Ontwerp Nota van Motivering herziening omgevingsbeleid 2025
Tekst van het document
Het onderzoek voor RES Drechtsteden, RES Holland Rijnland en RES Midden-Holland heeft geleid tot een aantal primaire en secundaire zoekgebieden voor windenergie. Dit zijn zoekgebieden die in het onderzoek als technisch geschikt beoordeeld zijn. De primaire zoekgebieden hebben de provinciale voorkeur. De primaire en secundaire zoekgebieden en de geometrische begrenzing hiervan worden opgenomen in de Omgevingsvisie. In het Omgevingsprogramma beschrijven we hoe we deze zoekgebieden, zoveel mogelijk samen met de RES-partners, willen uitwerken tot windlocaties. Voor RES Holland Rijnland en RES Midden-Holland is geconcludeerd dat de bestaande plaatsingsvisie voor windenergie te weinig ruimte biedt voor realisatie van het RES-bod. Om voldoende ruimte te bieden voor het behalen van de RES-biedingen van RES Holland Rijnland en RES Midden-Holland, is een nieuwe plaatsingsvisie opgesteld. Om ervoor te zorgen dat het realiseren van windenergie in de zoekgebieden en zoeklocaties mogelijk blijft, is onderzocht hoe we de zoekgebieden en windlocaties met het Omgevingsbeleid ruimtelijk kunnen beschermen. In de Omgevingsvisie is een tekst opgenomen om de bestaande
25
locaties voor windenergie ruimtelijk extra te beschermen. Zo voorkomen we dat de ruimte voor windenergie ongewenst afneemt. Tot slot zijn er verschillende windlocaties waarvan de afgelopen jaren gebleken is dat ze niet haalbaar zijn. Deze windlocaties en hun geometrische begrenzingen worden uit de Omgevingsverordening geschrapt. Het gaat om: Groote Lindt en Oosteind In 2022 heeft de provincie onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van de locaties windenergie in Zwijndrecht (Groote Lindt) en Papendrecht (Oosteind) https://pzh.notubiz.nl/vergadering/1057490. De conclusie van dit onderzoek is dat windenergie op deze plekken niet mogelijk/weinig kansrijk is. Voor beiden locaties geldt dat ze niet geschikt is omdat er door harde belemmeringen zoals vaarwegen, buisleidingen, nabijgelegen woningen en plaatsgebonden risico’s nauwelijks ontwikkelruimte overblijft. Daarnaast zorgen zachte belemmeringen en de complexe medewerking van grondeigenaren en bedrijven ervoor dat realisatie praktisch onmogelijk is. Bij de behandeling van de module Energietransitie in december 2022 is de lijn gekozen om locaties pas uit de verordening te halen als er een nieuwe kansrijke locatie gevonden is. Voor de RES Drechtsteden is, zoals naar voren komt uit de RES Voortgangsrapportage 2025, het RES-bod voor 2030 in zicht. Daarmee heeft de RES geen extra windlocaties nodig om haar bod te halen.
Uit de conceptresultaten van de Omgevingseffectrapportage voor groot wind uit 2025 komt een technisch best beoordeelde windlocatie in Dordrecht naar voren en daarnaast heeft Dordrecht ook zelf windlocaties als alternatief aangedragen. Om deze reden stellen wij als Gedeputeerde Staten voor om de locaties Groote Lindt en Oosteind als locatie windenergie uit de Omgevingsverordening te verwijderen. Avelingen Onderdeel van de Bestuurlijke Samenwerkingsovereenkomst Windenergie RES Alblasserwaard (SOK) is het doen van een voorstel aan PS om Avelingen uit de provinciale Omgevingsverordening te halen https://pzh.notubiz.nl/document/15260615/1#search=%22samenwerkingsovereenkomst%20Al blasserwaard%22. Uit de gecombineerde resultaten uit de HIA en de analyse van omgevingseffecten blijkt dat de locatie Avelingen volgens huidig beleid minder kansrijk is dan gedacht. Ongeveer gelijk aan het destijds vastleggen van Avelingen in de provinciale Omgevingsverordening, kregen de Hollandse Waterlinies de status van Werelderfgoed. Nu blijkt dat locatie Avelingen hooguit nog kansrijk is voor twee windturbines van de kleinere maat referentieturbine (195 meter tiphoogte). Het plaatsen van minder dan drie turbines is enerzijds vanuit landschappelijk perspectief volgens het huidige provinciale Omgevingsbeleid ongewenst.
Anderzijds is dit vanuit de businesscase en de invloed op de maatschappelijke kosten niet wenselijk. Het kansrijke gebied voor deze twee turbines is bovendien gelegen in NNN-gebied. De provincie heeft een taak om bestaand NNNgebied te beschermen en het plaatsen van windturbines kan alleen onder strikte voorwaarden. Dat maakt dat Avelingen op basis van de HIA en de jongste omgevingsanalyse minder kansrijk is geworden voor ontwikkeling van windenergie. De gemeenteraad van Gorinchem heeft duidelijke steun uitgesproken voor optimalisatie van locatie S (Gorinchem Noord), mits Avelingen kan 26
komen te vervallen. Gevoegd bij de ontwikkelingen van het bedrijventerrein op Gorinchem Noord maakt een uitbreiding van deze locatie S opportuun en een reëel alternatief voor Avelingen, aangezien daar minder opwek gerealiseerd kan worden dan verwacht. Het is dan ook tegen deze achtergrond dat wij als Gedeputeerde Staten voorstellen om Avelingen uit de provinciale Omgevingsverordening te verwijderen en de inzet te verleggen naar locatie S en het mogelijk maken van realisatie van middelgrote windturbines op bedrijventerreinen in gemeente Molenlanden. Valkenburg In 2024 heeft de provincie onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van windturbines bij het Valkenburgse Meer. Het onderzoek heeft geconcludeerd dat er onvoldoende ruimte is voor windturbines in de gemeente Katwijk bij het Valkenburgse Meer. Om deze reden is het advies aan GS om bij het ontwerp van de brede Herziening Omgevingsbeleid 2025 aan PS voor te stellen om Valkenburg als locatie windenergie uit de Omgevingsverordening te verwijderen. Om de invulling van de RESambitie verder vorm te geven gaan wij samen met de RES-partners van Holland Rijnland op zoek naar ruimte voor opwek van duurzame energie, in lijn met de RES-routekaart. Windenergie Lansingerland Bij het benutten van hernieuwbare bronnen zet de provincie tot 2030 in op wind- en zonneenergie. De provincie biedt ruimtelijk mogelijkheden voor windenergie.
Rijk en provincies hebben hierover afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord uit 2019. Hiermee verbindt de provincie zich aan het realiseren van de internationale en nationale doelstellingen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Hierover zijn afspraken gemaakt in het windconvenant, waar de gemeente Lansingerland én de provincie Zuid-Holland deel van uitmaken. In het coalitieakkoord Krachtig Zuid-Holland is de opgave windenergie in Lansingerland 15 MW. Dit kan gerealiseerd worden met drie windmolens. De provincie ZuidHolland gaat voor 3 locaties in de gemeente Lansingerland verder onderzoeken of windturbines geplaatst kunnen worden: • Kruisweg oostzijde • Bleizo-West • Noordpolder De effecten van windmolens in de drie zoekgebieden in Lansingerland worden onderzocht in het plan-MER. Aan de hand van het plan-MER wind Lansingerland gaan Gedeputeerde Staten besluiten met een zogenaamde voorkeursbeslissing welke van de drie onderzochte locaties, of een combinatie daarvan, het meest geschikt is voor de realisatie van de windmolens. De zogeheten voorkeurbeslissing waar windenergie gerealiseerd kan worden in Lansingerland, is voorzien in het najaar van 2025. Windmolens zijn alleen toegestaan in gemeentelijke omgevingsplannen binnen de in de Omgevingsverordening aangewezen locaties.
