Bestemmingsplan Buytewech Noord 30-06-2021 excl bijlagen
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
35
Er kan in dit geval op de volgende wijze rekenschap van de keuze van de onderhavige locatie voor de realisering van woningen worden gegeven: 1. 2. 3.
4.
5.
6.
7.
De woningen worden gebouw overeenkomstig het bepaalde in het Bouwbesluit, waarmee ook regels over de binnenwaarde (van geluid) van toepassing zijn. Door middel van geluidadaptief bouwen zijn er mogelijkheden om ook verdere maatregelen te treffen die de mate van geluidhinder inperken. De gemeente zal richting ontwikkelaars en toekomstige bewoners een actieve communicatie voeren dat er sprake is van een met vliegtuiggeluid belaste locatie. Waar nodig zal dit ook in overeenkomsten worden vastgelegd met een kettingbeding. De woningen voorzien in een concrete woningbouwbehoefte, zoals ook is aangetoond bij de onderbouwing van de Ladder van duurzame verstedelijking in 3.1.3. Het woningbouwprogramma dat in dit geval wordt gerealiseerd is gericht op uiteenlopende doelgroepen en uiteenlopende prijsklassen, waarmee in een brede behoefte wordt voorzien. De gemeente Nieuwkoop heeft in (de herijking van) haar Structuurvisie reeds verantwoord dat voor woningbouwlocaties van deze omvang locaties benodigd zijn buiten BSD. De provincie hanteert daarvoor met haar Omgevingsverordening strikte voorwaarden, waaronder het gebruik maken van daartoe aangewezen locaties voor projecten met een omvang als deze. Hier is in paragraaf 3.2.2 van gemotiveerd dat deze locatie één van de door de provincie aangemerkte locaties is.
In de gemeentelijke Structuurvisie is eveneens gekozen voor het uitgangspunt dat woningbouwontwikkelingen in de basis binnen of aan de A-kernen van de gemeente worden gerealiseerd. Dit zijn de kernen waarbinnen zich de meeste voorzieningen bevinden. Door nieuwe woningen hier te realiseren, dragen zij bij aan het in stand houden van het voorzieningenniveau in Nieuwkoop en daarmee aan de vitaliteit van de kern. Binnen de wijk Buytewech-Noord wordt eveneens ingezet op leefbaarheid en vitaliteit. Dit is uitgebreid aan de orde gekomen in paragraaf 2.2 waarin de opzet van de wijk wordt beschreven. De mate van natuur, groen en water, de ambities op het gebied van duurzaamheid en biodiversiteit en de aanleg van voorzieningen in het openbaar gebied om deze kwaliteiten beleefbaar te maken, dragen bij aan de leefbaarheid en vitaliteit binnen de wijk zelf.
Met inachtneming van het vorenstaande is bouwen binnen de 20Ke-contour verantwoord.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
36
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
37
Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante omgevingsaspecten beschreven.
4.2
Archeologie
Toetsingskader Het plangebied Buytewech-Noord is gelegen in een zone waarvoor op grond van vigerende bestemmingsplan Kern Nieuwkoop de dubbelbestemming Waarde- Archeologie 2 geldt. De voor Waarde-Archeologie 2 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. In dit gebied gelden voor ruimtelijke plannen de volgende criteria: archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, indien de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 2500 m2 en dieper dan 50 cm. Op de provinciale archeologische verwachtingskaart is het gebied aangeduid met een hoge verwachting vanwege de aanwezigheid van stroomgordels in de ondergrond. Onderzoek In opdracht van de gemeente Nieuwkoop heeft ADC ArcheoProjecten in augustus en september 2015 een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Buytewech-Noord in Nieuwkoop, gemeente Nieuwkoop. De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in het onderzoeksrapport zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat vanwege het ontbreken van sporen van bodemvorming en de geringe rijping van de kreekafzettingen de archeologische verwachting voor het Neolithicum naar beneden kan worden bijgesteld. Geadviseerd wordt om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Met het oog op mogelijke toevalsvondsten, verdient het de aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.3
Bodem
Toetsingskader Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
38
In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosystemen vervolgens onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering. Als geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan sanering worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit goed genoeg is om te bebouwen ten behoeve van de toegekende bestemming (bodemgeschiktheids-verklaring): er mag pas worden gebouwd als de bodem schoon genoeg is bevonden. In het kader van de bouwplannen zal - afhankelijk van de aan te vragen activiteit - de bodem ter plaatse nader worden onderzocht. Indien nodig zal de bodem voorafgaand of tijdens de bouw geschikt gemaakt worden op basis van de nota "Naar een gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid in provincie en stad". Onderzoek Voor het plangebied zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: Verkennend en aanvullend bodem- en waterbodemonderzoek Buytewech-Noord Nieuwkoop, door BSAdviezen, kenmerk 15.914, d.d. 14 april 2015 (hierna: verkennend bodemonderzoek 2015, zie bijlage 3) Rapport betreffende een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Buytewech-Noord te Nieuwkoop, door IDDS B.V., kenmerk 1703K260/JHA/rap1, d.d.
