
Geestwater of Poelpolder
11
Nieuwkoop
Langeraar
Langeraar noordwest
10
Nieuwkoop
Nieuwkoop
Buytewech noord
17
Nieuwkoop
Nieuwkoop
Vrouwenakker
Nieuwkoop
Nieuwveen
De Verwondering of Hazeweg
Nieuwkoop
Noorden
Land van Koppen
2014
6
Nieuwkoop
Ter Aar
Ter Aar noordoost
2020
7
Nieuwkoop
Ter Aar
Ter Aar zuidoost
2025
15
Noordwijk
Noordwijk
Bronsgeest
Noordwijk
Noordwijk
De Nes
Noordwijk
Noordwijk
Offem-Zuid
27
Noordwijk
Noordwijk
Sancta Maria
19
Noordwijk
Noordwijkerhout
Molenweg
Noordwijk
Noordwijkerhout
St. Bavo
14
Teylingen
Voorhout
Hooghkamer
35
Teylingen
Voorhout
Nieuw Boekhorst of Voorhout
Voorschoten (en Leidschendam-Voorburg)
Voorschoten
Duivenvoordecorridor 2024
33 (bebouwing 5)
Voorschoten
Voorschoten
Starrenburg III
2014
5
Den Haag
Den Haag
Vroondaal Zuid
2014
15
Den Haag
Den Haag
Westmadepark
26
Leidschendam-Voorburg (en Voorschoten)
Leidschendam
Duivenvoordecorridor 2024
33 (bebouwing 5)
2014
318
3 21
15 2014
2014
2014
6
3
56
Haaglanden
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
2014
44
Pijnacker-Nootdorp
Nootdorp
Dwarskade
Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker
De Scheg
11
Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker
Tuindershof / Keijzershof
34
Westland
De Lier
Molensloot
Westland
Kwintsheul
De Driesprong
Westland
Kwintsheul
De Hak
Westland
Kwintsheul
Holle Watering
Westland
Monster
De Duinen
Westland
Monster
Monster noord
Westland
Monster
Westmade
2014
66
Westland
Naaldwijk
Vlietweg (wonen)
2025
13
Westland
Poeldijk
Poeldijk Westhof
2014
21
Westland
's-Gravenzande
Gantel De Baak
2014
5
Westland
's-Gravenzande
Poelkade / Het Nieuwe Water
29
Westland
's-Gravenzande
Waelpark / Waelpolder
30
Westland
Wateringen
Erasmuszone / Wippolder
2014
23
Barendrecht
Barendrecht
Zuidpolder
2022
4
Brielle
Brielle
Oude Goote
Hellevoetsluis
Hellevoetsluis
Boomgaard / Noordwest
2014
56
Lansingerland
Bergschenhoek
Driehoek OosteindsewegEmmastraat
2014
24
Lansingerland
Bergschenhoek
Hoeksekade noord I
4
Lansingerland
Bergschenhoek
Hoeksekade noord II
9
Lansingerland
Berkel
Driehoek Berkel noord
2014
27 7
2023
5 16
2014
15 5
Regio Rotterdam
30
2014
5
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Lansingerland
Berkel
Westpolder / Bolwerk
53
Lansingerland
Bleiswijk
De Hoefslag / Korenmolenhoek
2014
10
Lansingerland
Bleiswijk
Schil om Bleiswijk / Merenweg
2014
28
Maassluis
Maassluis
Dijkpolder / Wilgenrijk 2014
91
Nissewaard
Zuidland
Kreken van Nibbeland
16
Nissewaard
Oudenhoorn
De Akkerranden
6
Ridderkerk
Rijsoord
Geerlaan
9
Ridderkerk
Rijsoord
Waalbos
4
Rotterdam
Hoek van Holland
Buitengebied noord en oost II
Schiedam
Schiedam
Spaanse Polder – ‘sGravenland
Voorne aan zee
Rockanje
De Drenkeling
2017
22
Voorne aan zee
Rockanje
De Nieuwe Achterweg 2025
18
Dordrecht
Dordrecht
Smitsweg
33
Hardinxveld-Giessendam
Giessendam
De Blauwe Zoom
10
Hardinxveld-Giessendam
HardinxveldGiessendam
‘t Oog
2018
15
Bodegraven-Reeuwijk
Bodegraven
Weideveld 2
2014
6
Bodegraven-Reeuwijk
Driebruggen
Groendijck-Oost
2022
3
Bodegraven-Reeuwijk
Driebruggen
Groendijck-Zuid
2022
5
Bodegraven-Reeuwijk
Nieuwerbrug
De Wijde Wiericke
3
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk
De Steupel
4
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk-Brug
Breevaart, Oude Tol fase III
3
2014
47 3
Drechtsteden
Midden-Holland
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk-Dorp
Reesvelt
2014
4
Gouda
Gouda
Westergouwe
2014
144
Krimpenerwaard
Gouderak
Gouderak Oost
2022
9
Waddinxveen
Waddinxveen
De Triangel
100
Waddinxveen
Waddinxveen
Glasparel+
7
Waddinxveen
Waddinxveen
't Suyt / Plan Nooitgedacht
Zuidplas
Moerkapelle
Moerkapelle noord
Zuidplas
Moerkapelle
Moerkapelle zuid
Zuidplas
Moordrecht
De Brinckhorst / Moordrecht west
14
Zuidplas
Nieuwerkerk
Esse Zoom / Groene Zoom
30
Zuidplas
Zevenhuizen
Swanladriehoek
7
Zuidplas
Zevenhuizen
Zevenhuizen zuid
56
Zuidplas
Zuidplas
Vijfde Dorp
Gorinchem
Gorinchem
Hoog Dalem
29
Molenlanden
Giessen-Oudekerk
Bilderhof
4
Molenlanden
Giessen-Oudekerk
Giessenburg
5
Molenlanden
Giessenburg
Achter de Wetering
2022
3
Molenlanden
Groot-Ammers
De Boomgaard
2014
4
Molenlanden
Langerak
Woonleefhart
Molenlanden
Nieuw-Lekkerland
Nieuw-Lekkerland Oost
2019
8
Molenlanden
Streefkerk
Kooikerspad
2014
4
Hoeksche Waard
Heinenoord
Tienvoet
Hoeksche Waard
's-Gravendeel
's-Gravendeel west
Hoeksche Waard
Klaaswaal
De Bonger III
2014
11 28
2014
2022
14
325
Alblasserwaard
12
Hoeksche Waard 9 2014
18 7
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Hoeksche Waard
Numansdorp
Torensteepolder fase 1a
20
Hoeksche Waard
Numansdorp
Torensteepolder fase 1b, 1c en 1d
2014
19
Hoeksche Waard
Goudswaard
Locatie Westdijk
2019
6
Hoeksche Waard
Oud-Beijerland
Stougjesdijk oost
2014
38
Hoeksche Waard
Strijen
Kleine Loo fase 1-5
6
Hoeksche Waard
Strijen
Sportlaan
3
Goeree-Overflakkee
-
De Nieuwe Marke
2017
-
Goeree-Overflakkee
Den Bommel
Schaapsweg
2022
5
Goeree-Overflakkee
Dirksland
Kleine boezem
2014
4
Goeree-Overflakkee
Goedereede
Nieuwe Oostdijk fase 2014 2 en 3
9
Goeree-Overflakkee
Middelharnis
uitbreiding Westplaat 2017 / 2e haven
11
Goeree-Overflakkee
Nieuwe Tonge
Nieuwe Tonge
2014
9
Goerree-Overflakkee
Ouddorp
Ouddorp Bad
2017
6
Goeree-Overflakkee
Stad aan 't Haringvliet
Onbekend (Havenstad)
2014
6
Goeree-Overflakkee
Stellendam
Langeweg
2022
5
jaar
netto uitgeefbare o
Goeree-Overflakkee
Bruto oppervlakte in ha: Oppervlakte van het als woningbouwlocatie aangeduide gebied in een omgevingsplan of ander ruimtelijk plan, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, infrastructuur, groen en water. De aanduiding kan deels ook bestaand stadsen dorpsgebied betreffen. B.2 Tabel bedrijventerreinen zachte capaciteitlocaties Gemeente
plaats
naam locatie
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
ppervlakte in ha Holland Rijnland Alphen aan den Rijn
Groenendijk
Groenendijk oost (Barrepolder)
2014
9
Alphen aan den Rijn
Hazerswoude-Rijndijk
Prinsenschouw
2014
10