Op dit moment is alleen Bleizo-West opgenomen in de Omgevingsverordening als locatie voor windenergie, daarom moeten Kruisweg-Oostzijde en Noordpolder ook in de Omgevingsverordening worden opgenomen. Na het nemen van de voorkeursbeslissing wordt ook een projectbesluit voorbereid. Nadat de voorkeurslocatie is vastgesteld kan een projectbesluit worden voorbereid. Een projectbesluit van de provincie hoeft niet te voldoen aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het toevoegen van deze locaties
27
gebeurt om consistent te zijn in het Omgevingsbeleid en zodat er, nog voorafgaand op het projectbesluit, al inspraak op mogelijk is. Maatregel Boerenerfmolens In het coalitieakkoord is afgesproken om te onderzoeken of de provincie lokale ondernemers kan helpen meer zelfvoorzienend te worden op energie en/of nieuwe verdienmodellen te kunnen ontwikkelen op het gebied van de energietransitie. De provincie wil dit doen door, afhankelijk van de lokale effecten op de directe omgeving en ecologie buiten bestaand dorps- en stadsgebied, kleinere windturbines met een ashoogte tot 30 meter meer ruimte bieden.. Deze maatregel is onderzocht door de landschappelijke, ecologische en omgevingseffecten in kaart te brengen. Hieruit blijkt onder meer dat er een groot risico is voor de soortendiversiteit. Dit gaat over het negatieve effect van kleine windturbines op kwetsbare populaties van vogels en vleermuizen (aanvaringen, cumulatieve effecten en barrièrewerking). Het is op basis van de beschikbare data niet goed in te schatten hoe groot het effect precies is, maar de verwachte negatieve invloed op vogel- en vleermuispopulaties lijkt dusdanig groot dat we het beleid rondom boerenerfmolens niet zonder meer kunnen verruimen.
Dit heeft vooral te maken met de grote hoeveelheid potentiële locaties (bijvoorbeeld de ongeveer de 4200 agrarische bouwpercelen) die mogelijk gebruik zouden willen maken van kleine windturbines. Dit is de reden dat er is gekozen om in plaats van een generieke verruiming van het beleid, kleine windturbines mogelijk te maken onder voorwaarden. Één van de voorwaarden is het uitvoeren van een ecologisch onderzoek. Daarnaast moet de landschappelijke inpassing goed gewaarborgd worden.
Participatie en internetconsultatie Windenergie De afspraken met betrekking tot participatie zijn maatwerk per RES. In RES Alblasserwaard heeft een uitgebreid participatieproces met inwoners, belanghebbenden en raden plaats gevonden. In RES Holland Rijnland hebben gemeenten aangegeven zelf de participatie met inwoners te willen doen. Verschillende gemeenten hebben hier zelf invulling aan gegeven, bv via inloopavonden, straatgesprekken en informatieavonden voor inwoners. In RES Midden-Holland heeft de provincie een participatieproces georganiseerd. Dit heeft zich beperkt tot informeren en raadplegen. Vanuit de provincie heeft er ook participatie plaats gevonden met gemeenten en waterschappen. Dit heeft onder andere geleidt tot het onderzoeken van door gemeenten aangedragen onderzoekslocaties. Tijdens het Open Huis en de internetconsultatie zijn reacties ontvangen van inwoners, energiecoöperaties, energiebedrijven en gemeenten. Windenergie Lansingerland In het coalitieakkoord ‘Krachtig Zuid-Holland’ van de provincie Zuid-Holland is aangekondigd dat de provincie in juni 2023 aan de regie over de realisatie windmolens in dit gebied naar zich toe trekt. De provincie gaat bij het doorlopen van de ruimtelijke procedures de communicatie en participatie op een goede manier invullen. Daarom is een communicatie en participatie plan voor wind in Lansingerland vastgesteld.
In het communicatie- en participatieplan staat hoe de omgeving wordt geïnformeerd over, en betrokken wordt bíj de keuze van een windlocatie in Lansingerland. Zie voor meer informatie naar het communicatie- en participatieplan en alle communicatie met de omgeving: Home | Denk mee met Zuid-Holland 28
Beleidskeuze 3.1.2 Eerlijke energietransitie De wijzigingen in de beleidskeuze ‘3.1.1 Duurzame opwek elektriciteit’ hebben ook geleid tot wijzigingen aan de beleidskeuze Eerlijke energietransitie, dit beleid ligt in elkaars verlengde. De participatiemogelijkheden en het bijbehorende proces zijn hiermee volledig onder deze beleidskeuze komen te landen. In deze herziening wordt participatie uitgewerkt in de visie algemeen en het beleid onder 1.1.2 Daadkrachtig Provinciaal bestuur. De beleidskeuze Eerlijke energietransitie biedt hierop een aanvulling door uitwerking te geven aan de vormen en mogelijkheden van financiële participatie. Daarnaast heeft de beleidskeuze een grotere reikwijdte gekregen en geld nu naast wind en zon ook voor eventueel bij opslag, en eventueel mogelijke andere technologieën.
Motivering Waar mogelijk zijn de aanbevelingen uit de beleidsevaluatie in de wijziging verwerkt. Daarnaast is de wijziging het gevolg van bestuurlijke toezegging (EE/T2025.015 ). Er is toegezegd om in een beleidskader participatie en lokaal eigendom nadere uitwerking te geven aan definities, uitgangspunten, en proces. Daarbij zijn de bestuurlijke toezeggingen (EE/T2025.014 ; EE/T2025.016 ; EE/T2025.017 ) en motie 1620 beleidsmatig uitgewerkt. Deze toezeggingen zijn gedaan n.a.v. aanbevelingen uit het rapport van de Randstedelijke Rekenkamer over het participatieproces bij Windpark Spui. In de bespreking is toegezegd om betekenisvolle en volwaardige participatie verder beleidsmatig uit te werken. Tot slot is het beleid in lijn gebracht met de GS-brief "eerlijke energietransitie" uit 2024. In de brief komen meerdere prestaties en maatregelen samen (waaronder lokaal eigendom, stimuleren lokale initiatieven, en inclusieve energietransitie).
Participatie Wat is er gedaan aan participatie? In 2024 is een onderzoek uitgevoerd door adviesbureau Grant Thornton naar de impact van het Programma Inclusieve Energietransitie. Hiervoor is het volgende aan participatie georganiseerd: • Interviews met 7 maatschappelijke organisaties; • Een digitale vragenlijst (n=50) die door 28 gemeenten volledig is ingevuld; • Focusgroep met bijdragen van 13 deelnemers van de Community of Practice (COP) waaronder 7 maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van TNO en RVO en 4 gemeenten; • 2 interviews met ministeries (BZK, SZW); • 1 interview met TNO; • 5 interviews met het kernteam van de provincie Zuid-Holland; • Een documentenanalyse van interne documenten zoals verslagen van de Community of Practice en samenvattingen van energieprojecten in wijken waarin we met lokale partners samenwerkten. Ook heeft in december 2024 heeft de Randstedelijke Rekenkamer het participatietraject bij windpark Spui en de rol van de provincie als bevoegd gezag onderzocht. Voor dit onderzoek is gesproken met omwonenden, omgevingspartijen, procesbegeleiders, initiatiefnemers en exploitant van Windpark Spui, de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines, 29
gemeente Hoeksche Waard, Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en provincie Zuid-Holland. Ook heeft de Rekenkamer experts geraadpleegd van de Rijksuniversiteit Groningen op het gebied van participatie en geluidsnormering. Wat waren de (belangrijkste) uitkomsten van het participatietraject? • De belangrijkste uitkomsten waren dat de provincie meerwaarde biedt als verbindend middenbestuur om een eerlijke energietransitie aan te jagen en versterken. De provincie moet doorgaan met kennisdeling, experimenten, stimulering, en netwerken. • Rechtvaardigheid moet geborgd worden in beleid. Het verbeteren en borgen van participatieprocessen bij grootschalige energieprojecten is belangrijk. Het bevorderen van lokaal eigendom bij grootschalige energieprojecten is ook gewenst. Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? • De lessen en de aanbevelingen van de externe impactevaluatie zijn overgenomen in de tekst van beleidskeuze 3.1.2 eerlijke energietransitie. • De aanbevelingen Randstedelijke Rekenkamer zijn overgenomen in de tekst van beleidskeuze 3.1.2
Beleidskeuze 3.1.3 Warmtetransitie in de gebouwde omgeving en glastuinbouw De teksten voor het Omgevingsbeleid zijn geactualiseerd en aangevuld zodat het beleid een goede afspiegeling geeft van onze huidige taken en activiteiten. Dit heeft geleid tot wijzigingen in de beleidskeuze ‘Warmtetransitie in de gebouwde omgeving en glastuinbouw’. Daarnaast zijn er twee maatregelen opgesteld ‘Energiebesparing’ en ‘Verduurzaming’. In deze maatregelen zijn onder andere de regionale samenwerking rond warmtetracés en het gebruik van het afwegingskader warmtekeuzes en afwegingskader koude uitgewerkt.
