Deel 1 - Set bijlagen (geanonimiseerd)
Tekst van het document
waardoor fosfaat gebonden wordt aan het ijzer en
fosfaat dus niet oplost in het oppervlaktewater (zie paragraaf 4.2.3.1). Het grote voordeel zou zijn dat dan niet alle bagger hoeft te worden verwijderd maar dat het volstaat om tot een gewenste waterdiepte te baggeren. In dit definitief ontwerp is nagenoeg de baggeropgave zoals voorgesteld in het definitief schetsontwerp gevolgd:
. e
watergangen die breder zijn dan 8 meter te baggeren tot een waterkolom van 1 meter diepte; een derde van de watergangen die smaller zijn dan 8 meter worden gebaggerd tot een waterkolom van 0,7 m diepte (in definitief schetsontwerp tot 0,6 m). Deze watergangen liggen in het noordelijk deel. Hier zal krabbenscheer worden uitgezet, die bagger nodig heeft om in de wintermaanden in te kunnen afzinken'®;
« _ tweederde deel van de watergangen die smaller zijn dan 8 meter wordt gebaggerd tot de vaste bodem. Dit resulteert hier in een waterkolom van gemiddeld 1 meter diepte. Tijdens het baggeren dient voorkomen te worden dat in de vaste bodem (met name in de oevers) wordt gegraven om instabiliteit en inzakkingen van oevers te voorkomen. Er dient ook voorkomen te worden dat oevers kunnen eroderen, dat zou de doelmatigheid van het baggeren niet ten goede komen. Het is van groot belang dat langs alle oevers in het projectgebied voldoende en gevarieerde vegetatie aanwezig is die als oeverbescherming functioneert (niet te beschouwen als een inrichtingsmaatregel zoals beschreven in paragraaf 5.1.3). Dit kan bereikt worden door jaarlijks een deel te maaien en een strook over te laten staan. Dit is met name belangrijk voor de vegetatiesoorten die zich in het natte deel van de oever hebben gevestigd. Uiteindelijk kan de krabbenscheer ook meer verspreid over het gebied worden aangebracht. Hierdoor is er ruimer koloniserend vermogen voor krabbenscheer en wordt ook het risico op afsterven verspreid.
’9 Krabbenscheer is in staat om effectief nutriënten uit het water te halen waardoor wordt bijgedragen aan de verbetering van de waterkwaliteit verderop in het watersysteem.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
57
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV De baggeropgave in Westveen is geduid op de kaart in bijlage 5a (Fase 1) en 5b (Fase 2). Ten opzichte van het definitief schetsontwerp is er sprake van een beperkt aantal wijzigingen, die voor een deel al verwerkt zijn in de baggerhoeveelheden van het definitief ontwerp: e _ de watergang direct gelegen ten zuiden van het recreatiepark De Visotter is geen onderdeel van het natuurdeel en wordt niet gebaggerd: ° _ een aantal watergangen aan de oostzijde is als gevolg van de uitgevoerde dijkverbetering reeds vervallen en gedempt: een nieuwe watergang watergang is meer westelijk gelegen (revisie van de dijkverbetering is verwerkt n de inrichtings- en baggerkaarten): uitgangspunt is dat hier geen baggerwerkzaamheden aan de orde zijn; °
een aantal watergangen die reeds verland zijn (als zodanig aangegeven op de inrichtingskaart) wordt niet gebaggerd. Aan een verdere verlanding worden wel eisen gesteld door Waternet (uitgangspunt is: geen afname van waterberging), zie hiervoor ook bijlage 2 en hoofdstuk 7;
e
direct naast aanwezige constructieve objecten in het plangebied (denk aan beschoeiingen, vlonders) wordt niet of zeer beperkt gebaggerd, het betreft maatwerk. Ook de naast de kern van Woerdense Verlaat gelegen watergang (geen onderdeel baggeren in schetsontwerp) maakt deel uit van dit maatwerk. Het bepalen van de omvang en de daarmee ook de beperking van de baggeractiviteiten ter plaatse maken deel uit van het in een volgende fase op te stellen uitvoeringsontwerp;
°
aangezien er in de Uitwegsloot waarschijnlijk niet of beperkt gebaggerd zal worden tot het niveau van de watergangen in de polder zelf (in 2015 heeft Waternet voor het laatst gebaggerd, op z'n vroegst
kan in 2025 weer gebaggerd worden®), zal er een nader te bepalen overgangszone aan de orde zijn in de dwarswatergangen. Voorkomen
moet worden dat na baggeren in de dwarswatergangen deze
weer snel gevuld zullen zijn met bagger vanuit de Uitwegsloot. Naast percelen waar nog actief bemest wordt zal niet eerder gebaggerd gaan worden dan dat de bemesting definitief is beëindigd (onderdeel Fase 2). De baggerhoeveelheden zijn ten opzichte van het definitief schetsontwerp met meer nauwkeurigheid bepaald door een slib(radar)meting die door ATKB is uitgevoerd (zie paragraaf 4.2.3.3). De baggerhoeveelheden
en kwaliteit van de bagger zijn opgenomen
per kwaliteit en fase (behoudens het maatwerk) zijn opgenomen
in bijlage 6a. De totaalhoeveelheden
in navolgende tabel
Tabel 2 Baggerhoeveelheden Westveen
TOTAAL |Omschrijving
FASE 1
FASE 2
88.812|Totaal te baggeren (m3)
50.869[
_ 28.943
54.442|Verspreidbaar (aangrenzend en vrij) 30.555{Niet verspreidbaar
34.606[ 23.851
__ 19.836 6.704
3.815|Niet toepasbaar
1412
2.403)
Een eerste analyse van het baggerwerk dat als maatwerk kan worden aangeduid laat zien dat slechts sprake zal zijn van orde grootte 1.500 m3 extra vrijkomende bagger, uitgaande van een baggerdiepte die beperkt blijft tot 70 cm waterkolom. Van deze hoeveelheid is ca. 1.000 m3 aan te merken als niet verspreidbaar. De baggerhoeveelheden kunnen wijzigen naar aanleiding van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek beijzering (september 2023 afgerond) en de pilot waarmee de mate van verweking van de vaste bodem na baggeren wordt vastgesteld (deze pilot kan in principe doorlopen tot medio 2024). 2 Waternet heeft aangegeven voorzichtig te moeten zijn met baggeren vanwege de zachte bodem.
Mogelijk dat maximaal tot NAP-
2,8 m gebaggerd kan worden.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
58
5 Royal HaskoningDHV
De zogenaamde verspreidbare en niet-verspreidbare bagger worden hydraulisch afgevoerd naar weilanddepots in de Noordse Buurt (zie paragraaf 6.5.1) en hebben na rijping een definitieve functie n deze natuurontwikkeling. In Westveen is tevens sprake van een beperkte hoeveelheid sterk verontreinigde bagger, deze wordt direct afgevoerd naar een erkende verwerkingsinrichting
5.1.1.2
Overige maatregelen watersysteem
Op de inrichtingskaarten van het definitief ontwerp zoals die als bijlage 7 zijn bijgevoegd (met onderscheid in fase 1, fase 2 en eindbeeld — voor een totaaloverzicht) zijn ook de maatregelen aan het watersysteem geduid. Ze spreken voor zich, een korte toelichting is navolgend gegeven. Middels het graven van nieuwe watergangen, het verwijderen van een verlande watergang, verwijderen van dammen, aanbrengen van duikers (minimale diameter 600 mm, materiaal PE) in bestaande dammen en verwijderen van stuwtjes, wordt een doorgaande water aan- en afvoer gerealiseerd. Waterscheidingen zijn bewust opgenomen om: «
kortsluiting met het inlaatwater te voorkomen: vooral ter plaatse van nat schraalland;
Figuur 5-1 Voorbeeld langere routing water langs nat schraalland (geel) door waterscheidingen
e
vermenging met nutriëntenrijk water vanuit het zuidelijk deel van Westveen in de tussenfase (zie paragraaf 4.2.2) te voorkomen. De bovenzijde van de waterscheiding is hier op een zodanige hoogte gekozen dat deze bij grote buien niet beperkend zijn voor de afvoer van neerslagoverschot (en daarmee niet zorgen voor een verslechtering van de huidige waterhuishoudkundige situatie).