14 juni 2017 (hierna: verkennend bodemonderzoek 2017, zie bijlage 4) Rapport betreffende een aanvullend bodemonderzoek Buytewech-Noord te Nieuwkoop, door IDDS B.V., kenmerk 1703K260/JHA/rap2, d.d. 21 maart 2018 (hierna: aanvullend bodemonderzoek 2018, zie bijlage 5) In verband met de voorgenomen aanleg van een nieuwe toegangsbrug heeft de gemeente Nieuwkoop gevraagd om een verkennend onderzoek ter plaatse van beide oevers van de watergang. Dit onderzoek is opgenomen in het aanvullend bodemonderzoek uit 2018. Verkennend bodemonderzoek 2015 Uit het verkennend onderzoek van 2015 blijkt dat de onverdachte grond ter plaatse van de weilanden niet tot hooguit licht verontreinigd is. De puinhoudende grond ter plaatse van de bruggenhoofden en het kavelpad is niet verontreinigd met asbest en hooguit licht verontreinigd met de overige onderzochte stoffen. Het grondwater is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met zink, kobalt en nikkel. Er zijn geen bronnen aanwijsbaar voor de verhoogde concentraties in het grondwater. Verkennend bodemonderzoek 2017 Ten tijde van het verkennend onderzoek van 2017 zijn in de onverdachte monsters van de grond hooguit licht verhoogde gehalten gemeten. Ter plaatse van een niet eerder onderzochte gedempte sloot zijn bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van baksteen, beton en kolengruis.
Plaatselijk is de bovengrond daardoor sterk verontreinigd met PAK. Er zijn geen verhoogde gehalten aan asbest gemeten. Het grondwater is plaatselijk matig verontreinigd met nikkel. De sterk verhoogde concentraties die in 2015 in het grondwater zijn gemeten zijn niet gereproduceerd. Aanvullend bodemonderzoek 2018 PAK-verontreiniging Tijdens het aanvullend onderzoek in 2018 zijn in het verlengde van de gedempte sloot afperkende boringen rondom de met PAK verontreinigde boring 13 geplaatst. In de opgeboorde grond zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In één van de afperkende boringen is echter wel een sterk verhoogd gehalte aan PAK gemeten. Hiermee is de omvang nog niet geheel vastgesteld. Er wordt geadviseerd de sterke verontreiniging voorafgaande aan de herinrichting af te
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
39
graven. Middels enkele afperkende boringen kan worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of voor de sanering een BUS-melding, dan wel een plan van aanpak nodig is. Slootdemping Ter plaatse van de vermoedelijke slootdemping zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen en PAK, in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Er is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Nieuwe toegangsbrug Onder de met asfalt verharde oprit van de bestaande brug zijn sterke bijmengingen met metselpuin aangetroffen. Er is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. De grond ter plaatse van de oevers is hooguit licht verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. Conclusies De licht verhoogde gehalten die in de grond en het grondwater zijn gemeten geven geen aanleiding voor vervolgstappen. De milieuhygiënische kwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling. Wel dient de sterke verontreiniging met PAK rond boring 51 en 102 te worden ontgraven (zie voor de locatie van de boringen het aanvullend bodemonderzoek 2018). Middels een aantal aanvullende boringen moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of een BUS-melding of werkplan aan de Omgevingsdienst moet worden voorgelegd.
