CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij toelichting 3. Ecologische quickscan Dorspsstraat 33, Nieuwkoop

Besluitvormende raadsvergadering 24 februari 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Koetshuisplantsoen (2022-017)10.844 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ecologische onderzoek Verzorgingshuis Nieuwkoop Quickscan

Woningstichting Nieuwkoop (WSN) 26 april 2019

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Ecologische onderzoek Verzorgingshuis Nieuwkoop Woningstichting Nieuwkoop (WSN)

Quickscan Definitief 26 april 2019 114123/19-007.039

114123 ir. D.J. Biron ing. M.T. Marshall

ir. L. Bovend'aerde ir. W.B. Roosen ir. D.J. Biron

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel

5

1.3

Leeswijzer

5

2

PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN

6

2.1

Plangebied

6

2.2

Geplande werkzaamheden

8

3

TOETSINGSKADER

9

3.1

Wet natuurbescherming

9

3.1.1 3.1.2

9 10

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

11

4

GEBIEDSBESCHERMING

13

4.1

Natura 2000 (Wnb)

13

4.1.1 4.1.2

13 15

4.2

Gegevens Effecten & conclusie

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

17

4.2.1 4.2.2

17 18

Gegevens Effecten & conclusie

5

SOORTENBESCHERMING

19

5.1

Methode

19

5.2

Resultaten per soortgroep

19

5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6

19 21 23 27 31 32

Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën en reptielen Vissen

5.2.7

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

32

6

SAMENVATTING

35

6.1

Gebiedsbescherming

35

6.1.1 6.1.2

35 35

Natura 2000 (Wnb) Natuurnetwerk Nederland (NNN)

6.2

Soortenbescherming

35

7

LITERATUUR

38

Laatste pagina

38

Bijlage(n) I

Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Nieuwkoopse plassen & De Haeck

Aantal pagina's 5

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het voormalig verzorgingscentrum ‘Het Koetshuis’ aan de Dorpsstraat in Nieuwkoop is sinds een tijd buiten gebruik. De Woningstichting Nieuwkoop heeft in 2018 verschillende scenario’s onderzocht om het pand te behouden, te transformeren, te verkopen of om te slopen. De keuze is hierbij gevallen op het slopen van het pand waarbij de locatie vrijkomt voor de bouw van nieuwe, duurzame huurwoningen. In het kader van deze bestemmingswijziging op het perceel van Dorpsstraat 33, zijn verschillende conditionerende onderzoeken nodig. Eén van deze onderzoeken betreft een ecologische quickscan. Onderliggende rapportage betreft deze ecologische quickscan.

1.2

Doel

Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 beschrijft het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 en 5 betreffen de effectenbeoordeling voor gebiedsbescherming (hoofdstuk 4) en soortenbescherming (hoofdstuk 5). Hierin wordt nagegaan welke beschermde natuurwaarden in en nabij het plangebied aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen hierop zijn. Hoofdstuk 6 geeft een overzichtelijke samenvatting. In hoofdstuk 7 is ten slotte de geraadpleegde literatuur weergegeven.

5 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

2 PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN 2.1

Plangebied

Het plangebied betreft het perceel van het voormalig verzorgingshuis ‘Kapel Bejaardenhuis Het Koetshuis ‘ aan de Dorpsstraat 33 te Nieuwkoop, in de provincie Zuid-Holland. Het perceel strekt zich uit over een oppervlak van circa 0,5 hectare en is grotendeels bebouwd. Het pand bestaat uit drie deelgebouwen. Het is momenteel niet langer in gebruik. Het aanwezige groen binnen het perceel beperkt zich voornamelijk tot enkele sierstruiken en cultivarskruiden (zoals druifhyacint) aan de voorkant van het gebouw met enkele grotere bomen (tamme kastanje, grote gewone plataan, enkele cipressen). Achter het gebouw bevindt zich een intensief onderhouden grasveld met een viertal bomen (gewone es, zwarte els, gewone esdoorn, ruwe berk). Het perceel wordt begrensde door de ringvaart die achter het gebouw door loopt. De oevers van de Ringvaart ter hoogte van het oude verzorgingsgebouw zijn hier verstevigd met een houten beschoeiing. De oeverbegroeiing is beperkt tot enkele lokale, smalle rietstroken. Het plangebied is gelegen aan de oostelijke rand van de woonkern van Nieuwkoop. Op een afstand van 100 m van het plangebied (ten oosten) bevindt zich de uiterste contour van het Natura 2000-gebied de ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’.

Tussen het perceel van het oude verzorgingshuis en het Natura 2000-gebied bevindt zich nog een autoweg (de Dorpsstraat) en één aaneengesloten rij huizen, dat het zicht vanuit het verzorgingshuis op het natuurgebied ontneemt. Onderstaande kaart en afbeeldingen geven een indicatie van de ligging (afbeelding 2.1) en een impressie (afbeelding 2.2) van het plangebied.

