Deel 3 van Set bijlagen bij beschikking-geanonimiseerd (GROOT DOCUMENT)
Tekst van het document
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Rivium Westlaan 72 2909 LD CAPELLE A/D IJSSEL Postbus 8590 3009 AN ROTTER
ISSN: 1570-6273 Copyright © 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. Disclaimer Antea Group aanvaardt op generlei wijze aansprakelijkheid voor schade welke voortvloeit uit beslissingen genomen op basis van de resultaten van archeologisch (voor)onderzoek.
www.anteagroup.nl
Memo
memonummer datum aan
van kopie project projectnr. betreft
3 mei 2022 Hoogheemraadschap van Rijnland Provincie Zuid Holland Antea Group onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg II 0465181.100 Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Aanleiding Het project Ruygeborg omvat de herinrichting van een gebied ten oosten van Nieuwkoop tot nieuwe natuur. Het gebied wordt daarbij opgedeeld in verschillende compartimenten die allemaal hogere waterpeilen krijgen dan in de bestaande situatie. Voor de natuurontwikkeling worden daarnaast ook nieuwe watergangen gegraven en worden moeraszones gecreëerd. In de huidige situatie is de stijghoogte in het watervoerend pakket hoger dan maaiveld. Door Royal HaskoningDHV is eerder onderzoek gedaan naar de geohydrologische situatie in het gebied op basis van het schetsontwerp (Geohydrologisch onderzoek Ruygeborg II, Royal HaskoningDHV, d.d. 8 december 2017 (Royal HaskoningDHV, 2017)). In deze rapportage is geconstateerd dat er in het gebied op verschillende locaties wellen optreden en is het opbarstrisico in de huidige situatie in kaart gebracht. Doordat in de huidige situatie een stijghoogte heerst die hoger is dan het maaiveld, ontstaat er kwelwater. Dit kwelwater bestaat voor een groot deel (>95%) uit water dat uittreedt door wellen en voor een klein deel uit water dat door de deklaag heen sijpelt (<5%). Het water komt in de perceelsloten aan het oppervlak en stroomt via de centrale wetering (primaire watergang) het gebied uit.
HHRL heeft aangegeven dat het niet wenselijk is dat er meer water vanuit de Nieuwkoopse plassen naar achtergelegen gebied stroomt, dit omdat dan de watervraag van de Nieuwkoopse plassen zou toenemen. Het streven van het HHRL is dat de hoeveelheid kwelwater (vanuit de Nieuwkoopse Plassen) na ontwikkeling van RBII niet significant groter is dan in de huidige situatie.
blad 1 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Doel Deze memo met onderliggende gegevens uit modelberekeningen en bodemonderzoek geeft inzicht in de mogelijkheden omtrent de ontgravingen versus het opbarstrisico, en daarmee verandering van de hoeveelheid kwelwater. De ontwerprandvoorwaarde was ‘Het is wenselijk om het jaarlijkse kweldebiet gelijk te houden of kleiner te maken.’ Deze memo gaat in op de ontgraving in RBI (blauw kader), grensgebied (rood kader), compartiment 1 t/m 5 (resp. paars, zwart gestreept, licht blauw, zwart gestreept, en groen).
Figuur 1-1 Overzicht gebiedsindeling
Leeswijzer In het eerste hoofdstuk is de huidige geohydrologische situatie beschreven die relevant is voor het beoordelen van het opbarstrisico. Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de wijzigingen de ontwerpaspecten beschreven die invloed hebben op het opbarstrisico. In hoofdstuk 3 is de conclusie opgenomen met daarin het te verwachten effect op het overstort debiet.
blad 2 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
1
Huidige situatie
In het geohydrologisch onderzoek (RHDHV 2017) is op basis van boorprofielen, sonderingen en een enquête onder de grondeigenaren bepaald wat de bodemweerstand tegen opbarsten is en waar in de praktijk wellen optreden. Deze informatie is weergegeven in onderstaand figuur. Hierin is te zien dat in het hele gebied het opbarstrisico kleiner is dan 1, op een paar locaties in watergangen na. De wellen zijn vooral aanwezig op locaties met een dunne veenlaag in de bodem en weinig klei. In het geohydrologisch onderzoek is bepaald dat de kwelflux1 vanuit de wellen circa 7.200 m³/dag is en over de rest van het gebied vindt nog een kwelflux van ongeveer 240 m³/d plaats. De wellen leveren derhalve de grootste bijdrage aan de kwelflux.
Figuur 1-1 Opbarstveiligheid en wellen op basis van enquête grondeigenaren (bron: Geohydrologisch onderzoek Ruygeborg II, Royal HaskoningDHV, d.d. 8 december 2017) met in zwart de indicatie van de te realiseren moeraszone.
1 Het uitgangspunt bij het bepalen van de kwelflux was een stijghoogte van NAP -4,90 m.
blad 3 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
1.1
Waterspanning in de watervoerende laag
Om te bepalen wat de invloed is van het voorziene ontwerp op de kwelflux is de stijghoogte in kaart gebracht. Dit is gedaan doormiddel van: 1) De fluctuatie van de stijghoogte rondom het projectgebied is bepaald aan de hand van het Geohydrologisch onderzoek van Royal HaskoningDHV (meetdata 1997 – 2017) 2) De indicatie van de normale stijghoogte ter plaatse van het projectgebied is bepaald aan de hand van 8 (tweemalige) peilbuismetingen (2020) verspreid in het projectgebied. De stijghoogte ter plaatse van het projectgebied is gemeten in december (een periode met hoge stijghoogtes). 3) De maatgevende stijghoogte is bepaald door de gemeten stijghoogtes uit stap 2 te combineren met de maximale afwijking rondom het gemiddelde uit stap 1.
1.1.1
Stap 1, fluctuatie rondom gemiddelde stijghoogte
In het geohydrologisch onderzoek is onderstaande geconstateerd (Royal HaskoningDHV, 2017): ‘Het projectgebied ligt in een gebied waar het verhang van de stijghoogte beperkt is. Dit is te zien aan de grote afstand tussen de isohypsen in Figuur 1-2. In het gehele projectgebied en het gebied ten westen en noorden daarvan liggen de stijghoogten uit REGIS tussen NAP -5,0 m en meer dan NAP -5,5 m. Hierdoor is de isohypse van NAP -5,5 meter niet zichtbaar, deze bevindt zich verder naar het oosten. In Tabel 1-1 zijn de gemiddelde en de maximale stijghoogten weergegeven ter plaatse van deze peilbuizen in de periode 1997-2017. De gemiddelde stijghoogten liggen inderdaad tussen NAP -5,0 m en NAP -5,5 m.’ In 2017 is de volgende conclusie getrokken, welke in voorliggende rapportage is aangescherpt (zie paragraaf 1.1.3). ‘De hoogste gemeten stijghoogte is gemeten bij peilbuis B31B1549, deze peilbuis ligt het dichtst bij het projectgebied. Bij deze peilbuis zijn alleen metingen beschikbaar in de periode 2007/2008. Bij de andere peilbuizen laat de stijghoogte een licht dalend verloop zien. Het is dus aannemelijk dat de stijghoogte van NAP -5,10 m representatief is als maximale stijghoogte aangezien de recentere stijghoogten naar verwachting lager zijn.’ De grootst gemeten fluctuatie rondom het gemiddelde is 0,23 m en is gemeten bij peilbuis B31D0123 (zie Figuur 1-4).
De de meetreeks is te zien dat de stijghoogte een jaarlijkse fluctuatie heeft met een piek rondom de jaarwisseling. Deze maximaal gemeten fluctuatie van 0,23 m wordt gehanteerd ten behoeve van het bepalen van de maatgevende stijghoogte. Tabel 1-1 Stijghoogten wvp 1 Peilbuis B31B1549 B31B0101 B31B0045 B31D0123
blad 4 van 24
Gemiddeld [m t.o.v. NAP] -5,21 -5,34 -5,33 -5,46
Max [m t.o.v. NAP] -5,10 -5,25 -5,11 -5,23
Fluctuatie [m] 0,11 0,09 0,21 0,23
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Figuur 1-2 isohypsen WVP 1 en peilbuizen WVP 1
Figuur 1-3 Peilgebieden huidige situatie (Royal HaskoningDHV, 2017) met in blauw de indicatie van de te realiseren moeraszone van RBII. T.i., in de natte driehoek (groen gearceerd) in het gebied van AGV wordt het peil verhoogd naar maximaal NAP -5,0 m
blad 5 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Figuur 1-4 Stijghoogteverloop peilbuis B31D0123-002, filterstelling NAP -11,72 m tot NAP -13,72 m)
1.1.2
Stap 2, lokale peilbuismetingen RBII
Om de bevindingen uit de analyse van 2017 aan te vullen is in december 2020 lokaal twee maal de stijghoogte gemeten (zie Figuur 1-5 en Tabel 1-2). Er is te zien dat de stijghoogte tussen begin en eind december stijgt met circa 10 tot 25 cm. Dit heeft naar verwachting te maken met de hoeveelheid neerslag gedurende de maand (circa 87 mm gemeten bij het dichstbijzijnde weerstation te Zegveld, KNMI weerstation nummer 470). De gemeten maximale stijghoogtes zijn in lijn met de maximale waardes conform het geohydrologisch onderzoek Ruygeborg (Royal HaskoningDHV, 2017). Kijkend naar de lange tijdreeks van peilbuis B31D0123 is te zien dat de maximale stijghoogtes over het algemeen in de periode december/januari optreden. Dit in combinatie met de sterke regenval tussen 4 december en 30 december 2020 maakt het aannemelijk dat er in december 2020 hoge stijghoogtes gemeten zijn. Tabel 1-2 Overzicht meetgegevens peilbuizen 2020, Stijghoogte beneden maaiveld (een negatieve waarde ten opzichte van maaiveld betekent een stijghoogte boven maaiveld)
Peilbuis Mw01-006 Mw02-001 Mw02-004 Mw02-007 Mw02-009 Mw02-011 Mw02-012 Mw02-016
blad 6 van 24
mv hoogte (t.o.v. NAP) -5,55 -5,28 -5,41 -5,56 -5,73 -5,97 -5,88 -5,59
04/12 GWS (mmv.)