In beginsel zijn de waterscheidingen voorzien als houten damwanden (dikte planken 6-8 cm), een impressie van het beeld dat hiermee ontstaat is opgenomen in Figuur 5-2.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
59
ìì’Royal
HaskoningDHV In een aantal gevallen zijn de waterscheidingen als vaste gronddam (bovenbreedte ca. 5 meter) voorzien omdat deze ook een functie als perceelontsluiting voor de eigenaren/beheerders/pachters in het gebied hebben. Dammen (bovenbreedte eveneens ca. 5 meter) met duikers zijn daarnaast in het watersysteem opgenomen wanneer deze nodig zijn als onderdeel van de beheerrouting en daarnaast doorstroombaar moeten zijn.
Figuur 5-2 Waterscheiding met houten damwand
Figuur 5-3 Duiding watersysteem in noordoostzijde Westveen
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
60
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV
Zoals in paragraaf 4.2.3.5 is aangegeven heeft Waternet gerekend aan de dimensionering van het watersysteem (duikers en watergangen) om inlaatwater uit de Kromme Mijdrecht zo veel mogelijk direct naar het zuiden het gebied te laten instromen. Om in de toekomstde waterverdeling het gebied in of richting Uitwegsloot naar het westen goed te kunnen regelen/instellen is de volgende dimensionering bepaald die in Figuur 5-3 is geduid.
e _ ronde duikers, gebaseerd op een lengte van 10 m en een debiet van 5m?/min:
«
o
D1 diameter 800 mm;
©
D2 diameter 800 mm, waarbij in/op deze duiker een regelbare afsluiter wordt aangebracht om de sturing te kunnen regelen;
o
D3 diameter van 600 mm;
watergangen, taluds 1:1,5, breedte op waterlijn (bij waterpeil NAP-1,90 m): 3 m. Bodemhoogte watergang minimaal op: NAP-2,75 m.
In het watersysteem van Westveen heeft Waternet daarnaast aangegeven dat de diameter van de duikers in de dammen in de doorgaande routing van het watersysteem 800 mm dienen te zijn. De overige duikers n de dammen dienen met een diameter van minimaal 600 mm te worden aangelegd. Specifiek in watersysteem Waternet heeft recent in overleg met de particuliere eigenaar van Westveensekade 114 de daar aanwezige inlaat (zie paragraaf 5.1.1) verwijderd. De inlaat ter plaatse van Westveensekade 16 blijft behouden, maar wordt in overleg met de eigenaren in het kader van de herinrichting aangepast (pomp op aanwezige stuw of aanpassing inlaat, mogelijk met toepassing van een vlotterstuw). De Westveense Molen kan de huidige functie (zie paragraaf 2.1.3.1) ongewijzigd doorzetten. Uitgaande van dit ontwerp waarbij er geen definitieve waterscheidingen in de zijwatergangen langs de Uitweg worden aangebracht kan de huidige reservebemalingsfunctie van de molen ongewijzigd blijven. Ook bij een toekomstig neerslagoverschot kan de molen bijspringen om de polder leeg te malen. Mogelijk dat de molen in de toekomst ook een rol kan spelen bij verversing van water. Randvoorwaardelijk is wel dat in de beheerdam in de molensloot (niet opgenomen in fase 1) een voldoende grote duiker ligt, zodanig dat de functie van de molen niet beperkt wordt.
De percelen van Natuurmonumenten ten zuiden van de dwarse Uitweg zijn meegenomen in fase 1. Om ervoor te zorgen dat het nat schraalland gekoppeld is aan het (schone) watersysteem van fase 1 is voorzien in de aanleg van een sifon die de molensloot kruist (zie inrichtingskaart fase 1).
5.1.2
Natuur(beheer)typen
Op de inrichtingskaarten van het definitief ontwerp zoals die als bijlage 7 zijn bijgevoegd zijn tevens de natuur(beheer)typen op perceel niveau geduid. De verdeling tussen deze beheertypen in Westveen (exclusief de reeds aanwezige natuur) is als volgt: e
(N12.02) Kruiden- en faunarijk grasland (ca. 26 ha)
e °
(N10.01) Nat schraalland (ca. 11 ha) (N05.03) Veenmoeras (ca. 0,7 ha)
° e
(N04.02) Zoete plas (bestaand, ca. 23 ha) (N14.02) Laagveenbos (bestaand, ca. 7 ha)
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
e
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV Daarnaast zijn de natuurvriendelijke oevers aangegeven. Orde grootte is sprake van ruim 4 km oever die als kruidenrijke ruigte wordt ontwikkeld en ca. 5 km als plasberm in te richten en als zodanig te beheren oever.
5.1.2.1
Laagveenbos
Laagveenbossen zijn reeds aanwezig in de polder. Eris geen wens om dit type verder uit te breiden. De kwaliteit van de laagveenbossen zal zich in principe verbeteren zonder verdere ingrepen of beheer, doordat de bomen ouder worden. Plaatselijk kan het echter nodig zijn om bomen periodiek af te zetten, om te voorkomen dat deze omvallen en daardoor oevers beschadigen.
5.1.2.2
Kruiden- en faunarijk grasland
In principe zijn potenties voor ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland op alle percelen in Polder Westveen aanwezig. Er zijn geen inrichtingsmaatregelen nodig voor dit beheertype; het natuurtype ontstaat ‘vanzelf met het juiste beheer. De bodem van de percelen met dit natuurtype is dermate rijk aan voedingsstoffen, dat deze niet meer mag worden bemest. Dit is noodzakelijk om de bodem op de betrokken percelen te verschralen, maar ook om de waterkwaliteit in geheel Westveen te verbeteren. Het beheer bestaat dan ook uit maaien en afvoeren, inclusief eventueel nabeweiding. Hoe vaak gemaaid & afgevoerd moet worden, is afhankelijk van de uitgangssituatie van een perceel. Het volstaat om de bemesting te stoppen en een beheer te voeren van maaien en afvoeren met eventueel nabeweiding (zie nader toegelicht in hoofdstuk 7). 5.1.2.3
Nat schraalland
Voor de ontwikkeling van nat schraalland n Westveen is plaggen noodzakelijk. Om het perceel beheerbaar te houden, wordt een perceel niet in zijn geheel geplagd maar resteert er een beheerstrook (die niet wordt geplagd, maar ook niet wordt opgehoogd). De beheerstrook is 5 m breed en bevindt zich steeds aan de noordzijde van het perceel.
w
w …Ê-———?
Figuur 5-4 Principe maaiveldverlaging t.b.v. nat schraalland
Omdat het belangrijk is dat neerslag kan afstromen wordt het perceel iets schuin geplagd (op één oor gelego). In paragraaf 4.2.3.4 is nader geduid hoe de plagdieptes zijn bepaald voor de percelen die in een eerder stadium door B-WARE
zijn onderzocht. In paragraaf 4.2.3.6 is aanvullend bodemchemisch
bodemonderzoek beschreven dat recent is uitgevoerd. De resultaten van dit aanvullend bodemchemisch onderzoek zijn verwerkt n deze versie 2.1 van het definitief ontwerp: de verdeling van nat schraallanden is gewijzigd ten opzichte van versie 1.0 van het definitief ontwerp. Op de bijgevoegde inrichtingskaarten is de nieuwe verdeling opgenomen.
De in de rapportage van het aanvullend bodemchemisch onderzoek
opgenomen benodigde plagdieptes ten opzichte van maaiveld zijn n onderstaande Figuur aangegeven.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
62
ì‘ Royal HaskoningDHV
Uitgangspunten voor de update van het ontwerp met betrekking tot het beheertype nat schraalland zijn de volgende: e eris sprake van een bundeling van nat schraalland in het midden van het gebied (op eigendom van Natuurmonumenten); e de gezamenlijke oppervlakte van percelen met nat schraalland (ca. 11 hectare) blijft gelijk aan wat eerder in het ontwerp is opgenomen; e
de wijzigingen in de verdeling van nat schraalland zorgen (als gevolg van de concentratie) tot een hogere ecologische kwaliteit als geheel in het gebied;
e
eris geen sprake van afzonderlijke/geïsoleerde percelen, dit komt de beheerbaarheid ten goede.
Omdat het plagse! zo voedselrijk is, wordt het afgevoerd en niet gebruikt voor ophoging van het terrein in Westveen.
