CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting_Bijlage 7 Ecologische quickscan

Besluitvormende raadsvergadering 18 november 2021, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buytewech-Noord (2021-106)9.138 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

G&G‐advies QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

Buytewech te Nieuwkoop Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

R. de Beer

2017

Opdrachtgever Gemeente Nieuwkoop

G&G‐advies QS2017‐85

Versie Concept Eindrapport

Datum 14 juli 2017 3 november 2017

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdracht‐ gever. Bij wijziging van plannen, werkperiodes, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

Buytewech te Nieuwkoop

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 6

Methode

7

2.1

Soorten .................................................................................................................... 7

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 8

Beschermde soorten Wnb 3.1

9

Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 9 3.1.1 Graslanden ................................................................................................................ 9 3.1.2 Sloten......................................................................................................................... 9 3.1.3 Bomen ..................................................................................................................... 12

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 13 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 13 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 13 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 13 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 14 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 15 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 16 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 17

3.3

4

5

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 17

Effectbeoordeling en maatregelen

18

4.1

Vissen ..................................................................................................................... 18

4.2

Vogels..................................................................................................................... 18

4.3

Vleermuizen ........................................................................................................... 19

4.4

Overige fauna ........................................................................................................ 19

4.5

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 20

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving 5.1

21

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 24

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

6

Conclusies

25

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................25

6.2

Overige natuurwetgeving ......................................................................................26

6.3

Zorgplicht en weidevogelgebied ............................................................................26

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur ..................................................27

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

28

8

Bijlagen

29

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

1

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen nabij Nieuwkoop in de provincie Zuid‐Holland een nieuwe woningbouwlocatie in te richten. De woningbouw sluit aan bij eerder gerealiseerde woningen zuidelijk van de planlocatie. Het gehele plan is bekend onder de naam ‘Buytewech’. Dit plan valt juridisch onder ‘ruimtelijke inrichting en ontwikkeling’. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet Natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van Gemeente Nieuwkoop heeft Ecologisch Onderzoeks‐ en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quick scan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.

1.2

Ligging van het plangebied

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken.

±

© Kadaster Nederland

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. De nieuwbouw is gepland aan de rand van Nieuwkoop in de open en uitgestrekte Polder Nieuwkoop. aan de oostkant ligt de drukke N231 Niewveense weg en zuidelijk ligt eerde gerealiseerde nieuwbouw en een door een breder water afgescheiden parkstrook met hogere bomen, gazons en graslanden.

1.4

Werkzaamheden De (mogelijk uit te voeren) ecologisch gevoelige werkzaamheden bij het bouwrijp maken zullen bestaan uit het verwijderen van de toplaag, kappen van bomen bij de toe leidende weg naar de nieuwbouw richting de N231, het dempen van wateren, het vergraven van de bodem of wateroevers en de aanleg van nieuw water. Na het bouwrijp maken zullen de huizen (laagbouw) worden opgetrokken, verlichting worden aangebracht en opgaande beplanting worden gerealiseerd.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of‐ en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings‐ en/of ontheffingsaanvraag.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uit‐ gegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora‐ en Fauna (NDFF), is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, over‐ eenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde of soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen die niet zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar. Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld overvliegend of verblijvend, de onderzoeksinspanning en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is). Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidings‐ atlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken. Potentiebeoordeling Het plangebied is op 30 juni 2017 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar).

Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamel‐ de gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is (voor zover mogelijk) een korte effect‐ beoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de gebieden database van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)), zie: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: http://noordholland.planoview.nl of http://ruimtelijkeplannen.zuid‐ holland.nl/VRM) Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

3

Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld‐ bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen

3.1.1

Graslanden Het plangebied bestaat vrijwel geheel uit intensief agrarisch gebruikte graslanden. De graslanden waren ten tijde van het veldbezoek alle kort gemaaid met uitzondering van het meest zuidoostelijke perceel dat werd gebruikt als weide voor schapen. De graslanden worden gedomineerd door Engels raaigras. Op een aantal percelen werd veel Gestreepte witbol gezien en ook plekken met Kweek zijn aanwezig. De bovengrond van de graslanden was flink ingedroogd met her en der kale plekken. De grondsoort betreft een moerige (venige) eerdgrond op klei.

3.1.2

Sloten In Figuur 2 staat aangegeven welke nummering wordt gebruikt bij de beschrijving en beoordeling van de sloten. Sloot 1 betreft een ongeveer 2 meter brede grenssloot met veel submerse vegetatie en vrij helder water. Submerse planten betreffen voornamelijk sterrenkroos (Callitriche spec.) en Groot blaasjeskruid.