04/12 GWS (t.o.v. NAP)
30/12 GWS (mmv.)2 -0,32
30/12 GWS (t.o.v. NAP)2 -5,23
+0,05 -0,09 -0,20 -0,28 -0,55 -0,52 -0,26
-5,33 -5,32 -5,36 -5,45 -5,42 -5,36 -5,33
Geen meetgegevens
-
Geen meetgegevens
-
-0,35 -0,34 -0,80 -0,68 -0,26
-5,21 -5,39 -5,17 -5,20 -5,33
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
B
C
A
Figuur 1-5 Overzicht peilbuizen (omcirkeld) en onderzoekspunten bodemopbouw (handboringen), met in grijs de indicatie van de locatie van de te realiseren moeraszone.
1B 1C
3 2
1D 1A
1E&F
Figuur 1-6 Overzicht peilbuizen (omcirkeld) en onderzoekspunten (handboringen)
blad 7 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
1.1.3
Stap 3, maatgevende stijghoogte
Ten behoeve van het ontwerp van het nieuwe watersysteem is het wenselijk om een conservatieve weergave van de opbarstveiligheid te bepalen. Derhalve is de maximale fluctuatie van 0,23 m (Royal HaskoningDHV, 2017) opgeteld bij de hoogst gemeten stijghoogte in het projectgebied van NAP -5,17 m. De maatgevende stijghoogte bedraagt daarmee NAP -4,94 m.
1.2
Bodemonderzoek
De opbarstveiligheid is afhankelijk van de dikte en de opbouw van de deklaag. Er zijn op meerdere locaties (zie Figuur 1-5) boringen uitgevoerd om de dikte, de opbouw en het volumieke gewicht van de deklaag te bepalen. Dit onderzoek is in 2 stappen uitgevoerd. Daarnaast is voor RBI gebruik gemaakt van beschikbaar bodemonderzoek in dinoloket 1. 2.
Op 16 locaties is doormiddel van grondboringen de bodemopbouw bepaald Op 6 (van de 16) locaties is in een tweede ronde grondonderzoek het volumieke gewicht van de aanwezige lagen bemonsterd.
1.2.1
Bodemopbouw
In Tabel 1-3 is de bodemopbouw ter plaatse van de ontgraving in RB I weergegeven. In Tabel 1-4 is de bodemopbouw (RB II) per boring in 1 overzicht beschreven. Één van de boringen laat een afwijkende bodemopbouw zien, namelijk boring mw02-002. In deze boring is geen toplaag van veen aanwezig, maar direct een afwisselend zandige en zwak humeuze kleilaag van 2,5 m gevolgd door een dik veenpakket. Ter verificatie is op enkele meters vanaf deze boring een controleboring uitgevoerd. De controleboring laat een andere bodemopbouw zien, namelijk een toplaag (0,25 m) van veen gevolgd door een kleilaag (matig siltig) van 2,85 m. De verwachting is dat het 1e resultaat van dit boorpunt niet representatief is voor het omliggende gebied. Tabel 1-3 Overzicht opbouw toplaag RB I Boring
deklaag dikte [m]
klei matig siltig, zwak humeus
veen
B31B0269 B31B1549 B31B0335
4,8 4,4 4,5
3,9 3,1 3,5
0,9 1,3 1
Tabel 1-4 Overzicht bodemopbouw toplaag RBII Deelgebied
Boring
deklaag dikte [m]
RBII
mw01-001 mw01-002 mw01-003 mw01-004 mw01-005 mw01-006 mw02-001 mw02-002 mw02-002 mw02-003 mw02-004 mw02-005 mw02-006 mw02-007 mw02-008 mw02-009 mw02-010
4,2 4,2 4,4 4,3 4,2 4,2 4,3 5,5 4,05 4,3 4,4 4,2 4 4,5 5 4,2 4,2
RBII
blad 8 van 24
klei matig siltig, zwak humeus
0,2
0,2
veen
0,3 0,3 0,3 0,3 0,45 0,4 0,15 0,25 0,35 0,2 0,3 0,4 0,3
klei matig siltig, zwak humeus
0,25
0,3
0,3 0,3
0,4
klei matig siltig
veen
2,9 2,8 2,4 2,8 2,75 2,8 2,7 2,5 2,85 2,95 2,7 2,9 2,3 2,8 3 2,2 2
1 0,8 1,7 1,2 1 1 0,9 3 0,95 1 0,8 1 1,1 1,4 2 1,25 1,2
klei matig siltig
0,3
0,1
0,2 0,2
0,45 0,3
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Deelgebied
RBI
Boring
deklaag dikte [m]
mw02-011 mw02-012 mw02-013 mw02-014 mw02-015 mw02-016 B31B0269 B31B1549 B31B0335 R1-031* R1-011
4 4,15 3,9 4 3,85 4 4,8 4,4 4,5 5,7 5,3
klei matig siltig, zwak humeus
veen
klei matig siltig, zwak humeus 0,3 0,5
0,4 0,2 0,35 0,5 0,3 0,35
1,0 1,3
klei matig siltig
veen
1,9 2,4 2,85 2,6 2,3 2,75 3,9 3,1 3,5 2,9 2,4
1,4 0,9 0,7 0,9 1,1 0,9 0,9 1,3 1 1,8 1,6
klei matig siltig
0,15 0,1 0,15 0,2
*de deklaag is hier ‘dikker’ omdat er is gemeten ter plaatse van een dijklichaam in de polder
1.2.2
Volumiek gewicht
In Tabel 1-5 is het resultaat van het onderzoek op klei en veen gepresenteerd. Ten behoeve van de berekening van de opbarstveiligheid is een veilige doch realistische waarde als karakteristieke waarde gehanteerd, namelijk de op 1 na laagst gemeten waarde van het volumiek gewicht. Om van de karakteristieke naar de rekenwaarde te komen is rekening gehouden met een materiaalfactor van 0,9. De rekenwaardes van de volumieke gewichten zijn daarmee: • Klei: 14,24 * 0,9 = 12,82 • Veen: 10,67 * 0,9 = 9,60 Tabel 1-5 volumiek gewicht klei en veen Boring
Klei
mw02-05 mw02-07 mw02-011 mw02-014 mw02-014 mw02-002 mw02-002 mw01-003
Diepte monster [m t.o.v. maaiveld] 1,50-1,70 2,40-2,60 1,40-1,60 1,40-1,60 2,40-2,60 1,10-1,30 2,00-2,20 1,90-2,10
Veen Gemeten volumieke massa [kN/m3] 16,36 15,30 13,45 14,28 14,24 14,86 15,87 13,98
Diepte monster [m t.o.v. maaiveld] 3,60-3,80 3,60-3,80 3,40-3,60 3,40-3,60
Gemeten volumieke massa [kN/m3] 11,15 10,98 10,67 10,91
3,30-3,50
10,87
3,10-3,30
10,67
Aanscherping soortelijk gewicht in 1 deelgebied De opbarstveiligheid in compartiment 5 (zie ) komt met de ‘bovenstaande’ karakteristieke waarde van het soortelijk gewicht (12,82) in de nieuwe situatie net onder de 1,00. Alle 4 de monsters in deelgebiedje A laten een hoger soortelijk gewicht zien. In dit gebied is daarom gebruik gemaakt van een locatie specifieke waarde van het volumieke gewicht van klei. Dit is bepaald aan de hand van de volgende monsters: • MW02-002 o 14,9 kN/m3 o 15,9 kN/m3 • MW02-005 o 16,4 kN/m3 • MW02-007 • 15,3 kN/m3 Op basis van bovenstaande lokale monsters is in deelgebied A een volumiek gewicht voor klei gehanteerd van 13,4 kN/m3 (= 14,9 kN/m3 * 0,9).