Alphen aan den Rijn
Koudekerk aan den Rijn
Uitbreiding Hoogewaard
2021
4
Kaag en Braassem
Leimuiden
Drechthoek II
2019
8
Kaag en Braassem
Roelofarendsveen
Veenderveld 2
2014
29
Katwijk
Valkenburg
Werkpark (Zijlhoek-De Woerd)
2019
15
Noordwijk
Noordwijkerhout
‘s-Gravendam oost
2014
15
Zoeterwoude
Zoeterwoude
Groenendijk west (Barrepolder)
2014
7
Teylingen
Warmond
Greenib
2019
4
Midden-Delfland
Den Hoorn
HooipolderKerkpolder
Westland
Poeldijk
ABC Westland, uitbreiding
2019
12
Hellevoetsluis
Hellevoetsluis
Kickersbloem 3 (4e kwadrant)
2019
17
Lansingerland
Bergschenhoek
Chrysantenweg
2025
19-24
Lansingerland
Bergschenhoek
Warmoezenierswe 2025 g/Oosteindsepad
12-17
Lansingerland
Berkel en Rodenrijs
Molenweg
2025
5
Nissewaard
Geervliet
Geervliet oost (Bernissester)
2014
37
Nissewaard
Geervliet
Driehoek Halfweg 2014 Molenwatering
3
Haaglanden 8
Regio Rotterdam
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Rotterdam
Hoek van Holland
Haak-Kulkweg (waterweg noord)
2014
30
Rotterdam
Rotterdam
Science & Businesspark Schieveen
2014
80
Vlaardingen
Vlaardingen
De Vergulde Hand 2013 west
15
Voorne aan Zee
Brielle
Uitbreiding Tuinderij Vers
3
Voorne aan Zee
Vierpolders
Seggelant 3
2014
20
Hardinxveld-Giessendam
HardinxveldGiessendam
’t Oog (fase 2)
2014
6
Hardinxveld-Giessendam
Hardinxveld
‘t Oog
Sliedrecht
Sliedrecht
De Driehoek
2023
7
Bodegraven-Reeuwijk
Reeuwijk-Brug
Zoutman west
2014
9
Krimpenerwaard
Stolwijk
Zuidelijke Entree
2014
3
Waddinxveen
Waddinxveen
Milieupark A12 noord
2014
30
Waddinxveen
Waddinxveen
Vredeburgh II
2024
4
Zuidplas
Nieuwerkerk aan den IJssel
Hooge Veenen III, fase 2
2013
3
Zuidplas
Vijfde Dorp
Doelwijk II
2021
28
Zuidplas
Vijfde Dorp
Gouwepark II
2021
19
Zuidplas
Zevenhuizen
Plantagekwadrant 2023 (Het Nieuwe Midden)
20
Schelluinen
Uitbreiding Parallelweg Schelluinen
13
Drechtsteden
6
Midden-Holland
Alblasserwaard Molenlanden
2013
Hoeksche Waard
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Hoeksche Waard
Oud-Beijerland
De Hoogerwerf Oost
2023
8
Hoeksche Waard
Strijen
Verlengde Edisonlaan
2019
4
Goeree-Overflakkee
Nieuwe Tong
De Tram uitbreiding
2023
5
Goeree-Overflakkee
Oude Tonge
Bedrijvenpark Oostflakkee
2019
8
Goeree-Overflakkee
B.3 Tabel bedrijventerreinen harde capaciteit Gemeente
plaats
naam locatie
netto uitgeefbare oppervlakte in ha
Nieuwkoop
Nieuwveen
Schoterhoek II
7
Noordwijk
Noordwijk
’s-Gravendijck
3-5
Katwijk
Rijnsburg
Klei-Oost-Zuid
15
Katwijk
Rijnsburg
Vinkenwegzone
4-6
Westland
Maasdijk
Honderland fase 2
35
Westland
Naaldwijk
Trade Park Westland Mars
11
Hellevoetsluis
Hellevoetsluis
Kickersbloem 3
54
Lansingerland
Bergschenhoek
Leeuwenhoekweg
5
Lansingerland
Berkel
Oudeland
53
Lansingerland
Bleiswijk
Bedrijventerrein Bleizo / Hoefweg zuid
35
Ridderkerk
Ridderkerk
Nieuw Reijerwaard
95
Brielle
Brielle
Seggelant 2
5
Vlaardingen
Vlaardingen
De Vergulde Hand west
15
Dordrecht
Dordtse Kil IV
65
Holland Rijnland
Haaglanden
Regio Rotterdam
Drechtsteden Dordrecht
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
HardinxveldGiessendam
Hardinxveld
‘t Oog
4
Hendrik Ido Ambacht
Hendrik Ido Ambacht
Ambachtse Zoom
15
Sliedrecht
Sliedrecht
De Driehoek
7
Waddinxveen
Waddinxveen
Logistiek Park A12 (2e fase)
6
Waddinxveen
Waddinxveen
Triangel
4
Zuidplas
Nieuwerkerk aan den IJssel
Hooge Veenen III, fase 2
3
Zuidplas
Zevenhuizen
Plantagekwadrant (Het Nieuwe Midden)
20
Schelluinen
Schelluinen west
12
Oud-Beijerland
De Hoogerwerf Oost
8
Nieuwe Tonge
De Tram uitbreiding
5
Midden-Holland
Alblasserwaard Molenlanden Hoeksche Waard Hoeksche Waard Goeree-Overflakkee Goeree-Overflakkee
B.43Tabel locaties andere stedelijke ontwikkelingen Gemeente
plaats
naam terrein
jaar
uitgeefbaar oppervlakte in ha
Sliedrecht
Recreatief Knooppunt Sliedrecht
2016
20
Westland
Honselersdijk
Horti Campus
2016
20
Westland
Naaldwijk
Vlietweg (sport)
2025
3
Leimuiden
Recreatievoorzieningen 2022 Kerklaan
5
Drechtsteden Sliedrecht
Haaglanden
Holland Rijnland Kaag en Braassem
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Leiden
Volkstuinen Oostvlietpolder
Albrandswaard
Rhoon
Sportvelden Rand van Rhoon
Albrandswaard
Rhoon
Poort van Buijtenland
6
Lansingerland
Bleiswijk
Bleizo ontwikkeling stationsgebied
10
Nissewaard
Heenvliet / Geervliet
Sportvelden Bernisse Noord
7
Voorne aan zee
Rockanje
Sportpark Nieuwe Achterweg
7
Zevenhuizen
Swanladriehoek
7
Den Bommel
Voorzienigen Schaapsweg
5
Leiden
3
Regio Rotterdam 2021
10
Regio Midden-Holland Zuidplas Goeree-Overflakkee Goeree-Overflakkee
Toelichting n.v.t.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Bedrijventerreinen (maximale benutting milieugebruiksruimte en campusontwikkeling) Motivering [paragraaf 7.3.11] Nieuwe VNG handreiking activiteiten en milieuzonering De aanleiding om de instructieregel te wijzigen, is het verschijnen van de nieuwe Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG in oktober 2024. In de nieuwe handreiking van de VNG wordt een nieuwe systematiek gepresenteerd voor de zonering van bedrijventerreinen. Deze nieuwe zoneringssystematiek komt er kort gezegd op neer dat milieugebruiksruimte wordt gereserveerd door gebruik te maken van specifieke milieunormen. De VNG neemt daarmee afstand van de systematiek van milieucategorieën om de toelaatbare effecten van bedrijven vast te leggen in de omgevingsplanregels. Met het oog op de nieuwe zoneringssystematiek zijn in de consultatieronde meerdere vragen gerezen over de toepassing van de omgevingsverordening van de provincie. Specifiek gaat het dan om de instructieregels waarin gemeenten worden verplicht om op bedrijventerreinen zoveel mogelijk ruimte te bieden voor zwaardere bedrijven en om de vestiging van lichtere bedrijven te verbieden. Aanpassing van de nieuwe instructieregels zorgt ervoor dat de nieuwe handreiking voor gemeenten wel toepasbaar is. Maximale benutting milieugebruiksruimte De uitbreidingsruimte voor nieuwe bedrijventerreinen in Zuid-Holland is beperkt.