6 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied

Afbeelding 2.2 Impressie van het plangebied

7 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

2.2

Geplande werkzaamheden

De werkzaamheden betreffen in eerste instantie de sloop van de aanwezige bebouwing (de drie deelgebouwen van het voormalige verzorgingshuis). In een volgende fase wordt op dit perceel een nieuwe ontwikkeling in de vorm van enkele huurwoningen voorzien. Hoe deze nieuwe ontwikkeling er komt uit te zien is vooralsnog niet bekend. De Woningstichting Nieuwkoop is momenteel bezig met verkennende gesprekken met belanghebbenden omtrent de eisen en wensen voor de nieuwe ontwikkeling op het perceel. Het doel is om te komen tot een duurzaam ontwerp met huurwoningen. Het is op dit moment niet uit te sluiten dat voor het bouwrijp maken en herinrichten van het perceel (een deel van) het aanwezige groen verdwijnt. Hierdoor is het verwijderen van al het groen in het plangebied onderdeel van de onderliggende toetsing.

8 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

3 TOETSINGSKADER 3.1

Wet natuurbescherming

3.1.1

Gebiedsbescherming

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan is een verslechteringtoets vereist.

In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelen die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. Instandhoudingsdoelen betreffen zowel Habitattypen als Habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de instandhoudingsdoelen en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden. Programma aanpak stikstof (PAS) Op 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof in werking getreden. Het PAS steunt op twee pijlers om de doelen van Natura 2000-gebieden zeker te stellen: daling van stikstofdepositie en ecologische herstelmaatregelen.

Als gevolg van de daling van de stikstofdepositie en de in het programma opgenomen herstelmaatregelen kunnen in en rondom de Natura 2000-gebieden economische activiteiten worden toegelaten die stikstofdepositie veroorzaken. De totale hoeveelheid stikstofdepositie die voor de groei van bestaande activiteiten en nieuwe economische ontwikkelingen beschikbaar is, is de zogenoemde ‘depositieruimte’. Hiervan kan een gedeelte in de vorm van ‘ontwikkelingsruimte’ worden toegewezen aan nieuwe activiteiten. Initiatiefnemers kunnen een beroep doen op de PAS bij hun vergunningaanvraag voor nieuwe en uitbreiding van bestaande activiteiten. De PAS levert dan de onderbouwing dat er geen natuurdoelen in gevaar komen.

9 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

3.1.2

Soortenbescherming

Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken.

Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.

Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld: steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.

Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

10 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

-

het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van EZ als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Provincie Zuid-Holland heeft een vrijstelling van de verbodsbepalingen opgenomen (d.d. 9 november 2016) overeenkomstig met de soorten uit tabel 1 van de voormalige Flora- en faunawet.

Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het plangebied ligt in de provincie Zuid-Holland. Het Provinciale NNN-beleid is uitgezet in de Visie Ruimte en Mobiliteit en verder uitgewerkt in het Programma Ruimte. In de Verordening Ruimte 2014 is de nadere regelgeving omtrent de NNN opgesteld. Hierin wordt verder verwezen naar het Natuurbeheerplan en de Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013 (hierna Beleidsregel Compensatie), waarin bepalingen met betrekking tot het beheer en de compensatie bij aantasting van de NNN zijn opgenomen. Verordening Ruimte 2014 In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. In artikel 2.3.4 van de Verordening Ruimte 2014 is wel vastgesteld dat geen bestemmingen in gebieden aangeduid als NNN of als strategische reservering natuur mogelijk zijn als deze de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit en/of samenhang. Indien dat wel gebeurt, moet er compensatie plaatsvinden, waaraan de volgende voorwaarden zijn verbonden: 1 de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; 2 de compensatie vindt plaats: · aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat;

11 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

· ·

door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is, of; op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige aarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is.

In artikel 3.2 zijn de ontheffingsbepalingen gegeven, waarin als voorwaarden aan een ontheffing bij bestemmingen in NNN-gebied of in gebieden aangewezen als Belangrijk weidevogelgebied in aanvulling op artikel 2.3.4 is gesteld dat, er geen reële alternatieve mogelijk zijn en dat de aangetaste waarden gecompenseerd worden. Nee, tenzij-regime Het Nee, tenzij-regime is van toepassing op ingrepen in de NNN ‘op het land’, in de Belangrijke weidevogelgebieden, in de recreatiegebieden in de Zuidvleugel en in de gebieden in de strategische reservering natuur. Dat wil zeggen dat er in deze gebieden geen nieuwe (ruimtelijke en niet-ruimtelijke) ontwikkelingen zijn toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant aantasten, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële andere mogelijkheden voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resteren schade gecompenseerd worden. In principe zijn alle plannen of projecten die ertoe leiden dat delen van de NNN, Belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden in de Zuidvleugel en gebieden in de strategische reservering natuur een andere bestemming moeten krijgen, en daardoor in oppervlakte afnemen, als significant aan te merken.