Motivering De warmtetransitie is flink in beweging door wetswijzigingen en wijzigingen van nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid. Deze vastgestelde wijzigingen worden verwerkt in de bestaande teksten van de visie en het programma voor het onderdeel warmtetransitie gebouwde omgeving en glastuinbouw passend bij de huidige ontwikkelingen en omstandigheden. Het doel van de herziening is het actualiseren van het de beleidsvoornemens voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de glastuinbouw. Het gaat om het goed kunnen inspelen op de huidige activiteiten rondom de warmtetransitie en de positie van de provincie Zuid-Holland waarbij aanvullend een visie wordt toegevoegd of het onderwerp: 1) Verkenningsgebieden voor warmtetracés, die worden opgenomen als werkingsgebieden, 2) warmteopslag, 3) Afwegingskader warmtekeuze uitbreiden met koude. De motivering om het beleidsonderwerp warmtetransitie (in de gebouwde omgeving en glastuinbouw) te herzien is gericht op het kunnen versnellen van de warmtetransitie zodat de klimaatdoelen meer en beter binnen bereik komen. Verkenningsgebieden warmtetracés opnemen in de omgevingsvisie?
30
Door een visie op verkenningsgebieden voor de warmtetracés op te nemen kan de provincie de ruimtelijke inpassing in relatie brengen met de kwaliteit van de leefomgeving en voorsorteren op een afweging met verschillende beleidsdoeleinden. Door de schaarse ruimte zal er een afweging gemaakt moeten worden hoe om te gaan met deze ruimte. Op deze manier wordt het provinciaal beleid telkens gebruikt als meetlat ten opzichte van de relatie met de ruimtevraag van het energiesysteem, ook met andere beleidsonderwerpen zoals water, bodem en natuur. Gemeenten hebben aangegeven belang te hechten aaneen richting van de provincie op dit onderwerp. Deze visie is nodig om partijen gezamenlijk te laten optrekken en de warmtetransitie te versnellen. Warmteopslag Door een visie op warmteopslag op te nemen, kan de provincie de ruimtelijke inpassing in relatie brengen met de kwaliteit van de leefomgeving borgen en voorsorteren op een afweging met verschillende beleidsdoeleinden. Het opnemen van warmteopslag geeft inzichten in het belang van warmteopslag om te komen op een integraal energiesysteem waarbij zorgvuldig rekening gehouden wordt met de schaarse ruimte. Daarnaast hebben stakeholders aangegeven dat zij belang hebben bij een positieve houding en een kritische blik van de provincie op dit onderwerp.
Afwegingskader warmte en koude Door het afwegingskader warmte aan te vullen met koude en op te nemen in de visie kan de provincie de kwaliteit van de leefomgeving borgen en voorsorteren op een afweging voor verschillende beleidsdoeleinden. Het afwegingskader biedt een vrijblijvend kader wanneer welke warmte-, en koudebron ingezet kan worden. Het afwegingskader warmte en koude draagt bij aan een integrale benadering van de energietransitie in Zuid-Holland.
Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? Om een breed gedragen Omgevingsbeleid voor het onderdeel warmte te maken, heeft team Energietransitie – Gebouwde Omgeving verschillende participatieactiviteiten georganiseerd om medeoverheden, regionale samenwerkingsverbanden, bedrijven en maatschappelijke organisaties en interne collega's te betrekken en gebruik te maken van hun inzicht en kennis. Voor het betrekken van stakeholders buiten de Provincie Zuid-Holland zijn voor elk van de drie deelonderwerpen van de herziening – warmtetracés, warmteopslag en het Afwegingskader voor inzet van koelingstechnieken – participatiessessies opgezet waar deelnemers hun kennis en ervaring konden delen en hun zienswijze konden inbrengen. Het participatietraject richtte zich op de effecten van de beleidsvoornemens op de beleidstrajecten en –ontwikkelingen van onze stakeholders. Tijdens het Open Huis in 2024 en 2025 werden de drie beleidsvoornemens besproken waarbij de sessies vrij toegankelijk waren en we stakeholders gericht hebben uitgenodigd om aanwezig te zijn. Iedereen die niet bij deze bijeenkomsten aanwezig kon zijn, had de mogelijkheid om schriftelijk inbreng te leveren via een internetconsultatie of later via de publieke terinzagelegging.
Ook intern is bij de Provincie Zuid-Holland kennis verzameld van collega’s uit andere disciplines. Hiertoe werd voor ieder van de drie deelonderwerpen een voorlichtings- en discussiesessie georganiseerd en werd expliciet gevraagd naar mogelijke dwarsverbanden tussen de herziening en andere beleidsvelden die het team nog niet had gezien. Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? 31
De uitkomsten waren positief. De stakeholders zijn tevreden met de herziening van het omgevingsbeleid, omdat het om nieuwe onderwerpen gaat waar nog niet veel beleid voor gemaakt is. Vooral gemeenten hebben aangegeven dat door het opnemen van de warmtetracés en warmteopslag er een richtlijn wordt gecreëerd waar vraag naar is. Verder hebben de stakeholders meegedacht met de onderwerpen en feedback gegeven op de herzieningsteksten. En hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? Al deze uitwisselingen met stakeholders hebben geleid tot inzichten die de teksten van het herziene omgevingsbeleid uitgebreider en genuanceerder maken. Als voorbeeld, het begrip warmteopslag. Het begrip warmteopslag kan veel omvatten en vereist in de tekst om verduidelijking. Dit punt werd door de stakeholders benoemd als aandachtspunt en daarom hebben wij dit direct aangepast in onze teksten. Verder was het sentiment onder de respondenten positief kritisch. Zo werd er aangegeven dat er rekening dient te worden gehouden met de impact van ons beleid. Ook was er een duidelijke wens om de gevolgen van het provinciale energiebeleid voor andere beleidsvelden, zoals bodem en water, goed in kaart te brengen.
Voor zover deze van toepassing zijn op de omgevingsvisie en inhoudelijk kloppen, worden de reacties van stakeholders in de herziene provinciale omgevingsvisie verwerkt.
Beleidskeuze 3.1.5 Duurzaam Energiesysteem Naar aanleiding van het integraal programeer proces, waar het provinciale Toekomstbeeld Energiesysteem en het de pMIEK-rapportage (provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie en Klimaat) onderdeel van zijn, worden de volgende wijzigingen doorgevoerd. Omgevingsvisie De tekst van beleidskeuze 3.1.5 Duurzaam Energiesysteem wordt geactualiseerd op basis van zowel het Toekomstbeeld Energiesysteem Zuid-Holland in 2050 (vastgesteld op 21 november 2024) pMIEK 2.0 (vastgesteld in maart 2025). De leidende principes en structurerende keuzes uit het Toekomstbeeld worden in de visie verwerkt. Zodoende kan het energiesysteem zowel duurzaam en robuust als betrouwbaar en flexibel ingericht worden. Omgevingsprogramma Voor de maatregel 3.1.5.1 ‘provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK)’ en 3.1.5.2 ‘Stimuleren van flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem’ worden de teksten geactualiseerd en aangevuld met urgentie voor netcongestie en nieuwe inzichten uit het pMIEK 2.0. De leidende principes en structurerende keuzes zijn evenals hierin verwerkt. Voor maatregel 3.1.5.3 ‘Ondersteunen realisatie energiehubs’ en 3.1.5.4 ‘Ruimte maken voor toekomstige energie-infrastructuur: strategisch ruimtelijke verkenning na zoekgebieden’ geldt dat deze nieuw toegevoegd worden aan het omgevingsprogramma.