Daarom moet de beschikbare ruimte zorgvuldig worden beschermd en beter worden benut. Tegelijkertijd hebben bestaande bedrijventerreinen vaak nog ongebruikte mogelijkheden met betrekking tot het ruimtegebruik. De provincie zet daarom in op het beter benutten van bedrijventerreinen. Het beter benutten van de ruimte is cruciaal bij het realiseren van de ambities van de provincies. Hier liggen nog grote kansen: zo’n 25% van de activiteiten op bedrijventerreinen waar ruimte kan worden geboden aan zwaardere bedrijven hoeven daar eigenlijk niet te zitten. Daarom worden nieuwe regels opgenomen die ervoor zorgen dat lichte bedrijven worden uitgesloten op bestaande zwaardere bedrijventerreinen. In deze instructieregel staat aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om bestaande bedrijven bij verandering van de activiteiten, naar activiteiten met minder milieugebruiksruimte toch toe te blijven staan met een omgevingsvergunning. Hierdoor kunnen bestaande situaties (inclusief de gevestigde lichte) blijven zitten, maar het gebruik mag niet worden voortgezet nadat het gedurende een bepaalde periode is onderbroken. De nieuwvestiging van lichte bedrijven op bestaande zwaardere bedrijventerreinen is dan niet meer mogelijk.
Campusfunctie Het vernieuwde campusbeleid is bedoeld om het innovatiepotentieel van de campussen te vergroten, door meer ruimte voor functiemenging met wonen en voorzieningen te realiseren op de campussen van nationaal belang (Leiden Bio Science Park, TU Delft Campus en Space Campus Noordwijk). Relatie met PDV-locaties Artikel 7.49 (uitzonderingen detailhandel) beschrijft de uitzonderingen van detailhandel die zich buiten de bestaande centra kan vestigen. Artikel 7.49, eerste lid , onder a, onder 3° stelt dat meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, buiten de centra mogelijk zijn voor zover de ontwikkeling
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV-locaties) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II. De PDV-locaties (31 in totaal) zijn geometrisch begrensd in de verordening. Een aantal van deze PDV-locaties bevinden zich op bedrijventerreinen. In artikel 7.49, tweede lid, worden de voorwaarden benoemd waaronder zich op de PDV-locaties nieuwe woondetailhandel kan vestigen. Voormalig artikel 7.52 (bedrijven) bood weinig ruimte voor andere functies dan bedrijven op bedrijventerreinen en hierdoor was een tegenstrijdigheid ontstaan tussen enerzijds artikel 7.49 (uitzonderingen detailhandel) en artikel 7.52 (bedrijven) anderzijds. Om deze tegenstrijdigheid op te lossen, wordt een technische wijziging doorgevoerd zodat perifere detailhandelsvestigingen (PDV-locaties) zijn uitgezonderd.
Regels Paragraaf 7.3.11 komt te luiden: § 7.3.11 Bedrijven Artikel 7.51a (begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: bedrijventerrein: locatie waar in het omgevingsplan bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan of worden toegelaten als: handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie, met uitzondering van locaties waaraan exclusief de volgende activiteiten mogen worden verricht: kantoren, detailhandel, maatschappelijke activiteiten of jachthavens, horeca, logies en overige leisure, met een bruto omvang van meer dan 1 ha, uitgezonderd solitaire bedrijven, niet zijnde een betoncentrale, asfaltcentrale of puinbreker, buiten bestaand stads- en dorpsgebied; milieugebruiksruimte: de omvang van de afstandsafhankelijke milieubelasting die op een locatie beschikbaar is voor het verrichten van een milieuhinderlijke activiteit. milieugevoelige activiteit: een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. milieuhinderlijke activiteit: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, onder meer in de vorm van geluid- of geurhinder.
watergebonden bedrijventerrein: bedrijventerrein of deel daarvan dat aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met een: haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of -dok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel. wettelijk beschermingsniveau: de regels die met het oog op artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet, en de instructieregels op grond van artikel 2.24 van de Omgevingswet en de instructieregels in deze verordening tenminste in het omgevingsplan moeten worden opgenomen om de milieugebruiksruimte te beperken.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Artikel 7.51b (aanwijzing en geometrische begrenzing (watergebonden) bedrijvengebieden, grote ruimtevragers en campussen) 1 Bedrijvengebieden zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2 Watergebonden bedrijvengebieden zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 3 Clusters voor grote ruimtevragers zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 4 Campussen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.51c (toepassingsbereik zwaar bedrijventerrein) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ‘zwaar bedrijventerrein’ verstaan een locatie: a. binnen een bedrijvengebied of een watergebonden bedrijvengebied als bedoeld in artikel 7.51b, eerste en tweede lid, voor zover is voldaan aan de begripsbepaling voor bedrijventerrein of watergebonden bedrijventerrein; of b. voor een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein, waaronder een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 7.41aa, tweede lid, en bijlage IX, onder B.2; voor zover deze locatie niet binnen een afstand van 50 m ligt van een locatie buiten het bedrijventerrein waar het omgevingsplan een milieugevoelige activiteit toestaat.
Artikel 7.51d (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als één activiteit beschouwd meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.
Artikel 7.52 (functiewijziging bedrijventerrein anders dan voor zware bedrijven) 1 Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein binnen een bedrijvengebied kan gedeeltelijke functiewijziging mogelijk maken door andere activiteiten dan bedrijven toe te laten, voor zover:
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
a. het gaat om een bedrijventerrein of deel daarvan waar alleen bedrijven worden toegelaten die in redelijkheid kunnen worden verricht binnen een afstand van 30 meter van een milieugevoelige activiteit; b. de beschikbare ruimte voor bedrijven per saldo gelijk blijft door meervoudig ruimtegebruik; en c. de activiteiten bij voorkeur bijdragen aan de opgaven energietransitie, circulaire economie of klimaatadaptatie. 2 Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein binnen een bedrijvengebied met locaties voor perifere detailhandelsvestiging (PDV) als bedoeld in artikel 7.49, eerste lid, onder a, onder 3°, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.49, tweede lid.