Nadat een perceel is geplagd wordt hier maaisel van een referentievegetatie opgebracht. Dit is nodig omdat bronvegetaties n het gebied ontbreken en niet verwacht mag worden dat er een geschikte
zaadbank aanwezig is. Opbrengen van referentiemaaisel gebeurt op basis van een met Natuurmonumenten afgestemd maaiselplan vanuit nat schraallanden uit de directe omgeving. Nat schraalland en vochtig hooiland in het algemeen en blauwgrasland in het bijzonder, wordt niet bemest
(dit geldt voor alle vormen van bemesting). Vanwege de kwetsbaarheid van de bodem bestaat het beheer uit een hooilandbeheer, laat in de zomer. Voor nabeweiding is de bodem te slap en te nat. Nat schraalland
is verzuringsgevoelig; de buffercapaciteit van de bodem dient du op peil te blijven. Het beheer wordt uitgevoerd met licht materieel uitgevoerd ter voorkoming van verdichting van de bodem en insporing (zie nader toegelicht in hoofdstuk 7).
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
63
ìì’Royal
HaskoningDHV 5.1.3
Natuurvriendelijke oevers
Zoals in bijlage 2 is benoemd, is sprake van twee typen natuurvriendelijke oevers: plasoevers en kruidenrijke oevers. Ten opzichte van het schetsontwerp s het type oever op een beperkt aantal locaties gewijzigd; daar waar ter plaatse van de zuidzijde van een nat schraalland perceel kruidenrijke ruigte was ingetekend is dit gewijzigd in een plasoever (past beter bij de voorziene maaiveldhoogte ter plaatse). Waar de betreffende oevers aansluiten op kruiden- en faunarijk grasland dient deze zone gevrijwaard te
worden van betreding door vee (als gevolg van beweiding) middels het aanbrengen van een afrastering. Voor de plasoever geldt dat sprake kan zijn van ontgraving in de oever. Ruim voorafgaand aan de inrichting van de plasoever wordt de bestaande oever nagelopen op de aanwezigheid van de kenmerkende soorten. Waar deze (in combinatie) in een ruimer vlak dan 2 m oeverlengte worden aangetroffen, worden deze gespaard en wordt hier geen nieuwe natuurvriendelijke oever ontgraven. Wanneer een ontgraving wordt uitgevoerd, dan dient nadrukkelijk te worden voorkomen
dat als gevolg
van de ontgraving de oever erosiegevoeliger wordt en dit verweking van de oever en daarmee versnelde baggeraanwas tot gevolg heeft. Er wordt dan ook langs de slootkant voorzien in een oeverbescherming
van kokos bevestigd aan perkoenpalen die na ontwikkeling van de vegetatie de functie verliest (kokos zal afbreken en perkoenpalen kunnen worden verwijderd). In Figuur 5-6 zijn twee varianten opgenomen om de oeverbescherming te realiseren (kokosrol en kokosmat). 3m
WP=-1,90
-1,70
-1,70
Figuur 5-6 Principe ontgraving plasoever en oeverbescherming
Omdat de ontgraven grond zo voedselrijk is, wordt deze afgevoerd en niet gebruikt voor ophoging van het terrein in Westveen (bij voorkeur gebruik in Noordse Buurt). Het beheer is erop gericht dat de oevers kruidenrijk en biodivers blijven en wordt uitgevoerd met licht materieel ter voorkoming van beschadiging van de oevers, verdichting van de bodem en insporing. Het in te zetten materieel is specifiek geschikt voor het type beheer c.q. voor het natuurtype (zie nader toegelicht in hoofdstuk 7). Kenmerkende
soorten
Kenmerkende soorten voor de oevervegetatie zijn: iet, grote zeggensoorten als scherpe zegge en moeraszegge, helofyten als witte waterkers, grote waterweegbree, pijlkruid, grote lisdodde, gele lis, kalmoes, grote egelskop en zwanenbloem, opgaande ruigtekruiden (kleine watereppe, moerasspirea, valeriaan en koninginnenkruid) en kruiden van vochtige graslanden (watermunt, moeras-vergeet-menietje) en daamaast ook alle rode lijstsoorten, alle SNL meetsoorten, alle soorten die kenmerkend zijn
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
e
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV voor de betreffende N2000 habitattypen, alle zeggensoorten (exclusief ruige zegge), alle varensoorten en alle helofyten.
5.1.4
Overige maatregelen
Om een ongestoorde zone met ‘otter-eilanden" te realiseren is voorzien in het doorgraven van het bos op eigendom van Natuurmonumenten
middels 2 watergangen met een bovenbreedte van minimaal 4 m en
een diepte tot minimaal NAP-2,90 m. De exacte locaties en vormgeving van de watergangen worden in een later stadium in het veld bepaald (maatwerk); inpassing tussen bestaande begroeiing. 5.1.5
Recreatie
Het Pietersenpad wordt gedeeltelijk verplaatst. Het huidige oostelijke deel van het pad, dat dwars door graslandpercelen loopt, wordt zuidwaarts verplaatst langs het daar aanwezige bos en de verlande watergang. Het pad loopt vervolgens door langs de zuidkant van het daar aanwezige verruigde perceel, over het beheerpad van een nat schraallandperceel en sluit aan op het wandelpad langs de Kromme Mijdrecht. Door de verplaatsing wordt de verstoring van het open graslandgebied beperkt (waar nu het Pietersenpad gesitueerd is). Het trekpontje blijft op de huidige locatie gehandhaafd, maar zal wel worden venieuwd. Op een aantal plaatsen langs de Kromme Mijdrecht worden bankjes geplaatst.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
65
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV 52
Procedureel
5.2.1
Planologische aanwijzing Westveen
Sinds 2003 is duidelijk dat de gronden n Westveen, behorend tot het Natura 2000-gebied Nieuwkoop & De Haeck en het Natuurnetwerk Nederland, een natuurinvulling moeten krijgen. Ondanks de gesprekken en bijeenkomsten met grondeigenaren die er in de afgelopen jaren zijn geweest, is het niet gelukt om met iedere grondeigenaar tot overeenstemming te komen over de inrichting van natuur via zelfrealisatie, de verkoop van gronden of het verkrijgen van toestemming om maatregelen uit te voeren op hun gronden. Onderzoek heeft laten zien dat alle als natuur in te richten gronden in Westveen ecologisch onmisbaar zijn om de afgesproken natuurdoelstellingen te halen. Provinciale Staten is dan ook eind 2022 gevraagd in te stemmen met het, door GS, beschikbaar maken van het benodigde planologische instrumentarium voor tijdige realisatie (door de stuurgroep Veenweiden Gouwe-Wiericke) van het Natuurnetwerk Nederland in Westveen. Bovendien is Provinciale Staten gevraagd, in lijn met het aangepast handelingskader voor de realisatie van Het Natuurnetwerk Nederland in Zuid-Holland, de intentie uit te spreken om over te gaan tot onteigening indien nodig. Op 14 december 2022 is het besluit door Provinciale Staten genomen om het planologisch spoor n gang te zetten.
Uitgangspunt blijft dat met elk van de grondeigenaren in het gebied (met de eventuele inzet van een onafhankelijk adviseur, zoals beloofd door de gedeputeerde van de Provincie Zuid-Holland) een gedragen plan voor (zelf:-Jrealisatie van de natuurdoelen wordt overeengekomen. Indien dat niet haalbaar blijkt, dan biedt de planologische aanpassing de mogelijkheid om grondeigenaren, bij de aankoop van gronden, volledige schadeloosstelling te bieden. Hiermee wordt toegewerkt naar een afronding van de natuuropgave in Westveen uiterlijk in 2027. Dit definitief ontwerp dient als basis voor de aanstaande gesprekken van de Provincie Zuid-Holland over zelfrealisatie (inclusief voorlichting over beschikbare subsidies) dan wel minnelijke verwerving op basis van volledige schadeloosstelling, participatie ten behoeve van het projectbesluit/provinciaal inpassingsplan (PIP) en is tevens de onderlegger van het projectbesluitPIP.
5.2.2
Overige besluiten, toestemmingen, meldingen
5.2.2.1
Peilbesluit
Waternet is voornemens om het peilbesluit in Westveen te wijzigen, gerelateerd aan het te wijzigen peilregime. Dit wordt anders dan nu het geval flexibel en neerslaggestuurd, binnen de huidige bandbreedte van NAP-1,90 m en NAP-1,85 m: in natte perioden (meestal de winter en vroeg voorjaar) met het hoge peil en in drogere perioden (meestal zomer) het lage peil. Het betreft min of meer het
omdraaien van zomer- en winterpeil?’. De procedure is vooralsnog in 2023 voorzien door Waternet. Tijdens de adviesgroepbijeenkomsten zijn in relatie tot de peilwijziging zorgen geuit voor het in Westveen aanwezige bos. Voor rottende boomwortels hoeft niet te worden gevreesd. De drooglegging (het verschil tussen het maaiveldniveau en het waterpeil) s al klein (twintig centimeter) en de bomen en struiken zijn daarom al gewend aan natte omstandigheden. Een peilverschil van vijf centimeter (omwisselen van het zomer- en winterpeil) zal minder dan vijf centimeter wijziging in het grondwaterpeil betekenen, omdat de bodem
dit verschil
“afvlakt’.