Hoewel de puinhoudende grond binnen het plangebied over het algemeen niet sterk verontreinigd is en voor zover bekend geen asbest bevat, verdient het de voorkeur om puinlagen en puinhoudende grond ter plaatse van te realiseren woonkavels te verwijderen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woonbestemmingen en op grotere afstand ook bedrijven waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied bevinden zich de volgende milieurelevante bedrijven. De afstanden zijn gemeten tussen het plangebied en het planvlak met een bedrijfsbestemming, tenzij anders aangegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
40
Tabel 4.1 Overzicht milieurelevante bedrijven in de omgeving van het plangebied
Uit bovenstaande tabel blijkt dat wordt voldaan aan de richtafstanden tot het plangebied. De omliggende bedrijven worden niet belemmerd door het plan en ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Beoordeling maximale planologische mogelijkheden Rondom het plangebied zijn diverse bedrijven aanwezig. Om te beoordelen of de planologische mogelijkheden van de omliggende bedrijfsbestemmingen een belemmering vormt voor het plan, is gekeken naar de vigerende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan 'Kern Nieuwkoop', vastgesteld op 30 mei 2013 Bestemmingsplan 'Kern Nieuwkoop, 1e herziening', vastgesteld op 9 maart 2017 Bedrijventerrein De Olm Uit deze 2 bestemmingsplannen blijkt dat rondom het plangebied diverse percelen aanwezig zijn met een 'bedrijfsbestemming'. Op het oostelijk gelegen bedrijventerrein De Olm kunnen zich bedrijven vestigen tot categorie 4.1. Hierbij is een gradatie te zien op het bedrijventerrein met bedrijven max. categorie 3.1 aan de westzijde langs de Nieuwveenseweg, waarbij meer inwaarts (oostelijke richting) bedrijven max. categorie 3.2 en 4.1. Op grond van de VNG-publicatie, kan het bedrijventerrein De Olm worden geschouwd als gemengd gebied, dit geldt ook voor de strook met eerstelijns bebouwing langs de Nieuwveenseweg. Echter, het plangebied Buytewech-Noord, kan worden beschouwd als rustige woonwijk.
Zodoende is getoetst of het plan Buytewech-Noord de maximale planologische mogelijkheden op bedrijventerrein De Olm in de weg staat. Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
41
Tabel 4.2 Richtafstanden per milieucategorie
De afstanden tussen de percelen met een bedrijfsbestemming waar maximaal categorie 3.1, 3.2 en 4.2 zijn toegestaan en het plangebied zijn voldoende groot. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor een rustige woonwijk. Geconcludeerd wordt dat het plan Buytewech-Noord, de maximale planologische mogelijkheden qua milieucategorie op bedrijventerrein De Olm, niet in de weg staan. Overige bedrijfsbestemmingen Volgens het bestemmingsplan 'Kern Nieuwkoop, 1e herziening', is het planologisch mogelijk om op het perceel Nieuwveenseweg 29 een bedrijfsmatige opslag van caravans te exploiteren. De afstand tussen de geplande woningen en het bestemmingsplanvlak is ca. 20 meter, de afstand tussen de grootste loods op het perceel en de geplande woningen is groter dan 30 meter. Een bedrijfsmatige caravanstalling (SBI2008-code 52.21) kan worden beschouwd als zijnde milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Het perceel Nieuwveenseweg 23 en 23A t/m 23F heeft, volgens het bestemmingsplan 'Kern Nieuwkoop', een bedrijfsbestemming met functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' (artikel 4.1, lid c planregels). Daarnaast geldt voor een deel van dit perceel de functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf' (artikel 4.1, lid l planregels).
De afstand tussen het bedrijfspand op het perceel en het plangebied bedraagt ca. 39 meter, de afstand tussen het betreffende bedrijfsperceel en het plangebied is echter minder dan 10 meter. Hoewel de huidige, bij de Omgevingsdienst bekende, bedrijven op dit perceel niet in hun milieuruimte worden belemmerd (zie tabel 4.1), blijkt dat uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden, de woningbouw in het plangebied Buytewech-Noord is gelegen binnen de richtafstand van 50 meter die geldt voor een bedrijfsbestemming met maximaal milieucategorie 3.1. Aan de zuidzijde van het betreffende perceel zijn op ca. 16 meter diverse woningen gelegen. Dit houdt in dat aan de zuidkant van het perceel Nieuwveenseweg 23 geen planologische ruimte is om een bedrijf milieucategorie 3.1 te realiseren. Echter, aan de noordzijde van het perceel is de ruimte er nu nog wel. Conclusie De omliggende bedrijven vormen geen belemmering voor het plan. De maximale planologische mogelijkheden die de bestemmingsplannen 'Kern Nieuwkoop' en 'Kern Nieuwkoop , 1e herziening' bieden, leveren over het algemeen eveneens geen planologische belemmeringen op. Wel moet voor de locatie Nieuwveenseweg 23 & 23A t/m F, rekening worden gehouden met de maximale planologische mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan 'Kern Nieuwkoop' biedt.