blad 9 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
2
Ontwerp
Voor het gebied is een watersysteem ontworpen dat aansluit bij de doelstelling om natte natuur (moeras) en vochtig weidevogelgrasland te realiseren. Deze ontwikkeling is nodig om de Nieuwkoopseplassen (zuidzijde in figuur 6) te verbinden met natuurgebied de Groene Jonker (oostzijde in figuur 6). Moeras bestaat uit droge, natte en plas-dras delen. Het realiseren van moeras vindt plaats door het huidige waterpeil te verhogen in combinatie met graafwerkzaamheden (eindsloot met moeraszone). Voor vochtig weidevogelgrasland vinden geen graafwerkzaamheden plaats en voldoet een specifieke peilverhoging. Het gebied gaat bestaan uit zes verschillende peilvakken, zoals weergegeven in de watersysteemkaart (Figuur 2-1). • In RBI is het waterpeil reeds aangepast naar NAP -5,30 m tot NAP -5,68 m. In dit gebied wordt de moeraszone uitgebreid. • In het grensgebied (rood) zijn de ontwerpwerkzaamheden voorlopig stil gezet i.v.m. benodigde grondaankoop. • Ten zuiden van de primaire watergang (zwarte gestreepte lijn) blijft het huidige watersysteem gehandhaafd (NAP -5,98 m). • In compartiment 1 wordt het peil opgezet naar NAP -5,70 m tot NAP -5,90 m. • In compartiment 2 wordt het peil opgezet naar NAP -5,90 m tot NAP -6,10 m. • In compartiment 3 zijn voorlopig geen wijzigingen. • In compartiment 4 zijn voorlopig geen wijzigingen.
• In compartiment 5 wordt het peil opgezet naar NAP -5,50 m tot NAP -5,75 m en wordt moeras gecreëerd.
Figuur 2-1 Overzicht deelgebieden
blad 10 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
2.1
Opbarstveiligheid in de huidige situatie t.p.v. de compartimenten en deelgebieden
Om het effect van het ontwerp op de opbarstveiligheid te bepalen is eerst bepaald wat de opbarstveiligheid in de huidige situatie is. Daarin is onderscheid gemaakt tussen RBI en RBII. En in RBII tussen de verschillende compartimenten. Tabel 2-1 opbarstveiligheid huidige situatie RB I, uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m. Boring
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
stijghoogte t.o.v. maaiveld
deklaag dikte
B31B0269 -4,9* -0,04 B31B1549 -5,59 0,65 B31B0335 -5,3 0,36 R1-031 -4,97* 0,03 R1-011 -4,94* 0,00 *t.p.v. een verhoging in het maaiveld
4,8 4,4 4,5 5,7 5,3
klei matig siltig zwak humeus 12,8 kN/m3 3,9 3,1 3,5 3,90 2,70
veen
9,6 kN/m3 0,9 1,3 1 1,80 1,60
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
58,56 52,16 54,4 67,2 62,7
47,6 50,5 48,6 57,3 53,0
1,23* 1,03 1,12 1,17* 1,18*
Tabel 2-2 Opbarstveiligheid huidige situatie grensgebied, uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m Boring
mw02001
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
-5,55
stijghoogte t.o.v. maaiveld zoals in tabel
deklaag dikte
0,61
4,2
veen
veen
9,6 kN/m3
klei matig siltig zwak humeus 12,8 kN/m3
0,40
2,80
1,0
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
49,28
48,10
1,02
9,6 kN/m3
Tabel 2-3 Opbarstveiligheid huidige situatie compartiment 1, locatie E & F, uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m. Stijghoogte boven huidige polderpeil is 1,04 m Boring
mw02006 mw02007 mw02008
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
stijghoog te t.o.v. maaiveld zoals in tabel
deklaag dikte
veen 9,6 kN/m3
klei 12,8 kN/m3
veen 9,6 kN/m3
Klei 12,8 kN/m3
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
-5,4
0,46
4
0,4
2,3
1,1
0,2
46,4
44,6
1,04
-5,4
0,46
4,5
0,3
2,8
1,4
52,16
49,6
1,05
-5,4
0,46
5
3
2
57,6
54,6
1,05
Tabel 2-4 Opbarstveiligheid huidige situatie compartiment 3, (gebaseerd op compartiment 5 locatie C), uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m. Stijghoogte boven huidige polderpeil is 1,52 m Boring
Mw02013 mw02014 mw02015 mw02016
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
stijghoog te t.o.v. maaiveld zoals in tabel
deklaag dikte
veen 9,6 kN/m3
klei 12,8 kN/m3
veen 12,8 kN/m3
Klei 12,8 kN/m3
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
-5,5
0,56
3,9
0,35
2,85
0,7
0,1
47,84
45,6
1,05
-5,5
0,56
4
0,5
2,6
0,9
46,72
45,6
1,02
-5,5
0,56
3,85
0,3
2,3
1,1
0,15
44,8
44,6
1,00
-5,5
0,56
4,2
0,35
2,75
0,9
0,2
49,76
47,6
1,05
blad 11 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Tabel 2-5 opbarstveiligheid huidige situatie compartiment 5, locatie A, uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m. Stijghoogte boven huidig polderpeil is 1,04 m. Boring
mw02001 mw02002 mw02003 mw02004 mw02005
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
stijghoogte t.o.v. maaiveld zoals in tabel
deklaag dikte
klei matig siltig zwak humeus 12,8 kN/m3
veen
Klei matig siltig
veen
Klei matig siltig
9,6 kN/m3
klei matig siltig zwak humeus 12,8 kN/m3
12,8 kN/m3
9,6 kN/m3
12,8 kN/m3
0,2
0,15
0,25
2,7
0,9
0,1
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
51,68
47,6
1,09
-5,4
0,46
4,3
-5,4
0,46
4,05
0,25
2,85
0,95
48
45,1
1,06
-5,4
0,46
4,3
0,35
2,95
1
50,72
47,6
1,07
-5,4
0,46
4,4
2,7
0,8
53,12
48,6
1,09
-5,4
0,46
4,2
2,9
1
49,6
46,6
1,06
0,2
0,2
0,3
0,3
0,2
Tabel 2-6 Opbarstveiligheid huidige situatie compartiment 5, locatie B, uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m. Stijghoogte boven huidige polderpeil is 1,04 m Boring
mw02010 mw02011 mw02012
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
stijghoogte t.o.v. maaiveld zoals in tabel
deklaag dikte
veen
Klei matig siltig
veen
Klei matig siltig
9,6 kN/m3
klei matig siltig zwak humeus 12,8 kN/m3
12,8 kN/m3
10 kN/m3
12,8 kN/m3 0,3
-5,9
0,96
4,2
0,3
0,4
2
1,2
-5,9
0,96
4
0,4
0,3
1,9
1,4
-5,9
0,96
4,15
0,2
0,5
2,4
0,9
0,15
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
48,96
51,6
0,95
45,44
49,6
0,92
49,6
51,1
0,97
Tabel 2-7 Opbarstveiligheid huidige situatie compartiment 5, locatie C, uitgaande van een stijghoogte van NAP -4,94 m. Stijghoogte boven huidige polderpeil is 1,04 m Boring
Mw02013 mw02014 mw02015 mw02016
indicatie niveau maaiveld [m t.o.v. NAP]
stijghoog te t.o.v. maaiveld zoals in tabel
deklaag dikte
veen 9,6 kN/m3
klei 12,8 kN/m3
veen 9,6 kN/m3
Klei 12,8 kN/m3
geschat gewicht
Druk boven in zandlaag
veiligheid tegen opbarsten
-5,5
0,56
3,9
0,35
2,85
0,7
0,1
47,84
45,6
1,05
-5,5
0,56
4
0,5
2,6
0,9
46,72
45,6
1,02
-5,5
0,56
3,85
0,3
2,3
1,1
0,15
44,8
44,6
1,00
-5,5
0,56
4,2
0,35
2,75
0,9
0,2
49,76
47,6
1,05
blad 12 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
2.2
Rekenmethode ontwerp
Het ontwerp is beoordeeld op het mechanisme opbarsten. Hierin is onderscheid gemaakt tussen 3 situaties (zie Figuur 2-2) 1.
2.
3.
Smalle/ondiepe sloten: Sloten smaller dan de deklaag en een talud van circa 1:2 hebben geen effect op de opbarstveiligheid. Dit komt overeen met de meetdata van de waargenomen wellen, bestaande sloten laten geen wellen zien (behalve in compartiment 5 deel B, en in compartiment 2. Sloten met een bodembreedte kleiner dan de dikte van de deklaag maar grotere afmetingen dan punt 1: De sloot reduceert de dikte van de deklaag gedeeltelijk. Er mag gerekend worden met een hoogte van H3 (het snijpunt tussen de belastingspreiding 1:2 en het talud van de sloot). Sloten met een bodembreedte groter dan de dikte van de deklaag. De deklaag wordt volledig gereduceerd door de aanwezigheid van de sloot.