? Huidig zomer- en winterpeil:in de zomer het hoge peil (NAP-1,85 m) en in de winter het lage peil (NAP-1,90 m) volgens het Poilbesluit
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
66
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV Daarnaast is een peilverhoging van vijf centimeter in de zomer wellicht juist een voordeel voor de bomen gezien de droge zomers van de afgelopen jaren. Voor de duidelijkheid; het peil zal niet hoger worden, enkel het zomer- en winterpeil zullen worden omgedraaid.
5.2.2.2
Overige procedures
De overige procedures de aan de orde zijn voor de realisatie van de inrichting van Westveen zijn opgenomen in het vergunningenregister dat als bijlage 8 is toegevoegd. In het meest actuele vergunningenregister is, in verband met de te verwachten doorlooptijd van de procedure van het projectbesluit/PIP, geen rekening gehouden met een gecoördineerde procedure met dit projectbesluit/PIP. Met een coördinatieregeling is er sprake van rechtsbescherming met één instantie bij de Raad van State, zonder coördinatieregeling is dit niet het geval.
5.2.2.3
Verkeer provinciale weg N463 (Uitweg)
In het omgevingsproces is door de omgeving en adviesgroep Westveen gevraagd of in het kader van het project aanpassingen aan de provinciale weg tussen de kern Woerdense Verlaat en kern Noorden zouden kunnen worden meegenomen.
Het betreft een zone op de provinciale weg waar 80 km/uur gereden mag
worden. Inmiddels is gebleken dat door de provincie Zuid-Holland eind juni 2023 autonoom werkzaamheden worden uitgevoerd waarmee de weg wordt ingericht als erftoegangsweg: weg wordt smaller, er worden twee verkeersplateaus aangebracht en de snelheid gaat worden beperkt naar 60 km/uur.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
€7
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV 5.3
Vervolgonderzoeken
Voor de verdere uitwerking van het definitief ontwerp tot een uitvoeringsontwerp of ten behoeve van de realisatie dienen de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd: e _ een nadere analyse van kunstwerken in het gebied: staat van huidige dammen e
en dimensionering;
quick-scan schadegevoeligheid omgeving: gerelateerd aan beperkingen uitvoering;
« _ pilot vaststellen mate van verweking vaste bodem na baggeren; e verhardingsonderzoek (ter plaatse van kruising dwarse Uitweg): e _ onderzoek asbest in bagger: kritische locaties uit onderzoek Sweco; e _ grondmechanisch en geotechnisch onderzoek/advies: ter plaatse van te realiseren dammen, waterscheidingen en te graven watergangen in nabijheid van de waterkering; e nader onderzoek aard en omvang in bagger aanwezige objecten (zie ook paragraaf 0}; « milieukundig landbodemonderzoek op te plaggen percelen waar nog geen onderzoek is uitgevoerd, daar waar op een perceel van Natuurmonumenten (achter Uitweg 23) mogelijk asbest aanwezig is:; e _ onderzoek naar voorkomen en mogelijke bestrijding Amerikaanse rivierkreeft; e
ecologische analyse oevervegetaties: vaststellen van reeds waardevolle locaties waar geen plasoevers behoeven te worden ontgraven;
e
een schouw op huidige particuliere percelen ten behoeve van de typering van de huidige vegetatie.
54
SSK-raming
De raming van het definitief ontwerp is separaat opgeleverd en vormt geen onderdeel van het voorliggende rapport.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
68
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV 6
Uitvoeringsaspecten
6.1
Gefaseerde uitvoering
De inrichting van Westveen zal gefaseerd uitgevoerd worden. Deze fasering is geduid in de bijgevoegde kaarten.
Fase
1
Fase 1 betreft met name de uitvoering van werkzaamheden in het noordelijk deel van Westveen, ten noorden van de dwarse Uitweg en een beperkt deel ten zuiden van deze weg (gerelateerd aan percelen van Natuurmonumenten). De voorziene werkzaamheden van fase 1 vanaf augustus/september 2024 zijn de volgende: e _ inrichting weilanddepots in Noordse Buurt (zie ook paragraaf 6.5.1), dit betreft met name grondverzet waarbij de bovenlaag ter plaatse wordt verwijderd (toepassing vrijkomende grond in kades rondom weillanddepots en daarnaast elders in Noordse Buurt ten behoeve van inrichtingsmaatregelen in dat project); e _ conditionerende werkzaamheden voorafgaande aan baggerwerkzaamheden, waaronder: o snoeien bomen ten behoeve bereikbaarheid baggeren; o bepalen ‘blijf-af gebieden’ baggeren: ter plaatse van te beschermen objecten zoals beschoeiingen, vlonders maar ook waardevolle oevervegetatie;
e _ baggeren watergangen:
grotendeels hydraulisch met afzet naar Noordse Buurf2? (kwaliteit
verspreidbaar en niet verspreidbaar). NB. voorafgaand aan het toepassen van bagger vanuit Westveen in de Noordse Buurt hoeven eventueel in de bagger nog aanwezige levende Amerikaanse rivierkreeften niet te worden verwijderd, aangezien deze kreeftsoort ook voorkomt in de watergangen in de Noordse Buurt; er zal geen sprake zijn van verspreiding van de soort. De niet toepasbare baggerspecie wordt afgezet naar een erkende verwerkingsinrichting, hier behoeft het voorkomen van eventuele verspreiding van de rivierkreeft wel aandacht. Voor het transport en de verwerking van invasieve exoten, waaronder de Amerikaanse riverkreeft, is een landelijk handelingskader opgesteld, waaraan ook het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft bijgedragen. Dit handelingskader zal worden gevolgd; e _ plaggen percelen nat schraalland en aanleg plasoevers. Indien mogelijk en bij voorkeur, behoudens sterk verontreinigde grond, afzet van de vrijkomende grond naar Noordse Buurt; °
realisatie overige inrichtingsmaatregelen zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 1 (inclusief waterscheidingen tussenfase);
Fase2
Fase 2 betreft met name de uitvoering van werkzaamheden in het zuidelijk deel van Westveen, ten zuiden van de dwarse Uitweg. Het moment van uitvoering van deze werkzaamheden is afhankelijk van het verloop van de procedure zoals geduid in paragraaf 5.2.1, maar is gericht op een gerealiseerde natuuropgave uiterlijk in 2027. De voorziene werkzaamheden van fase 2 zijn de volgende: e
conditionerende werkzaamheden voorafgaande aan baggerwerkzaamheden, waaronder: © _ snoeien bomen ten behoeve bereikbaarheid baggeren; o bepalen ‘blijf-af gebieden’ baggeren: ter plaatse van te beschermen objecten zoals beschoeiingen, vlonders maar ook waardevolle oevervegetatie;
2 Riping/oxidatie bagger in de weilanddepots of direct daarbuiten (optie voor verspreidbare bagger) in Noordse Buurt en verdere toepassing van dit materiaal in Noordse Buurtis onderdeel van dat project
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
69
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV e
baggeren zuidelijk?3 deel Westveen: grotendeels hydraulisch met afzet van de verspreidbare bagger naar Noordse Buurt (in nog aanwezige weilanddepot of direct verspreid op droge percelen in de moeraszone). De niet verspreidbare baggerspecie wordt afgezet naar een erkende verwerkingsinrichting. Ten aanzien van de Amerikaanse rivierkreeft gelden dezelfde uitgangspunten als in fase 1;
e
aanleg plasoevers?%;
° e
realisatie overige inrichtingsmaatregelen zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 2; verwijderen waterscheidingen tussenfase zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 2.