Artikel 7.52a (milieugebruiksruimte voor zware bedrijven) 1 Binnen een afstand van 300 m van een zwaar bedrijventerrein staat het omgevingsplan niet toe dat een milieugevoelige activiteit wordt verricht op een kortere afstand van het zware bedrijventerrein dan de afstand tussen dat zware bedrijventerrein en een milieugevoelige activiteit die: a. rechtmatig wordt verricht; b. op een locatie is toegelaten op grond van een onherroepelijk omgevingsplan of een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 2 Het omgevingsplan bevat ten opzichte van het wettelijke beschermingsniveau geen regels die een beperking vormen van de milieugebruiksruimte die beschikbaar is voor het verrichten van milieuhinderlijke activiteiten op een zwaar bedrijventerrein. 3 In afwijking van het bepaalde in tweede lid kan het omgevingsplan limitatief bepalen welke milieuhinderlijke activiteiten op een locatie zijn toegestaan, mits de activiteiten worden toegestaan die een zo groot mogelijk beslag leggen op de milieugebruiksruimte. 4 Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. Artikel 7.52b (reserveren van locaties voor zware bedrijven) 1 Het omgevingsplan bepaalt voor een zwaar bedrijventerrein dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een activiteit te starten. 2
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Het omgevingsplan bepaalt voor een zwaar bedrijventerrein dat een omgevingsvergunning nodig is voor het wijzigen van een activiteit als die wijziging van invloed is op de omvang van de milieugebruiksruimte die nodig is voor die activiteit. 3 Het omgevingsplan bepaalt dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend als: a. de milieuhinderlijke activiteit waarop de aanvraag om de vergunning betrekking heeft vanwege de daarvoor benodigde milieugebruiksruimte in redelijkheid niet kan worden verricht op een afstand van minder dan 30 m van een milieugevoelige activiteit; b. de aanvraag om de vergunning betrekking heeft op de wijziging van een activiteit en de verplaatsing van die activiteit in redelijkheid niet kan worden gevergd; c. de aanvraag om de vergunning betrekking heeft op een milieuhinderlijke activiteit in een bestaand bedrijfsverzamelgebouw; d. de aanvraag om de vergunning betrekking heeft op een milieuhinderlijke activiteit op een campus; e. de aanvraag om de vergunning betrekking heeft op een ondergeschikte activiteit op een campus die ondersteunend is aan het profiel van de campus, tenzij een aanwezig bedrijf door de aangevraagde activiteit wordt beperkt in de bedrijfsvoering; f.
de aanvraag om de vergunning betrekking heeft op het in beperkte mate realiseren bedrijfswoningen, tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten of andere functies die ondersteunend zijn aan het profiel van het bedrijventerrein, tenzij een aanwezig bedrijf door de aangevraagde activiteit wordt beperkt in de bedrijfsvoering; g. de aanvraag om de vergunning betrekking heeft op detailhandel als bedoeld in artikel 7.49, tweede lid, binnen een bedrijvengebied met locaties voor perifere detailhandelsvestiging (PDV) als bedoeld in artikel 7.49, eerste lid, onder a, onder 3°; of h. sprake is van een zwaarwegend algemeen belang, er geen reële andere mogelijkheid is om dat belang te behartigen en het verlies aan oppervlakte van zwaar bedrijventerrein planologisch wordt gecompenseerd. Artikel 7.52ac (grote ruimtevragers) 1 Een omgevingsplan laat grote ruimtevragers alleen toe op clusters voor grote ruimtevragers als bedoeld in artikel 7.51b, derde lid. 2 In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een grote ruimtevrager toelaten op een locatie buiten een cluster voor grote ruimtevragers, als die locatie met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geschikter is. Bij de locatiekeuze wordt in ieder geval rekening gehouden met ruimtelijke kwaliteit en efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur, energie, water en ruimte. 3
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Een omgevingsplan dat grote ruimtevragers toelaat houdt rekening met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de economische en maatschappelijke toegevoegde waarde van de ontwikkeling. Artikel 7.52bd (overgangsrecht) Artikel 7.52 zoals dat luidde voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van de Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening 2024 blijft van toepassing op: a. een omgevingsplan dat in ontwerp is vastgesteld voor de inwerkingtreding van de Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening 2024; b. een omgevingsplan voor een bedrijventerrein als voor de inwerkingtreding van de Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening herziening 2024 over functiewijziging van dat bedrijventerrein afspraken zijn gemaakt in de regionale bedrijventerreinenvisies, afgesloten woon-werkakkoorden of bestuursakkoorden, voor zover gedeputeerde staten daarmee hebben ingestemd of die hebben vastgesteld; c. een omgevingsplan voor bedrijventerrein Bleizo-West en het zuidwestelijk deel van bedrijventerrein Prisma in de gemeente Lansingerland, als een alternatieve locatie voor windenergie is gevonden; d. een omgevingsplan voor De Broodfabriek en omgeving, een deelgebied binnen bedrijventerrein Plaspoelpolder, in de gemeente Rijswijk; e.
een omgevingsplan voor de bedrijventerreinen Schieoevers Noord, Rotterdamseweg Noord en Vulcanusweg, voor wat betreft de delen die vallen buiten het bestemmingsplan Schieoevers Noord (Kabeldistrict en Nieuwe Haven), in de gemeente Delft; of f. een omgevingsplan voor het noordelijk deel van bedrijventerrein De Gors in de gemeente Zwijndrecht.
Gerelateerd aan bovenstaand moet ook op een andere plek iets gewijzigd: Artikel 7.49 (uitzonderingen detailhandel) 1 In afwijking van artikel 7.48 kan een omgevingsplan voorzien in de volgende detailhandel : a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: 1°. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; 2°. detailhandel in volumineuze goederen ; 3°. meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II; 4°. tuincentra ;
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
5°. bouwmarkten ; b. kleinschalige detailhandel : 1°. in de vorm van een gemakswinkel ; 2°. bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, en andere voorzieningen met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; c. ondergeschikte detailhandel : 1°. in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; 2°. bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk bedrijf of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdactiviteit; 3°. bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt; d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; e. kringloopwinkels ; f. kern gebonden supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie en de leefbaarheid onder druk staat. 2 Het omgevingsplan kan toevoeging of uitbreiding van detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a en f, alleen mogelijk maken als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat.
Ook met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland , voor zover het gaat om de detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het eerste lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte. 3 Een omgevingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het eerste lid, onder a, stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: a. ten hoogste 20% van het netto-verkoopvloeroppervlakte met een maximum van 500 m2 wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.
Aanpassingen in bijlage II: bedrijventerreingebied /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_c4b29de58bd244279a4f67d0885958c4####### #########################//nld@2025-02-172025-10-14;23 campussen
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
/join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_################################/nld@20 25-10-14;1 bedrijventerrein met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_ed290116bb0741d0b03f0816e1a10d93####### #########################/nld@2024-12-182025-10-14;12 watergebonden bedrijventerreingebied /join/id/regdata/pv28/2024/gebiedsaanwijzing_411d3e7db379478c96034d23dcb1a01b####### #########################/nld@2024-12-182025-10-14;12
Toelichting De Algemene toelichting komt te luiden: 5 Onderwerpen in de omgevingsverordening 5.7 Ruimte voor (toekomstige) functies 5.7.1 Detailhandel, kantoren, bedrijven Naast algemene instructieregels over stedelijke ontwikkelingen kunnen ook andere regels in deze omgevingsverordening van toepassing zijn, zoals de regels voor kantoren, detailhandel en bedrijven. Voor kantoren en detailhandel hanteert de provincie locatiebeleid. Voor bedrijven hanteert de provincie beschermend beleid voor bedrijventerreinen vanaf een bepaalde gebruiksruimte voor geluid en geurvoor zware bedrijven met veel milieugebruiksruimte (voorheen: hogere milieucategorieën (HMC)) en watergebonden bedrijventerreinen. Daarbij is transformatie en functiemening mogelijk, waarbij compensatie vereist kan zijn. De bepalingen over detailhandel, kantoren en bedrijven zijn geregeld in de paragrafen 7.3.10 en 7.3.11. Een uitvoerige toelichting op dit onderwerp is te vinden bij de artikelsgewijze toelichting van de artikelen in deze paragrafen 7.3.10 en 7.3.11. De Artikelsgewijze toelichting komt te luiden: § 7.3.11 Bedrijven Bescherming bestaande bedrijventerreinen Het provinciaal beleid is gericht op het beschermen van bestaande bedrijventerreinen. Functiemenging en functiewijziging zijn daarom alleen onder voorwaarden mogelijk.