In de volgende paragrafen is de opbarstveiligheid per deelgebied in de toekomstige situatie vergeleken met de huidige situatie.
Smalle sloot, dikte totale deklaag (tot en met maaiveld) is weerstand tegen opbarsten
Brede of diepe sloot, alleen overgebleven deklaag onder de sloot is weerstand tegen opbarsten
Tussenvariant, een deel van de deklaag naast de slootbodem mag meegerekend worden.
Figuur 2-2 Illustratie belastingspreiding conform het technisch rapport waterspanningen bij dijken (Rijkswaterstaat, 2004)
blad 13 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
2.3
RB I
Ten behoeve van de verhoogde kades/peilscheidingen en wandelpaden in RB II is er extra grond benodigd. Daarvoor wordt er in RB I op 2 plekken extra grond gewonnen: In het midden van de ‘wandellus’ wordt het maaiveld verlaagd tot NAP -5,90 m om moeraszone te creëren; De huidige moeraszone, aan de oostzijde van RBI wordt uitgebreid met een bodemdiepte van NAP -5,80 m. Het waterpeil fluctueert door het jaar heen tussen NAP -5,68 m en NAP -5,30 m. In het beoordelen van de opbarstveiligheid is de taludwerking aan de zijkant verwaarloosbaar, dit door toedoen van de relatief grote breedte t.o.v. de dikte van de deklaag. De huidige opbarstveiligheid varieert tussen 1,03 en 1,23 (ter plaatse van een dijklichaam in de polder).
Figuur 2-3 Overzicht RBI. Indicatie locatie ontgraving binnen ‘wandellus’ (geel gestippelde lijn) en uitbreiding van moeraszone (rood gestreepte cirkel) Tabel 2-8 effect op opbarstveiligheid RBI, uitbreiding moeraszone, uitgaande van een nieuw peil van NAP -5,68 m tot NAP -5,30 m situatie
Bodemhoogte [m]
Bodembreedte [m]
Opbarstveiligheid
Effect op opbarstveiligheid
opmerking
Zomerpeil van NAP -5,68 m Winterpeil van NAP -5,30 m
-5,80
>20
1,00 – 1,01
-
-5,80
>20
1,08
Afname van 0,03 tot 0,18 Toename van 0,06 tot afname van 0,11
Tabel 2-9 effect op opbarstveiligheid RBI, uitbreiding moeraszone, uitgaande van een nieuw peil van NAP -5,68 m tot NAP -5,30 m situatie
Bodemhoogte [m]
Bodembreedte [m]
Opbarstveiligheid
Effect op opbarstveiligheid
opmerking
Zomerpeil van NAP -5,68 m Winterpeil van NAP -5,30 m
-5,90
>20
1,00 – 1,01
De grootste afname vindt plaats ter plaatse van de nu nog aanwezige verhoging.
-5,90
>20
1,08
Afname van 0,03 tot 0,17 Toename van 0,06 tot afname van 0,10
blad 14 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
2.4
Grensgebied
Het doel is om in het grensgebied 3 poelen te realiseren. Het proces van grondaankoop is echter nog niet afgerond. Daardoor is er in dit gebied nog geen aanvullend grondonderzoek uitgevoerd om de opbarstveiligheid te controleren. Zodra de grondaankoop afgerond is wordt het onderzoek in dit gebied voortgezet.
2.5
Compartiment 1
Ter plaatse van het weidevogelgrasland in compartiment 1 worden enkele slootjes gegraven die bestaande perceelsloten met elkaar verbinden. Deze perceelsloten zijn immers afgesloten van de centrale wetering maar mogen niet doodlopen. Aan de oostzijde van compartiment 1 zijn eveneens percelensloten aanwezig. Ook voor deze sloten geldt dat ze zijn afgesloten van de centrale wetering maar met elkaar worden verbonden door een nieuwe watergang te graven, de zgn. verbindingsloot. Deze sloten hebben de vergelijkbare breedte en diepte als de bestaande sloten, en hebben daarmee geen invloed op het aantal wellen in het gebied. Daarnaast wordt het peil opgezet van NAP -5,98 m naar NAP -5,90 m tot NAP -5,70 m. • • •
Bodemdiepte: -6,30 m NAP; Bodembreedte: ca 1 meter; Insteekbreedte: ca. 4 meter.
2.6
Compartiment 2
In dit compartiment is er momenteel een onderbemaling van NAP -6,10 m en NAP -6,46 m. In dit deelgebied worden in de huidige situatie al veel wellen waargenomen. We grijpen het ontwerp aan om de hoeveelheid kwel in dit gebied te reduceren. In de toekomstige situatie wordt het peil met 0,20 tot 0,36 m opgezet tot NAP -5,90 m/ NAP -6,10 m. Daardoor neemt in heel het gebied de neerwaartse druk toe, waardoor de opbarstveiligheid toe neemt en de kwelstroom af neemt. Er wordt 1 smalle verbindingssloot gegraven (smaller dan 4 meter), doordat deze smaller is dan de dikte van de deklaag, neemt het risico op opbarsten daardoor niet toe.
2.7
Compartiment 3
In compartiment 3 heerst nu een waterpeil van NAP -5,98 m, dit wordt opgezet naar NAP -5,75 m (zomer) en NAP 5,50/-5,30 m in de winter. De huidige opbarstveiligheid varieert tussen 1,00 en de 1,03 (uitgaande van het laagst aanwezige maaiveld op NAP -5,60 m). De stijghoogte is NAP -4,94 m. Doordat de opbarstveiligheid in de huidige situatie slechts 1,0 is, worden hier geen moeraszones gegraven lager dan NAP -5,60 m. In dit deelgebied wordt enkel een smalle sloot (breedte op mv. van ca. 4 m), deze heeft geen invloed op de opbarstveiligheid. Omdat bodemonderzoek in dit gebied niet mogelijk was, is hier uitgegaan van de situatie gelijk aan compartiment 1, deelgebied C. De diepte van de onderkant van de deklaag is namelijk gelijk aan of dieper dan in deelgebied C, gebaseerd op figuur 3.3 uit de rapportage ‘geohydrologisch onderzoek Ruygeborg II DEF-20171208’ (Royal HaskoningDHV, 2017).
2.8
Compartiment 4
In dit compartiment zijn geen wijzigingen voorzien die effect hebben op de opbarstveiligheid.
2.9
Compartiment 5
Voor een afscheiding tussen moeras en het weidevogel grasland is een permanent natte zone nodig met diepgang, in de vorm van een watergang. Deze zogenaamde “eindsloot” is nodig om predatoren zoveel als mogelijk te weren en zorgt eveneens voor de aan-/afvoer van water binnen het oostelijke en westelijke deel van het moeras. Binnen het compartiment is onderscheid gemaakt in verschillende locaties (A t/m C) i.v.m. verschillende bestaande maaiveldhoogtes en verschillende in opbarstrisico.
blad 15 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Om de plas-dras situatie te creëren voor het moeras zijn alleen ter plaatse van locatie A en C moeraszones ontworpen die bij fluctuatie van het water soms droogvallen, net nat blijven of permanent nat blijven maar ondiep worden. De watergang (eindsloot) en de terrassen hebben de volgende afmetingen: 1 2
De eindsloot krijgt een bodemhoogte op NAP -6,30 m en een bodembreedte van 2 m. Het 2e niveau krijgt een bodemhoogte van NAP -5,90 m met een variabele bodembreedte tussen 10 en 60 m.