6.2
_ Tijdstip uitvoering
De start van de (bagger)werkzaamheden is het meest aannemelijk vanaf het najaar van 2024, aangezien dan geen sprake meer zal zijn van broedende vogels. Gezien de omvang van de eerste fase van het werk zullen de werkzaamheden in 2025 eind maart (met een onderbreking in het broedseizoen in 2024) gereed kunnen zijn, dat wil zeggen vóór het broedseizoen van dat jaar. Wanneerde baggerwerkzaamheden in maart zouden worden gestart, is er een reëel risico aanwezig dat bij verplaatsing van de baggerwerkzaamheden naar een ander vak er broedende vogels aanwezig zijn die de voortgang van het werk beperken. Het is ondoenlijk en ook niet wenselijk om het gehele projectgebied door verstoring broedvogevrij te houden. Uitgaande van bestendig beheer kan gehandeld worden volgens de Gedragscode Wet natuurbescherming van de Unie van Waterschappen.
6.3
Bereikbaarheid en logistiek
Hydraulisch transport naar Noordse Buurt Voor wat betreft de verplaatsing van bagger vanuit Westveen naar Noordse Buurt is hydraulisch transport per leiding de enige realistische optie. Vanuit Westveen zal het leidingwerk naar de Noordse Buurt via de oostzijde de reoreatieparken passeren. Het langste leidingtracé vanuit het zuidwesten van Westveen naar het noorden
in de Noordse
Buurt is ca. 2.700 meter.
Het is wenselijk dat ook de te ontgraven grond van de percelen en plasoevers in Noordse Buurt zal worden toegepast. Ook voor deze grond is hydraulisch transport een realistische optie waarmee ‘schadelijk' transport per as wordt vermeden. In de vervolgfase kan deze optie nader worden verkend met marktpartijen. Transport per as vanuit Westveen Afvoer van bagger rechtstreeks vanuit Westveen per as naar een erkende verwerker kan plaatsvinden voor de niet-toepasbare bagger (aanwezig op twee locaties) en voor de niet-verspreidbare bagger die in het zuidelijk deel vrijkomt. De slechte bereikbaarheid langs de aanwezige bebouwing en via de parallelweg langs de N463 is een aandachtspunt en kritisch voor de uitvoering. Het is wenselijk dat de bagger in beunen (bakken) geladen wordt en vanaf de openbare weg bereikbare locaties wordt overgeslagen in transportmiddelen per as.
2 Nadat bemesting ter plaatse definitiefis beëindigd % Mogelijk als onderdeel van zelfrealisatie
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
70
ü?oyal HaskoningDHV 6.4
Duurzaamheid
Het uitgangspunt is dat zo veel mogelijk van de werkzaamheden baggeren,
met elektrisch aangedreven materieel wordt uitgevoerd.
in Westveen,
maar in ieder geval het
Aandachtspunten daarbij zijn: tijdige
beschikbaarheid van oplaadmogelijkheden voor materieel in het gebied,
beschikbaarheid van materieel bij
de voor dit werk geschikte marktpartijen
6.5
Specifieke aspecten
6.5.1
Weilanddepot
baggeren
niet-verspreidbare bagger
In Figuur 6-1 is de depotlocatie van de niet-verspreidbare bagger aangegeven, schetsontwerp van Noordse Buurt.
geprojecteerd op het
Voor wat betreft de verspreidbare bagger is het waarschijnlijk dat deze
ruimer in het projectgebied toegepast kan gaan worden en een keuzemogelijkheid wordt van de uitvoerend
aannemer.
DO
WESTVEEN
DEFINITIEF
ìäîoyal
HaskoningDHV 6.5.2
Obstakels/issues baggeren
In de rapportage van ATKB (zie paragraaf 4.2.3.3) zijn objecten/obstakels opgenomen die tijdens de radarmeting zijn ‘waargenomen’. In Figuur 6-2 zijn deze weergegeven. Dit betreffen vermoedelijk deels takken/stammen die vanafde oever in het water zijn gevallen, maar tijdens het veldwerk is ook op verschillende plekken vastgesteld dat sprake is van afval (plastic, puin, etc.) in de taluds en in het water. Ook kan er rond bebouwing sprake zijn van kabels/Ieidingen in de waterbodem. Voorafgaand aan het baggeren kan het wenselijk zijn om in de baggerzone aanwezige objecten te verwijderen. Nader
onderzoek naar aard en omvang van de objecten is wenselijk in de fase voorafgaand aan uitvoering.
Figuur 6-2 Objecten/obstakels in bagger (Bron: radarmeting ATKB)
Voorafgaand aan het baggeren is het wenselijk om bomen en struiken naast watergangen te snoeien om zodoende de bereikbaarheid van de te baggeren watergangen te verbeteren. Het is aan te bevelen om ten aanzien van het baggerwerk een restrictie in te voeren voor wat betreft het baggeren in de taludzone. Te dicht en te veel baggeren in deze zone heeft als risico dat het rendement van het baggerwerk negatief wordt beïnvloed door afkalving van de taluds/oevers vrij snel na uitvoering van het baggerwerk.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
72
ìì’Royal
HaskoningDHV 7
Aspecten beheer en onderhoud
Ongeveer de helft van de in te richten percelen in het projectgebied Polder Westveen is in eigendom van Natuurmonumenten, welke al met het oogmerk ‘natuur’ worden beheerd en/of hier nader voor zullen worden ingericht. Daarnaast liggen er in het projectgebied Polder Westveen ook eigendommen van particulieren. Deze particulieren hebben de mogelijkheid om middels zelfrealisatie de natuurdoelen te ontwikkelen die voor hun eigendom zijn geformuleerd. Om de noodzakelijke inrichtingsmaatregelen te financieren, staat voor hen de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) ter beschikking (die wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO, met advies van de provincie). Als particulier natuurbeheerder kunnen zij een beroep doen op het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL), waarmee het beheer kan worden gefinancierd
Figuur 7-1 Voorbeeld beheermaterieel op natte graslandtypen.
7.1
Bron: Natuurmonumenten
_ SNL-Doelstelling
Aan de behouds-, uitbreidings- of verbeteropgave die voor de soorten geldt waar Polder Westveen een bijdrage voor moet leveren, kan alleen invulling worden gegeven als ingezet wordt op het SNL-
kwaliteitsniveau Hoog voor de verschillende natuurtypen in dit plan die voor zelfrealisatie n aanmerking komen. Dit voor zowel de biotische als abiotische aspecten van kwaliteit. Alleen dan worden de voor de standplaats van vegetaties of het Ieefgebied van soorten noodzakelijke abiotische kwaliteit gecreëerd en de condities
waaronder
voldoende
kwalificerende
soorten
kunnen
voorkomen
om
aan
de
Natura
2000-
opgaven te kunnen voldoen. Door het kwaliteitsniveau Hoog voor de SNL-natuurtypen te hanteren, wordt het Natura 2000-kader gekoppeld aan het SNL-subsidiestelsel.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
73
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV 7.2
_ Bemesting
Het actief aanwenden van meststoffen in welke vorm dan ook (dus geen kunstmest, organische (compost) of dierlijke mest), op percelen met SNL-subsidie in het projectgebied Polder Westveen is niet toegestaan. Dit uitgangspunt vindt grond in het volgende: e _ de Index Natuur en Landschap geeft voor percelen met doelstelling N12.02 kruiden- en faunarijk grasland aan dat deze niet of slechts licht bemest mogen worden om verzuring tegen te gaan. Voor percelen met doelstelling N10.01 nat schraalland wordt aangegeven dat deze doorgaans niet bemest worden. Voor beide natuurtypen is bemesting conform de omschrijving hier in beginsel niet geheel verboden. Echter, de voedingstoestand van de percelen met als doelstelling N12.02 kruiden- en faunarijk grasland is zodanig hoog dat verschralingsbeheer nodig om de biomassaproductie voldoende laag te krijgen zodat de grasdominantie wordt doorbroken en kruiden zich (ruimer) kunnen vestigen. Om hier de SNL-kwaliteit Hoog te halen, moet bemesting achterwege blijven. Dit geldt ook, ondanks de lagere aanvangswaarde in de voedingstoestand (na inrichtingsmaatregelen), voor N10.01 nat schraalland omdat de nutriëntenbeschikbaarheid voor blauwgrasland echt laag moet zijn.