Aangehouden nummering van de onderzochte sloten in het plangebied.

± 1 2

3

4

5 6

7

8

© Kadaster Nederland

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Er zijn her en der drijfbladplanten aanwezig zoals Kikkerbeet en Gele plomp. Ook is darmwier en flab aanwezig. De totale bedekking van algen en drijfbladplanten is laag. De oevers zijn steil en dicht begroeid met voornamelijk grassen die vrijwel tot de waterlijn worden afgemaaid. De oevers zijn pleksgewijs ingetrapt. In de oever en emers in het water zijn oeverplanten aanwezig zoals slanke waterkers, Gele waterkers, Waterzuring, Liesgras, Egelboterbloem, Gewone waterbies. Richting de boerderij en de N231 is de sloot voedselrijker met meer kroos. Sloot 2 betreft een semi‐geïsoleerde sloot met een breedte van ruim een meter. Ook hier een hoge submerse vegetatiebedekking van rond de 60% voornamelijk met sterrenkroos en blaasjeskruid. In het water is veel drijvend en zwevend (rottend) maaisel aanwezig. In het water groeit veel emers Riet en werd een vrij hoge bedekking met drijfbladplanten (ca. 10%) waargenomen met vooral Gele plomp en Gele watergentiaan. De oevers zijn als sloot 1 met soorten als Slanke waterkers, Zwanenbloem, Holpijp, Veerdelig tandzaad en boven‐ genoemde soorten van sloot 1. Richting de N231 wordt de sloot breder (tot 2,5 meter) en minder geïsoleerd. Sloot 3 is een ongeveer 1, meter brede sloot met veel ondergedoken waterplanten (75%) met naast sterrenkroos en blaasjeskruid ook Tenger fonteinkruid. De grasoevers zijn her en der ingetrapt.

Aan de noordzijde is de oever afgemaaid tot vrijwel de waterlijn hetgeen leidt tot zwevend rottend plantenmateriaal in het water. Aan de overzijde ligt niet gemaaid, begraasd hoog grasland met Gestreepte witbol. In het water is regelmatig Holpijp aanwezig en een lage bedekking met Witte waterlelie, emers Riet en wat flab (darmwier). De begroeiing in de sloot en de oevers is verder vergelijkbaar met de twee eerdere besproken sloten Sloot 4 betreft een wat bredere randsloot (2,5‐3 meter) in het zuidoostelijke deel met een opvallende bedekking (50%) van hoge emerse vegetatie van Riet, Grote egelskop en Zwanenbloem. Het water is vrij troebel zonder bodemzicht en er is een krooslaag met een bedekking van ongeveer 5% waargenomen. De submerse vegetatie is ook hier goed ontwikkeld (bedekking 70%) met veel Tenger fonteinkruid en ook blaasjeskruid. Sloot 5 is een brede sloot (5 meter) met aan de noordzijde gedeeltelijk kaalgeschraapte oever. Er is veel ondergedoken watervegetatie aanwezig met naast de soorten genoemd bij eerder besproken sloten, ook Glanzig fonteinkruid. Drijfbladplanten betreffen Witte waterlelie, watergentiaan en gele Plomp. De bedekking bedraagt ongeveer 5%. In de steile oevers en emers groeien naast een aantal eerder genoemde soorten ook Hoge cyperzegge, Grote waterweegbree, Holpijp, Pitrus, Zwanenbloem en Mannagras.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Sloot 6 betreft een semi geïsoleerde heldere en smalle sloot met een breedte tussen 1‐1,5 meter. De goed ontwikkelde submerse begroeiing (60%) bestaat hier vooral uit Slanke waterpest. Het aanzien van de sloot lijkt verder sterk op sloot 2 met een iets lagere bedekking drijfbladplanten (5%). Sloot 7 lijkt op sloot 6 met veel waterpest (80%), ongeveer 5% bedekking met waterlelie en Gele plomp en emers Riet in het water. In beide sloten is zwevend maaisel aanwezig. Op enkele plekken werd drijvend fonteinkruid gezien. de breedte van het water is ruim een meter.

Impressie van (boven naar beneden) Sloot 5, 6 en 8.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Soort en beschrijving van de gecontroleerde bomen en resultaten van de controle in plangebied Buytewech.