Het bestemmingsplan geeft ruimte om op dit perceel een bedrijf te vestigen met milieucategorie 3.1. Hoewel aan de zuidzijde van dit perceel reeds woningen zijn gelegen binnen de richtafstand van 50 meter, er aan de zuidkant van het perceel Nieuwveenseweg 23 geen planologische ruimte is om een bedrijf milieucategorie 3.1 te realiseren, is deze ruimte er wel aan de noordzijde van het perceel Nieuwveenseweg 23. Om die reden is in de planregels opgenomen dat binnen de eerste 50 m vanaf dit bedrijfsperceel geen woningen gerealiseerd mogen worden, om zo te borgen dat er geen belemmering van bestaande (planologische) bedrijfsmogelijkheden plaatsvindt.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
42
4.5
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek
Figuur 4.1
Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied rood omkaderd
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
43
Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg of het water (figuur 4.1). Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een LPG-tankstation. Het plangebied bevindt zich buiten het invloedsgebied en de effectafstand waardoor een berekening of verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Ten noorden bevindt zich een buisleiding. Het betreft buisleiding W-529-17 met een grootte van 12 inch, werkdruk van 40 bar en invloedsgebied van 140 meter. Met een minimale afstand van 1,5 kilometer bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied. Ten zuiden en oosten bevindt zich de N231 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. Met een afstand van circa 80 meter bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied. Uit vigerende bestemmingsplan welke in het invloedsgebied van de N231 liggen blijkt dat het groepsrisico geschat wordt op lager dan 0,01 maal de oriëntatiewaarde. Hieruit blijkt dat het aantal transporten over deze weg laag is, een berekening kan derhalve achterwege blijven.
Wel dient vanwege de ligging in het invloedsgebied in een beknopte verantwoording te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via nader aan te leggen interne wegen en de N231. Deze wegen sluit aan op het verdere wegennetwerk van Nieuwkoop. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Verder heeft het plangebied een calamiteitenroute. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen maximaal 290 woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen.
Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N231 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Door de lage hoeveelheden transporten en doordat de schatting voor het groepsrisico lager is
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
44
dan 0,01 maal de oriëntatiewaarde kan een berekening achterwege blijven. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2) concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde max. 35 keer p.j.
meer concentratie dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde 25 µg /m³ concentratie Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
45
Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 290 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Nieuwveenseweg (N231) direct ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 16,7 µg/m³ voor NO2, 17,5 µg/m³ voor PM10 en 10,4 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.7
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Een bestuursorgaan stelt een plan, dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast na een passende beoordeling waaruit blijkt dat de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Voor nieuwe of gewijzigde plannen dient daarom onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden.
Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect. Een plan kan alleen worden vastgesteld als de stikstofdepositie op geen enkele relevante en voor stikstof gevoelige locatie toeneemt. Bij (wijziging van) plannen wordt het projecteffect bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bij plannen is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van vaststelling van het plan. Wanneer er sprake is van een toename in stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets of passende beoordeling onderzocht worden of effecten daadwerkelijk op gaan treden als gevolg van het plan en of deze de natuurlijke kenmerken van het gebied aantasten.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
46
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
47
Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt op circa 700 meter. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 300 meter (figuur 4.2).
Figuur 4.2
Ligging plangebied (rode omkaderd) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid-Holland)
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Om eventuele effecten op Natura2000-gebied als gevolg van stikstofdepositie te onderzoeken, heeft Tauw ten behoeve van het bestemmingsplan een stikstofdepositie-onderzoek verricht voor de voorgenomen woningbouw. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. In het onderzoek zijn zowel de referentiesituatie als de voorgenomen nieuwbouw onderzocht. Referentiesituatie Het terrein waar de wijk Buytewech-Noord wordt gerealiseerd, wordt op dit moment gebruikt als grasland wat bemest wordt. Dit geeft emissies van ammoniak, welke gebruikt kunnen worden om de stikstofemissies ten gevolge van Buytewech-Noord mee te salderen. Als referentiesituatie wordt hier 14 februari 1997 gebruikt, de datum waarop de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck aangewezen werden als beschermd gebied onder de Vogelrichtlijn. Dit gebied is het meest nabij gelegen en ligt op circa 700 meter vanaf de planlocatie. De genoemde referentiedatum is de referentie die moet worden gehanteerd voor vergunningverlening. Voor het bestemmingsplan is de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van vaststelling van het plan de referentie.