Voor deze natuurtypen en ook voor de overige die in dit definitief rapport genoemd staan, geldt dat verhoging van de natuurlijke voedselrijkdom van bodem en water ongewenst is; e _ het Natura 2000-doel H6410 Blauwgraslanden is een stikstofgevoelig habitattype. De kritische depositiewaarde (KDW) voor dit habitattype wordt thans binnen het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck nog steeds overschreden. Een overschrijding leidt tot extra beschikbaarheid van stikstof, wat verruiging en verzuring in de hand kan werken. Extra toevoer van stikstof in directe vorm via bemesting of indirecte vorm via overspoeling met water dat verrijkt is met elders af- of uitgespoeld stikstof, is om die reden onwenselijk. De natuurlijke beschikbaarheid van stikstof vanuit de bodem en van wat via depositie wordt aangevoerd, volstaat om dit habitattype in matig voedselarme tot licht voedselrijke situaties in stand te houden; e _ in Polder Westveen wordt ingezet op het realiseren van een ecologisch goede waterkwaliteit. Om de natuurdoelen die gebonden zijn aan N05.03 veenmoeras en N04.02 zoete plas te kunnen realiseren, mag het water niet voedselrijk zijn. Af en uitspoeling van nutriënten uit percelen dient dan ook te worden voorkomen. Dit kan alleen indien er geen meststoffen worden opgebracht.
Het vrijwaren van een strook van bemesting is hiervoor geen optie omdat dit hooguit afspoeling tegengaat c.q. vermindert, maar niet uitspoeling.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
74
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV iek beheer kruiden- en faunarijk grasland Navolgende beschrijving van uit te voeren beheer betreft algemene principes. Het is aan de beheerder om deze locatie specifiek te optimaliseren.
7.2.1.1
Ontwikkelingsbeheer
Het ontwikkelingsbeheer is e met name op gericht om de productie van gras naar beneden te brengen. Afhankelijk van de uitgangssituatie van een perceel kan er een ontwikkelstadium worden onderscheiden waar een bepaald maairegime bij hoort. Vooraf aan het starten van een maairegime dient dus bepaald te worden in welke fase het grasland verkeert. Tabel 2 toont deze stadia en bijhorend maairegime. Fase 3 van de ontwikkeling dient binnen twee beheerplanperioden (2 x 6 jaar) te zijn gerealiseerd. Om te weten in welk stadium de vegetatie verkeert, dient er gewasbemonstering te worden uitgevoerd door een daartoe bekwaam
bureau.
Tabel 2. Te onderscheiden ontwikkelstadia van N12.02 kruiden- en faunarijk grasland en bijhorend maairegime. ’GVE = grootveeeenheid. Runderen: Vrouwelijk jongvee van 0-1 jaar (kalveren) = 0,23 GVE; Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder (pinken en vaarzen) = 0,53 GVE; Vrouwelijke runderen tenminste éénmaal gekalfd (koeien) = 1 GVE. Schapen en geïten: vif schapen of geïten van minstens 1 jaar of ouder = 1 GVE.
Grasland stadium Fase 0: Raaigras-
Productie > 10 ton droge stof
stadium
hal r
Termijn
1e
Fase 1: Grassenmixstadium
Fase 2
| 8-10tondrogestof hal r
afhankelijk van productie (maximaal 2,5 GVE/ha)
| beheerplanperiode | - Eerste helft mei - Eerste helft juli - Eerste helft september - Daarna (na)beweiding tot en met november of langer afhankelijk van productie (maximaal 2 GVE/ ha) - Eerste helft mei
6-8 ton droge stof
(witbol)dominantstadium
Maaisneden (en afvoeren)
- Eerste helft mei - Eerste helft juli - Eerste helft september - Daarna (na)beweiding tot en met november of langer
hal r
-- Tweede Eerste helfthelftjuliseptember - Daarna (na)beweiding tot en met november of langer 2e
afhankelijk van productie
beheerplanperiode | (maximaal 2 GVE/ ha) Fase 3: gras-
5-7 ton droge stof
kruidenmix-stadium
Indien
in fase 0 en
- Eerste helft juli
_ | ha/ r (of lager)
1 na twee
beurten van
- Daarna nabeweiding tot en met november of langer afhankelijk van productie (maximaal 15 GVE/ha) maaien
en afvoeren
of in fase 2 na één
beurt van
maaien
en
afvoeren gekozen wordt voor beweiding, dan kan vanaf 6 weken na de laatste maaibeurt worden ingeschaard. Verschraling in fase 0, 1 en 2 vindt plaats door maaien en afvoeren. Het nabeweiden heeft als doel om kort de winter in te gaan en duurt tot maximaal maart. In fase 3 is beweiding niet toegestaan in de periode maart tot en met juli om kruiden tot zaadzetting te kunnen laten komen.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
75
ì«\‚Royal
HaskoningDHV Bij elke maaibeurt wordt een wisselend oppervlak van 5% van elk perceel ongemoeid gelaten voor overleving van insecten en kleine zoogdieren. Om vluchten van fauna mogelijk te maken, wordt gemaaid van binnen naar buiten. Afkomende biomassa wordt afgevoerd. Bemesting is niet toegestaan (zie ook paragraaf 7.2). Plaag- en storingssoorten Er vindt inspectie plaats op de aanwezigheid van plaag- en storingssoorten zoals akkerdistel, ridderzuring en (haardvormend) jacobskruiskruid en fluitenkruid. Waar deze soorten verschijnen zal tjdelijk een verhoogde beheerinspanning nodig zijn om deze soorten te onderdrukken. Bestrijding vindt bij voorkeur handmatig plaats omdat dit het meest effectief is. Inzet van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.
Kruidenrijke ruigte Op de percelen waar in de inrichtingskaart een kruidenrijke ruigte is ingetekend, wordt een strook van 3 m vanuit de waterlijn buiten het jaarlijkse maaibeheer gehouden zodat de ruigte zich hier goed kan ontwikkelen. Deze strook wordt na 6 jaar in beheer genomen. Zie hiervoor onder paragraaf 7.2.1.2. Tussentijds wordt opslag van houtige gewassen verwijderd.
7.2.1.2
Instandhoudingsbeheer
Vanaf het moment waarop de vegetatie in fase 3 (gras- kruidenmixstadium) verkeert, wordt het instandhoudingsbeheer ingezet. Dit kan bestaan uit maaien en afvoeren in de eerste helft van juli met nabeweiding tot en met november met maximaal 1,5 GVE/ha óf beweiden vanaf mei tot en met november met maximaal 1,5 GVE/ha. Zie voorts Tabel 2 en de beschrijving direct daaronder. Bagger die in de beheerfase, na realisatie baggeren zoals geduid in paragraaf 5.1.1.1 en paragraaf 6.1 vrijkomt bij het schonen/ baggeren van NO4.02 zoete plas mag (mits ook milieu hygiënisch toegestaan) met een maximale dikte van 0,03 m in de periode oktober — november middels een baggerspuit verspreid worden over percelen met natuurtype N12.02 kruiden- en faunarijk grasland. Dit voorkomt verzuring en draagt bij aan het voorkomen van te sterke verschraling. Bij elke maaibeurt wordt een wisselend oppervlak van 5% van elk perceel ongemoeid gelaten. Om vluchten van fauna mogelijk te maken wordt gemaaid van binnen naar buiten. Afkomende biomassa wordt afgevoerd. Ook tijdens het instandhoudingsbeheer is bemesting niet toegestaan (zie ook paragraaf 7.2). Plaag- en storingssoorten Er vindt inspectie plaats op de aanwezigheid van plaag- en storingssoorten zoals akkerdistel, ridderzuring en (haardvormend) jacobskruiskruid en fluitenkruid. Bestrijding vindt mechanisch plaats of middels biologische middelen.
Inzet van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan. Kruidenrijke ruigte Ten behoeve van het beheer van het oevertype kruidenrijke ruigte (dat onderdeel vormt van N12.02 kruiden- en faunarijk grasland) wordt de 3 m brede strook langs de watergang in lengten van 50 m opgedeeld of lengten die daarbij n de buurt komen, afhankelijk van de lengte van de totale strook. Ten tijde van het beheer wordt steeds een lengte om-en-om wel of niet gemaaid en afgevoerd. Hiertoe wordt de kruidenrijke ruigte feitelijk in twee beheerperioden c.q. twee tijdscohorten ingedeeld. Op die manier is dit oevertype altijd over minstens de helft van een perceelrand aanwezig.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
76
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV Lengten die vallen onder tijdscohort 1 worden gemaaid in jaar 1 (is 6, 12, 18, etc. jaar na aanleg), lengten die vallen onder tijdscohort 2 worden gemaaid in jaar4 (is 9, 15, 21, etc. jaar na aanleg) van elke beheerplancyclus. Afkomende biomassa wordt afgevoerd.