12 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1

Natura 2000 (Wnb)

4.1.1

Gegevens

Op een afstand van circa 100 m ten zuidoosten van het plangebied, bevindt zich de uiterste rand van het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’ (afbeelding 4.1). Dit gebied werd in 2003 definitief aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied (HR+VR) van het Natura 2000-netwerk [lit. 1]. De ‘Nieuwkoopse plassen en De Haeck’ is een laagveenverlandingsgebied dat zich uitstrekt over een oppervlakte van 2008 hectare. Naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, heeft zich binnen dit gebied ook een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide gevormd [lit. 1]. Het gebied vormt ook een belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger, Snor, Rietzanger) en voor enkele andere moeras- en watervogels (Zwartkopmeeuw, Zwarte stern). Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (IHD) geformuleerd voor tien Habitattypen, negen Habitatsoorten, zes broedvogelsoorten en vier niet-broedvogelsoorten. Een volledig overzicht van deze typen en soorten en de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen (IHD) is opgenomen in bijlage I. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op een afstand van meer dan 10 km vanaf het plangebied.

Door de afstand en de tussenliggende barrières (uitgestrekte agrarisch gebied, grote autowegen, et cetera) zijn negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van geplande werkzaamheden bij voorbaat uit te sluiten. In onderliggende paragrafen wordt daarom enkel ingegaan op de effecten van het voornemen op het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’.

13 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 4.1 Ligging Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied [lit. 2]

Het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’ is aangewezen als een PAS-gebied [lit. 1], een gebied waarbinnen stikstofgevoelige Habitats voorkomen die te maken hebben met een overbelasting door stikstof. Zes van de tien Habitattypen waarvoor het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’ is aangewezen, komen voor in de nabijheid van het plangebied (0 tot 3 km). Het gaat om de Habitattypen kranswierwateren in laagveengebieden (H3140), meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), vochtige heiden in laagveengebied (H4010), blauwgraslanden (H6410), overgangs- en trilvenen (H7140) en hoogveenbossen (H91D0) (afbeelding 4.2). Deze Habitattypen zijn allen matig tot zeer gevoelig voor verzuring en/of vermesting als gevolg van een toename in stikstofdepositie [lit. 1].

14 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 4.2

Ligging Habitattypen in de nabijheid van het plangebied (rode cirkel; de zwarte stippellijn geeft de globale bufferzone van 3 km rond het plangebied aan) [lit. 3]

4.1.2

Effecten & conclusie

Op een afstand van circa 100 m ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het Vogel- en Habitatrichtlijngebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’. Gezien de nabijheid van dit beschermd gebied, is

15 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

mogelijke sprake van directe dan wel indirecte negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden als gevolg van het voornemen. Directe effecten De werkzaamheden in het kader van de vervanging van de distributieleiding vinden plaats buiten de contouren van het Natura 2000-gebied. Hierdoor zijn directe effecten zoals oppervlakteverlies binnen het Natura 2000-gebied uitgesloten. Wel kunnen de werkzaamheden voor de sloop van het aanwezige pand en de aanleg van het nieuwe huurcomplex zorgen voor een verstoring van aanwezige (doel)soorten door productie van geluid-, licht- en/of trillingen. Het betreft echter een verstoring van een beperkte schaal die tevens tijdelijk is van aard. Ook vindt de verstoring plaats binnen de woonkern van Nieuwkoop, waar reeds enige vorm van verstoring aanwezig is in de vorm van onder andere straatverlichting en (beperkte) geluidproductie door bijvoorbeeld het verkeer. Van aangewezen soorten (soorten met IHD) die in deze directe omgeving van het pand voorkomen kan worden aangenomen dat enige vorm van gewenning is opgetreden. Een beperkte, bijkomende verstoring als gevolg van de geplande werkzaamheden -die tijdelijk van aard is-, zal dan ook geen significant negatief effect hebben op de aanwezige populaties. De goede instandhouding van aanwezige populaties komt daarbij niet in het geding.

Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van soorten met een IHD als gevolg van directe effecten is zodoende geen sprake. Indirecte effecten Indirect kunnen de geplande werkzaamheden wel een negatief effect hebben op aanwezige Habitattypen van het Natura 2000-gebied als gevolg van een toename in stikstofdepositie. Het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’ betreft een PAS-gebied. Dit betekent dat er binnen het gebied stikstofgevoelige habitats voorkomen die te maken hebben met een overbelasting door stikstof. In de directe nabijheid (0 tot 3 km) van het plangebied bevinden zich dan ook verschillende habitattypen die matig tot zeer gevoelig zijn voor deze aspecten. Een kleine verhoging van de stikstofdepositie binnen de grenzen van het gebied als gevolg van het voornemen kan dus al relevant zijn. Op basis van de nu beschikbare informatie met betrekking tot het voornemen is het echter niet mogelijk om een inschatting te maken van de toename in stikstofdepositie voor de uitvoeringsfase (sloop- en bouw) of de gebruiksfase. Op dit moment is immers nog niet duidelijk met welk materieel en hoeveel transportbewegingen de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Indien de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd met (sterk) stikstof emitterend materieel (zoals diverse werktuigen en voertuigen) en/of indien er een groot aantal transportbewegingen nodig zijn om de werkzaamheden te volbrengen, kan dit leiden tot een tijdelijke significante toename in stikstofdepositie tot binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied. Ook is nog niet bekend welke nieuwe ontwikkeling gaat plaatsvinden op de locatie van het oude verzorgingshuis. Indien met de nieuwe ontwikkeling in het gebied een toename in transportbewegingen gepaard gaat (denk aan een toename in auto’s door de ontwikkeling van een nieuw gebouwcomplex met een commerciële of toeristische functie), is mogelijk ook sprake van een significante toename in de stikstofdepositie. Het optreden van verzuring en vermesting binnen het nabijgelegen PASgebied als gevolg van stikstofemissie van de geplande werkzaamheden kan in deze gevallen niet worden uitgesloten. Anderzijds, indien de werkzaamheden emissie-zuinig worden uitgevoerd en de nieuwe ontwikkeling geen significante verandering in de huidige depositie-situatie met zich meebrengt, is een significante toename in depositiewaarden ter hoogte van het Habitatrichtlijngebied wellicht bij voorbaat uit te sluiten. Op basis van de huidige informatie kan aldus geen beslissing worden genomen met betrekking tot de nodige vervolgstappen.