Met de beide maatregelen wil de provincie verder werken aan een efficiëntere benutting van het energiesysteem. Daarnaast worden de mogelijke (potentiële) locaties voor nieuwe energie-infrastructuur verkend. Zo draagt de provincie bij aan het zowel tijdig realiseren van een duurzaam energiesysteem als het in kaart brengen van (toekomstige) ruimteclaims die invloed hebben op de integrale afweging van ruimtelijke ordening in de provincie. Hetzelfde geldt voor de nieuwe maatregelen ‘Energieopslagsystemen’ (3.1.5.5). Hiermee wil de provincie sturen op de komst en ontwikkeling van verschillende grootten batterijen (in MV). 32
Terwijl het belang van batterijen in het toekomstig duurzaam systeem gezien wordt, ziet de provincie het als haar taak om de ruimtelijke weerslag van deze faciliteiten (waar en hoeveel) te sturen. Omgevingsverordening Voor de verordening wordt één nieuwe regel voor derden toegevoegd door de introductie van de ‘energietoets voor nieuwe ontwikkelingen’. Op basis hiervan dient een initiatiefnemer bij een ruimtelijke ontwikkeling in het gesprek te gaan met het bevoegd gezag over de energetische inpassing van desbetreffende ontwikkeling in het energiesysteem en de beschikbare capaciteit.
Motivering Het energiesysteem verandert in hoog tempo. Dit is vanwege de meer lokale opwek van energie en de snelgroeiende elektrificatie, maar ook door ontwikkelingen en verandering van de energievraag en energiemix in de gebouwde omgeving, bedrijvigheid inclusief de glastuinbouw, mobiliteit en andere beleidsvelden. Op dit moment hebben gebieden in Zuid-Holland al te maken met (dreigende) netcongestie. De komende jaren betekent dit dat de vraag naar energieinfrastructuur groter en meer divers wordt; er moet meer infrastructuur. Ook zullen energieopslag en -conversie een belangrijke rol krijgen in het systeem. De overstap van een centraal en door fossiele bronnen gedreven systeem naar een meer centraal en door hernieuwbare dragers gedreven systeem betekent iets voor de behoefte aan energieinfrastructuur: • Deze moet op andere plekken worden aangelegd (bijv. kabels naar nieuwe wind- en zonneparken); • Deze moet andere energiedragers kunnen verplaatsen (bijv. warmte en duurzame gassen); • Deze moet om kunnen gaan met een niet-stuurbaar aanbod (bijv. batterijen); • Deze moet ‘slimmer’ worden gemaakt, zodat de aanwezige infrastructuur en andere faciliteiten efficiënter gebruikt kunnen worden. Daarnaast wordt een groei van de totale vraag naar energie in de komende jaren verwacht, waardoor de transportcapaciteit van de energie-infrastructuur moet groeien.
Gezien zowel de ruimtevraag van deze infrastructuur als het belang van een verantwoorde ruimtelijke inpassing, en het belang van het behalen van de klimaatdoelstellingen en het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen zien de provincie het als een taak (aanvullend) beleid te maken voor dit onderwerp.
Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? Voor de verschillende onderwerpen in deze herziening zijn diverse participatietrajecten doorlopen. -
Visie: bij zowel het opstellen van het Toekomstbeeld als het pMIEK 2.0 document is in een traject van gedurende één jaar (t/m februari 2025) een participatieproces met regio’s doorlopen, waarbij per regio 2 gebiedsateliers georganiseerd zijn en 3 brede stakeholderbijeenkomsten. Daarnaast hebben alle belanghebbende (partijen) bij zowel de tussenversie als eindversie van het Toekomstbeeld en pMIEK 2.0 document de mogelijkheid gehad om tijdens een consultatieperiode feedback te leveren. Betrokken doelgroepen waren: gemeentes, netbeheerders, RES-regio’s, belangenorganisaties. 33
o
-
-
Daarnaast is gebruikt gemaakt van de internetconsultatie om input op te halen op de doorvertaling van beide stukken richting de visie. Programma (specifiek maatregel ‘Energieopslagsysteem): Voor dit onderwerp zijn in de periode van november 2024 t/m maart 2025 meerdere klankbordgroep sessies georganiseerd en zijn interviews met experts (zoals netbeheerders en collega’s van andere provincies) op dit onderwerp afgenomen. In totaal zijn 3 interne en 4 externe sessies georganiseerd. Bij dit proces heeft adviesbureau AT Osborne de provincie ondersteund als onafhankelijk procesbegeleider en juridisch adviseur. De interviews en output vanuit de klankbordgroep sessie is verwerkt in een adviesrapport van AT Osborne aan de provincie. o Daarnaast is gebruik gemaakt van de internetconsultatie om input op te halen van een bredere groep gemeentes en andere belanghebbenden. Verordening (‘Energietoets’): Hier geldt hetzelfde participatietraject als voor het programmaonderdeel ‘Elektriciteitsopslagsysteem’.
Samenvatting: In het participatieproces rond de beleidsherziening van ‘Duurzaam energiesysteem’ en de ontwikkeling van aanpalende nieuwe beleidsonderwerpen stond het betrekken van sleutelstakeholders centraal, waarvoor verschillende medeoverheden (gemeenten), netbeheerders en onafhankelijke experts (veiligheidsdiensten, technische experts) benaderd zijn. Een belangrijke afweging bij het bepalen en benaderen van deelnemers in de klankbordgroep was om een breed spectrum van verschillende belangen (energetisch, ruimtelijke, veiligheid, sociale aspecten) te betrekken. Wat waren de inhoudelijke uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? - De expertise en ervaring van onze participanten heeft ervoor gezorgd dat het beleid zoveel mogelijk past op de bestaande situatie en werkwijze van andere organisaties o Voorbeeld: Advies vanuit de netbeheerder op de wenselijkheid van batterijen valt wettelijk niet in hun takenpakket, maar het gedeelde belang hiervan wordt wel onderschreven. Hiermee is bij de uitwerking van het beleid rekening gehouden. - De verschillende inzichten van de participanten hebben meer inzicht geboden in processen en procedures waarop we invloed willen uitoefenen. Hierdoor hebben we kunnen testen of wat we willen en wat we kunnen/mogen op elkaar aansluit.
o Voorbeeld: We sluiten zoveel mogelijk aan bij de praktijk van gebiedsontwikkelingen op verschillende tijdshorizons. Concreet betekent dit dat wij een tweeslag hebben ingebouwd in de Energietoets waarbij focus op zowel (a) grote ruimtelijke ontwikkelingen (zoals gebiedsvisies) op de langere termijn, als (b) concrete omgevingsplan-wijzigingen op de korte termijn komt te liggen; - Voor de uitkomsten van de internetconsultatie verwijzen wij naar het (openbare) overzicht van de internetconsultatie. o De uitkomsten hiervan zijn verwerkt in het visiegedeelte, het programmaonderdeel ‘Elektriciteitsopslagsystemen’ en de verordening tekst ‘Energietoets’. Voor de andere onderwerpen in deze herzieningsronde heeft de internetconsultatie niet tot aanpassingen geleidt.