7.2.2
Specifiek beheer nat schraalland
7.2.2.1
Ontwikkelingsbeheer
Het ontwikkelingsbeheer van het geplagde deel bestaat voornamelijk uit het trekken van opslag van houtige gewassen, het verwijderen van storingssoorten als fluitenkruid en akkerdistel en het uitmaaien van haarden van pitrus, biezenknoppen of paddenrus. Begrazing is niet toegestaan. Zodra zich een gesloten vegetatie heeft gevormd, wordt het geplagde deel van het perceel in instandhoudingsbeheer genomen.
Voor de beheerstrook geldt geen specifiek ontwikkelingsbeheer maar wordt analoog gemaaid als N12.02 kruiden- en faunarijk grasland (zie aldaar).
7.2.2.2
Instandhoudingsbeheer
Het instandhoudingsbeheer bestaat uit het jaarlijks maaien en afvoeren van de biomassa in de nazomer (augustus). Voor de fauna is het van belang dat er jaarlijks 5% van het oppervlak over bljft staan. Dit is jaarlijks een wisselend deel van het perceel. Bemesting en begrazing zijn niet toegestaan. Wel dient voorkomen te worden dat er verzuring plaatsvindt. Dit kan middels kalkgift of bevloeïing. Dit vindt plaats wanneer de zuurgraad (pH) van de bodem < 5 is. De beheerstrook wordt jaarljks tweemaal gemaaid. Een eerste keer in de eerste helft van mei (met name om te voorkomen dat grassen als gestreepte witbol in zaad komen en een bron vormen voor het geplagde deel) en een tweede keer tegelijk met het geplagde deel. Daarbij wordt de beheerstrook als laatste gemaaid om te voorkomen dat er actief zaden van hier in het natuurtype N10.01 nat schraalland worden gebracht.
7.2.3
Specifiek beheer laagveenbos
7.2.3.1
Ontwikkelingsbeheer
Na inrichten is er eigenlijk geen sprake van specifiek ontwikkelingsbeheer. Sec ontwikkelingsbeheer zou kunnen bestaan uit het verwijderen van bramen en exoten.
7.2.3.2
Instandhoudingsbeheer
Het instandhoudingsbeheer bestaat voornamelijk uit niets doen. Wel dient gewaarborgd te blijven dat bramen onderdrukt blijven en dat de variatie in natte laagten waar contact is met het oppervlaktewater en in laagten waar neerslag stagneert, behouden blijft.
7.24
_ Specifiek
7.2.4.1
beheer veenmoeras
(plasoever)
Ontwikkelingsbeheer
Het ontwikkelingsbeheer wordt uitgevoerd zolang zich nog geen min of meer gesloten vegetatie heeft ontwikkeld. Het bestaat primair uit het verwijderen van opslag van houtige gewassen. Dit dient handmatig te gebeuren. De periode van ontwikkelingsbeheer duurt n beginse! 6 tot 10 jaar. In deze periode wordt niet gemaaid.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
77
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV 7.2.4.2
Instandhoudingsbeheer
Het instandhoudingsbeheer vangt aan op het moment dat zich een min of meer aaneengesloten vegetatie heeft gevormd. Het beheer bestaat vanaf dat moment uit het om de 6 jaar maaien en afvoeren van de vegetatie in de periode oktober — november. Het precieze moment van maaien dient te worden afgestemd op de op dat moment heersende natheid van het perceel. Voorkomen moet worden dat er spoorvorming optreedt; om te kunnen maaien moet het perceel niet waterverzadigd zijn. Ten behoeve van het maaien en afvoeren wordt de strook veenmoeras opgedeeld in lengten van 50 m of lengten die daarbij n de buurt komen, afhankelijk van de lengte van de totale strook. Ten tijde van het beheer wordt steeds een lengte wel of niet gemaaid en afgevoerd (twee tijdscohorten). Op die manier is dit natuurtype altijd over minstens de helft van een perceelrand aanwezig. Lengten die vallen onder tijdscohort { worden gemaaid in jaar 1 (is 6, 12, 18 etc. jaar na aanleg), lengten die vallen onder tijdscohort 2 worden gemaaid in jaar4 (is 9, 15, 21, etc. jaar na aanleg). Ten tijde van het maaien wordt ook nagegaan of het profiel nog voldoet aan de uitgangseisen of dat dit door strooiselophoping en opslibbing verondiept is. Indien dit laatste het geval is, wordt de oever uitgekrabd (niet afgegraven, omdat daarmee ook de rhizomen en wortels van de planten worden verwijderd). Maaisel wordt afgevoerd.
Daar waar N05.03 veenmoeras grenst aan N04.02 zoete plas, wordt het instandhoudingsbeheer van beide gecombineerd.
7.2.5
_ Specifiek beheer zoete plas
7.2.5.1
Ontwikkelingsbeheer
Er wordt geen ontwikkelingsbeheer onderscheiden.
7.2.5.2
Instandhoudingsbeheer
Het instandhoudingsbeheer bestaat uit periodiek schonen en het uitvoeren van onderhoudsbaggeren (na realisatie baggeren zoals geduid in paragraaf 5.1.1.1 en paragraaf 6.1). Hierbij wordt een cyclus aangehouden van 6 jaar. Ten behoeve van het schonen wordt het open water opgedeeld
in lengten van
50 m of lengten die daarbij in de buurt komen, afhankelijk van de totale lengte. Ten tijde van het beheer wordt steeds een lengte wel of niet geschoond (en afgevoerd) (twee tijdscohorten). Op die manier is dit natuurtype altijd over minstens de helft van het open water aanwezig. Lengten die vallen onder tijdscohort 1 worden gemaaid in jaar 1 (is 6 12, 18, etc. jaar na aanleg), lengten die vallen onder tijdscohort 2 worden gemaaid in jaar 4 (is 9, 15, 21, etc. jaar na aanleg). Onderhoudsbaggeren
heeft als doel om de diepten zoals eerder aangegeven
in dit rapport te handhaven.
Dit hoeft alleen te worden uitgevoerd indien niet aan de gestelde voorwaarden voor het op peil houden van de diepte, wordt voldaan. Een solide monitoringsplan en daaraan gekoppelde periodieke monitoring vormen de basis voor het inrichten en instandhouden van duurzaam
baggerbeheer (incl. schonen van de
watergangen). Afname van waterplanten kan bijvoorbeeld een aanleiding zijn om te gaan baggeren. Met de monitoringsresultaten kan op termijn de noodzakelijke frequentie van beheer en onderhoud (met daarbij behorende signaalwaarden en interventiewaarden) worden bepaald. Onder het schonen valt ook het maaien van de opgaande vegetatie (riet e.d. die in het open water groeit aansluitend op de overgang naar de oever.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
78
ì‘\kRoyal
HaskoningDHV Zoals aangegeven in paragraaf 5.1.1.1 is het van groot belang dat langs alle oevers in het projectgebied voldoende en gevarieerde vegetatie aanwezig blijft die als oeverbescherming functioneert. Dit kan bereikt worden door jaarlijks een deel te maaien en een strook over te laten staan. Schonen en maaien wordt uitgevoerd in de maanden oktober — november en wordt afgestemd op de natheid en daarmee toegankelijkheid van het perceel. Ten tijde van het schonen wordt nagegaan of het water nog op voldoende diepte i. Indien dit niet het geval is, wordt dit middels baggeren op diepte gebracht. Daar waar N04.02 zoete plas grenst aan N05.03 veenmoeras, wordt het instandhoudingsbeheer van beide gecombineerd. De werkbreedte
bestaat uit de zone
die met
het in te zetten
materieel
kan
worden
bestreken.
Delen
van
N04.02 zoete plas die hier (gezien vanaf beide omsluitende percelen) buiten vallen, vallen in principe buiten het instandhoudingsbeheer, omdat hier de dynamiek zodanig geacht wordt dat hier geen of nauwelijks vegetatieontwikkeling of baggeraanwas zal plaatsvinden. De geschoonde en gemaaide vegetatie dient te worden afgevoerd. De bagger mag in de beheerfase met een maximale dikte van 0,03 m middels een baggerspuit verspreid worden over percelen met natuurtype N12.02 kruiden- en faunarijk grasland. Waar tevens N05.03 veenmoeras aanwezig is, wordt dit natuurtype ontzien van het aanbrengen van bagger. Het is niet toegestaan om bagger aan te brengen op N10.01 nat schraalland.