Aanbevolen wordt daarom om, wanneer wel bekend is welke werkzaamheden precies gaan plaatsvinden en hoe de toekomstige situatie op het perceel er zal uitzien, deze vraag opnieuw te bekijken. Een deskundig ecoloog dient dan te beoordelen of significant negatieve effecten als gevolg van een toename in stikstofdepositie zonder meer kunnen worden uitgesloten. Is dit niet het geval dan dient een stikstofdepositie-onderzoek te worden uitgevoerd op basis van een berekening met AERIUS-Calculator zoals staat voorgeschreven in de Regeling PAS, Deze berekening geeft inzicht in het effect van de voorgenomen werkzaamheden op de nabijgelegen stikstofgevoelige Habitattypen. Afhankelijk van de resultaten van deze berekening is voor het voornemen dan mogelijk een melding of vergunning in het kader van de regeling PAS noodzakelijk.

16 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

4.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

4.2.1

Gegevens

In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Zuid-Holland (afbeelding 4.3). De contouren van de NNN-gebieden komen hier grotendeels overeen met deze van het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse plassen & De Haeck’. Het plangebied zelf valt daarmee buiten de contouren van het NNN-netwerk.

Afbeelding 4.3 Ligging NNN-gebieden in de nabijheid van het plangebied (rode cirkel) [lit. 4]

De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied in de omgeving van het plangebied worden voornamelijk gevormd door de beheertypen kranswierwater (N04.01), zoete plas (N04.02), moeras (N05.01), veenmosrietland en moerasheide (N06.01), vochtig hooiland (N10.02), kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en hoog- en laagveenbos (N14.02) (afbeelding 4.4).

17 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 4.4 NNN-beheertypen in de nabijheid van het plangebied (rode cirkel) [lit. 5]

4.2.2

Effecten & conclusie

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gebieden van het NNN-netwerk waarop onder meer de natuurbeheertypen kranswierwater, zoete plas, moeras, veenmosrietland en moerasheide, vochtig hooiland, kruiden- en faunarijk grasland en hoog- en laagveenbos aanwezig zijn. Het plangebied zelf valt echter buiten de contouren van dit NNN-netwerk. In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. Doordat de ingreep niet plaatsvindt binnen gebieden die behoren tot het NNN, zijn significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hier uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig.

18 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

5 SOORTENBESCHERMING 5.1

Methode

Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestond uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 6]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor was, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van en als aanvulling op de bureaustudie is door een ecoloog van Witteveen+Bos een veldbezoek uitgevoerd op 1 april 2019. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een Habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek voor nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringsgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.

5.2

Resultaten per soortgroep

5.2.1

Flora

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 6] zijn in de afgelopen tien jaar in de nabijheid van het plangebied geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde flora. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren [lit. 6, 7]. Veldbezoek De vegetatie aan de voorkant van het verzorgingsgebouw (zuidelijk deel van het perceel) bestaat voornamelijk uit een goed onderhouden grastuin met verschillende algemeen voorkomende soorten van voedselrijke, (vochtige) graslanden en bermen zoals kleefkruid, blaartrekkende boterbloem, paarse dovenetel, paardenbloem en grote brandnetel. Daarnaast zijn er een aantal cultivarkruiden- en struiken aanwezig zoals druifhyacinten (afbeelding 5.1).

Ook zijn er enkele (grotere) bomen aanwezig, met name een tamme kastanje, gewone plataan en enkele cipresbomen. Op het terrein van het verzorgingshuis staan echter geen bomen die op een gemeentelijke bomenlijst vermeld zijn.

19 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 5.1

Impressie van de vegetatie aan de zuidzijde (voorkant gebouw) van het perceel, met verschillende cultivar struiken (links) en soorten als kleefkruid, blaartrekkende boterbloem en paarse dovenetel (rechts)

Aan de achterzijde van het gebouw (noordzijde van het perceel) bevindt zich de tuin. Ook deze bestaat voornamelijk uit een gemaaid grasveld met een viertal bomen (zwarte els, gewone es, gewone esdoorn en ruwe berk). Het perceel wordt in het noorden begrensd door de Ringvaart. Deze heeft ter hoogte van het perceel een zeer steile, verstevigde oever (met houten oeverversteviging). De oevervegetatie is tevens beperkt. Her en der zijn enkele zeer smalle rietstroken aanwezig. Verder betreft de vegetatie rond de vaart voornamelijk soorten van voedselrijke, vochtige bermen zoals gewoon speenkruid, scherpe boterbloem, madeliefje en grote brandnetel. De muren van de aanwezige bebouwing zijn niet begroeid. Van muurplanten is hier geen sprake.