34
Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? De uitkomsten van de verschillende participatiemogelijkheden hebben in verschillende onderdelen van de herziening hun weerslag gehad. Terwijl de directe participatie (klankbordsessies en interviews) tot grotendeels inhoudelijke aanpassingen en overwegingen heeft geleid, hebben de reacties uit de internetconsultatie vooral tot tekstuele wijzingen (andere formuleringen, verhelderingen, uitleg van definities) geleid. Voorbeelden van aanpassingen: - Categorieën m.b.t. megawatt (MW) nieuw ingedeeld om beter aan te sluiten bij de netvlakken van de (regionale) netbeheerders; - Toevoeging van definities van de termen ‘congestie-neutraal’ en ‘congestie-verzachtend’ - Inhoudelijke link met zon-beleid nadrukkelijk gelegd: maximale opslagcapaciteit i.r.t. piek van opwekfaciliteiten; - Opnemen van alle Leidende principes (Toekomstbeeld Energiesysteem Zuid-Holland in 2050) in de toelichting van de Energietoets; - Meer aandacht voor een goede en transparante uitvoerbaarheid van de Energietoets, inclusief de toezegging om een aanvullende ‘handreiking voor uitvoering’ op te stellen.
Wat heeft niet tot aanpassingen geleid - Verdere uitwerking van de Leidende Principe, omdat de verdere concretisering binnen het proces van het ‘Integraal programmeren’ (pMIEK) plaatst vindt samen met onze stakeholders - Opmerkingen over concrete locaties valt niet binnen de scope het hogere beleidsdoel ‘Duurzaam Energiesysteem’ o Uitwerking van locaties valt in andere opgaves (integrale ruimtelijke ordening)
Beleidskeuze 3.1.6 Kernenergie Deze nieuwe beleidskeuze is opgesteld naar aanleiding van de motie 1736. In de motie wordt verzocht om kernenergie als beleidsprestatie op te nemen in de begroting. Om inzicht te geven waartoe deze beleidsprestaties worden geleverd is een gelijknamige beleidskeuze opgesteld. In de beleidskeuze is uitgewerkt dat de provincie de potentie van kernenergie in de energiemix binnen de provincie verder wil onderzoeken en verkennen. Daarbij wordt inzicht gegeven in de complexiteit van het vraagstuk en dat het Rijk in dit dossier zowel initiatiefnemer als het bevoegde gezag voor kerncentrales is.
35
Beleidsdoel 4.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat Op het niveau van de Omgevingsvisie (Beleidsdoel 4-1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat) en het Omgevingsprogramma (diverse beleidsmaatregelen onder ‘Beleidsdoel: 4-1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat’) zijn de uitgangspunten uit de REV grotendeels vertaald. Voor de concrete tekst(wijziging)en, zie de ontwerp-herziening.
Motivering, participatie en internetconsultatie Op 11 december 2024 is de Ruimtelijk Economische Visie (REV) door Provinciale Staten vastgesteld. Onderdelen uit de REV worden bij de Herziening 2025 verwerkt in het Omgevingsbeleid. Het gaat daarbij onder andere om: - De algemene visie en uitgangspunten uit de REV, waaronder de sturingsprincipes ‘license to operate’; duurzaam, innovatief en inclusief; en de prioritering van economische activiteiten. - Campusbeleid: Het campusbeleid is nader uitgewerkt onder ‘Beleidsmaatregel: 4.1.1.1 Innovatie infrastructuur versterken door de ontwikkeling van campussen en fieldlabs te versnellen en campussen te versterken’. Het vernieuwde campusbeleid is bedoeld om het innovatiepotentieel van de campussen te vergroten, door meer ruimte voor functiemenging met wonen en voorzieningen te realiseren op de campussen van nationaal belang (Leiden Bio Science Park, TU Delft Campus en Space Campus Noordwijk).
Toelichting op het thema Economie, waaronder: • Ruimtelijk Economische Visie • Maximale benutting milieugebruiksruimte • Campusbeleid • Bedrijfsgebonden kantoren • Tuinbouw • Circulair Zuid-Holland • Defensie • Digitale Economie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken? Bij de uitwerking van beleidsvoornemens voor de Herziening 2025 is gebruik gemaakt van de participatiemogelijkheden die in het kader van het proces van de Herziening 2025 zijn georganiseerd. Zoals werksessies tijdens het Open Huis 2025, waar met aanwezige belanghebbenden in gesprek is gegaan over de beleidsvoornemens. Daarnaast hebben er met gemeenten, regio’s, vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven en andere organisaties thematische of gebiedsspecifieke overleggen plaatsgevonden over onderdelen van de Herziening. Bijvoorbeeld met betrekking tot beleidsvoornemens op het gebied van tuinbouwbeleid of het vernieuwde campusbeleid. Hierbij is aangesloten op bestaande overlegstructuren, of zijn aparte overlegmomenten met belanghebbenden georganiseerd. Tot slot is gebruik gemaakt van inbreng die tijdens eerdere beleidsontwikkelingen heeft plaatsgevonden. Een belangrijk onderdeel daarvan is de inbreng die in het kader van de Ruimtelijk Economische Visie 2025-2050 is ingebracht. Diverse voorstellen bij de Herziening 36
2025 zijn immers een nadere uitwerking van de Ruimtelijk Economische Visie (REV) die Provinciale Staten op 11 december 2024 hebben vastgesteld. De REV is destijds tot stand gekomen met betrokkenheid van veel partners, zoals ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordigers vanuit medeoverheden, het bedrijfsleven, kennisinstellingen of andere (maatschappelijke) organisaties. Deze betrokkenheid heeft onder andere plaatsgevonden via (regionale) werksessies, bijeenkomsten en bestuurlijke overleggen. Ook hebben partners de gelegenheid gekregen om schriftelijk te reageren op conceptversies van de REV. Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? De reacties uit de internetconsultatie en de overige participatietrajecten zijn hieronder per onderwerp toegelicht. Hoe zijn de uitkomsten wel/niet meegenomen in de uiteindelijke besluitvorming/tekst? Waarom wel of niet? In zijn algemeenheid is te stellen dat we op basis van de participatie veelal kennis hebben genomen van de inbreng, maar niet altijd aanleiding zien om de teksten van de beleidsvoornemens te wijzigen. Ten aanzien van reacties gerelateerd aan de verdere verduidelijking of uitwerking van het beleid is de inbreng vanuit stakeholders waar mogelijk verwerkt in de ontwerp-herziening. Dit heeft bijgedragen om de kwaliteit, juistheid en volledigheid van deze teksten te waarborgen.
Dit is niet altijd één op één te herleiden, maar heeft een grote rol gespeeld in het toevoegen, heroverwegen, nuanceren of wijzigen van tekstdelen op alle onderdelen gedurende het hele schrijfproces. In het bijzonder zijn de (praktische) aandachtspunten ten aanzien van de uitvoering door gemeenten van grote waarde geweest bij de doorgevoerde aanpassingen. Een toelichting en motivatie op de doorgevoerde wijzigingen naar aanleiding van de internetconsultatie en de overige participatietrajecten zijn hieronder per onderwerp toegelicht. Toelichting per (sub)onderwerp: a. Ruimtelijk Economische Visie Op 11 december jl. is de Ruimtelijk Economische Visie (REV) vastgesteld. Onderdelen uit de REV worden bij de Herziening 2025 verwerkt in het Omgevingsbeleid. Het gaat daarbij onder andere om de algemene visie en uitgangspunten uit de REV en het vernieuwde campusbeleid. Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? • Er zijn diverse reacties ontvangen die voortkomen uit eerdere discussies over het Ruimtelijk Voorstel of de REV. Bijvoorbeeld met betrekking tot uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijvigheid in het buitengebied en het ontbreken van de landbouw-, visserij- of recreatiesector in de REV. De discussies hierover zijn eerder al gevoerd en hebben destijds geleid tot de keuzes zoals ze in de REV door PS zijn vastgesteld.