Bagger die op basis van milieuhygiënische randvoorwaarden (niet aan te merken als vrij toepasbare of verspreidbare bagger) niet op percelen binnen Polder Westveen kan worden afgezet, dient te worden afgevoerd.
7.2.6
Specifiek beheer verlandingslocaties
Zoals aangegeven
in paragraaf 5.1.1.1 wordt op een aantal ocaties een verlande watergang niet
gebaggerd. Door Waternet wordt deze verlanding als een demping beschouwd wanneer deze boven een niveau van NAP-1,85 m ligt. Zonder compensatie zal een dergelijke watergang periodiek moeten worden
geschoond/gebaggerd.
Een aannemelijk uitgangspunt voor beheer is dat een dergelijke verlanding
eenmaal per 6 jaar wordt teruggezet tot minimaal het hoogste waterpeil (NAP-1,85 m).
7.2.7
Spe
iek beheer molen(biotoop)
Openhouden molenbiotoop Beheer in het kader van de molenbiotoop (zie paragraaf 2.1.3.1) is in beginsel de verantwoordelijkheid van de grondeigenaren binnen de molenbiotoop, op basis van de eisen die in het bestemmingsplan m.b.t. de biotoop zijn opgenomen: te hoge opslag van bomen of struiken dient te worden voorkomen. De beheerder van de molen heeft aangegeven dat er rondom de molenbiotoop door vrijwilligers de afgelopen jaren hout wordt afgezet/geknot. De groep met vrijwilligers wordt ouder en niet/nauwelijks aangevuld door jonge krachten (knotploeg nu nog 15 man). Het streven s dat voor de start van de beheerfase (na natuurinrichting gehele project) er geen achterstallig onderhoud meer aan de orde i.
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
79
î«\’Royal
HaskoningDHV Het is wenselijk dat daarnaast in beheer- en onderhoudsplannen die voor Westveen worden opgesteld eisen worden opgenomen ten aanzien van het beheer binnen de vrijwaringszone van de molenbiotoop (verwachting vanuit vertegenwoordigers molen: beheer nodig iedere 2-5 jaar). Toekomstig onderhoud aan de molen Het perceel direct zuidelijk gelegen van de molen (eigendom Natuurmonumenten) is ingetekend met een natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland. Het uitdrukkelijk verzoek van de Stichting is om een deel van
dit terrein beschikbaar/bereikbaar
22 apri 2024
te houden
DO WESTVEEN DEFINITIEF
voor onderhoud
aan
de
molen.
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
0
î«\’Royal
HaskoningDHV 8
Risico’s en beheersmaatregelen
Tijdens de totstandkoming van dit definitief ontwerp zijn relevante projectrisico's onderkend waarop beheersmaatregelen van toepassing zijn. Navolgend zijn de meest relevante risico's uit het risicodossier van het programmabureau
opgenomen.
Oorzaken Eigenaren zijn niet bereidtotparticulier
_
Gevolgen
Uitgevoerde en nog uit
te voeren/te vervolgen maatregelen
Eigenaren zijntevreden met _ - Vertraging in de hethuidige gebruikvanhun _ uitvoering
- Betrekken van de adviesgroep Westveen in
natuurbeheer of
gronden zien geen noodzaak
-De natuurdoelen van
verkoop van hun
tot verandering
Westveen worden
- (Eventuele)
projectgebied is niettijdig
_- Adviseren over
grond
__ het ontwerpproces
onvoldoende gehaald - Een deel van het beschikbaar
- Gefaseerde uitvoering
aanpassingen in het ontwerp zelfrealisatie
- Lastig inpasbare gescheiden waterhuishouding
Geen
Eigenaren zijnhetnieteens
overeenstemming met eigenaren over te
_met de voorgestelde inrichting
__ Idem voorgaand
Idem voorgaand
__ Vertraging uitvoering
- (Eventueel) aanpassen
treffen
inrichtingsmaatregelen Bezwaren van
Eigenaren zijnhetnieteens
bewoners op het
met de in het DO
definitief ontwerp (DO)
vastgestelde natuurinrichting
door lange
ontwerp
_ vergunningprocedures
__ - Goede voorlichting omgeving, participatie,
blijvende inzet adviesgroep Westveen ir.t. advisering stuurgroep
Mislopen van subsidie
22 apri 2024
_ Vertraging in
voorbereidingsfase
DO WESTVEEN DEFINITIEF
Werk niet uitgevoerd
voor eind 2025
Afstemming met
subsidieverlener
BIS74T-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
E
î«\’Royal
HaskoningDHV BIJLAGEN
22 apri 2024
DO WESTVEEN DEFINITIEF
BIS747-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
8
ì«\‚Royal
HaskoningDHV Bijlage 1 Geschiedenis van aanleiding en doelen Sinds 2016 zijn voor Polder Westveen doelen in beeld ten aanzien van de realisatie van Natura 2000doelen en voltooïing van het NNN. Deze doelen zijn:
1.
2.
Het leveren van een bijdrage aan de realisatie van drie instandhoudingsdoelstellingen? van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck, waarvan Westveen deel uitmaakt, te weten het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van de purperreiger, grote zilverreiger respectievelijk smient door versterking van hun leefgebied; Het uitvoeren van ontsnipperingsmaatregelen voor het leefgebied van de otter (geen instandhoudingsdoelstelling van dit Natura 2000-gebied).
Wat het tweede doel betreft: er zijn onder de drukke N463 drie faunapassages voor otters aangelegd. Middels inrichting van Westveen wordt aangesloten op verbindingen die het otters mogelijk maken door Westveen via de Kromme Mijdrecht naar de Wilnisse Bovenlanden te trekken. Speoifieke doelen Op basis van het Voorontwerp uitwerking Ambitiekaart Natuurbeheerplan 2016 voor Westveen en het Voorontwerp watersysteemmaatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit in Polder Westveen, zijn destijds de volgende doelen binnen Westveen bepaald: e _ Hetontwikkelen van de natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland (inclusief natuurvriendelijke oevers) en behoud van hoog- en laagveenbos (als Natura 2000-doelstelling), op de ca. 17 hectare nog niet als natuur ingerichte gronden van particuliere eigenaren; e
Voor de otterverbindingen: het aanleggen van (veen)moeras en natuurvriendelijke oevers (NNN);
e
Het geven van een kwaliteitsimpuls aan de natuur door verbetering van de waterkwaliteit.
Aanleiding aanvullende doelen en onderzoeken Tevens heeft de stuurgroep in dat jaar besloten tot het uitvoeren van nader onderzoek naar maatregelen tot waterkwaliteitsverbetering en een onderzoek naar de potenties van Westveen voor nat schraalland. In 2018 is ambtelijk het besef ontstaan dat er in Westveen meer natuurontwikkeling mogelijk en nodig i dan alleen de inrichting van de bovengenoemde
17 hectare en die van otterverbindingen.
Hierover zijn voorstellen aan de stuurgroep voorgelegd. Op 16 mei 2018 heeft de stuurgroep besloten het volgende te laten onderzoeken: °
Het belang, de mogelijkheden en het draagvlak van natuurontwikkeling in het gehele zuidelijke
e
deel (ca. 19 hectare grasland) van Westveen, afgemeten aan de potenties voor nat schraalland (of anders vochtig hooiland) en het belang van het zuidelijke deel voor de natuurontwikkeling respectievelijk de verbetering van de waterkwaliteit in de rest van Westveen; Het nut van het verbeteren van de inrichting van de percelen die in eigendom zijn bij Natuurmonumenten (ca. 29 hectare) en die reeds als natuur (kruiden- en faunarijk grasland) worden beheerd. Natuurmonumenten heeft aangegeven een kwaliteitsverbetering op deze percelen zeer wenselijk te vinden;
2 Voor het gehele Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck heeft het Rijk in totaal 27 instandhoudingsdoelstelingen bepaald, die alle neerkomen op het behoud of de uitbreiding van de populatie en/of (de kwaliteit van) het leefgebied van zeldzame soorten planten of dieren. De realisatie van deze instandhoudingsdoestellingen heeft de provincie Zuid-Holland samen met
regiogemeenten en maatschappelije groeperingen uitgewerkt in een beheerplan voor het Natura 2000-gebied. Waar in dat gebied bepaalde instandhoudingsdoelstelingen het beste kunnen worden gerealiseerd, hangt af van het feit of genoemde soorten op bepaalde plaatsen al voorkomen en/of ontwikkelingskansen hebben.