Afbeelding 5.2 Impressie van de vegetatie aan de noordzijde (achterkant gebouw) van het perceel

20 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Onder de Wnb beschermde flora zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Deze worden binnen het plangebied ook niet verwacht. Het ontbreekt er aan geschikt biotoop (natte, voedselarme, zwak zure grond, natte, zwak zure veen- of kleibodem, jonge wilgenbossen, dennenbossen of akkers) en geschikt substraat (stenen, leem, klei, humus, löss, oude poreuze muren) voor deze soorten. Effecten & conclusie Het voorkomen van beschermde flora in en rond het plangebied is bij gebrek aan bekende waarnemingen en de afwezigheid van geschikt biotoop in (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten. Hierdoor zijn negatieve effecten op beschermde plantensoorten uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Op het terrein van het verzorgingshuis staan tevens geen bomen die op een gemeentelijke bomenlijst vermeld zijn. De aanwezige bomen zijn derhalve niet kapvergunningsplichtig.

5.2.2

Grondgebonden zoogdieren

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 6] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten. Het betreft soorten als bosmuis, huisspitsmuis, egel, haas en hermelijn. Voor het verstoren van deze bijlage A-soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen bekend van twee Habitatrichtlijnsoorten, Noordse woelmuis en otter (afbeelding 5.3). De waarnemingen van Noordse woelmuis beperken zich tot het laagveengebied van de Nieuwkoopse plassen. De dichtstbijzijnde waarneming van de soort werd gedaan op circa 700 m ten zuidoosten van het plangebied. Van otter is in de omgeving van het plangebied één waarneming bekend. Het gaat om een waarneming uit 2014 die werd gedaan ter hoogte van een haven 300 m ten noordoosten van het plangebied. Van deze soort is tevens bekend dat ze sinds kort sporadisch wordt waargenomen in en nabij de Nieuwkoopse plassen [lit. 8].

21 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 5.3

Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde zoogdiersoorten in de nabijheid van het plangebied [lit. 6]1

De biotoopeisen van Noordse woelmuis en otter zijn beschreven in onderstaand kader [lit. 9]. Noordse woelmuis De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Doordat de noordse woelmuis geen watervrees heeft, kan hij goed eilandjes bereiken, waar hij dan vaak als enige woelmuis voorkomt. In gebieden waar geen andere woelmuizen leven, wordt hij ook wel aangetroffen in drogere gedeelten, zoals in wegbermen of zelfs in droog naaldbos. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen. Hij wordt daardoor naar natte terreinen verdreven waar hij zich prima heeft aangepast. Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren (in Europa) komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater.

Veldbezoek De grasvelden, groene bermen, beperkt begroeide oevers van de Ringvaart en de verspreide struikvegetatie aanwezig in en nabij het plangebied bieden geschikt leefgebied voor verschillende algemeen voorkomende zoogdiersoorten zoals egel, konijn, haas en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Het voorkomen van deze soorten is hier dan ook aannemelijk. 1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

22 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor Noordse woelmuis. Het ontbreekt er aan hoge kruidachtige vegetatie en moerasvegetatie. De aanwezige rietstroken langs de Ringvaart zijn te smal, geïsoleerd en te monotoon voor deze soort. Tevens is het aanwezige groen te klein en te geïsoleerd gelegen, en is de omgeving (woonkern) te sterk verstoord (verharding, auto’s, mensen, et cetera) voor deze soort. Een geschikte biotoop voor de Noordse woelmuis is wel te vinden binnen de grenzen van de Nieuwkoopse plassen. De tussenliggende bebouwing en de autoweg (Dorpsstraat) vormen echter een verstoringsbarrière tussen dit geschikt leefgebied en het plangebied. Het voorkomen van noordse woelmuis tot binnen de grenzen van het plangebied is daarmee uit te sluiten. Een gelijkaardige redenering gaat op voor de otter. De ideale leefomgeving van de otter bestaat uit een groot aaneengesloten waterrijk gebied met een goede waterkwaliteit en ruig begroeide oevers. Het uitgestrekte laagveenverlandingsgebied van de Nieuwkoopse plassen biedt een dergelijk geschikt biotoop. Binnen het plangebied zelf ontbreekt dit biotoop. De Ringvaart die achter het perceel door loopt is door haar ligging in verstoord gebied (woonkern), steile, versterkte oevers en de afwezigheid van voldoende oeverbegroeiing, niet aantrekkelijk voor deze soort.