De reacties bij de Herziening 2025 geven niet opnieuw aanleiding tot aanpassing van de teksten. • Er zijn verschillende reacties over de verdere concretisering en uitwerking van de REV (bv. met betrekking tot begrippen als ‘license to operate’ of ‘basiseconomie’) en de oproep om hier samen met partners verder aan te werken. Hoewel we het signaal herkennen is besloten dit nog niet in de Herziening 2025 uit te werken. We constateren dat dit meer tijd vergt, en verdere uitwerking pas plaatsvindt in latere Herzieningen. • Er zijn veel reacties die aandacht vragen voor (de beschikbaarheid van) duurzame energie (o.a. opwek energie nabij bedrijventerreinen). De REV besteedt uitvoerig 37
•
•
aandacht aan verduurzaming, en het huidige Omgevingsbeleid staat dit onder voorwaarden ook op bedrijventerreinen toe. Dit behoeft onzes inziens geen aanpassingen in de tekst. Wel is het een belangrijk signaal dat hier veel aandacht voor wordt gevraagd. Er zijn diverse reacties die oproepen tot uitbreiding van het nieuwe campusbeleid naar andere (lokale) campussen. Deze reacties lijken vooral te gaan om erkenning van het belang van deze (lokale) campussen; aanpassing van het ruimtelijk beleid voor functiemenging op deze locaties lijkt hier niet aan de orde of opportuun. Er zijn reacties ingediend over de ontwikkeling van het oostelijk deel van de Biotech Campus Delft (BCD-Oost), met het verzoek de status “niet te transformeren bedrijventerrein” in het Omgevingsbeleid te laten verwijderen, waardoor er een integrale campus gebiedsontwikkeling kan plaatsvinden. Hierover is apart in GS gesproken, waarbij is besloten dat het Omgevingsbeleid op dit punt niet wordt aangepast bij de Herziening 2025.
Aanpassing n.a.v. participatie Op basis van de participatie zijn geen (inhoudelijke) aanpassingen gedaan. b. Maximale benutting milieugebruiksruimte op bestaande bedrijventerreinen Er is een nieuwe instructieregel voor de gemeentelijke omgevingsplannen in de vorm van een verbodsbepaling in de ZHOV opgenomen, met als doel om de bestaande bedrijventerreinen beter te benutten. Naar aanleiding van het beleidsvoornemen, heeft de beleidsmaatregel in de internetconsultatieronde veel reacties gekregen. De reacties gaan onder andere in op de beperkt beschikbare ruimte in stedelijk gebied voor lichte bedrijven, die zich door deze maatregel niet meer op (de meeste) bedrijventerreinen kunnen huisvesten. Dit vraagt om (betaalbare) ruimte in gemengde gebieden, dat financiële consequenties zal hebben voor de inpassing van weinig draagkrachtige bedrijven in gemengde gebieden. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor verwachte leegstand en planschadeclaims als gevolg van de beperkte gebruiksmogelijkheden van met name bedrijfsverzamelgebouwen en kantoorgebouwen op bedrijventerreinen. Tot slot wordt opgemerkt dat de beleidsmaatregel onvoldoende rekening houdt met deelzonering en inwaartse zonering. Aanpassing n.a.v. participatie Om tegemoet te komen aan deze bezwaren en het planschaderisico voor de provincie te beperken, zijn een aantal aanpassingen in de instructieregel uitgewerkt.
Waaronder de instructieregel alleen van toepassing te laten zijn op milieugebruiksruimte zone 3 (milieucategorie 3.2) en hoger. De instructieregel niet van toepassing te laten zijn op bestaande bedrijfsverzamelgebouwen. De instructieregel niet van toepassing te laten zijn op delen van campusterreinen met functie bedrijf of bedrijventerreinen. c. Tuinbouw Met betrekking tot Tuinbouw hebben een aantal inbrengen geleid tot aanpassing van het beleidsvoornemen. In de Omgevingsverordening gaat het vooral om het (her)benoemen van concrete beschermingsgebieden. Daarnaast is er onderscheid gemaakt tussen ‘duurzame’ glasgebieden waarin behoud van teeltareaal voor glastuinbouw voorop staat. Ook worden er ‘maatwerkgebieden’ benoemd waar transformatie van het teeltareaal voor glastuinbouw voorop staat.
38
Tot slot wordt voorgesteld om (ter verduidelijking) van de (samenhang tussen) het omgevingsbeleid zoals verwoord in de Omgevingsverordening en het Greenportbeleid zoals verwoord in het Omgevingsprogramma, een kaart van de greenportgebieden toe te voegen aan het Omgevingsprogramma. d. Circulair Zuid-Holland – beleidsmaatregel ‘Ruimte voor de circulaire economie’ We introduceren een nieuwe beleidsmaatregel ‘Ruimte voor de circulaire economie’. Daarmee onderkennen we het belang van ruimte voor circulaire economie, en benoemen we de stappen die de provincie gaat zetten om de toekomst voldoende ruimte te borgen. De reacties uit de internetconsultatie op de beleidsteksten voor Circulair Zuid-Holland zijn grofweg in te delen in vier categorieën: 1. Inbreng zonder inhoudelijke reactie of suggesties; 2. Inbreng die bij een eerdere herziening ook is ingebracht en toen reeds is behandeld; 3. Reacties gerelateerd aan de verdere uitwerking van het beleid en die we al voornemens zijn daarin mee te nemen; 4. Inhoudelijke suggesties die nu al een plek hebben in onze aanpak, maar niet expliciet worden benoemd in het Omgevingsbeleid (bijv. biobased isoleren, houtbouw). Aanpassing n.a.v. participatie We hebben kennisgenomen van deze inbreng, maar zien geen aanleiding om de teksten van de beleidskeuze Circulair Zuid-Holland of de maatregel Ruimte voor de circulaire economie te wijzigen. e.
Defensie In aanvulling op de onderwerpen uit de startnotitie is voorgesteld om bij de Herziening 2025 ook een passage over het onderwerp 'Defensie' toe te voegen. Vanwege het toenemende belang van deze sector, en bijbehorende opgaven op het gebied van innovatie en ruimtegebruik is het zinvol om dit in ons Omgevingsbeleid te verankeren, vooruitlopend op verdere beleidsvoornemens. De reacties uit de internetconsultatie gaan veelal over verduidelijking van onze beoogde aanpak en de ruimtelijke impact van defensie in relatie tot andere functies, zoals met name natuur. Aanpassing n.a.v. participatie Op basis van de ontvangen reacties zijn de teksten ingekort, onnodige details geschrapt, de tekst tijdsbestendiger gemaakt, en een aantal teksten verduidelijkt. Ook is ervoor gekozen om de ‘Regionale samenwerking met Defensie’ onder te brengen in de maatregel ‘4.1.1.2 Innovatie stimuleren binnen specifieke clusters’. Daarnaast wordt er in de maatregel meer benadrukt dat het gaat om ‘Dual-use industrie en innovatie zodat eventuele misverstanden over onze inzet weg te nemen. Met deze aanpassingen denken we het merendeel van de reacties te beantwoorden. f. Regels voor bedrijfsgebonden kantoren De toelichting bij de regeling voor bedrijfsgebonden kantoren in de Omgevingsverordening wordt verduidelijkt.
De participatie bevat een voorstel om op de kaart (ZHOV-bijlage II) het categorie 3 gebied te verruimen bij Flora Campus Westland. Aanpassing n.a.v. participatie Bovenstaande aanpassing is doorgevoerd in de teksten voor de ontwerp-herziening.
39
g. Digitale Economie De tekst digitale economie is aangepast om deze aan te laten sluiten bij het huidige programma Digitale Economie. De kern en het doel van het programma zijn ongewijzigd, maar de formulering van de onderdelen en de focus is aangepast om het beter aan te laten sluiten. Aanpassing n.a.v. participatie Op basis van de participatie zijn geen (inhoudelijke) aanpassingen gedaan.
Beleidskeuze 4.1.1 Innovatieve economie In het Omgevingsprogramma wordt aan de maatregel 4.1.1.2 ‘Innovatie stimuleren binnen specifieke clusters’ een kopje ‘Regionale samenwerking met Defensie’ toegevoegd.
Motivering en participatie Voor motivering zie Motivering, participatie en internetconsultatie van Beleidsdoel 4.1.