Soort Witte paardenkastanje A Witte paardenkastanje B Witte paardenkastanje C

Hoogte (m) /Diameter (cm) 8/30 8/45 6/30

perenboom A

5/30

perenboom B perenboom C Zwarte els 1 Zwarte els 2 Zwarte els 3 Zwarte els 4 Zwarte els 5 Zwarte els 6

9/40 8/30 4‐10/35 4‐10/30 4‐10/30‐45 4‐10/15 4‐10/40 4‐10/45

Holtes geen geen geen ja, 1 holte op 3 meter hoogte ja, 2 holtes geen 1 holte geen geen geen geen 1 holte

Sloot 8 betreft de randsloot die grenst aan de aangelegde parkstrook van de inmiddels gerealiseerde woningbouw. Deze watergang heeft aan de zijde van het plangebied steile oevers en in het water is hoge bedekking van hoge emerse begroeiing aanwezig met vooral Riet, Zwanenbloem en Grote egelskop. Op de oevers groeit Gele lis, Oeverzegge, Blauw glidkruid, Veerdelig tandzaad en Harig wilgen‐ roosje. De helft van het wateroppervlak is begroeid met drijvers zoals Gele plomp en Kikkerbeet en er is veel ondergedoken watervegetatie aanwezig. Het water is vrij helder.

3.1.3

Bomen Er zijn 12 bomen gecontroleerd die binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen vallen. De locatie van de bomen staat aangegeven in Figuur 4. De resultaten van de controle van de bomen staat aangegeven in Tabel 1. Er zijn 4 bomen aangetroffen met diepere holtes.

Locatie en gevolgde nummering van de gecontroleerde bomen in Buytewech.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

3.2

Beschermde soorten

3.2.1

Planten Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen. Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Diverse soorten planten, (korst)mossen en wolfsklauwen die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn, worden niet in het plangebied verwacht, de soorten komen nagenoeg alleen voor in natuurgebieden en voedselarme omstandigheden.

3.2.2

Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen. Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig. Omdat geen sprake is van geïsoleerde, zuurstofloze, verlandende wateren in het plangebied, de sloten onder een regulier schonings‐ regime staan, er geen sprake is van overstroming en de soort niet bekend is uit de omgeving (NDFF2007‐2017) wordt het voorkomen van Grote modderkruiper uitgesloten.

3.2.3

Amfibieën Aangetroffen soorten Rond het plangebied is in het verleden één waarneming bekend van Rugstreeppad op ongeveer 700 meter afstand in een natuur‐ ontwikkelingsproject ten noorden van de Noordenseweg. Tijdens het veldbezoek werden in een aantal sloten wegspringende groene kikkers waargenomen. Deze soort is in Zuid‐Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Potentie plangebied Het plangebied levert geschikt voortplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine water‐ salamander, Bruine kikker of Groene kikker (bastaardkikker en/of Meerkikker). Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid‐Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is geen geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Groene kikkers en soms ook Bruine kikkers kunnen overwinteren in het water. ‐Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in de omgeving werd aan‐ getroffen. In het plangebied ligt geen geïsoleerd, ondiep water dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. Tevens zijn de oevers te zwaar en dicht begroeid. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, de benodigde levensvoorwaarden zijn niet aanwezig en de soort is nooit in nabijheid van het plangebied waargenomen. In het plangebied is tevens geen geschikt droog, vorstvrij en vergraafbaar zanderig landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze soort. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het mogelijk dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. Er zal door het graven van nieuwe wateren met in beginsel weinig vis en kale oevers en de aanwezigheid van opge‐ bracht zand een situatie ontstaan waarvan de soort (tijdelijk) kan profiteren.

3.2.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5‐soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden enkele Meerkoeten en Wilde eenden waargenomen. Potentie plangebied soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten In en langs de wateren van het plangebied broeden mogelijk water‐ en moerasvogels zoals Meerkoet en (Wilde) eend. Op de graslandpercelen kunnen weidevogels vestigen zoals Kievit, Tureluur, Scholekster of Grutto. De dichtheden zijn naar verwachting niet zeer hoog vanwege de ligging nabij de nieuwe woonwijk en de aanwezige bosschages langs de Nieuwveense weg. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied in de bebouwing van Nieuwkoop zijn in het verleden Huismussen (cat. 2) en Gierzwaluwen vastgesteld. De soorten broeden op ongeveer een kilometer afstand. De overige

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan. Er broedt een paar Buizerd langs de Noordenseweg in een natuurontwikkelingsgebied. In en rond het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten met binding aan het gebied. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen (geschikte) bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus, Gierzwaluw of Buizerd.