Het voorkomen van otter tot binnen de grenzen van het plangebied is zodoende uitgesloten. Effecten & conclusie Het voorkomen van verschillende algemene grondgebonden zoogdiersoorten (bijlage A Wnb), zoals egel, haas en verschillende algemeen voorkomende muissoorten is op basis van waarnemingen en het aanwezig biotoop niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland echter een algemene vrijstelling voor de verbodsbepalingen van het Wnb (artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming). Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn zodoende niet aan de orde. Wat betreft niet-vrijgestelde beschermde grondgebonden zoogdieren kan gesteld worden dat het nabijgelegen laagveenverlandingsgebied Nieuwkoopse plassen geschikt leefgebied vormt voor onder andere noordse woelmuis en otter. Binnen het plangebied zelf is echter geen geschikt biotoop voor deze soorten aanwezig. Tevens vormen de aanwezige bebouwing en de autoweg een verstoringsbarrière tussen het geschikte leefgebied en het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde soorten tot binnen de grenzen van het plangebied kan, gezien het bovenstaande, dan ook worden uitgesloten. Negatieve effecten op deze soortgroep als gevolg van de werkzaamheden zijn niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt de zorgplicht.

5.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 6] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van vier vleermuissoorten. Het betreft gewone dwergvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (afbeelding 5.4).

23 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 5.4 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 6]1

De biotoopeisen van deze vleermuissoorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 10]. Gewone dwergvleermuis Gedurende het hele jaar worden vooral gebouwen als verblijfplaats gebruikt. Uit het buitenland zijn ook paarverblijven uit nest- en vleermuiskasten en boomholtes bekend. Kraamkolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. De groepsgroottes lopen uiteen van enkele tientallen tot meer dan tweehonderd dieren. Gewone dwergvleermuizen zijn plaats trouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. De soort is met betrekking tot vliegroutes sterk gebonden aan (lijnvormige) landschapsstructuren (opgaande begroeiing en oevers). In stedelijk gebied zijn vliegroutes niet zo duidelijk. De soort jaagt in gesloten tot halfopen landschap. Meervleermuis De meervleermuis is een soort die zich in de zomer vooral thuis voelt in waterrijke gebieden met moerassen, weiden en bossen. In Nederland is de meervleermuis dan vooral te vinden in de open veenweidegebieden en zeekleigebieden in het westen, noorden en in iets minder mate ook het midden en zuidwesten van Nederland.

Kolonies van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ook worden regelmatig meervleermuizen waargenomen boven vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 m van water.

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

24 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boom bewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral half open bosrijk landschap. Vaak jagen ruige dwergvleermuizen langs bosranden, door lanen, boven open plekken in bos en langs houtwallen. Waterpartijen en beschutte oevers in voedselrijke gebieden vormen een belangrijk aspect van het biotoop. Ze jagen ook graag bij straatlantaarns, maar bebouwing en open gebied zijn minder in trek.

Veldbezoek Het laagveenverlandingsgebied van de Nieuwkoopse plassen ten zuidoosten van het plangebied met moerasvegetaties, waterpartijen en beschutting in de vorm van boomwallen en hoogveenbos biedt een geschikt foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten waaronder meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Het plangebied zelf is in mindere mate ook geschikt als foerageergebied voor vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Het gaat dan met name om de zones rond de Ringvaart en nabij de straatverlichting waar de aanwezige bebouwing ook zorgt voor voldoende beschutting. De Ringvaart kan tevens deel uitmaken van een (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. De waterloop vormt immers een lijnvormige verbinding door de woonkern waarop vleermuizen zoals de meervleermuis zich kunnen oriënteren (afbeelding 5.5).

Afbeelding 5.5 De Ringvaart als rechtlijnig element doorheen het landschap vormt een potentiële vliegroute voor vleermuizen

Wat betreft verblijfplaatsen voor vleermuizen, biedt het aanwezige gebouwencomplex verschillende potentieel geschikte holten. De dakstructuur van het oude verzorgingshuis is duidelijk verouderd waardoor op verschillende plekken mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn ontstaan. Het gaat dan om holten onder lossen dakpannen of gaten in de dakstructuur, maar ook om verluchtingsgaten en open

25 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

stootvoegen. Het plangebied biedt aldus potenties voor gebouw bewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en meervleermuis.

Afbeelding 5.6 Impressie van geschikte holten/openingen in de aanwezige bebouwing voor gebouw bewonende vleermuizen

Voor boom bewonende vleermuizen, zoals rosse vleermuis, zijn binnen het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. De aanwezige bomen vertonen geen geschikte holten (bijvoorbeeld holten ontstaan door rotting bij een afgebroken tak, spechtgaten, loszittende schors). De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de aanwezige bomen is zodoende uit te sluiten. Effecten & conclusie In de omgeving van het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van vleermuizen. Het betreft waarnemingen van gewone dwergvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Vlieg- en foerageergebied Het nabijgelegen laagveenverlandingsgebied van de Nieuwkoopse plassen alsook enkele groenzones rond de Ringvaart en beschutte zones nabij straatlantaarns van de woonkern van Nieuwkoop, bieden een geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast kan de Ringvaart aan de achterzijde van het plangebied deel uitmaken van een (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. De werkzaamheden laten de Ringvaart aan de achterzijde van het perceel ongemoeid. Vernietiging van deze mogelijke vliegroute als gevolg va de werkzaamheden is zodoende uitgesloten. Wat betreft foerageergebied zijn in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende (beter) geschikte zones aanwezig waarnaar vleermuizen (tijdelijk) kunnen uitwijken.