Beleidskeuze 4.1.2 Transitie van de tuinbouwketen Voor dit onderdeel wordt de ZHOV gewijzigd. Om het anders inzetten van de gereserveerde ruimte voor Greenportwoningen mogelijk te maken moet het provinciaal Omgevingsbeleid worden aangepast. Specifiek gaat het om artikel 7.58 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening waarin de bescherming van het bollenteeltgebied is opgenomen en de regeling voor het bouwen van Greenportwoningen. Daarnaast is het ‘maatwerkgebied glastuinbouw’ aangepast. De aanpassing maakt transformatie mogelijk voor het glastuinbouwgebied Zijlhoek/De Woerd in de Duin- en Bollenstreek en het glastuinbouwgebied Geest- en Floraweg in Greenport Aalsmeer. Dit werkingsgebied is gekoppeld aan de verordening en heeft betrekking op artikel 7.54 lid 9 m.b.t. maatwerkgebied en de maatregel ‘4.1.2.3 Bevorderen duurzame tuinbouwgebieden en netwerken’ in het omgevingsprogramma.
Motivering Greenport woningbouwlocaties De gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Katwijk, en Teylingen werken gezamenlijk aan een programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek (programma LGDG). Dit is de opvolger van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 (ISG). Daarnaast is het een integrale toekomstverkenning voor het landelijk gebied van de Duin- en Bollenstreek. In het programma hebben de vijf gemeente een visie opgenomen voor het landelijk gebied in 2040 met een doorkijk naar 2050. In de ISG en het provinciaal Omgevingsbeleid is ruimte opgenomen om in het buitengebied maximaal 600 Greenportwoningen te realiseren. Afspraken hierover zijn gemaakt in het kader van de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek en de ISG. De opbrengst hiervan wordt ingezet ten behoeve van de projecten uit het meerjarenprogramma van de Greenport Ontwikkel Maatschappij (GOM). Er zijn in totaal 173 woningen gerealiseerd of zijn gepland om gerealiseerd te worden. Dit betekent dat 427 woningen nog ontwikkeld kunnen worden. Het ruimtebeslag van de nog te bouwen woningen is ca. 45 hectare.
40
Met het programma LGDG willen de vijf gemeenten in plaats van de ontwikkeling van (solitaire) Greenportwoningen verspreid door het buitengebied, woningbouwlocaties ontwikkelen in lijn met de uitgangspunten van de Realisatieagenda Wonen van Holland Rijnland. Dat betekent dat alleen reguliere woningbouwprojecten plaatsvinden, waarbij (minimaal) 65% van de woningen binnen de categorie ‘betaalbaar’ valt. De woningbouwlocaties moeten gelegen zijn aan stads- en dorpsranden, voldoen de principes van water en bodem sturend en geen afbreuk doen aan de openheid en kwaliteiten van het landschap. Door de ruimte die bestemd was voor Greenportwoningen te benutten voor woningbouwlocaties met betaalbare woningbouw wordt invulling gegeven aan de provinciale doelstelling van het bouwen van voldoende sociale en betaalbare woningbouw. Ook wordt door clustering van de locaties aan de stads- en dorpsranden de landschappelijke kwaliteit en openheid van het buitengebied beschermd. Daarnaast voldoet het aan de principes van de ruimtelijke koers waarbij de provincie erop inzet dat als tegenhanger van het beschermen van de open ruimte zowel wonen als werken zich ontwikkelen binnen de ruimte die daarvoor is gereserveerd. Door deze aanpassing wordt alleen bestaande gereserveerde ruimte anders ingezet en blijft het buitengebied beschermd.
Maatwerkgebied Om transformatie naar andere functies (onder voorwaarden) mogelijk te maken, wordt voor de bestaande glastuinbouwgebieden Zijlhoek/De Woerd en de Geest- en Floraweg de aanduiding ‘maatwerkgebied’ toegevoegd.
Participatie en internetconsultatie Voor een toelichting op de participatie en de internetconsultatie, zie het kopje ‘participatie en internetconsultatie’ onder Beleidsdoel 4.1 hierboven. Greenport woningbouwlocaties De gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Katwijk, en Teylingen hebben tijdens het opstellen van het programma voor een toekomstbestendig en vitaal landelijk gebied - met een duurzame Greenport - in verschillende vormen participatie georganiseerd. Aanvullend op de participatie die rond de REV heeft plaatsgevonden zijn in twee rondes van elk drie bijeenkomsten (tussen februari en oktober 2024) gesprekken georganiseerd met inwoners, stakeholders, raadsleden en de colleges van B en W. Ook hebben 2854 inwoners en 120 jongeren hun mening gegeven via een online vragenlijst. Ook hebben de gemeenten meerdere expertsessies georganiseerd met vertegenwoordigers van natuur- en landschapsorganisaties, bollentelers en medeoverheden. Op 15 april 2025 heeft er een bestuurlijk overleg plaatsgevonden waarin de stuurgroep van het programma LGDG de provincie heeft verzocht om mee te werken aan het mogelijk maken van woningbouwlocaties met betaalbare woningen.
Beleidskeuze 4.1.3 Transitie van het Havenindustrieel Complex De provincie wil dat de transitie van het haven industrieel complex in balans is met de omgeving en dat de omgevingsveiligheid minimaal op een vergelijkbaar niveau blijft dan wel verbetert. Dit gaat met name om de toepassing, verwerking, op- en overslag van gevaarlijke stoffen op grote 41
schaal die het risicoprofiel van het haven industrieel complex veranderen. Tegelijkertijd wil de provincie dat de haven zijn economische positie kan behouden en versterken. Hiervoor zal de provincie de maatregel ‘4.1.3.1 Samenwerken om de transitie veilig te laten plaatsvinden’ opnemen in het Omgevingsprogramma. In de maatregel wordt beschreven op welke veiligheidsaspecten inzet van de provincie is te verwachten.
Motivering Het is op dit moment juridisch mogelijk om dicht tegen de grote woonkernen een grootschalige ammoniakterminal (voor de op- en overslag van ammoniak) te realiseren. De gevolgen voor de omgeving zijn echter breder dan enkel vanuit de opslagtank geredeneerd en kunnen nu niet allemaal worden meegenomen in de beoordeling. De verwachting is dat op korte termijn vanuit de markt initiatieven zullen komen voor zo’n ammoniakterminal. Daarom is een nieuwe ruimtelijke afweging en mogelijk aanvullend beleid nodig. Dit met als doel zowel bedrijfsleven als omgeving duidelijkheid en voldoende veiligheid te bieden. Achtergrond: Niet alle energievoorzieningen lenen zich voor elektrificatie, dus zal er in de toekomst ook gebruik gemaakt worden van moleculaire energiedragers. Hiervoor bestaan verschillende opties zoals waterstof, ammoniak als waterstofdrager, Liquid Organic Hydrogen Carriers (LOHCs) en methanol. In de markt dienen zich verschillende ammoniak-initiatieven aan. Er is industriële ervaring met de productie en opslag van ammoniak, het is relatief makkelijk en efficiënt te produceren uit groene stroom en heeft een hoge energiedichtheid. Nadeel is dat ammoniak een giftig gas is, waardoor incidenten onder bepaalde omstandigheden tot grote aantallen slachtoffers kunnen leiden. De ammoniakketen heeft bovendien invloed op andere opgaven zoals de stikstofuitstoot.
De provincie is bevoegd gezag voor de vergunningverlening van Seveso bedrijven (bedrijven waar met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen wordt gewerkt), maar mag het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meenemen in de beoordeling van de vergunningaanvraag. Dit terwijl de afstand tussen risicobron en risico-ontvanger tijdens het transport het kleinst is. Daarnaast is binnen het haven industrieel complex de op- en overslag en het kraken van ammoniak op veel plekken omgevingsplan technisch mogelijk, omdat er bij het bestemmen van de huidige functies geen rekening is gehouden met de grootschalige op- en overslag van ammoniak. Voor initiatieven op korte termijn door marktontwikkelingen is daarom een nieuwe ruimtelijke afweging en mogelijk aanvullend beleid nodig. Daarnaast is het belangrijk dat de industrie meer duidelijkheid krijgt, zodat de energietransitie versnelt kan worden.