Functiemenging houdt in dat andere functies dan bedrijven worden toegelaten, maar de hoofdfunctie van het gebied in overwegende mate bedrijventerrein blijft. Functiewijziging houdt in dat de hoofdfunctie van een deel van het gebied wordt getransformeerd naar een andere functie dan bedrijventerrein. Functiemenging is op grond van deze verordening mogelijk, door in beperkte mate te voorzien in bedrijfswoningen, tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en andere functies die ondersteunend zijn aan het profiel van het bedrijventerrein. Het toelaten van deze functies mag niet tot gevolg hebben dat de milieugebruiksruimte wordt beperkt. Ook mogen de aanwezige bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Voorkomen moet worden dat functiemenging ten koste gaat van courante bedrijfskavels of bedrijfspanden.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten is mogelijk voor een periode van maximaal 10 jaar, mits een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geboden. De mogelijkheden van huisvesting van arbeidsmigranten op zware bedrijventerreinen, zijn daarom in de praktijk beperkt tot delen van het bedrijventerrein waar in de huidige situatie alleen bedrijven met een beperkte milieubelasting zijn gevestigd. Op bedrijventerrein met de zwaarste bedrijven is huisvesting van arbeidsmigranten niet passend. Doelstelling van de instructieregels voor zware bedrijven Bedrijven die een grotere milieugebruiksruimte nodig hebben (voorheen: in de hogere milieucategorieën), vormen een belangrijke schakel in de economische structuur van de provincie Zuid-Holland. De bedrijven kennen veelal een hoge toegevoegde waarde en vormen vaak het middelpunt van andere bedrijvigheid met vele toeleveranciers, inclusief de zakelijke dienstverlening. Omvangrijke terreinen voor bedrijven met zwaardere milieuhinderlijke activiteiten (voorheen: hoge milieuhindercategorie (HMC-bedrijven)) zijn te vinden in de zeehavengebieden in de Rotterdamse regio en de Drechtsteden. Het aantal locaties waar zich in de provincie Zuid-Holland zwaardere bedrijven kunnen vestigen, is beperkt. In de omgeving van veel bedrijventerreinen is namelijk sprake van milieugevoelige activiteiten op korte afstand.
Het gaat daarbij meestal om woningen of woningbouwlocaties, maar bijvoorbeeld ook om scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen. De afstand tussen het bedrijventerrein en die milieugevoelige activiteiten is bepalend voor het type bedrijven dat zich op het bedrijventerrein kan vestigen. Dat komt doordat de milieunormen die volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden opgenomen in het omgevingsplan uitgaan van een maximale milieuhinder die ter plaatse van de milieugevoelige activiteiten mag worden veroorzaakt. Aan die milieunormen ligt de veronderstelling ten grondslag dat de milieuhinder afneemt naarmate de afstand tot de milieugevoelige activiteiten toeneemt. De instructieregels in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn gericht op het behoud van de schaarse ruimte die binnen de provincie beschikbaar is voor het vestigen van zwaardere bedrijven. Om dat doel te bereiken, zijn de instructieregels in de kern gericht op: •
•
•
het voorkomen dat de milieugebruiksruimte die voor milieuhinderlijke activiteiten op het bedrijventerrein beschikbaar is wordt beperkt door de realisatie van nieuwe milieugevoelige activiteiten in de omgeving van het bedrijventerrein; het verbieden van specifieke milieunormen die de beschikbare milieugebruiksruimte verder beperken dan nodig is op grond van het minimale beschermingsniveau dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voorgeschreven; het waarborgen dat de beschikbare ruimte voor zwaardere bedrijven zo veel mogelijk door zwaardere bedrijven wordt benut en niet onnodig wordt ingenomen door lichtere bedrijven die zich ook op kortere afstand van milieugevoelige activiteiten kunnen vestigen.
Attentiegebieden Om zwaar bedrijventerrein te behouden, moet in de eerste plaats voorkomen worden dat in het omgevingsplan nieuwe milieugevoelige activiteiten worden toegestaan op een kortere afstand van dat bedrijventerrein. Het bedrijventerrein zou daardoor minder geschikt worden voor de vestiging van zwaardere bedrijven, omdat die bedrijven mogelijk niet meer kunnen voldoen aan de eisen die worden gesteld aan de milieubelasting die zij ter plaatse van milieugevoelige activiteiten mogen veroorzaken. Met andere woorden, door nieuwe milieugevoelige activiteiten
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
kan de milieugebruiksruimte afnemen die op het bedrijventerrein beschikbaar is. Daarom verbiedt de verordening om in het omgevingsplan te voorzien in nieuwe milieugevoelige activiteiten tussen bestaande planologische mogelijkheden voor milieugevoelige activiteiten en de grenzen van het bedrijventerrein. Onder bestaande activiteiten worden niet alleen de activiteiten verstaan die reeds legaal aanwezig zijn, maar ook activiteiten die zijn toegestaan op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De verordening roept dus geen verplichting in het leven om bestaande, maar onbenutte mogelijkheden voor het starten van milieugevoelige activiteiten te schrappen.
- zwaar bedrijventerrein - bedrijventerrein anders dan zwaar (lichte bedrijven) - planologische mogelijkheid (milieugevoelige activiteit) - bestaande woningen (milieugevoelige activiteit) - attentiegebied
Werking regels voor verschillende gebieden Het gebied rondom een bedrijventerrein waarin nieuwe milieugevoelige activiteiten verboden zijn, wordt in de Handreiking van de VNG een ‘attentiegebied’ genoemd. De instructieregels bieden de ruimte om in het omgevingsplan een attentiegebied op te nemen rondom een bedrijventerrein om te voldoen aan de verplichting om nieuwe milieugevoelige activiteiten te weren. De instructieregels verplichten hier niet toe, want volstaan kan worden met een verbod op het toestaan van nieuwe milieugevoelige activiteiten. Waarborgen van milieugebruiksruimte Om het zwaar bedrijventerrein beschikbaar te houden voor zo zwaar mogelijke bedrijven, moet in de tweede plaats gewaarborgd worden dat die bedrijven aanspraak kunnen maken op een zo groot mogelijk deel van de beschikbare milieugebruiksruimte. De instructieregels verbieden daarom dat het omgevingsplan die aanspraak beperkt. Het minimale beschermingsniveau dat volgens de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en overige instructieregels uit de omgevingsverordening in het omgevingsplan moet worden opgenomen wordt daarmee bepalend voor de milieugebruiksruimte waarover de bedrijven kunnen beschikken. In zoverre staan de instructieregels eraan in de weg dat de nieuwe zoneringssystematiek uit de Handreiking van de VNG wordt toegepast.
Die systematiek gaat er immers van uit dat specifieke milieunormen worden opgenomen waaraan milieuhinderlijke activiteiten gebonden zijn, zodat rondom het bedrijventerrein zo veel mogelijk ruimte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe milieugevoelige activiteiten.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Het uitgangspunt van deze instructieregels is daarmee dat een uitwaartse zonering wordt toegepast. Inwaartse zonering vindt slechts plaats voor zover dat nodig is om te kunnen voldoen aan het minimale beschermingsniveau dat vanwege de bestaande planologische mogelijkheden voor milieugevoelige activiteiten volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan geboden moet worden. Om het provinciaal belang bij het behoud van locaties voor zware bedrijvigheid te behartigen, wordt voor de betrokken locaties dus afgeweken van het uitgangspunt uit de Handreiking dat een inwaartse zonering wordt toegepast. Dat gebeurt om de vestiging van nieuwe milieuhinderlijke activiteiten niet onnodig te belemmeren.