Gezien de aanwezigheid van voldoende alternatieve foerageergebieden, is hier geen sprake van een essentieel foerageergebied. Van een aantasting van essentiële functies voor vleermuizen als gevolg van het voornemen is aldus geen sprake.

26 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Vleermuizen die gebruik maken van (de omgeving van) het plangebied als vlieg- en/of foerageergebied, kunnen in de uitvoeringsfase van het voornemen (sloop- en bouwwerkzaamheden) wel worden verstoord door licht- en geluidverstoring en trillingen. Verstoring van vleermuizen is een overtreding volgens de Wnb (art. 3.5 lid 2), waarvoor een ontheffing moet worden aangevraagd. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen. Verstoring door licht en geluid treedt immers alleen op als de werkzaamheden plaatsvinden in de actieve periode van vleermuizen: een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst gedurende de maanden maart tot november (bij een temperatuur van boven de zeven graden). Om verstoring te voorkomen dienen werkzaamheden daarom buiten de actieve periode, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst tot een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari) plaats te vinden. Indien toch gewerkt wordt tijdens de actieve periode voor vleermuizen dient men gebruik te maken van vleermuisvriendelijke lichtbeheer waarbij de hoeveelheid licht beperkt wordt tot waar het strikt noodzakelijk is.

Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige verlichting); - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied of vliegroute schijnt. Dit kan door gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant op richten en hiermee verstrooiing van licht minimaliseert, of van LED-verlichting; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Ook voor het ontwerp van het nieuwe huurwoningcomplex dient rekening te worden gehouden met vleermuisvriendelijk lichtbeheer, waarbij lichtverstrooiing op de watergang (Ringvaart) moet worden voorkomen en lichtverstrooiing op het grondterrein zoveel mogelijk dient te worden beperkt. Indien deze maatregelen in acht worden genomen is een significante verstoring van vleermuizen te voorkomen en zijn vervolgstappen in het kader van de Wnb niet nodig.

Verblijfplaatsen De aanwezige bebouwing vertoont holten/spleten met potenties als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en meervleermuis. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing kan dan ook zonder gericht onderzoek niet worden uitgesloten. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn en door de sloopwerkzaamheden worden aangetast/verloren gaan, is een overtreding van de Wnb aan de orde. Om overtreding van verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn te voorkomen is in eerste instantie inzicht nodig in de functie van het gebouw voor vleermuizen. Er wordt daarom geadviseerd een vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2017 uit te voeren. Als wordt geconstateerd dat in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, is voor het de sloopwerkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig en moet worden bepaald welke mitigerende- en/of compenserende maatregelen getroffen dienen te worden om negatieve effecten op de instandhouding van deze soorten te voorkomen.

5.2.4

Vogels

Bureaustudie In de afgelopen tien jaar werden in de omgeving van het plangebied verschillende vogelsoorten waargenomen [lit. 6]. Het betreft zowel soorten van urbaan gebied als water- en moerasgebonden soorten. Enkele veelvoorkomende soorten in deze omgeving zijn tjiftjaf, kleine karekiet, boomkruiper, rietgors, kuifeend en rietzanger. Daarnaast zijn waarnemingen bekend van enkele soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, met name boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, roek, sperwer en wespendief. Het gaat dan voornamelijk om waarnemingen van foeragerende of overvliegende soorten. Waarnemingen die wijzen op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zijn beperkt. In de nabije omgeving gaat het om een territorium van gierzwaluw in de woonkern van Nieuwkoop, circa 250 m ten noorden van het plangebied, en twee broedlocaties van respectievelijk buizerd en havik binnen het laagveenverlandingsgebied van de Nieuwkoopse plassen (afbeelding 5.7).

27 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Afbeelding 5.7

Nest-indicerende waarnemingen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, van de afgelopen tien jaar in de nabijheid van het plangebied [lit. 6]1

De biotoopeisen van gierzwaluw, buizerd en havik zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 11]. Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende Habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal. Jaagt ook wel midden in (ouder bos) en in Nederland ook graag in weilanden en steeds vaker in steden. Havik Combinatie van bos met geschikte nestbomen met open land om te jagen. Broedt in naald- en loofbossen, ook in moerasbos, soms in parken. Jaagt in het bos, maar ook in tussenliggende weilanden en akkers, in aangrenzende open gebieden (heide en hoogveen, moerassen, boerenland) en steeds vaker ook in de stad. Belangrijk is de aanwezigheid van geschikte prooien. In de winter ook in nog opener terrein te vinden, zoals kwelders.

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

28 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen en struiken binnen het perceel geen nesten van vogels waargenomen. Binnen het plangebied zelf is beperkt opgaand groen aanwezig. Verder zijn de oevers van de Ringvaart aan de achterzijde van het perceel nauwelijks begroeid. In de (wijdere) omgeving van het plangebied, in de dorpskern van Nieuwkoop en het nabijgelegen laagveenverlandingsgebied, zijn wel een beperkt aantal bomen, struiken en ruigten aanwezig die geschikt zijn als broedbiotoop voor diverse broedvogels (afbeelding 5.8).