Omdat het gebruik van de locatie in de tussentijd niet is gewijzigd, geldt dat in dit geval de referentie voor zowel vergunning als bestemmingsplan gelijk is. Berekeningen met AERIUS 2020 wijzen uit dat in de referentiesituatie er een maximale stikstofdepositie op Nieuwkoopse Plassen & De Haeck plaatsvindt van 0,66 mol/ha/jaar. Daarnaast vindt geringe stikstofdepositie plaats op vier Natura 2000-gebieden die op grotere afstand zijn gelegen.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
48
Plansituatie Bij de plansituatie is in de berekeningen onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. Bij de aanlegfase wordt een maximale depositie van 0,16 mol/ha/jaar berekend. Doordat de bemesting op het grasland met in gebruik nemen van de locatie als woningbouwlocatie stopt, kan gebruik worden gemaakt van de stikstofdepositie die hiermee eveneens beëindigd wordt (saldering). Geconcludeerd wordt dat de aanleg daarmee uitvoerbaar is. Voor de gebruiksfase is rekening gehouden met gasvrije woningen die geen stikstof emitteren. Wel vinden voertuigbewegingen plaats waarbij stikstof vrijkomt. Bij de berekeningen is worst-case gerekend door ervan uit te gaan dat alle woningen al in 2021 gerealiseerd zijn en zodoende voertuigbewegingen met zich mee brengen. Uit deze berekening volgt een maximale stikstofdepositie van 0,07 mol/ha/jaar. Ook deze depositie mag worden gesaldeerd met het beëindigen van de bemesting op het huidig grasland. Na saldering met deze stikstofemissies is de stikstofdepositie ten gevolge van deze emissies maximaal 0,00 mol/ha/jaar op alle relevante habitats in Natura 2000-gebieden. Ook voor de gebruiksfase wordt zodoende geconcludeerd dat deze uitvoerbaar is.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde stikstofdepositie onderzoek van Tauw wordt geconcludeerd dat het beëindigen van de referentiesituatie, het bemesten van het grasland, voldoende ruimte biedt om zowel de aanleg- als de gebruiksfase te salderen. Er is geen sprake van een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Het plan is daarmee uitvoerbaar voor het onderdeel stikstof. Er is evenmin sprake van andere beschermde gebieden waarvan de bescherming de uitvoering van het plan in de weg staat. Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming zijn voor de ontwikkeling van Buytewech-Noord de volgende onderzoeken uitgevoerd: Rapport 'Buytewech te Nieuwkoop - Toetsing in het kader van de natuurwetgeving', opgesteld door Van der Goes en Groot, d.d. 3 november 2017, bijlage 7 (hierna: de ecologische quickscan 2017). Rapport 'Inventarisatie Buytewech-Noord te Nieuwkoop - Ecologisch vervolgonderzoek naar beschermde soorten en gevolgen van stikstofemissie in het kader van de Wet natuurbescherming', opgesteld door Van der Goes en Groot, d.d. 27 november 2017, bijlage 8 (hierna: het ecologisch vervolgonderzoek 2017). 'Memo bomencheck Buytewech'(bomencheck vleermuizen), opgesteld door Van Goes en Groot, d.d. 15 augustus 2017, bijlage 9 (hierna: de memo bomencheck 2017).
'Memo Inventarisatie Platte Schijfhoren Buytewech ', opgesteld door Van der Goes en Groot, d.d. 13 september 2018, bijlage 6 (hierna: het vervolgonderzoek platte schijfhoren 2018). Ecologische quickscan 2017 Het rapport Buytewech te Nieuwkoop - Toetsing in het kader van de natuurwetgeving' (d.d. 3 november 2017), is een ecologische quickscan waarin de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is onderzocht. Tevens is in de ecologische quickscan beoordeelt of het plan negatieve effecten heeft op beschermde gebieden. In dit rapport is aangegeven dat uit de ecologische quickscan naar voren kwam dat de bomen in het oostelijk deel van het plangebied in potentie geschikt zijn voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van holten in de bomen. Dit is in het volgende onderzoek nader onderzocht. Omdat het plangebied in de noordwesthoek grenst aan een provinciaal belangrijk weidevogelgebied (zie figuur 4.2), is in hoofdstuk 5 van de ecologische quickscan 2017, indicatief onderzocht of er sprake is van 'externe werking' van het plangebied op het aangrenzende weidevogelgebied. De ecologische quickscan is te vinden in bijlage 7. Hierbij is bekeken hoeveel hectare van het provinciale weidevogelgebied is gelegen binnen een beïnvloedingsafstand van 175 m. Hieruit blijkt dat ca. 7,2 hectare van het provinciale belangrijke weidevogelgebied extra wordt beïnvloed door het plan.