3.2.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek werden ongeveer 10 hazenwaargenomen in het plangebied . Deze soort is in Zuid‐Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Rond het plangebied is op enkele honderden meters afstand van het plangebied een braakbal verzameld met resten van Noordse woel‐ muis (NDFF2007‐2017). Naar verwachting is deze muis gevangen in de nabijgelegen Nieuwkoopse Plassen waar deze soort bekend is. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied naast de Haas enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals de Egel, kleine marterachtigen en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid‐Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis. Er zijn geen soortenrijke dekking biedende oevervegetaties aanwezig die geschikt zouden kunnen zijn voor de Waterspitsmuis, de oevers worden vrijwel tot de waterlijn terug gemaaid. De percelen en oevers zijn te droog voor Noordse woelmuis.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

3.2.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in het verleden in de omgeving van het plangebied alleen losse waarnemingen van langsvliegende en foeragerende vleermuizen verricht. Precieze locaties van verblijfplaatsen en andere belangrijke gebruiksfuncties zijn echter alleen vast te stellen met gericht nachtelijk onderzoek en zijn op grond van de incidentele waarnemingen niet op voorhand uit te sluiten. Potentie verblijfplaatsen. In het plangebied kunnen vleermuizen verblijven. Er is geen be‐ bouwing aanwezig maar een aantal van de bomen bevat geschikte holtes voor (tijdelijk) verblijvende vleermuizen. De aanwezige holtes zijn waarschijnlijk te klein voor grote verblijfplaatsen maar geschikt als zomerverblijf of baltsverblijf van boombewonende vleermuizen. Potentie foerageergebied Het plangebied is (marginaal) geschikt voor foeragerende vleermuizen. De (schaarse) aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.

Holtes in perenboom B (boven) en Zwarte els 1 en 6 (onder).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.

3.2.7

Overige fauna Er zijn geen waarnemingen bekend op korte afstand van beschermde overige soorten. Er zijn geen geschikte Krabbenscheervegetaties of goed ontwikkelde oevers aangetroffen die geschikt zijn voor soorten als Groene glazenmaker of Gevlekte witsnuitlibel. De wateren zijn te voedselrijk voor gestreepte waterroofkever. Er is in de venige sloten met goed ontwikkelde submerse vegetatie en aanwezigheid van drijfbladplanten wel potentie voor Platte schijfhoren. Deze soort werd niet in de omgeving waargenomen maar kan alleen worden gevonden met specialistisch onderzoek en dus gemakkelijk gemist zijn.

3.3

Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 2. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soort‐ groepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soort‐ groepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Vastgestelde of verwachte soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in of nabij het plangebied. *Vaste rust‐ en verblijfplaatsen.

Beschermde, niet vrijgestelde soorten Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna

Van der Goes en Groot

Aangetroffen in of nabij plangebied nee nee ja

Potentieel aanwezig binnen het plangebied nee nee nee

ja

ja

ja

nee*

ja

nee

nee ‐ nee nee

ja ja nee ja

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

4

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 2. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

4.1

Vissen Er worden geen beschermde vissen (en amfibieën) verwacht in het plangebied. Voorafgaand aan het dempen van watergangen zal in het kader van de zorgplicht echter ‘zorgvuldig’ moeten worden gehan‐ deld. Aanwezige vissen zullen hierbij worden verdreven of plaatselijk worden weggevangen en worden uitgezet in te behouden water. Gevoelige werkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten de gevoelige periode van voortplanting (april t/m juli) en overwintering (december t/m februari) plaatsvinden.

4.2

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie‐ toplaag. Soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoor‐ beeld het weer of de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt!

4.3

Vleermuizen Verblijfplaatsen Als bomen met diepe holtes of spleten moeten worden gekapt kunnen vaste rust‐ en verblijfplaatsen worden beschadigd of vernield van boom bewonende vleermuizen. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Als verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

4.4

Overige fauna Bij het dempen van de sloten kunnen Platte schijfhorens gedood worden en kan voortplantingsareaal voor de soort verdwijnen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

4.5

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om boombewonende vleermuizen en de Platte schijfhoren. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soort. In Tabel 3 staat de periode aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.

Optimale periode voor uit te voeren vervolg‐ onderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied.

