Bijlage 1 - Toelichting
Tekst van het document
Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.5.
25
Conclusie De bepalingen van de Wet geluidhinder vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van twee woningen. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 15,7 µg/m³, 8,2 µg/m³ en 13,7 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
26
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een gevoelige functie (wonen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. De planlocatie ligt aan een bebouwingslint met woonfuncties, bedrijven en andere functies. De omgeving kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. Daarmee kunnen de richtafstanden met een stap worden verlaagd. De volgende bedrijven en milieubelastende activiteiten zijn gevestigd rondom het plangebied. Oude Nieuwveenseweg 84 Aan de Oude Nieuwveenseweg 84 is een bed & breakfast gevestigd die voorzien is van de bestemming 'Gemengd'. Binnen deze bestemming mogen diverse soorten bedrijven zijn gevestigd, waaronder een bed & breakfast, detailhandel, dienstverlening en medische en sociaal-medische voorzieningen. Dit zijn categorie 1 bedrijven waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 0 m voor geldt. De afstand tot het plangebied is minimaal 15 m, daarmee wordt er voldaan aan de richtafstand.
Oude Nieuwveenseweg 111-113 Op de percelen aan de Oude Nieuwveenseweg 111-113 geldt de bestemming 'Gemengd' en zijn er diverse bedrijven gevestigd. Dit zijn zowel detailhandels- als dienstverleningsbedrijven. Dit zijn categorie 1 bedrijven waarvoor een richtafstand van 0 m geldt in gemengd gebied. De afstand van deze bedrijven tot de nieuwe woningen is minimaal 50 m, daarmee wordt er voldaan aan de richtafstand. Oude Nieuwveenseweg 131a Ter plaatse van de Oude Nieuwveenseweg 131a geldt een bedrijfsbestemming, waarbinnen bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. In gemend gebied geldt voor categorie 2 bedrijven een richtafstand van 10 m. De afstand van dit bedrijf tot de nieuwe woningen is minimaal 20 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Bovendien wordt het bedrijf niet in zijn mogelijkheden beperkt, omdat er woningen reeds op kortere afstand zijn gelegen die daarmee maatgevend zijn voor het bedrijf. Drift gewasbeschermingsmiddelen De gronden ten zuiden van de planlocatie in de tweede van het bebouwingslint aan de Schilkerkade hebben de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Op deze gronden kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang.
Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van de mensen in de omgeving.
27
Een deel van de gronden, gelegen achter de bebouwing van de Schilkerkade 1 - 4 wordt ook daadwerkelijk gebruikt voor sierteelt, er worden pioenrozen en trek- en besheesters gekweekt. Het dichtstbijzijnde agrarische perceel is in gebruik als grasland. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Echter kan de afstand van de vuistregel verkleind worden als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Van de kweekgronden die zich aan de Schilkerkade bevinden, liggen de beoogde woningen enkel binnen de 50 m afstand van de gronden bij Schilkerkade 1. Dit dient beschouwd te worden. Aan de Schilkerkade 1 is vollegrondsteelt toegestaan. De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 m.
Bij dergelijke vollegrondsteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot boom- en fruitteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden. Bovendien staat er in de bestaande situatie een gebouw tussen de teeltgronden en onderhavig woonperceel, dat eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen zal tegenhouden. Tevens wordt bij de afstand van 50 m uitgegaan van gewasbespuiting zonder enige vorm van driftreductie. Op grond van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er verplicht ten minste 75% driftreducerend gespoten moet worden. Daarmee gelden strengere normen dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken is uitgegaan. De afstand tussen de beoogde nieuwe woningen en de gronden ten zuiden waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen is circa 27 m. Gelet op deze afstand en de hiervoor beschreven omstandigheden kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi)
28
worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
29
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied aan de Ringdijk rood omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn. Ten zuiden van het plangebied is op een afstand van circa 900 m een aardgastransportleiding gelegen. Gezien deze afstand is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied en de risicoafstanden van deze buisleiding. Daarnaast liggen ten zuiden van het plangebied nog enkele risicovolle inrichtingen. De afstand tot de dichtstbijzijnde inrichting is circa 500 m, waarmee het plangebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het plangebied valt onder het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB-S). Hierbij worden extra regels gesteld aan nieuwe plannen waaraan voldoen moet worden, met de bedoeling om zowel de luchthaven, de omliggende bebouwing en bewoners te beschermen tegen mogelijke hinder, ongelukken en rampen. Het beoogde plan heeft overeenkomst met de artikelen 2.2.1 en 2.2.2. Artikel 2.2.1, samen met de bijbehorende kaart, geeft aan wat de extra regels zijn rondom het aanleggen van (gevoelige) gebouwen rondom de luchthaven Schiphol. Het plangebied maakt deel uit van categorie 5, waarbij onder d er geen nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stedelijk gebied toegestaan zijn.