Uitwaarts zoneren
Inwaarts zoneren Gemeenten zijn niet verplicht om de nieuwe zoneringssystematiek uit de Handreiking toe te passen. Zij kunnen er ook voor kiezen om de oude systematiek te (blijven) hanteren, die is gebaseerd op milieucategorieën. Ook is het mogelijk dat in het omgevingsplan voor een locatie een maatwerkregeling is opgenomen op grond waarvan uitsluitend een specifiek bedrijf aanwezig mag zijn. Een dergelijke regeling vormt een indirecte beperking van de milieugebruiksruimte die beschikbaar is voor milieuhinderlijke activiteiten. Daarom bepalen de instructieregels dat dergelijke regelingen toelaatbaar zijn, mits de toegekende maximale milieucategorie wordt afgestemd op de milieugebruiksruimte die beschikbaar is op het zware bedrijventerrein. Verbod op lichte bedrijven De instructieregels moeten in de derde plaats verzekeren dat de ruimte op bedrijventerreinen die beschikbaar is voor zware bedrijven niet wordt gebruikt voor lichtere activiteiten die zich ook op kortere afstand van milieugevoelige activiteiten kunnen vestigen. Voordat een bedrijf zich vestigt, moet daarom een locatiegerichte afweging worden gemaakt of de locatie wel geschikt is voor dat bedrijf.
Daarbij moet sprake zijn van een eenmalig afwegingsmoment, omdat de instructieregels er anders toe kunnen verplichten om een bestaande, legale milieuhinderlijke activiteit onder het overgangsrecht te brengen als de milieueffecten van die activiteit afnemen, bijvoorbeeld door innovatie.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Dit eenmalige afwegingsmoment krijgt vorm in een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit. De vergunning, te verlenen door het college van burgemeester en wethouders, is nodig voor het starten van een nieuwe activiteit, of voor het wijzigen van een bestaande activiteit als die uit het oogpunt van de milieueffecten relevant is. De vergunningplicht geldt niet voor milieuhinderlijke activiteiten die al rechtmatig aanwezig zijn op het moment dat de vergunningplicht in het omgevingsplan wordt opgenomen. Voor de vestiging van nieuwe activiteiten zal in de meeste gevallen op grond van het omgevingsplan een vergunning nodig zijn voor het bouwen. De vergunningplicht voor het verrichten van activiteiten op een zwaar bedrijventerrein kan hierbij aanhaken en zorgt in zoverre niet voor extra lasten bij de aanvrager. De vergunningplicht heeft betrekking op alle activiteiten die op het zware bedrijventerrein worden verricht, omdat ook andere dan milieuhinderlijke activiteiten ten koste kunnen gaan van de schaarse ruimte die voor zwaardere bedrijven beschikbaar is. Bij het verlenen van de vergunning moet het college van burgemeester en wethouders beoordelen of de aangevraagde activiteit in redelijkheid niet op een kortere afstand dan 30 meter van een milieugevoelige activiteit gevestigd kan worden.
Deze afstand was in de oude zoneringssystematiek gekoppeld aan milieucategorie 3.1 in gemengd gebied. Uit de woorden ‘in redelijkheid’ volgt dat het college van burgemeester en wethouders niet kan volstaan met een beoordeling van de aangevraagde activiteit, maar dat tevens moet worden gekeken of de milieubelasting met eenvoudige maatregelen kan worden beperkt. Hiermee wordt voorkomen dat een zwaardere milieubelasting wordt aangevraagd om de enkele reden dat de vestiging op een zwaar bedrijventerrein in dat geval gerechtvaardigd is. De instructieregels bieden ook de mogelijkheid om de vergunning te verlenen voor de gewijzigde voortzetting van een bestaande activiteit als die wijzigingen tot gevolg hebben dat de milieueffecten van de activiteit afnemen, maar verplaatsing van die activiteit in redelijkheid niet mogelijk is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om innovatie of het staken of verplaatsen van bepaalde milieuhinderlijke activiteiten. Verhouding tot de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering In 2024 heeft de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) de nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering gepubliceerd. Daarin wordt een nieuwe zoneringssystematiek gepresenteerd die in het omgevingsplan kan worden toegepast om activiteiten op bedrijventerreinen te reguleren.
Volgens de Handreiking heeft de nieuwe zoneringssystematiek drie doelstellingen, te weten a) het wegnemen van de discrepantie tussen de normering van bedrijfsactiviteiten in het milieuspoor en het ruimtelijk spoor, b) het voorkomen van het toekennen van onnodige gebruiksruimte aan bedrijven en c) het schrappen van de figuur van de staat van bedrijfsactiviteiten. De instructieregels in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening stellen juridisch bindende eisen aan de regulering van activiteiten op een bedrijventerrein in het omgevingsplan. Zij kunnen daarom een beperking vormen voor de keuzevrijheid van gemeenten om bedrijventerreinen te zoneren en daarbij de systematiek van de Handreiking toe te passen. Bij de formulering van de instructieregels is dat in aanmerking genomen. De instructieregels bieden zoveel mogelijk ruimte om de Handreiking te gebruiken. Dit is gedaan door: •
de eisen aan de inhoud van het omgevingsplan hoofdzakelijk te beperken tot locaties op bedrijventerreinen op tenminste 50 meter afstand van milieugevoelige activiteiten, waar zich zware milieuhinderlijke activiteiten kunnen vestigen waarop de Handreiking slechts beperkt van toepassing is;
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
•
in lijn met de Handreiking niet langer voor te schrijven dat een zoneringssystematiek met milieucategorieën wordt toegepast, waardoor ook de mogelijkheid wordt geboden om de discrepantie tussen de normering van bedrijfsactiviteiten in het milieuspoor en het ruimtelijk spoor in het omgevingsplan weg te nemen.
Desondanks kan niet worden voorkomen dat er enige overlap blijft bestaan tussen eisen die in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening worden gesteld en de zoneringssystematiek die in de Handreiking wordt gepresenteerd. Waar die overlap zich voordoet, kiest de verordening een andere benadering en bestaat dus geen ruimte om de Handreiking toe te passen. De reden daarvoor is dat de instructieregels de prioriteit leggen bij de vestiging van milieuhinderlijke activiteiten en zo veel mogelijk milieugebruiksruimte voor die activiteiten willen behouden. Dat staat haaks op de doelstelling van de Handreiking om de milieugebruiksruimte van afzonderlijke milieuhinderlijke activiteiten te beperken, zodat zo veel mogelijk ruimte bestaat om in de omgeving van bedrijventerreinen nieuwe milieugevoelige activiteiten te realiseren. In het verlengde hiervan is het uitgangspunt van de instructieregels dat op een zwaar bedrijventerrein wordt gekozen voor een uitwaartse zonering. De Handreiking neemt een inwaartse zonering als uitgangspunt. In de verordening is daarom de bewuste keuze gemaakt om toepassing van de Handreiking deels uit te sluiten voor (delen van) een bedrijventerrein dat als “zwaar” aan te merken is. Dit gebeurt uitdrukkelijk door in art.
7.52a, tweede lid, van de verordening te bepalen dat het omgevingsplan geen regels mag bevatten waarmee de milieugebruiksruimte voor zware bedrijven op de betrokken bedrijventerreinen verder wordt beperkt dan noodzakelijk is om te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Effectief betekent dit dat voor een zwaar bedrijventerrein wordt teruggevallen op het beschermingsniveau dat volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving geboden moet worden en dat geen ruimte bestaat om daar met toepassing van de Handreiking in het omgevingsplan aanvullende milieunormen aan toe te voegen. De toepassing van art. 5.69 en 5.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op grond waarvan in het omgevingsplan kan worden bepaald dat de milieunormen gelden op een andere locatie dan de gevel van milieugevoelige activiteiten, is dan bijvoorbeeld niet mogelijk. Voor het overige wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de Handreiking. Er bestaat geen verplichting om in het omgevingsplan milieucategorieën te onderscheiden en het behoud van de milieugebruiksruimte kan worden gewaarborgd met gebruikmaking van attentiegebieden en het niet toelaten van milieugevoelige activiteiten.