Ondanks dat er sprake is van kwaliteitsverlies van het weidevogelgebied als gevolg van 'externe werking' hoeft dit niet te worden
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
49
gecompenseerd, aangezien het plangebied niet is gelegen in het weidevogelgebied. Om het kwaliteitsverlies te beperken, zijn door Van der Goes en Groot aanbevelingen gedaan in de ecologische quickscan 2017:. Aanbevolen wordt toegang tot weidevogelleefgebied vanaf de nieuwe woonwijk onmogelijk te maken door aanleg van breed en niet passeerbaar water. Aanbevolen wordt geen hoge beplanting en dicht struweel te planten op de grenzen met het weidevogelleefgebied. Ook lichtbronnen aan de buitenkant van de woonwijk kunnen zoveel mogelijk worden voorkomen. Memo bomencheck 2017 De 'Memo bomencheck Buytewech' (d.d. 15 augustus 2017), betreft een 'check' naar de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de bomen in het oostelijk deel van het plangebied. Met behulp van ladders, zaklantaarn en een 'boomcamera' is op 15 augustus 2017 in de holten gekeken. Alle vier de holtes zijn gecheckt. De boomcamera betreft een telescoophengel met hierop een infraroodcamera. Met de hengel of vanaf de ladder is de camera in de holte gebracht en is er op een scherm gekeken wat de camera waarneemt. Er werden in het geheel geen sporen van gebruik waargenomen zoals keutels, poepstrepen of vraatsporen. Tijdens het bezoek zijn er ook geen vleermuizen of andere diersoorten aangetroffen in de holtes.
In een aantal van de boomholten werden oorwormen en/of spinnenwebben gezien hetgeen er op duidt dat ze niet recent gebruikt zijn. Ook bleken alle holten bij nadere inspectie niet heel diep en deels erg nauw waardoor ze niet geschikt worden geacht voor de aanwezigheid van verblijvende vleermuizen. Ecologisch vervolgonderzoek 2017 Het rapport 'Inventarisatie Buytewech-Noord te Nieuwkoop - Ecologisch vervolgonderzoek naar beschermde soorten en gevolgen van stikstofemissie in het kader van de Wet natuurbescherming' (d.d. 27 november 2017), is het vervolgonderzoek naar aanleiding van de resultaten van de ecologische quickscan van 3 november 2017. In dit rapport zijn tevens de resultaten van het eerste onderzoek naar het voorkomen van de platte schijfhoren in het plangebied opgenomen (onderzoek uitgevoerd op 1 september 2017). Voor wat betreft de platte schijfhoren kan worden gemeld dat uit het ecologische vervolgonderzoek 2017 is gebleken dat de soort in 5 van de 8 in het plangebied onderzochte sloten is aangetroffen. Vanwege de aanwezigheid van de platte schijfhoren is geconcludeerd dat voor deze soort een ontheffing Wnb moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden). Ter voorbereiding op de ontheffingsaanvraag, is in 2018 een vervolgonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van de platte schijfhoren in de directe omgeving van het plangebied.
Vervolgonderzoek platte schijfhoren 2018 De 'Memo Inventarisatie Platte Schijfhoren Buytewech 2018' (d.d. 13 september 2018), betreft een 'omgevingscheck' naar het voorkomen van de platte schijfhoren in de weilanden rondom het plangebied Buytewech-Noord, en is uitgevoerd naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek naar de platte schijfhoren van 1 september 2017. Dit onderzoek kan dan samen met de inventarisatie naar het voorkomen van de platte schijfhoren in het plangebied (bijlage 1 ecologisch vervolgonderzoek 2017) worden gebruikt voor de benodigde aanvraag ontheffing Wnb. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de platte schijfhoren sporadisch voorkomt buiten het plangebied Buytewech-Noord, wat betekent dat het plangebied van betekenis is voor de platte schijfhoren. De opdracht voor het aanvragen van de benodigde ontheffing Wnb is ondertussen verleend aan adviesbureau Van der Goes en Groot. Zorgplicht maatregelen Ondanks dat er een ontheffing moet worden aangevraagd voor de platte schijfhoren, moet rekening worden gehouden met de zorgplicht ex artikel 1.11 Wnb. Deze zorgplicht geldt voor alle aanwezige soorten. Dit houdt in dat bij menselijk handelen voldoende zorg in acht wordt genomen voor
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
50
beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Ook mag men het welzijn van dieren niet onnodig aantasten en dieren onnodig laten lijden. Om invulling te geven aan de zorgplicht moeten de maatregelen, zoals gesteld in paragraaf 6.3 van de ecologische quickscan 2017 worden opgevolgd. Deze maatregelen zijn hieronder samengevoegd: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting het te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. Uit de te dempen of zwaar te vergraven wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van 'dicht' naar 'open' te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving.
Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat 's nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. Hoewel in het plangebied in de huidige situatie geen geschikt voortplantings- en landbiotoop aanwezig is voor de rugstreeppad, kan tijdens de realisatiefase van het plan, wel geschikt biotoop ontstaan voor deze soort. Daarom wordt geadviseerd tijdens de uitvoeringsfase, naast de hiervoor genoemde zorgplichtmaatregelen, tevens de volgende maatregelen in acht te nemen: (Grond)werkzaamheden worden zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. Het zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van grondwerkzaamheden helpt om kolonisatie te voorkomen. Er wordt, met name in de voortplantingsperiode voor de rugstreeppad (mei-juli) voorkomen dat ondiepe vegetatieloze plassen (voortplantingsplaats, zoals ondiepe plassen, kuilen en bandensporen met water) kunnen ontstaan, door rijplaten te gebruiken. Opslag van open zand (landbiotoop in zomer en winter, alsmede winterverblijfplaats) wordt afgedekt met wegendoek of plastic. Conclusie Voor het aspect soortenbescherming geldt dat er een ontheffing ex artikel 3.5 Wnb moet worden aangevraagd vanwege het (tijdelijk) verdwijnen van leefgebied van de platte schijfhoren. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd wordt de Wnb niet overtreden.
Ondanks dat er een ontheffing moet worden aangevraagd, moet rekening worden gehouden met de zorgplicht uit de Wnb. Het aspect soortenbescherming levert geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Water
Inleiding Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
51
Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit polderlandschap en is geheel onverhard.
Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem van het plangebied uit Klei op veen. Wat betreft de grondwatertrap is er sprake van grondwatertrappen II. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand schommelt tussen 50 en 80 centimeter boven maaiveld. Waterkwantiteit In het plangebied bevinden zich verschillende watergangen. Het betreffen primaire en overige watergangen.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
52
Figuur 4.3
Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Rijnland
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie niet aangesloten op het rioolstelsel. Toekomstige situatie Het plan is om maximaal 290 woningen en oppervlaktewater te realiseren. Waterkwantiteit In de toekomstige situatie zullen 290 woningen en oppervlakte gerealiseerd worden. Op dit moment is het plangebied geheel onverhard. Hoogheemraadschap van Rijnland hanteert het uitgangspunt dat bij een toename van het verhard oppervlak met 500 m2 of meer de initiatiefnemer een oppervlakte ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak dient te reserveren voor extra open water als compensatie. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt hierbij is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. Met de beoogde ontwikkeling worden onder andere watergangen gedempt vindt er gedeeltelijke verharding van het plangebied plaats.
Om die reden is watercompensatie nodig. Dit is eveneens in het plan opgenomen, doordat met het project circa 4,9 hectare oppervlaktewater wordt aangelegd. Hiermee zal 22% van het plangebied uit water bestaat. Dit betekent dat er meer watercompensatie plaatsvindt ten opzichte van de regels uit de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
53
Veiligheid en waterkeringen De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone van 5 meter niet zonder vergunning van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden.
De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige ontwikkeling is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Hieruit blijkt dat er compensatie voor de verharding nodig is, omdat de toename van verharding boven de grenswaarde van 500 m2 uitkomt. De compensatie vindt plaats door het aanleggen van circa 4,9 hectare oppervlaktewater. Voor het aanleggen van oppervlaktewater en de werkzaamheden in de beschermingszones van de watergangen dient een watervergunning aangevraagd te worden. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden.
4.9
Mobiliteit
Verkeersstructuur Het plangebied ligt nabij de N231 en zal door middel van een nieuwe ontsluitingsweg aansluiten op de rotonde op de N231 ter hoogte van het plangebied. De N231 vormt de verdere verbinding van het plangebied richting de A9 en de A4 (via de N196) in noordelijke richting en richting Alphen aan den Rijn, de N11 en de A12 in zuidwestelijke richting. Hiermee is de ontsluiting voor het gemotoriseerd verkeer goed. Voor het langzaam verkeer worden binnen de nieuwe wijk aansluitingen voorzien door Park Buytewech richting de bestaande woonkern. Ter hoogte van de rotonde op de N231 bevindt zich in beide richtingen in bushalte, waar de lijnen richting Alphen aan den Rijn en Uithoorn passeren.