Gezien het feit dat het beoogde plan binnen het huidige bebouwingslint van Nieuwveen ligt en dat het één bestaande woning vervangt, wordt er geconstateerd dat er voldaan wordt aan artikel 2.2.1. Artikel 2.2.2 gaat in op de
30
maximum bouwhoogte van nieuwe gebouwen waarbij enkel afgeweken kan worden met toestemming van de Inspectie Leefomgeving en Transport. De toets hoogtes bedragen ca. 76 en 146 m. De verwachting is dat het beoogde plan aan beide drempelwaarden zal voldoen. Er wordt immers enkel bebouwing tot een bouwhoogte van 10 m mogelijk gemaakt. Geacht wordt dat artikel 2.2.2 geen belemmering vormt voor het beoogde plan. Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol niet leidt tot belemmeringen voor het plan Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Met de voorliggende ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing gesloopt. In dit kader dient verantwoord te worden dat het plan geen schade aan beschermde soorten en of gebieden oplevert. Om deze reden is een quickscan ecologie uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (d.d. 17 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2) Gebiedsbescherming Voor mogelijke effecten op beschermde gebieden is de nabijheid van dergelijke gebieden van belang. Als een activiteit in of nabij een beschermd gebied plaatsvindt, kunnen mogelijk negatieve effecten ontstaan. Daarnaast is stikstof voor Natura 2000 gebieden een belangrijk onderdeel, dit speelt ook op grotere afstanden. Het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt op 5,5 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de beperkte omvang van de ontwikkeling (bouw en gebruik van twee woningen) zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Het inzichtelijk maken van de stikstofdepositie middels een AERIUS-berekening is niet nodig. De Wet natuurbescherming levert met betrekking tot de bescherming van Natura 2000-gebieden geen belemmeringen op voor dit plan. Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit een woonerf en vormt voor weinig beschermde dieren een functioneel leefgebied.
Het plan bestaat uit de sloop van de bestaande woning en de bouw van twee nieuwe woningen. Als gevolg van het slopen van de bebouwing (incl. grondverzet) en bouwrijp maken van de bouwplaats, worden mogelijk een huisspitsmuis, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker gedood en worden mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats van voorgenoemde soorten beschadigd of vernield. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Onderdeel soortbescherming, vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
31
Mogelijk nestelen er ieder jaar vogels aan de woning, in de klimop of nestkast. Van de in het plangebied nestelende vogels is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet de oude nestplaats. Bezette vogelnesten mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Geadviseerd wordt de woning te slopen buiten de voortplantingsperiode of een broedvogelcheck uit te worden, indien de woning in de voortplantingsperiode gesloopt wordt. Tevens dienen de onderstaande zorgplichtmaatregelen in acht genomen te worden:
•
Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• • •
Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. In gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Broedende vogels mogen niet worden verstoord. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet door een deskundig ecoloog worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.
Conclusie Met betrekking tot de Wet natuurbescherming zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling. In alle gevallen dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht en de daarbij behorende maatregelen.
4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water,
32
grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Keur en beleidsregels Hoogheemraadschap van Rijnland De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
• • •
Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2020 en de Uitvoeringsregels Keur 2020. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Waterbeheerplan AGV, 2016-2021 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km², grofweg tussen Amsterdam en Utrecht.
Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 en een aanpak op hoofdlijnen.