Afbeelding 5.8

Impressie van de bomen binnen het plangebied (zonder nesten) (links), en bomen van de nabijgelegen percelen (potentie voor nestgelegenheid) (rechts)

In een gat in de dakstructuur aan de achterzijde van het te slopen gebouw nestelt een koppel kauwen (afbeelding 5.9).

Afbeelding 5.9 Gat in de dakstructuur van het te slopen gebouw waarin een koppel kauwen zich heeft genesteld

29 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

Jaarrond beschermde nesten werden niet aangetroffen in het plangebied. Binnen het perceel waar werkzaamheden gaan plaatsvinden zijn geen geschikte nestplaatsen aanwezig voor boom broedende soorten als buizerd en havik (ontbreken van bos, bosschage, boomsingels/bosrand, parken, et cetera). Wel biedt het te slopen gebouw mogelijk geschikte nestgelegenheid voor gebouw bewonende soorten zoals huismus en gierzwaluw, in de vorm van gaten in de dak structuur en losse dakpannen (zie ook afbeelding 5.6). Effecten & conclusie Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Het te slopen gebouw biedt mogelijk geschikt nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw, gebouw bewonende soorten die ook in de omgeving werden waargenomen en waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Bij sloopwerkzaamheden kan aldus sprake zijn van een vernietiging van jaarrond beschermde nesten van deze soorten. Om een overtreding van de verboden van het Wnb te voorkomen is inzicht nodig in de functie van het te slopen gebouw voor deze vogels.

Dit inzicht wordt verkregen door het uitvoeren van een soortgericht onderzoek, waarbij aan de hand van verschillende veldbezoeken conform het inventarisatie protocol (volgens het Kennisdocument van huismus en gierzwaluw) de aan- of afwezigheid van deze gebouw bewonende vogels wordt vastgesteld dan wel uitgesloten. Zijn deze aanwezig, dan is voor de uitvoering van de werkzaamheden een ontheffing van de Wnb nodig en moet worden bepaald welke mitigerende- en/of compenserende maatregelen getroffen dienen te worden om negatieve effecten op de instandhouding van deze soorten te voorkomen. De (beperkt) aanwezige bomen en struiken in de (wijdere) omgeving van het plangebied bieden verder een geschikt broedbiotoop voor verschillende algemeen voorkomende broedvogelsoorten (ook soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn). Werkzaamheden in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels nabij het plangebied. Verstoring treedt op door aanwezigheid van mensen en materiaal, trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing hiervoor is meestal niet mogelijk.

De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden, moet een deskundige vaststellen of er broedende vogels aanwezig zijn in of rondom het plangebied. Wanneer wordt geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. In het geval dat er wel broedende vogels aanwezig zijn, dient te worden bepaald of er significante verstoring plaatsvindt. Wanneer verstoring van wezenlijke invloed aan de orde is, zijn in sommige gevallen maatregelen mogelijk waardoor werkzaamheden (deels-) kunnen door gaan. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld door binnen een ruime zone rondom het betreffende broedgeval (buiten de verstoringscontour) geen werkzaamheden te laten plaatsvinden.

De grootte van de verstoringscontour is afhankelijk van de vogelsoort. Wanneer verstoring van het broedgeval onvermijdelijk is, dan mag er pas worden gestart met de verstorende werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.

30 | 38

Witteveen+Bos | 114123/19-007.039 | Definitief

5.2.5

Amfibieën en reptielen

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 6] zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals gewone pad en bruine kikker. Voor het verstoren van deze bijlage A-soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling. Niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde amfibiesoorten of reptielsoorten werden in de omgeving van het plangebied in de afgelopen tien jaar niet waargenomen. Deze soorten komen dan ook voor in zeer specifieke biotopen. Zo zijn ze te vinden in heidevennen (heikikker), recent opgespoten terreinen, bouwplaatsen en pioniersvegetaties (rugstreeppad), voedselarme en schone wateren in hoogveengebieden (poelkikker) en houtwallen en spoorbermen (hazelworm). Van belang voor al deze soorten is tevens de aanwezigheid van voortplantingswater met structuurrijke oevers [lit. 12]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde amfibie- of reptielsoorten. Ter hoogte van de oever rond de Ringvaart is wel geschikt leefgebied aanwezig voor algemeen voorkomende amfibiesoorten (bijlage A-soorten Wnb) zoals gewone pad en bruine kikker.

Door het ontbreken van zandige terreinen met hoge dynamiek, structuurrijke oevers, flauwe, schrale taluds en plasdras situaties (afbeelding 5.10), is het plangebied echter niet geschikt voor niet-vrijgestelde amfibiesoorten of reptielsoorten.

Afbeelding 5.10 Ringvaart met steile, verstevigde oever (gebrek aan flauwe, schrale taluds)

Effecten & conclusie De aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibiesoorten binnen het plangebied zoals gewone pad en bruine kikker (beide bijlage A-soorten van de Wnb) is op basis van waarnemingen en het aanwezige biotoop niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het voorkomen van niet-vrijgestelde amfibiesoorten of reptielsoorten is op basis van het aanwezige biotoop uit te sluiten. Vervolgstappen in kader van het Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=a0f186f6-a5ee-4e64-8d05-2de1a0df2b03