Hiermee wordt gewaarborgd dat de regels in het omgevingsplan over een zwaar bedrijventerrein kunnen worden ingepast in de meer algemene regulering van activiteiten op bedrijventerrein in het omgevingsplan, waarin de Handreiking (voor het overige) wél is toegepast. De instructieregels zijn gericht op het behoud van locaties die geschikt zijn voor het vestigen van zwaardere bedrijven. Met ‘zwaardere bedrijven’ wordt gedoeld op bedrijven in de voormalige Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG uit 2009 waren ingedeeld in tenminste milieucategorie 3.1 en waarvoor een richtafstand gold van 50 meter of meer tot een milieugevoelige activiteit in een rustig gebied (en 30 meter in een gemengd gebied). Delen van bedrijventerreinen die op een afstand liggen van tenminste 50 meter van een milieugevoelig object zijn geschikt voor de vestiging van zwaardere bedrijven en zijn dus van provinciaal belang. Het kan hierbij ook gaan om een deel van een bedrijventerrein als dat terrein slechts deels op een kortere afstand ligt dan 50 meter van een milieugevoelig object, mits dat deel voldoende oppervlakte heeft om een milieuhinderlijke activiteit te kunnen verrichten. Dit volgt uit het toepassingsbereik van de instructieregels dat is opgenomen in art. 7.51c. In aansluiting op de
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG wordt niet gesproken over ‘bedrijven’, maar over ‘milieuhinderlijke activiteiten’. Daarnaast wordt het verzamelbegrip ‘milieugevoelige activiteiten’ gehanteerd. Hiervan zijn definities opgenomen in bijlage I bij de verordening. De instructieregels moeten worden toegepast door de gemeenteraad die delen van het omgevingsplan wijzigt die relevant zijn voor een bedrijventerrein. Het kan gaan om het reguleren van een nieuw of bestaand bedrijventerrein, of om het toestaan van nieuwe milieugevoelige activiteiten in het gebied waar de activiteiten op het bedrijventerrein milieuhinder veroorzaken die ten koste kan gaan van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Om de instructieregels te kunnen toepassen, moet de raad onder andere vaststellen of sprake is van een (deel van een) bedrijventerrein buiten de lijn die ligt op 50 meter afstand van de uiterste positie van de gevel van de omliggende milieugevoelige gebouwen of van de grens van de omliggende locaties waar milieugevoelige activiteiten worden verricht.
Artikel 7.51a (begripsbepalingen) Dit artikel bevat definities van enkele specifieke begrippen die in deze paragraaf worden gebruikt. Het begrip ‘bedrijventerrein’ is samen met de geometrische aanduiding van bedrijvengebieden in belangrijke mate bepalend voor het toepassingsbereik van de paragraaf. Het grootste deel van de daarin opgenomen instructieregels zijn alleen van toepassing op locaties binnen bedrijvengebieden waar het omgevingsplan voorziet in een bedrijventerrein. Het gaat daarbij om bestaande planologische mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten, maar ook om nieuwe bedrijventerreinen waarin het omgevingsplan met een wijziging gaat voorzien. Anders dan voorheen wordt het begrip ‘functie’ niet meer gebruikt om de planologische mogelijkheden aan te duiden. Dat begrip kan namelijk suggereren dat uitsluitend wordt gedoeld op het type regels in het omgevingsplan waarmee een locatieaanduiding op de verbeelding wordt gekoppeld aan een specifiek gebruiksdoeleinde. Voor de toepassing van de instructieregels is bepalend dat het omgevingsplan de mogelijkheid biedt om bedrijfsactiviteiten te verrichten. De vormgeving van de desbetreffende regels in het omgevingsplan is niet relevant. Het begrip ‘milieugebruiksruimte’ wordt gehanteerd voor de omvang van de milieuhinder die bedrijfsactiviteiten mogen veroorzaken.
Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden daarvoor grenswaarden opgenomen in het omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om de maximale geluidsbelasting die vanwege een bedrijfsactiviteit op een locatie mag bestaan. De omvang van de milieuhinder neemt af naarmate de afstand tot de bedrijfsactiviteit toeneemt. De milieugebruiksruimte is daarom een afgeleide van de grenswaarde enerzijds en de afstand tussen de bedrijfsactiviteit en de locatie waar die grenswaarde geldt anderzijds. In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden de grenswaarden gekoppeld aan de locaties van milieugevoelige activiteiten, zoals (de gevels van) woningen. Dit betekent dat op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving de afstand tussen de locatie waar de bedrijfsactiviteiten worden verricht en de locatie van de dichtstbijzijnde milieugevoelige activiteit bepalend is voor de milieugebruiksruimte die op de locatie van het desbetreffende bedrijf beschikbaar is. Het begrip ‘milieugevoelige activiteit’ is kwalitatief omschreven. De reden daarvoor is dat niet alle grenswaarden die volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden opgenomen in het omgevingsplan dezelfde maatgevende milieugevoelige activiteiten hanteren. Het aantal geluidgevoelige activiteiten is bijvoorbeeld beperkter dan het aantal geurgevoelige activiteiten.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
In alle gevallen gaat het om woningen. Maar met de kwalitatieve omschrijving wordt bereikt dat ook andere aan locaties toegedeelde activiteiten waarop de grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing zijn onder het begrip worden geschaard. Om dezelfde reden wordt onder het begrip ‘milieuhinderlijke activiteit’ geurhinder en geluidhinder slechts als voorbeelden genoemd. Dit is bewust geen limitatieve opsomming. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten. Artikel 7.51d (toepassingsbereik zwaar bedrijventerrein) Dit artikel bepaalt in belangrijke mate voor welke locaties specifieke eisen worden gesteld aan de inhoud van het omgevingsplan. Dat gebeurt door de introductie van het begrip ‘zwaar bedrijventerrein’. Het omgevingsplan moet voor locaties die kwalificeren als zwaar bedrijventerrein en het gebied daaromheen aan specifieke eisen voldoen. De locaties van zwaar bedrijventerrein worden in de omgevingsverordening niet exact vastgelegd. De gemeenteraad moet bij de voorbereiding van een wijzing van het omgevingsplan zelf vaststellen welke locaties op een bedrijventerrein kwalificeren als een zwaar bedrijventerrein. Voor bestaande bedrijfsactiviteiten is daarbij sprake van een drietrapsraket.
Van een zwaar bedrijventerrein is sprake als de locatie binnen de geometrische begrenzing van een bedrijvengebied ligt, voor zover het omgevingsplan voor die locatie voorziet in bedrijventerrein als gedefinieerd in artikel 7.51a en als de locatie op een grotere afstand ligt dan 50 meter van een milieugevoelige activiteit. Met deze laatste voorwaarde wordt gewaarborgd dat de instructieregels alleen van toepassing zijn op locaties waar zich bedrijven kunnen vestigen uit tenminste (de voormalige) milieucategorie 3.1. Aan die milieucategorie is namelijk een richtafstand verbonden van 50 meter binnen een rustig woongebied. Als een nieuw bedrijventerrein wordt toegelaten, dan zijn de instructieregels ook van toepassing als de desbetreffende locaties niet binnen de geometrische aanduiding van bedrijvengebied liggen. Dit artikel bepaalt uitsluitend wat het toepassingsbereik van een deel van de instructieregels is. Als een locatie onder het toepassingsbereik valt, dan betekent dat de gemeente specifieke eisen uit de verordening in acht moet nemen om te waarborgen dat planologische ruimte blijft bestaan voor het vestigen van zwaardere bedrijven zich op het bedrijventerrein. Het artikel voorziet zelf niet in inhoudelijke eisen aan het omgevingsplan.