33
Uitgangspunten
• • • • • • • • • •
samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; afstemming over alle watertaken per stroomgebied; behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
Watergebiedsplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft naast haar Waterbeheerplan voor verschillende gebieden aparte Watergebiedsplannen opgesteld met als doel gebiedsgerichte maatregelen te formuleren om het watersysteem te verbeteren. Daarvoor is zowel het grond- als oppervlaktewater kwalitatief en kwantitatief in beeld gebracht. Tevens is de ecologische toestand onderzocht met het oog op het behalen van de Kaderrichtlijn Water doelen. Het hoofddoel van het watergebiedsplan is het nemen van een peilbesluit voor de polders in het watergebiedsplan. Het watergebiedsplan focust op de volgende aandachtsgebieden:
• • •
een peilbesluit voor de polders in het watergebiedsplan; de kans op wateroverlastsituaties en eventuele maatregelen;
• •
actualiseren van de legger;
de waterkwaliteit in het hele gebied en maatregelen voor de korte en lange termijn om de KRWdoelen te halen; gebiedsgerichte maatregelen van reguliere waterschapstaken.
Keur 2019 Het projectgebied valt binnen het waterschap Amstel, Gooi, Vecht. Binnen dit waterschap is de Keur 2019 van kracht, dit is de opvolger van de Keur 2017. De Keur is één van de instrumenten van beheer die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen. De drie hoofddoelstellingen die vanuit de Waterwet zijn aangegeven zijn:
• • •
voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
34
Planspecifiek Waterkeringen en watergangen Het plangebied is gelegen op de grens van twee waterschappen: van het Hoogheemraadschap van Rijnland en van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Uit het raadplegen van de leggers blijkt dat het plangebied tussen twee regionale waterkeringen, in de vorm van polderkades, is gelegen. Het plangebied ligt in de beschermingszone van deze waterkeringen. Binnen deze zones mag niet gebouwd worden zonder watervergunning. Bouwen is mogelijk, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering. Voor het bouwen binnen de waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap/hoogheemraadschap. In dit kader is er contact geweest met het waterschap/hoogheemraadschap, waaruit naar voren is gekomen dat het dwarsprofiel van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht maatgevend is. Hieronder zijn een dwarsdoorsnede van zowel de huidige en beoogde situatie weergeven.
Dwarsdoorsnede van de huidige situatie (bron: Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
Dwarsdoorsnede van de beoogde situatie (bron: Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
Op basis van de dwarsdoorsnede kan er geconcludeerd worden dat de beoogde situatie verder van de kernzone af komt te liggen, waardoor er sprake is van een verbetering van de situatie als gevolg van het beoogde plan. Tevens is inzichtelijk gemaakt dat het profiel niet doorsneden wordt. Voor de realisatie van het voorliggende plan is reeds een vergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Aan de gronden binnen de kern- en beschermingszone van de waterkering is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Watercompensatie De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie voor een groot deel verhard. Met het voorliggende plan wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden twee nieuwe woningen gerealiseerd binnen een bouwvolume. De toename aan verharding zal daardoor beperkt zijn. De verhardingstoename overschrijdt de vrijstellingsgrens van 500 m² niet, waardoor watercompensatie niet noodzakelijk is.
35
Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Voor de woning geldt dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende initiatief.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het bestemmingsplan ‘Kernen Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde' heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld. Met het voorliggende initiatief worden deze normen niet overschreden, waardoor archeologisch onderzoek niet vereist is.
Geconcludeerd kan worden dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Indien tijdens de graafwerkzaamheden toeval vondsten worden aangetroffen, dient dit gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor het beoogde initiatief.
4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
36
Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Parkeren en verkeer 4.10.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. De gemeente Nieuwkoop heeft in de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 (vastgesteld op 8 juli 2021) vastgelegd welke parkeernormen er gelden. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee nieuwe woningen. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte dient gekeken te worden naar de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021. In de gemeentelijke reactie van 3 januari (kenmerk 202965) op het principeverzoek is aangegeven dat het parkeerbeleid het toevoegen van een extra woning niet in de weg staat. De Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 gaat bij een twee-onder-een-kapwoning (twee-aaneen gebouwde woning) uit van een parkeernorm van 2,1 per woning. Per woning worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd, in totaal vier parkeerplaatsen. Op basis van advies van de gemeente Nieuwkoop zal dat opgelost worden zoals is weergegeven op navolgende afbeelding.