2.9.1
Deelgebied A
In dit deelgebied is de huidige maaiveldhoogte NAP -5,40 m. De huidige opbarstveiligheid varieert tussen 1,10 en 1,13 In onderstaande tabel is de opbarstveiligheid weergegeven, gebaseerd MW02-002 (1,10) en MW02-004 (1,13). De opbarstveiligheid in dit gebied komt met de ‘standaard’ karakteristieke waarde van het soortelijk gewicht (1,28) net onder de 1,00. Alle 4 de monsters in deelgebied A laten een hoger soortelijk gewicht zien. In dit gebied is daarom gebruik gemaakt van een locatie specifieke waarde van het volumieke gewicht van klei. Dit is bepaald aan de hand van de volgende monsters: o MW02-002 ▪ 14,9 kN/m3 ▪ 15,9 kN/m3 o MW02-005 ▪ 16,4 kN/m3 o MW02-007 ▪ 15,3 kN/m3 Op basis van bovenstaande lokale monsters is een volumiek gewicht voor klei gehanteerd van 13,4 kN/m 3 (= 14,9 kN/m3 * 0,9). De opbarstveiligheid in de moeraszone in gebied A varieert in de nieuwe situatie tussen de 1,01 en 1,15. Door de afname met het zomerpeil zal de hoeveelheid kwel door de bodem iets toenemen ter plaatse van de ontgraving. Tabel 2-10 effect op opbarstveiligheid gebied A situatie
Bodemhoogte [m t.o.v. NAP]
Bodembreedte [m]
Opbarstveiligheid
Effect op opbarstveiligheid
opmerking
Zomerpeil van NAP -5,75 m
-5,50 -5,70 -5,90 -6,30 -5,50 -5,70 -5,90 -6,30 -5,50 -5,70 -5,90 -6,30
20 20 20 22 20 20 20 2 20 20 20 2
1,08 – 1,11 1,03 – 1,06 1,01 – 1,04 1,01 – 1,04 1,08 – 1,11 1,08 – 1,10 1,06 – 1,10 1,06 – 1,10 1,13 – 1,15 1,12 – 1,14 1,11 – 1,14 1,11 – 1,14
Afname van 0,02 Afname van 0,07 Afname van 0,09 Afname van 0,09 Afname van 0,02 Afname van 0,02 Afname van 0,04 Afname van 0,04 Toename van 0,03 Toename van 0,02 Toename van 0,01 Toename van 0,01
Opbarstveiligheid berekend a.d.h.v. 4 lokale bodemmonsters
Winterpeil van NAP -5,50 m Winterpeil van NAP -5,30 m
2 Fictieve bovenbreedte van 5,50 m (snijpunt opbarsten op NAP -5,9 m)
blad 16 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
2.9.2
Deelgebied B
In dit deelgebied is de huidige maaiveldhoogte NAP -5,90 m. De huidige opbarstveiligheid varieert tussen 0,92 en 0,97. Dit komt overeen met waarnemingen in het veld, op dit laag liggende terrein zijn meerdere wellen waargenomen. In onderstaande tabel is de range van opbarstveiligheid weergegeven, gebaseerd op MW02-011 (0,92) en MW02-012 (0,97). Omdat de opbarstveiligheid in de huidige situatie al onvoldoende is wordt er niet ontgraven in dit deelgebied. Na realisatie van het nieuwe watersysteem neemt op deze gevoelige locatie de opbarstveiligheid toe. Afhankelijk van het seizoen is de toename 0,05 tot 0,12. Tabel 2-11 effect eindsloot op opbarstveiligheid gebied B Situatie Zomerpeil van NAP -5,75 m Winterpeil van NAP -5,50 m Winterpeil van NAP -5,30 m
2.9.3
Bodemhoogte [m t.o.v. NAP] -5,90 -6,30
Bodembreedte [m] 20 23
Opbarstveiligheid
Effect op opbarstveiligheid
0,95 – 1,00 0,95 – 1,00
Toename van 0,05
-5,90 -6,30
20 2
1,00 – 1,05 1,00 – 1,05
Toename van 0,08
-5,90 -6,30
20 2
1,04 – 1,09 1,04 – 1,09
Toename van 0,12
Deelgebied C
In dit deelgebied is de huidige maaiveldhoogte NAP -5,60 m. De huidige opbarstveiligheid varieert tussen 1,00 en de 1,03 uitgaande van het laagst aanwezige niveau van het maaiveld (NAP -5,60 m). De stijghoogte is NAP -4,94 m. Doordat de opbarstveiligheid in de huidige situatie slechts 1,0 is, uitgaande van een maaiveld op NAP -5,60, wordt hier enkel lokaal het maaiveld geëgaliseerd op NAP -5,60 m. In dit deelgebied wordt daarnaast enkel een smalle sloot gegraven (breedte op mv. van ca. 4 m), deze heeft geen invloed op de opbarstveiligheid. Na realisatie van het nieuwe watersysteem neemt op deze locatie de veiligheid tegen opbarsten toe met 0,00 tot 0,07. Tabel 2-12 Effect op opbarstveiligheid grensgebied situatie Zomerpeil van NAP -5,75 m Winterpeil van NAP -5,50 m Winterpeil van NAP -5,30 m
Bodemhoogte [m] -5,60
Bodembreedte [m] >20
Opbarstveiligheid
Effect op opbarstveiligheid
opmerking
1,00
Geen verandering
-
-5,30
>20
1,02
Toename van 0,02
-
-5,30
>20
1,07
Toename van 0,07
-
3 Fictieve bovenbreedte van 6,30 m (snijpunt opbarsten op NAP -5,9 m)
blad 17 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
3
Resultaat
In deze rapportage is een analyse opgesteld van het effect van de natuurrealisatie ‘Ruygeborg II’ op het risico op opbarsten in het projectgebied. Daartoe is eerst het huidig opbarstrisico bepaald. Na de natuurontwikkelingen kent het projectgebied een flexibel peilregime, met een ‘zomerpeil’ en een ‘winterpeil’. Er is per peil (winter en zomer) bepaald hoe hoog de opbarstveiligheid is. Het resultaat is opgesomd in paragraaf 0 (winterpeil) en 0 (zomerpeil). Het resultaat is opgenomen in de overzichtskaarten op blad 17 en 18. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten en gegevens gehanteerd: -
-
-
-
Meetgegevens grondwater: o Er zijn lange peilbuismeetreeksen aanwezig van peilbuizen op 400 tot 1500 m vanaf het projectgebied én; o Er is een tweemalige meting uitgevoerd bij 8 peilbuizen in het projectgebied. Schematisatie grondwater: o Gemiddelde stijghoogte: gebaseerd op de peilbuismetingen in december 2020 precies ter plaatse van het projectgebied. Een periode waarin de stijghoogte hoger is dan het jaargemiddelde (bij de oude lange meetreeksen is waarneembaar dat de hoogste stijghoogtes rondom de jaarwisseling worden gemeten); o De fluctuatie van de stijghoogte rondom het gemiddelde is gebaseerd op de grootst gemeten fluctuatie in de meetreeksen rondom het projectgebied. ▪ Gemeten stijghoogtes in projectgebied: NAP -5,97 m tot NAP -5,17 m. Geschematiseerd als NAP -4,94 m. Meetgegevens bodemopbouw: o Ruygeborg II (RBII): ▪ Er zijn 16 grondboringen uitgevoerd om de bodemopbouw en de dikte van de deklaag te meten; ▪ Er zijn 6 boringen (nabij de bovengenoemde 16 boringen) uitgevoerd om de volumieke gewichten van het klei en het veen te bepalen. o Ruygeborg I (RBI): ▪ Er zijn 3 boringen uit dinoloket gebruikt ▪ Er zijn aanvullend 2 diepe boringen uitgevoerd om de bodemopbouw direct ter plaatse van de ontgraving te meten.
Schematisatie bodemopbouw: o Per compartiment is de maatgevende bodemopbouw uit de boringen gehanteerd; o De volumieke gewichten zijn gebaseerd op de 1 na laagst gemeten volumieke massa vermenigvuldigd met een materiaalfactor van 0,90, met als resultaat: ▪ Klei: gemeten massa 13,5 kN/m3 tot 16,4 kN/m3. Geschematiseerd als 12,6 kN/m3 ▪ Veen: gemeten massa 10,7 kN/m3 tot 11,2 kN/m3. Geschematiseerd als 9,6 kN/m3
blad 18 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
3.1
Winterpeil
3.1.1
Ruygeborg I
In dit deelgebied wordt er op twee plaatsen moeraszone gecreëerd. Moeraszone in de ‘wandellus’ (zie Figuur 2-3) met een bodemniveau van NAP -5,90 m. Het huidige peilregime blijft gehandhaafd. De opbarstveiligheid neemt iets af tot circa 1,08. De moeraszone aan de oostzijde Ruygeborg I wordt uitgebreid. Het bodemniveau komt op NAP -5,80 m, de opbarstveiligheid komt daarmee op circa 1,07.
3.1.2
Ruygeborg II
Compartiment 1: In dit compartiment zijn meerdere sloten aanwezig. Uit het onderzoek naar bestaande wellen volgt dat er in dit gebied geen wellen aanwezig zijn. Dat wil zeggen dat met de huidige afmeting van de sloten (breedte en diepte) er geen opbarsten van de slootbodem op treedt. In dit compartiment wordt het waterpeil opgezet van NAP -5,98 m naar NAP -5,70 m. Ter plaatse van de bestaande sloten neemt het kweldebiet daardoor af. Er worden enkele extra verbindingssloten gegraven, deze krijgen dezelfde afmetingen als de bestaande sloten, er is daardoor geen risico tot opbarsten. Compartiment 2: De opbarstveiligheid neemt toe met circa 0,04 door de opzet van het waterpeil. Met een opzet van het peil van 0,20 m is de verwachting is dat het kweldebiet in dit gebied af neemt met circa 17%. Compartiment 3: De opbarstveiligheid neemt iets toe omdat het waterpeil op wordt gezet. Compartiment 4: In dit gebied zijn geen werkzaamheden voorzien. Compartiment 5: Tijdens deze periode wordt de stuwhoogte in de moeraszone ingesteld op NAP -5,50 m. Uitgaande van aanvulling door neerslag en kweldebiet fluctueert de waterstand dan tussen NAP -5,50 m en NAP -5,30 m. Locatie A is de locatie met de hoogste opbarstveiligheid doordat het maaiveld hier het hoogst is. Op deze locatie wordt het meest afgegraven om de watergangen te realiseren.