De afstandseis van 50 meter moet dus niet worden verward met de inhoudelijke eis dat de milieugebruiksruimte niet mag worden beperkt door milieugevoelige activiteiten op kortere afstand van het bedrijventerrein toe te staan. Die eis is neergelegd in artikel 7.52a. Artikel 7.52 (functiewijziging bedrijventerrein anders dan voor zware bedrijven) Functiewijziging is op grond van deze verordening alleen mogelijk als het gaat om een bedrijventerrein waar volgens het geldende omgevingsplan alleen bedrijven worden toegelaten waar geen zwaar bedrijventerrein meer is/zware bedrijven kunnen worden toegelaten. Op dat deel van het bedrijventerrein kunnen andere functies worden toegelaten, mits de beschikbare ruimte voor bedrijven per saldo gelijk blijft door meervoudig ruimtegebruik en de activiteiten bij voorkeur bijdragen aan de opgaven energietransitie, circulaire economie of klimaatadaptatie. Artikel 7.49 (uitzonderingen detailhandel) beschrijft de uitzonderingen van detailhandel die zich buiten de bestaande centra kan vestigen. Artikel 7.49, eerste lid onder a, onder 3 stelt dat meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, buiten de centra mogelijk zijn voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV-locaties) De PDV-locaties (31 in totaal) zijn aangeduid. Een aantal van deze PDV-locaties bevinden zich op bedrijventerreinen. Om het mogelijk te maken dat de locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV-locaties) daarvoor gebruikt kunnen worden is functiewijziging mogelijk gemaakt. In artikel 7.49 tweede lid worden de voorwaarden benoemd waaronder zich op de PDV-locaties nieuwe woondetailhandel kan vestigen. Artikel 7.52a (milieugebruiksruimte voor zware bedrijven) Dit artikel bevat de eisen aan het omgevingsplan waarmee wordt gewaarborgd dat op het bedrijventerrein voldoende milieugebruiksruimte behouden blijft om zo zwaar mogelijke bedrijfsactiviteiten te kunnen vestigen. Om dit te bereiken, wordt in het eerste lid een beperking gesteld aan de mogelijkheid om in het omgevingsplan te voorzien in nieuwe milieugevoelige activiteiten in het omgevingsplan.
Het eerste lid verbiedt om in het omgevingsplan nieuwe mogelijkheden op te nemen voor milieugevoelige activiteiten op een kortere afstand van een zwaar bedrijventerrein dan de bestaande mogelijkheden voor milieugevoelige activiteiten die reeds in het omgevingsplan zijn opgenomen. Dat is van belang, omdat de afstand tot milieugevoelige activiteiten mede bepalend is voor de omvang van de milieugebruiksruimte waarover bedrijven kunnen beschikken. De milieuhinder die bedrijven veroorzaken, neemt immers af naarmate de afstand tot milieugevoelige activiteiten toeneemt. Als milieugevoelige activiteiten op kortere afstand van het bedrijventerrein worden toegestaan, dan worden de grenswaarden voor de maximale milieuhinder van de bedrijfsactiviteiten eerder bereikt en neemt de milieugebruiksruimte dus af. Er is gekozen voor een afstand van 300 meter omdat deze afstand gelijk is aan de voormalige richtafstand van een categorie 4.2 bedrijf. Grotere afstanden van zwaardere bedrijven (voorheen: vanaf Milieucategorie 5 en hoger) worden geborgd door de regels te stellen in het omgevingsplan op grond van de kaders van het Rijk voor externe veiligheid en geluid voor dat soort situaties (risicogebieden en industrieterreinen met geluidsproductieplafonds).
Bedrijven die in de voormalige situatie milieucategorie 5 en hoger waren vragen bij de inpassing in het omgevingsplan veelal maatwerk met behulp van die systematieken. In de Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG wordt in dat verband de optie geboden om rondom een bedrijventerrein een attentiegebied te hanteren. Binnen een attentiegebied zijn nieuwe milieugevoelige activiteiten verboden. De instructieregels bieden de mogelijkheid om een dergelijk attentiegebied in de planregels op te nemen, maar verplichten daar niet toe. Weliswaar mag het omgevingsplan geen nieuwe milieugevoelige activiteiten toestaan op kortere afstand, maar het plan hoeft die activiteiten niet uitdrukkelijk te verbieden. In het tweede lid wordt het verboden om in het omgevingsplan specifieke milieunormen op te nemen waaraan de activiteiten binnen een zwaar bedrijventerrein moeten voldoen. Hiermee wordt gewaarborgd dat het omgevingsplan geen strengere eisen aan bedrijfsactiviteiten stelt dan noodzakelijk is om te voldoen aan de Omgevingswet, de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de overige eisen uit de Omgevingsverordening. De bepalingen in deze besluiten stellen eisen waaraan het omgevingsplan in ieder geval moet voldoen en zijn dus bepalend voor de maximale milieugebruiksruimte die op een locatie geboden kan worden.
In veel gevallen bestaat er vanuit de Rijksregels echter ruimte voor aanvullende eisen in het omgevingsplan.
PZH-2025-880390290 dd. 14-10-2025
Hierbij kan worden gedacht aan een geluidgrenswaarde die niet geldt op de gevel van een woning, maar op een vaste afstand van de grens van het bedrijfsperceel. De nieuwe zoneringssystematiek uit de Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG is gebaseerd op deze mogelijkheid om specifieke milieunormen vast te stellen. Met dergelijke specifieke milieunormen kan de milieugebruiksruimte worden beperkt die op het bedrijventerrein beschikbaar is. De omvang van de milieugebruiksruimte is dan immers niet meer afhankelijk van de aanwezigheid van een milieugevoelige activiteit. Als de afstand tot de dichtstbijzijnde milieugevoelige activiteit groter is dan de afstand die in de specifieke milieunorm is opgenomen, dan stelt die milieunorm strengere eisen aan de bron van de milieuhinder. Door specifieke milieunormen te verbieden, waarborgt de Omgevingsverordening dat in het omgevingsplan het wettelijk beschermingsniveau wordt gehanteerd, maar ook een maximale milieugebruiksruimte wordt geboden. In het derde lid wordt de mogelijkheid geboden om in het omgevingsplan een limitatieve opsomming te geven van het type bedrijfsactiviteiten dat op een locatie mag worden verricht. Een voorbeeld hiervan is de oude zoneringssystematiek op grond van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009.
In die zoneringssystematiek wordt gewerkt met milieucategorieën in combinatie met een staat van bedrijfsactiviteiten waarin per milieucategorie limitatief wordt aangegeven welke soorten bedrijven daaronder worden verstaan. Een dergelijke limitatieve opsomming vormt een beperking van de maximale milieugebruiksruimte, omdat de toegekende milieucategorie bepalend is voor de milieuhinder die de bedrijfsactiviteiten op de betrokken locatie mogen veroorzaken. De milieugebruiksruimte is daarmee niet langer uitsluitend afhankelijk van de aanwezigheid van milieugevoelige activiteiten in de omgeving. In de (tijdelijke delen van de) omgevingsplannen zijn nog veel regelingen terug te vinden waarin met een dergelijke opsomming wordt gewerkt. Het is ook de verwachting dat in ieder geval op korte termijn nog behoefte zal blijven bestaan om daaraan vast te houden. De instructieregels bieden daar ruimte voor. Daarbij wordt wel als voorwaarde gesteld dat typen bedrijven worden toegestaan die een zo groot mogelijke milieugebruiksruimte nodig hebben. Aan deze voorwaarde kan bijvoorbeeld worden voldaan door de hoogste milieucategorie te gebruiken die gelet op de activiteiten in de omgeving aanvaardbaar is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het vierde lid is een speciale regeling opgenomen voor watergebonden bedrijven.