Soort/Soortgroep Vleermuizen

Aantal bezoeken Aantal bezoeken

Optimale periode Gebiedsfunctie

Periode

Alle soorten

winterverblijf

december ‐ februari

1

Alle soorten

vliegroutes, foerageergebied

april ‐ november

2*

Kraam/zomerverblijf

Paarverblijven en zwermen

beide 2

(juni ‐ half juli‐nvt)

augustus ‐ oktober

Gewone grootoorvleermuis

juni ‐ half juli

april ‐ half mei & half augustus ‐ oktober

Rosse vleermuis

juni ‐ half juli

half juni ‐ half juli

Watervleermuis

juni ‐ half juli

augustus ‐ oktober

Ruige dwergvleermuis

Overige soorten Platte schijfhoren

Van der Goes en Groot

juni ‐ september

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

1

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

5

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet‐ en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000‐gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Natura 2000 Het plangebied ligt op minder dan een kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000‐gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ (zie Figuur 5). Gezien de grote afstand, de uit te voeren werk‐ zaamheden en de afscherming door bebouwing en infrastructuur, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Er hoeft geen toetsing uitgevoerd te worden.

Gezien de toename van stikstofemissie tijdens en na de bouw van de woningen is het in het kader van de ‘Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)’ wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project, een zogenaamde ‘Aerius’‐berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Zuid‐Holland.

Ligging Natura 2000 gebieden en Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (rood omrand).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Ligging van Natuurnetwerk Nederland en belangrijk weidevogelgebied ten opzichte van het plangebied (rood omrand).

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. Aangezien dit netwerk geen bepalingen kent ten aanzien van ‘externe’ werking, kunnen geen negatieve gevolgen optreden op dit netwerk. Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 6). Het plangebied grenst echter op twee plekken wel aan beschermd ‘belangrijk weidevogelgebied’. Aangezien de precieze inrichting van de nieuwe woonwijk nog niet precies bekend is, kan slechts een globale impact van het project worden bepaald. Het is bekend dat weidevogels wat betreft hun broedplaatsen opgaande bebouwing en begroeiing mijden. De vogels hebben ‘overzicht’ en openheid nodig om hun vijanden zoals kraaien, reigers, roofvogels, marterachtigen ruim op tijd aan te zien komen en te kunnen reageren. Bomen en bebouwing nemen het zicht weg en kunnen tevens als vestigingsplaats dienen voor predatoren van eieren en (jonge) vogels zoals kraaien, marters, huiskatten en egels. Ondanks dat plannen buiten weidevogelgebied niet getoetst hoven te worden, kan door ‘externe werking’ de kwaliteit plaatselijk verminderen. Op grond van uitgebreide studie in Noord‐Holland (VAN ’T VEER & SCHARRINGA, 2008) is gebleken dat opgaande structuren op minder dan 175 meter effect hebben op broedende weidevogels.

Uiteraard nemen effecten toe met vermindering van de afstand.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Voor de situatie rond het plan Buytewech kan op grond van dit gegeven het areaal gestoord en ongestoord weidevogelgebied worden bepaald.

Beïnvloeding van belangrijk weidevogelgebied door woningbouw in plan Buytewech.

±

In Figuur 7 is te zien welk deel van het weidevogelleefgebied wordt beïnvloed door de inmiddels gerealiseerde bebouwing en welk deel extra gaat worden beïnvloed bij het realiseren van de plannen (donkergroen). Hierbij wordt uitgegaan van een beïnvloedingsafstand van 175 meter. Het blijkt dat het extra beïnvloede deel van het weidevogelleefgebied 7,2 ha bedraagt.

BuytewechII Nieuwkoop buffer175 BuytewechII bestaande bebouwing_Buytewech buffer175_bestaand weidevogelleefgebied extra beinvloeding

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb of boswet bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand. Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

5.1

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, gezien de toename van stikstofemissie tijdens en na de bouw van de wonin‐ gen, in het kader van de ‘Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)’, wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Er is een extra beïnvloeding op belangrijk weidevogelgebied voorzien van ruim 7 ha. Dit kwaliteitsverlies is niet compensatieplichtig omdat de woningbouw niet in het weidevogelgebied plaatsvindt en kwaliteitsverlies door ‘externe werking’ niet hoeft te worden gecompenseerd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

6

Conclusies 6.1

Beschermde soorten Wnb  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en overige fauna.  Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet‐jaarrond be‐ schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.  In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Als bomen met diepe holtes of spleten moeten worden gekapt kunnen vaste rust‐ en verblijfplaatsen worden beschadigd of vernield van boombewonende vleermuizen. Er is dan vervolg‐ onderzoek naar in gebruik zijnde verblijfplaatsen van deze soort noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).