De opbarstveiligheid na realisatie is circa 1,08 1,14 (0,02 lager tot 0,01 hoger dan in de huidige situatie). Op deze locatie is het volumieke gewicht van de klei hoger dan in de rest van het gebied. Er is gerekend aan de hand van het volumieke gewicht van 4 lokale bodemmonsters. Op locatie B is er gedurende het winterpeil een hogere opbarstveiligheid dan in de huidige situatie, namelijk circa 1,00 tot 1,09. Dit is een toename van 0,05 tot 0,1. Op locatie C is er gedurende het winterpeil een hogere opbarstveiligheid dan in de huidige situatie, namelijk circa 1,07. Dit is een toename van 0,07. Resume: met het winterpeil neemt het af te voeren kweldebiet af, dit door de opzet van het peil, variërend van 0,20 m in compartiment 3 (deelgebied 5) tot 0,68 m in deelgebied 1. Door de opzet van het peil neemt het kweldebiet door de bestaande wellen significant af.
blad 19 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
3.2
Zomerpeil
3.2.1
Ruygeborg I
In dit deelgebied wordt er op twee plaatsen moeraszone gecreëerd. Moeraszone in de ‘wandellus’ (zie Figuur 2-3) met een bodemniveau van NAP -5,90 m. Het huidige peilregime blijft gehandhaafd. De opbarstveiligheid neemt af tot circa 1,0. De moeraszone aan de oostzijde Ruygeborg I wordt uitgebreid. Het bodemniveau komt op NAP -5,80 m, de opbarstveiligheid blijft daarmee boven de 1,0.
3.2.2
Ruygeborg II
Compartiment 1 In dit compartiment zijn meerdere sloten aanwezig. Uit het onderzoek naar bestaande wellen volgt dat er in dit gebied geen wellen aanwezig zijn. Dat wil zeggen dat met de huidige afmeting van de sloten (breedte en diepte) er geen opbarsten van de slootbodem op treedt. In dit compartiment wordt het waterpeil opgezet van NAP -5,98 m naar NAP -5,90 m. Ter plaatse van de bestaande sloten neemt het kweldebiet daardoor af. Er worden enkele extra verbindingssloten gegraven, deze krijgen dezelfde afmetingen als de bestaande sloten, er is daardoor geen risico tot opbarsten. Compartiment 2: De opbarstveiligheid neemt toe omdat het waterpeil op wordt gezet. Er zijn geen significante graverijen. Compartiment 3: In dit gebied neemt de veiligheid tegen opbarsten toe door de waterstandstoename van 0,23 m. ter plaatse van de smalle sloot blijft de opbarstveiligheid gelijk. Compartiment 4: In dit gebied zijn geen werkzaamheden voorzien. Compartiment 5: In deze periode wordt de stuw verlaagd van NAP -5,50 m (winterpeil) naar NAP -5,75 m (zomerpeil). Daardoor zakt het waterpeil naar circa NAP -5,75 m. Dit is een stijging ten opzichte van het huidige peil (NAP -5,98 m). Locatie A: De opbarstveiligheid na realisatie is circa 1,01 tot 1,11. Op deze locatie is het volumieke gewicht van de klei hoger dan in de rest van het gebied.
Er is gerekend aan de hand van het volumieke gewicht van 4 lokale bodemmonsters. Op locatie B er gedurende het zomerpeil een hogere opbarstveiligheid dan in de huidige situatie. Er wordt in dit gebied niet/nauwelijks ontgraven. De opbarstveiligheid neemt toe tot 0,95 à 1,0. Dit is een toename van 0,05. Op locatie C is er gedurende de zomer geen wijziging van de opbarstveiligheid, hier wordt enkel een smalle sloot gerealiseerd. Op locatie D is er geen wijziging van de situatie. Op locatie E neemt de opbarstveiligheid toe vanwege de stijging van de waterstand. Op locatie F blijft de opbarstveiligheid gelijk. De sloot van 4,2 m breed (op maaiveldniveau) is smaller dan de dikte van de deklaag (4,5 m). Algemeen: Op de meeste locaties neemt de kweldruk af door de opzet van het peil. Het is in de zomer mogelijk dat het waterpeil door toedoen van verdamping verder uitzakt dan de stuwhoogte. Dit heeft geen invloed op het af te voeren kweldebiet. Als er namelijk meer kweldruk ontstaat door de lage waterstand neemt de hoeveelheid kwelwater toe. Door de toename stijgt het peil en daarmee de tegendruk, waardoor het kweldebiet weer afneemt. Resume: In de zomer blijft het aantal wellen naar verwachting gelijk. Op enkele plekken worden wellen gedempt of wordt het kweldebiet door de wellen verminderd door opzet van het peil.
Ter plaatse van de ontgraving blijft de opbarstveiligheid boven de 1,0.
blad 20 van 24
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Compartiment 5, deelgebied B Huidig: in dit deelgebied zijn er veel wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,80 a NAP -5,90 m de opbarstveiligheid is 0,92 à 0,97
Effect op kweldebiet bij winterpeil
Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,5 tot 0,7 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,04 m naar 0,36 m tot 0,56 m. De overdruk wordt met 45 tot 65% gereduceerd. De opbarstveiligheid in het hele vak wordt verhoogd naar 1,00 tot 1,09. Het kweldebiet neemt naar verwachting met 45 tot 65% af.
Compartiment 5, deelgebied C Huidig: in dit deelgebied zijn er weinig wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,60 m de opbarstveiligheid is 1,0 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,5 tot 0,7 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,0 m naar 0,3 m tot 0,5 m. De overdruk wordt met 45 tot 65% gereduceerd. De opbarstveiligheid ter plaatse van de ontgraving wordt verhoogd naar 1,00 tot 1,07. Het kweldebiet neemt naar verwachting af.
Compartiment 5, deelgebied A Huidig: in dit deelgebied zijn er nauwelijks wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,40 m a NAP -5,60 m de opbarstveiligheid is 1,10 à 1,14 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,5 tot 0,7 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,04 m naar 0,36 m tot 0,56 m. De overdruk wordt met 45 tot 65% gereduceerd. Ter plaatse van de te ontgraven zone is de opbarstveiligheid 1,08 tot 1,14. Het kweldebiet blijft naar verwachting in dit vak gelijk
Compartiment 3 Huidig: in dit deelgebied zijn er weinig wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,20 m de opbarstveiligheid is circa 1,0 Toekomstig: de ontwerpwerkzaamheden zijn wegens omstandigheden stilgelegd. Er zijn dus geen wijzigingen voorzien in dit gebied.
RB I Huidig: Het waterpeil is NAP -5,30 m tot NAP -5,68 m. Het maaiveld ligt rondom NAP -5,30 m. De opbarstveiligheid is 1,03 tot 1,23 Toekomstig Het waterpeil blijft NAP -5,30 m tot NAP -5,68 m. Het maaiveld in de lus wordt ontgraven tot NAP -5,90 m De moeraszone aan de oostzijde wordt uitgebreid met een bodemhoogte van NAP -5,80 m. De opbarstveiligheid wordt 1,07 tot 1,09 blad 21 van 24
Compartiment 1, deelgebied E&F Huidig: in dit deelgebied zijn er nauwelijks wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,40 m a NAP -5,60 m de opbarstveiligheid is 1,05 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,5 tot 0,7 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,04 m naar 0,3 m tot 0,5 m. De overdruk wordt met 45 tot 65% gereduceerd. Ter plaatse van de smalle te ontgraven sloot is de opbarstveiligheid 1,05 tot 1,07 Het kweldebiet neemt in dit vak naar verwachting af met 45 tot 65%
Compartiment 2 Huidig: in dit deelgebied zijn er zeer veel wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,80 m de opbarstveiligheid is circa 1,0 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,2 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,16 m naar 0,96 m. De overdruk in de sloten wordt met 17% gereduceerd. De opbarstveiligheid in heel het gebied neemt toe Het kweldebiet neemt circa 17% af.
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
Compartiment 5, deelgebied B Huidig: in dit deelgebied zijn er veel wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,80 a NAP -5,90 m de opbarstveiligheid is 0,92 à 0,97
Effect op kweldebiet bij zomerpeil
Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,23 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,04 m naar 0,81 m. De overdruk wordt met circa 20% gereduceerd. De opbarstveiligheid ter plaatse van de ontgraving wordt verhoogd naar 0,95 à 1,00. Het kweldebiet neemt naar verwachting met minstens 20% af. Nieuwe wellen
Compartiment 5, deelgebied C Huidig: in dit deelgebied zijn er weinig wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,60 m de opbarstveiligheid is 1,0 Toekomstig: De opbarstveiligheid blijft gelijk, er wordt enkel een smalle sloot ontgraven. Het kweldebiet neemt naar verwachting af door de peilstijging.