37
Toekomstige situatie (bron: Teken- en adviesbureau J.M. Zevenhoven)
Met het realiseren van vier parkeerplaatsen op eigen terrein is aangetoond dat voldaan kan worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Er kan geconcludeerd worden dat in de beoogde situatie sprake is van een aanvaardbare parkeersituatie.
4.10.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
38
Planspecifiek Volgens de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 behoort het plangebied tot de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk'. In de navolgende tabel wordt de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie weergegeven. Soort woning koop, huis, onder-een-kap Totaal
twee-
Aantal woningen
CROW-verkeersgeneratie
2
8,2
Totale verkeersgeneratie 16,4
-
-
16,4
De ontwikkeling van de twee nieuwe woningen brengt circa 16,4 voertuigbewegingen met zich mee. Ten opzichte van de huidige situatie veroorzaakt de nieuwe situatie een maximale toename van 8,6 voertuigbewegingen per etmaal. Gelet op de beperkte toename van de verkeersgeneratie kan gesteld worden dat het opgevangen kan worden met de bestaande verkeersstructuur.
39
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
40
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Tuin De bestemming 'Tuin' is toegekend aan de voortuin van de beoogde woningen. Hier mag geen bebouwing opgericht worden, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen De op de verbeelding voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Naast wonen zijn binnen de bestemming 'Wonen' een beroep aan huis, mantelzorg en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Binnen het bouwvlak zijn niet meer dan twee woningen toegestaan. Een woning moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. De oppervlakte van een woning exclusief bijhorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m². Er is maximaal 80 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Waarde - Archeologie 3 Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Bij bouwwerkzaamheden met een bouwdiepte van meer dan 0,5 m en een totale oppervlakte van 10.000 m², dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de archeologische waarden niet verstoord worden. Waterstaat - Waterkering Aan de gronden in het plangebied is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend.
Vanwege de ligging binnen de beschermingszone van de waterkering is het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden slechts onder voorwaarden toegestaan. Hierbij kan een advies van de beheerder van de waterkering benodigd zijn. Algemene aanduidingsregels - Luchtvaartzone - 20ke Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 20ke' geldt het vrijwaringsbeleid in de 20-Ke zone rond Schiphol, en zijn geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen en terreinen toegestaan zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van woningen die in het bestaand stads- en dorpsgebied liggen.
41
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen aan de initiatiefnemer worden doorbelast. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Nieuwkoop worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.
42
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen, kan in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Initiatiefnemers hebben de directe buren in diverse persoonlijke gesprekken op de hoogte gesteld van het voornemen om de bestaande woning te saneren ten behoeve van twee-aaneengebouwde woningen. In deze gesprekken hebben de buren aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het initiatief en begrijpen het planvoornemen. Tevens hebben de buren gevraagd om op de hoogte gehouden te worden over de vervolgstappen in het vergunning/bouwproces, wat initiatiefnemers vanzelfsprekend zullen doen.
7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van het wettelijk vooroverleg opgenomen.
7.3 Participatie Op 11 januari, 13 en 30 maart zijn de omwonende betrokken uitgenodigd om het beoogde plan te bespreken. Hierbij is het beoogde plan uitgelegd aan de omwonende met behulp van de nieuwste bouwcontouren. Hierbij is aan de omwonende uitgelegd dat het beoogde plan voorziet van een verandering van de maaiveldhoogte, goothoogte, de nieuwe woningtypologie en de kleinere afstand tussen bebouwing en erfgrens. Hierbij hebben de omwonende geen bezwaar aangekondigd tegenover het beoogde plan. Het verzoek was er wel om op de hoogte te worden gehouden van de relevante vervolgstappen. De initiatiefnemer is voornemens om deze wens te honoreren.
7.4 Verslag zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.
43