Worden tijdens de veldinventarisatie vleermuizen met verblijf‐ plaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compen‐ serende maatregelen worden beschreven.  Het is mogelijk dat in de waterplantenrijke veensloten met drijfpbladplanten de Platte schijfhoren voorkomt. Er is vervolg‐ onderzoek noodzakelijk naar Platte schijfhoren.  Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk‐ baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

6.2

Overige natuurwetgeving Gezien de toename van stikstofemissie tijdens en na de bouw van de woningen is het in het kader van de ‘Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)’ wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project, een zogenaamde ‘Aerius’‐berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Zuid‐Holland. Er is een extra beïnvloeding op belangrijk weidevogelgebied voorzien van ruim 7 ha. Dit kwaliteitsverlies is niet compensatieplichtig omdat de woningbouw niet in het weidevogelgebied plaatsvindt en kwaliteitsverlies door ‘externe werking’ niet hoeft te worden gecompenseerd.

6.3

Zorgplicht en weidevogelgebied Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven en beïnvloeding van belangrijk weidevogelgebied te minimaliseren kan men in de inrichting en voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten;  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten.  Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering.  Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving.

 Bij de sloop‐ en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.  Aanbevolen wordt toegang tot weidevogelleefgebied vanaf de nieuwe woonwijk onmogelijk te maken door aanleg van breed en niet passeerbaar water (huiskatten!).  Aanbevolen wordt geen hoge beplanting en dicht struweel te planten op de grenzen met het weidevogelleefgebied. Ook

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

lichtbronnen aan de buitenkant van de woonwijk kunnen zoveel mogelijk worden voorkomen.

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in de stad en woonwijken versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan;  Verbreden wateren rondom planpercelen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers;  Plaatsing vleermuiskasten of geschikt maken van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen,  Plaatsen voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v, speciale dakpannen, vogelvides od inmetselstenen;  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Dergelijke maatregelen bevorderen de leefbaarheid van een woonwijk aanzienlijk. Ook dragen deze maatregelen sterk bij aan een versnelling van het natuurlijk evenwicht in een nieuwbouw‐ situatie. Dit kan typische problemen als spinnenoverlast of muizenplagen van nieuwbouwprojecten voorkomen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland ‐ Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord‐West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord‐Hollandse vissen. Landschap Noord‐Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord‐Hollandse zoogdieren. Landschap Noord‐Holland, Heiloo & Noord‐Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord‐Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Land‐ schap, Haarlem.

LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998‐2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VAN ’T VEER, R & C.J.G. SCHARRINGA, 2008. Weidevogelonderzoek Laag Holland 2006, analyse en interpretatie van de aangetroffen soorten, aantallen en dichtheden in 30.000 hectare weide‐ vogelgebied. Landschap Noord‐Holland, maart 2008. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

8

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora‐ en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000‐gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijker‐ wijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voor‐ komen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 4.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Zoogdieren

DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZL

ZH

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Aardmuis

+

Bosmuis

+

+

+

+

+

+

Bunzing

+

+

+

+

+

+

Dwergmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Dwergspitsmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Eekhoorn

+

Egel

+

+

Gewone bosspitsmuis

+

Haas

+

+

+

+

+

+

Hermelijn

+

+

+

+

+

+

Huisspitsmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Konijn

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Ondergrondse woelmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Ree

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Rosse woelmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Steenmarter

+

Tweekleurige bosspitsmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Veldmuis

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Vos

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Wezel

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Wild zwijn Woelrat

+ +

Amfibieën en reptielen

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Bastaardkikker

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Bruine kikker

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Gewone pad

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Hazelworm Kleine watersalamander

+ +

+

+

+

+

Levendbarende hagedis Meerkikker

+ +

+

Van der Goes en Groot

+

+

+

+

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatricht‐ lijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied op‐ zettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings‐ en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaats‐ vindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden over‐ treden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goed‐ gekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden be‐ oordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn  Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.  Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn  Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna.  Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten  Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna.  Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van (groot) openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

 Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaats‐ vinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust‐ of verblijf‐ plaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats betrokken als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust‐ of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4

Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voort‐ plantings‐ en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5‐soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.

Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goed‐ gekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogel‐ soorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.

Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000‐gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschap‐ pelijke‐ of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU‐landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000‐gebieden. Een overzicht van Natura 2000‐gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000‐ gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.

Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings‐ en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau

QS2017‐85

Buytewech te Nieuwkoop

vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000‐gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000‐ netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000‐gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings‐ of vergunning plichtig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=7fee31d0-75ca-428e-8ee0-e04e85c52e11