Compartiment 5, deelgebied A Huidig: in dit deelgebied zijn er nauwelijks wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,40 m a NAP -5,60 m de opbarstveiligheid is 1,10 à 1,14 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,23 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,04 m naar 0,81 m. De overdruk wordt met circa 20% gereduceerd. Ter plaatse van de te ontgraven zone is de opbarstveiligheid 1,01 tot 1,11 Het kweldebiet neemt in dit vak naar verwachting iets toe
RB I Huidig: Het waterpeil is NAP -5,30 m tot NAP -5,68 m. Het maaiveld ligt rondom NAP -5,30 m. De opbarstveiligheid is 1,03 tot 1,23 Toekomstig Het waterpeil blijft NAP -5,30 m tot NAP -5,68 m. Het maaiveld in de lus wordt ontgraven tot NAP -5,90 m De moeraszone aan de oostzijde wordt uitgebreid met een bodemhoogte van NAP -5,80 m. De opbarstveiligheid wordt 1,00 tot 1,01 blad 22 van 24
Compartiment 3 Huidig: in dit deelgebied zijn er weinig wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,20 m de opbarstveiligheid is circa 1,0 Toekomstig: de ontwerpwerkzaamheden zijn wegens omstandigheden stilgelegd. Er zijn dus geen wijzigingen meer voorzien in dit gebied.
Compartiment 1, deelgebied E&F Huidig: in dit deelgebied zijn er nauwelijks wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,40 m a NAP -5,60 m de opbarstveiligheid is 1,05 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,23 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,04 m naar 0,81 m. De overdruk wordt met circa 20% gereduceerd. Ter plaatse van de smalle te ontgraven sloot is gelijk aan de huidige situatie, namelijk 1,05 Het kweldebiet blijft in dit vak naar verwachting gelijk.
Compartiment 2 Huidig: in dit deelgebied zijn er zeer veel wellen waarneembaar het maaiveld ligt rond de NAP -5,80 m de opbarstveiligheid is circa 1,0 Toekomstig: Het peil in dit vak wordt met 0,1 m verhoogd, waardoor de overdruk vanuit de zandlaag af neemt van 1,16 m naar 1,06 m. De overdruk in de wellen wordt met 9% gereduceerd. De opbarstveiligheid in heel het gebied neemt toe Het kweldebiet neemt circa 9% af.
4
Bibliografie
Rijkswaterstaat. (2004). Technisch rapport waterspanningen bij dijken Waterkeringen (TAW). Royal HaskoningDHV. (2017). Geohydrologisch onderzoek Ruygenborg II.
betreft: Inventarisatie opbarstrisico aanleg watergangen Ruygeborg II
ijlage 1: boorstaten
blad 24 van 24
Opdrachtgever: Antea group Projectnaam: onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg 2 Projectnr. 0465181.100
Boring:
mw01-001
Boring:
mw01-002
Datum:
18-12-2020
GWS (cm -mv): 20
Datum:
30-12-2020
GWS (cm -mv): 20
Boormeester:
Guus Snaterse
GHG (cm -mv): 10
Boormeester:
Guus Snaterse
GHG (cm -mv): 10
GLG (cm - mv): 50
0
0
weiland
(30)
Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor
30
50 (80)
100
Klei, matig siltig, matig roesthoudend, matig veenhoudend, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,05, neutraalgrijs, Edelmanboor
GLG (cm - mv): 40
0
(30)
50
60 (40)
100
110
0 (20) 20 (10) 30
100
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,5, neutraalgrijs, Veenboor 150
150
(90)
(140)
weiland Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor Veen, matig wortelhoudend, K-waarde: 0,2, donkerbruin, Edelmanboor Klei, matig siltig, matig veenhoudend, zwak wortelhoudend, zwak zandhoudend, matig roesthoudend, K-waarde: 0,05, neutraalgrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, zwak roesthoudend, K-waarde: 0,1, neutraal bruingrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, K-waarde: 0,4, neutraalgrijs, Veenboor
200
200
200 Klei, matig siltig, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Veenboor 240
250
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Veenboor
250
(120)
(70)
300
300
310
320
Veen, K-waarde: 0,1, donkerbruin, Guts 350
350
(80)
Veen, zwak kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,1, donkerbruin, Veenboor
(100) 390
400
400 420 (30)
450
450
(30) 420
Zand, zeer fijn, matig siltig, M50 (180), resten veen, zwak kleihoudend, K-waarde: 1,5, donkerbruin, Guts
(30)
450
450
Klei, matig zandig, K-waarde: 1, neutraal grijsbruin, Veenboor Zand, matig fijn, matig siltig, M50 (300), zwak kleihoudend, K-waarde: 1,5, donker grijsbruin, Guts
Projectleider: Jeroen Dubbeldam Schaal: 1: 50
Getekend volgens NEN 5104
Opdrachtgever: Antea group Projectnaam: onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg 2 Projectnr. 0465181.100
Boring:
mw01-003
Boring:
mw01-004
Datum:
18-12-2020
GWS (cm -mv): 30
Datum:
18-12-2020
GWS (cm -mv): 50
Boormeester:
Guus Snaterse
GHG (cm -mv): 25
Boormeester:
Guus Snaterse
GHG (cm -mv): 40
GLG (cm - mv): 70
0
0
weiland
(30)
Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor
30 (10) 40
50
(30) 70
(50)
100 120
150
(80)
Veen, zwak kleiïg, matig wortelhoudend, K-waarde: 0,2, donkerbruin, Edelmanboor Klei, matig siltig, matig roesthoudend, matig veenhoudend, K-waarde: 0,05, neutraalgrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, resten roest, K-waarde: 0,1, neutraalgrijs, Veenboor
GLG (cm - mv): 100
0
0
weiland
(30)
Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor
30 (30)
50
60 (30) 90
100
(110)
150
Klei, matig siltig, matig roesthoudend, matig veenhoudend, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,05, neutraalgrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, zwak roesthoudend, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,05, neutraal bruingrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, K-waarde: 0,5, neutraalgrijs, Veenboor
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,5, neutraalgrijs, Veenboor 200
200
200
200
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,1, neutraalgrijs, Veenboor
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Veenboor
(80)
250
250
(110)
280
Veen, K-waarde: 0,1, donker zwartbruin, Guts
300
300
310
Veen, K-waarde: 0,1, donkerbruin, Guts
(120)
350
350 (120)
400
400
(50)
450
450
400 Veen, resten zand, K-waarde: 0,05, donkerbruin 450
430 (20) 450
Zand, zeer fijn, matig siltig, M50 (180), zwak kleihoudend, K-waarde: 1,5, donkerbruin, Guts
Projectleider: Jeroen Dubbeldam Schaal: 1: 50
Getekend volgens NEN 5104
Opdrachtgever: Antea group Projectnaam: onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg 2 Projectnr. 0465181.100
Boring:
mw01-005
Boring:
mw01-006
Datum:
30-12-2020
GWS (cm -mv): 30
Datum:
18-12-2020
GWS (cm -mv): 20
Boormeester:
Guus Snaterse
GHG (cm -mv): 20
Boormeester:
Guus Snaterse
GHG (cm -mv): 15
GLG (cm - mv): 60
0
50
0
weiland
(30)
Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor
30 (15) 45 (15) 60 (20) 80
100
(120)
150
200
200
Veen, matig wortelhoudend, K-waarde: 0,2, donkerbruin, Edelmanboor
GLG (cm - mv): 70
0
(40) 40
50
(40) 80
Klei, matig siltig, matig veenhoudend, zwak wortelhoudend, zwak zandhoudend, zwak roesthoudend, K-waarde: 0,05, neutraalgrijs, Edelmanboor
100
Klei, matig siltig, zwak roesthoudend, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,1, neutraal bruingrijs, Edelmanboor
150
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,5, neutraalgrijs, Veenboor
0
300
200
200
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Veenboor
(30) 350
(70)
320
Veen, zwak kleiïg, zwak wortelhoudend, K-waarde: 0,1, donkerbruin, Veenboor
Veen, K-waarde: 0,05, donkerbruin, Veenboor 350
Veen, K-waarde: 0,15, donkerbruin, Veenboor
400
(100)
400 420 (30)
450
(120)
300 320
350
Klei, matig siltig, matig roesthoudend, resten veen, K-waarde: 0,05, neutraal bruingrijs, Edelmanboor
(120)
250
(120)
Veen, zwak kleiïg, zwak wortelhoudend, zwak roesthoudend, K-waarde: 0,4, donkerbruin, Edelmanboor
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Veenboor
Klei, matig siltig, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Veenboor 250
weiland
450
420
Zand, zeer fijn, matig siltig, M50 (170), zwak kleihoudend, K-waarde: 1,5, donkerbruin, Guts
(30)
450
500
550
450
(100)
Zand, zeer fijn, matig siltig, M50 (170), zwak kleihoudend, K-waarde: 1,5, neutraal grijsbruin, Zuigerboor Zand, matig fijn, zwak siltig, M50 (210), K-waarde: 3, neutraalgrijs, Zuigerboor
550