Participatie en internetconsultatie Tijdens de totstandkoming van de beleidstekst zijn het havenbedrijf Rotterdam, Gemeente Rotterdam, ministerie van Klimaat en Groene Groei, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, DCMR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond actief betrokken. Tijdens de gesprekken met deze partners heeft er discussie plaatsgevonden over de redenatie. Op basis daarvan zijn bepaalde stukken tekst over de wenselijke van de transitie aangepast. Hierin zijn ook de geluiden afkomstig uit gesprekken met de omgeving meegenomen. In het kader van de energietransitie zijn vorig jaar vanuit de gemeente Rotterdam en het Havenbedrijf diverse bijeenkomsten met bewoners georganiseerd. Ook zijn de resultaten van de door de provincie georganiseerde Ronde Tafel Ammoniak uit 2024 meegenomen, om recht te doen aan de zorgen die leven in de samenleving. 42
Tijdens de internetconsultatie zijn er reacties binnengekomen op de beleidsmaatregel. De reacties omvatten over het algemeen een appreciatie van de beleidstekst. Er wordt veel waarde gehecht aan de afwegingsruimte, waarbij de veiligheid voor omwonende een belangrijk onderdeel is in de afweging. Ook zijn er reacties geplaatst over het energiesysteem die buiten de invloedssfeer van de provincie liggen, zoals de autonomie van de energiemarkt. De reacties uit de internetconsultatie geven geen aanleiding op de beleidstekst te wijzigen.
43
Beleidskeuze 4.1.4 Digitale Economie De Omgevingsvisie wordt aangepast. Dit betreft de beleidskeuze ‘Digitale Economie’. Voor de concrete tekst(wijziging)en, zie de ontwerp-herziening.
Motivering en participatie Voor motivering zie Motivering, participatie en internetconsultatie van Beleidsdoel 4.1.
Beleidskeuze 4.1.5 Circulair Zuid-Holland We vullen het Omgevingsprogramma aan met een nieuwe maatregel ‘Ruimte voor de circulaire economie’. Ook in de Omgevingsvisie zijn aanpassingen voorgesteld. Dit is onder andere verwerkt in Omgevingsvisie, onder 4.1.5. Circulair Zuid-Holland en met de toevoeging van een nieuwe maatregel. Daarnaast is ‘voedselverspilling’ toegevoegd in 4.1.5 Circulair Zuid-Holland, omdat dit thema in de aankomende voedselvisie een thema is waarop ingezet wordt vanuit de provincie. Voor de concrete tekst(wijziging)en, zie de ontwerp-herziening.
Motivering We introduceren een nieuwe maatregel ‘Ruimte voor de circulaire economie’. Daarmee onderkennen we het belang van ruimte voor circulaire economie, en benoemen we de stappen die de provincie gaat zetten om de toekomst voldoende ruimte te borgen. Met deze beleidsmaatregel zorgen we er ook voor dat ons Omgevingsbeleid voldoende basis biedt, om in de toekomst verdergaande stappen te zetten voor bijvoorbeeld de reservering van locaties en prioritering van circulaire activiteiten op bedrijventerreinen, bijvoorbeeld via de Omgevingsverordening.
Participatie en internetconsultatie Voor een toelichting op de participatie en de internetconsultatie, zie het kopje ‘participatie en internetconsultatie’ onder Beleidsdoel 4.1 hierboven.
Beleidskeuze 4.1.6 Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen Regels voor bedrijfsgebonden kantoren De regels voor bedrijfsgebonden kantoren in de verordening worden aangepast. De concrete tekstwijzigingen en bijbehorende motivatie zijn te lezen in het wijzigingsbesluit ZHOV-herziening 2025. Maximale benutting milieugebruiksruimte op bestaande bedrijventerreinen Omgevingsvisie, onder 4.1.6 Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen Om aan beter benutten een impuls te geven wordt bij de herziening 2025 het instrument “minimale (milieu)gebruiksruimte” geïntroduceerd. Dit instrument kan nu alleen nog op nieuwe terreinen worden ingezet. We breiden dit instrument uit naar bestaande bedrijventerreinen door middel van een instructieregel in de Omgevingsverordening, om ook deze bedrijventerreinen beter te benutten. Hierbij ligt ook veel verantwoordelijkheid bij gemeenten. Handhaven, accountmanagement en goede omgevingsplannen zijn instrumenten die nu al ingezet kunnen worden.
44
Omgevingsverordening, onder artikel 7.52 (bedrijven) Paragraaf 7.3.11 wordt gewijzigd. Zie voor de wijzigingen en de motivering daarbij het wijzigingsbesluit Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2025.
Motivering en participatie Voor motivering zie Motivering, participatie en internetconsultatie van Beleidsdoel 4.1.
Beleidskeuze 4.1.7 Human Capital De beleidskeuze en bijbehorende maatregel ‘4.1.7.1 Het ondersteunen van de uitvoering van de Human Capital Agenda Zuid-Holland’ zijn met een zeer kleine redactionele wijziging geactualiseerd. De wijziging zorgt ervoor dat niet meer wordt verwezen naar een specifieke versie van de Human Capital Agenda (HCA). De algemene verwijzing zorgt voor continuïteit van ons beleid. Deze continuïteit zit ook in de versies van de HCA, deze bouwen op elkaar voort.
45
Beleidsdoel 4.2 Erfgoed en cultuur Beleidskeuze 4.2.1 Erfgoed beschermen in de omgeving De beleidskeuze is geactualiseerd. Met de Biografie van Zuid-Holland als inspirerend instrument versterken we onze proactieve inzet in het beleidsvormingsproces en koppelen we ruimtelijke ontwikkelingen aan het beleven en benutten van erfgoed. We hebben bijzondere aandacht voor ruimtelijke ontwikkelingen in én rond Werelderfgoed, met name Kinderdijk en de NederGermaanse Limes. Dit om het werelderfgoed niet alleen te behouden, maar ook te benutten voor educatie en publieksbereik. Om adviezen voor ruimtelijke plannen verder te verbeteren ontwikkelen we handreikingen voor provinciale kroonjuwelen en actualiseren we de cultuurhistorische atlas van Zuid-Holland.
Motivering In toenemende mate staat er druk op de fysieke leefomgeving in het buitengebied, onder meer door woningbouw, de energietransitie, klimaatverandering en natuurontwikkeling. Dit vergt beleidsvorming waarbij scherpe keuzes gemaakt moeten worden over het gebruik van de ruimte. Erfgoed willen we behouden, maar biedt ook kansen voor onder meer leefomgevingskwaliteit, brede welvaart, gezondheid en economische ontwikkeling. Cultuurhistorisch waardevolle landschappen en erfgoedensembles, waaronder het provinciaal beschermd erfgoed en werelderfgoed, hebben daarbij onze speciale aandacht, evenals het behoud van ons archeologisch bodemarchief.
Participatie en internetconsultatie Wat is er gedaan aan participatie en welke doelgroepen zijn er gesproken • Internetconsultatie in het kader van de herziening omgevingsvisie (inclusief Open Huis). • Participatie bij totstandkoming Beleidsperspectief Erfgoed en cultuur o Strategische sessie met externe stakeholders vanuit verschillende werkvelden (o.a. gemeenten, historische verenigingen, Kunstgebouw, onderwijsinstellingen etc.) o Werksessies met Erfgoedhuis Zuid-Holland o Participatie met interne stakeholders van relevante beleidsvelden. Wat waren de uitkomsten van het (de) participatietraject(en)? Uitkomst van de internetconsultatie op hoofdlijnen: • De nadruk van de reacties lag op het beschermen van landschappen (onder meer kroonjuwelen en Werelderfgoed) en molenbiotopen. Een enkele reactie had betrekking op landgoederen. • Er zijn opvallend veel reacties uit de Krimpenerwaard. Deze richten zich met name op het behoud van het karakteristieke landschap, maar ook op bescherming van de daar aanwezige molenbiotopen. • Over het algemeen is de tendens dat betrokken burgers/bewonersgroepen de provinciale bescherming omarmen en in veel gevallen graag strenger zien, terwijl gemeenten en ontwikkelaars zich meer richten op de beperkingen die de provinciale beschermingsregimes met zich meebrengen.