Projectleider: Jeroen Dubbeldam Schaal: 1: 50
Getekend volgens NEN 5104
Opdrachtgever: Antea group Projectnaam: onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg 2 Projectnr. 0465181.100
Boring:
mw02-001
Boring:
mw02-002
Datum:
20-11-2027
GWS (cm -mv): 40
Datum:
2-12-2020
Boormeester:
Vincent Bronder
GHG (cm -mv): 20
Boormeester:
Daymond Mathilda
X-coördinaat:
114790,85
GLG (cm - mv): 90
X-coördinaat:
114845,43
Y-coördinaat:
464259,39
Y-coördinaat:
464349,62
GWS (cm -mv): 50
Z (m t.o.v. NAP): -5,386 0 1 2 50
3 4
0
weiland
(20) 20 (15) 35
Klei, sterk siltig, sterk humeus, matig roesthoudend, zwak wortelhoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,3, neutraalbruin, Edelmanboor
(25) 60 (30) 90
100 5 (110)
150
200
200
250 (130)
0 1
2
Klei, matig siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, bruingrijs, Edelmanboor, kattenklei
100
Klei, matig siltig, zwak kattenkleihoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, licht beigegrijs, Edelmanboor
150
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,7, grijs, Edelmanboor, geen compacte laag
200
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, grijs, Veenboor
braak
(50)
Klei, sterk zandig, matig humeus, geen olie-water reactie, pid (0 ppm), neutraalbruin, Edelmanboor
50
50
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,2, donker zwartbruin, Edelmanboor
0
(50)
100
3
(50)
Klei, matig zandig, geen olie-water reactie, pid (0 ppm), neutraalgrijs, Edelmanboor
4 (100)
5 250
250
Veen, geen olie-water reactie, pid (0 ppm), donkerbruin, Edelmanboor
300 7
330
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, donker zwartbruin, Veenboor, droog
350
(200)
350
(90)
8
400
400 420 (10) 430
450
(60)
9
Klei, sterk zandig, K-waarde: 0,3, grijsbeige, Veenboor Zand, matig fijn, zwak siltig, M50 (190), geen olie-water reactie, K-waarde: 2, beigegrijs, Zuigerboor
450
450
Veen, sterk zandig, geen olie-water reactie, pid (0 ppm), neutraal bruingrijs, Edelmanboor
10
490
500 (60)
550
Klei, sterk siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, pid (0 ppm), neutraal bruingrijs, Edelmanboor
150
6 300
Klei, sterk siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, pid (0 ppm), neutraal bruingrijs, Edelmanboor
550
Zand, matig grof, zwak siltig, M50 (230), geen olie-water reactie, K-waarde: 5, grijs, Zuigerboor
(100)
500 11 550
550
Projectleider: Jeroen Dubbeldam Schaal: 1: 50
Getekend volgens NEN 5104
Opdrachtgever: Antea group Projectnaam: onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg 2 Projectnr. 0465181.100
Boring:
mw02-003
Boring:
mw02-004
Datum:
20-11-2027
GWS (cm -mv): 37
Datum:
20-11-2026
GWS (cm -mv): 50
Boormeester:
Vincent Bronder
GHG (cm -mv): 30
Boormeester:
Vincent Bronder
GHG (cm -mv): 15
X-coördinaat:
115013,53
GLG (cm - mv): 100
X-coördinaat:
114970,49
GLG (cm - mv): 70
Y-coördinaat:
464372,14
Y-coördinaat:
464515,01
Z (m t.o.v. NAP): -5,344 0
0 1
(35) 35
50
2
3
(25) 60
(60)
100 120
4 150
(40) 160 (40)
200
200
weiland
0
Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor Klei, matig siltig, matig roesthoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, grijsbeige, Edelmanboor, kattenklei Klei, matig siltig, resten kattenklei, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, licht grijsbruin, Edelmanboor Klei, sterk siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,3, neutraalgrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,5, blauwgrijs, Edelmanboor, geen compacte klei
1 2 50
weiland
(20) 20 (20)
Klei, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, zwak roesthoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,3, grijsbruin, Edelmanboor
40 (30) 70
100
4
150
5
(150)
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, donker zwartbruin, Edelmanboor Klei, matig siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,2, grijsbruin, Edelmanboor, kattenklei Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,7, blauwgrijs, Edelmanboor, open structuur.
200
Klei, matig siltig, sporen schelpen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, neutraalgrijs, Veenboor 250
3
0
220
Klei, matig siltig, sporen schelpen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, blauwgrijs, Veenboor
250 (130) (120)
300
300 330
350 (70)
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, donker zwartbruin, Veenboor
340
350 (80)
400
400 (30) 430 (20)
450
450
(50)
500
500
(50)
550
550
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, donker zwartbruin, Veenboor, zeer droog
400 Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, donkerbruin, Veenboor, compacte laag Zand, matig fijn, matig siltig, M50 (170), zwak kleihoudend, resten veen, K-waarde: 0,2, grijsbeige, Veenboor Zand, matig fijn, zwak siltig, M50 (170), lensjes klei, K-waarde: 1,5, bruinbeige, Zuigerboor Zand, matig fijn, zwak siltig, M50 (190), zwak plantenresten houdend, K-waarde: 2,5, neutraalgrijs, Zuigerboor
420 (20) 440
450
500
Klei, matig zandig, zwak zandhoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,6, grijsbeige, Veenboor Zand, matig fijn, zwak siltig, M50 (190), geen olie-water reactie, K-waarde: 2,5, lichtgrijs, Zuigerboor
(140)
550 580
600
(20) 600
Klei, sterk siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,2, licht grijsbeige, Zuigerboor
Projectleider: Jeroen Dubbeldam Schaal: 1: 50
Getekend volgens NEN 5104
Opdrachtgever: Antea group Projectnaam: onderzoeken, vergunningen en opstellen RAW bestek Ruygeborg 2 Projectnr. 0465181.100
Boring:
mw02-005
Boring:
mw02-006
Datum:
20-11-2027
GWS (cm -mv): 15
Datum:
19-1-2001
GWS (cm -mv): 30
Boormeester:
Vincent Bronder
GHG (cm -mv): 10
Boormeester:
Vincent Bronder
GHG (cm -mv): 15
X-coördinaat:
115044,90
GLG (cm - mv): 70
X-coördinaat:
115171,19
GLG (cm - mv): 70
Y-coördinaat:
464669,16
Y-coördinaat:
464601,96
Z (m t.o.v. NAP): -5,658 0 1
0
weiland
(30)
Veen, sterk kleiïg, zwak wortelhoudend, zwak roesthoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor
30
50
2
(30) 60
3
(30) 90
100
Klei, matig siltig, resten kattenklei, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,2, bruingrijs, Edelmanboor
4 (110)
150
200
Klei, matig siltig, matig roesthoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, grijsbeige, Edelmanboor, kattenklei
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,4, blauwgrijs, Edelmanboor, geen compacte klei
200
1
pf1
(40) 40
50 2
(40) 80
100
3
(30) 110
4 150
200 Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, neutraalgrijs, Veenboor
250
0
0
(90)
300
(70)
300 320
400
390 (20) 410 (10) 420 (30)
450
500
550
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, donker zwartbruin, Veenboor, droog
Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, donker zwartbruin, Veenboor, zeer compacte laag
450
Witgeel, Veenboor, kalk/zandsteenachtige brokken
(100)
Zand, matig fijn, matig siltig, M50 (170), zwak kleihoudend, resten veen, K-waarde: 0,2, grijsbeige, Veenboor
550
Klei, matig siltig, matig roesthoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, grijsbeige, Edelmanboor, kattenklei Klei, matig siltig, resten kattenklei, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,2, neutraalgrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,4, blauwgrijs, Edelmanboor, geen compacte klei
200
270 (20) 290
(70)
Veen, zwak wortelhoudend, zwak roesthoudend, resten klei, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,3, donkerbruin, Edelmanboor
Klei, matig siltig, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,1, neutraalgrijs, Veenboor
250
(120)
350
weiland
Zand, matig fijn, zwak siltig, M50 (190), zwak plantenresten houdend, K-waarde: 2,5, neutraalgrijs, Zuigerboor
(90)
Veen, matig riethoudend, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,2, donker zwartbruin, Veenboor, droog Veen, geen olie-water reactie, K-waarde: 0,05, donker zwartbruin, Veenboor, compacte laag
350
400
380 (20) 400 (30) 430
450
Klei, sterk zandig, K-waarde: 0,3, donker grijsbruin, Veenboor Zand, matig fijn, matig siltig, M50 (170), K-waarde: 1,5, grijsbeige, Veenboor Zand, matig grof, zwak siltig, M50 (230), K-waarde: 6, neutraalgrijs, Zuigerboor