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
54
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling et plan leidt als gevolg van de beoogde woningbouw tot extra verkeersgeneratie. De extra verkeersgeneratie is bepaald op basis van publicatie 381 van het CROW. De verkeersgeneratiecijfers zijn gebaseerd op het type woning, de mate van stedelijkheid en de ligging van de ontwikkeling. Nieuwkoop valt onder niet stedelijk gebied en de woonwijk ‘Buytewech-Noord’ kan worden gezien als ‘rest bebouwde kom’. Thans is nog niet bekend welke verdeling tussen de verschillende typen woningen (appartement, rijtjeshuis, vrijstaand, et cetera) zal worden gehanteerd. Daarom is er (worst case) van uitgegaan dat alle woningen vrijstaande koopwoningen worden, want die woningen hebben het hoogste verkeersgeneratiegetal, namelijk 8,6 verkeersbewegingen per huis per etmaal. Op basis van het kental van 8,6 bewegingen (licht verkeer) en 290 nieuwe woningen zijn dit 2.494 verkeersbewegingen over de nieuwe ontsluitingsweg. CROW publicatie 381 geeft daarnaast 0,02 vrachtwagenbewegingen per woning of appartement per gemiddeld etmaal. Dit zijn gemiddeld 5,8 vrachtwagenbewegingen per etmaal. De kleinschalige horecavoorziening binnen het plan zal nauwelijks verkeer genereren, daar deze is bedoeld voor de bewoners van Buytewech-Noord.
Hiervoor is (worst case) uitgegaan van 20 extra verkeersbewegingen (licht verkeer) per etmaal over de nieuwe ontsluitingsweg (totaal aldus 2.514 verkeersbewegingen). Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 4.4. De maximale rijsnelheid op de nieuwe ontsluitingsweg is 30 km/uur. Tabel 4.4
Verkeersintensiteiten nieuwe ontsluitingsweg
Dit verkeer zal verder worden afgewikkeld via de N231. In onderstaande tabel 4.5 is verkort het aantal motorvoertuigen per etmaal weergegeven die zijn opgenomen in de regionale verkeers- en milieukaart (RVMK) versie 3.2 van de omgevingsdienst. Het peiljaar 2031 wordt beschouwd als het maatgevende jaar. De intensiteiten van het peiljaar 2031 zijn verkregen op basis van extrapolatie van de intensiteiten van peiljaren 2020 en 2030. Het blijkt dat voor het jaar 2031 de intensiteit op de N231 in de autonome situatie aan zowel het noordelijke als zuidelijke deel van de rotonde met 63 motorvoertuigen per etmaal toeneemt. Voor de Industrieweg is de toename op basis van extrapolatie van 2030 naar 2031 (naar boven afgerond) 1 motorvoertuig per etmaal. Uitgaande van een gelijke verdeling van de verkeerintensiteit van de nieuwe ontsluitingsweg over beide richtingen van de N231 zal de verwachte toename van de etmaalintensiteit vanwege het plan over de N231 1.260 motorvoertuigen bedragen. De totale intensiteit (autonome groei + ontwikkeling plangebied) voor het jaar 2031 is weergegeven in tabel 4.5. Tabel 4.5
Toename verkeersintensiteiten N231
Rho adviseurs voor leefruimte
059600.20200170
55
Separaat van dit bestemmingsplan wordt de meest optimale inrichting van de rotonde uitgewerkt, waarmee de nieuwe ontsluitingsweg op de N231 aan zal sluiten. Eerder onderzoek daarnaar (Advin, INF1656600, 2017) toonde reeds aan dat een rotonde voldoende capaciteit biedt om het verkeer van de N231 en de nieuwe ontsluitingsweg af te kunnen wikkelen en dat er tevens nog restcapaciteit beschikbaar blijft voordat zich knelpunten voor zouden doen op dit vlak. Parkeren Voor het parkeren hanteert de gemeente Nieuwkoop de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in het 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015' en vastgesteld op 17 september 2015. Hierin zijn parkeernormen vastgelegd op basis van woningtype en afhankelijk van koop of huur. De uiteindelijke uitwerking van de parkeervoorzieningen is afhankelijk van de wijze waarop de 290 woningen verdeeld en gerealiseerd worden. Hiervoor is in de planregels van het bestemmingsplan de koppeling gemaakt met het gemeentelijk parkeerbeleid, zodat bij de bouwplantoetsing - dus op het moment dat er een concreet bouwplan op tafel ligt - getoetst kan worden of voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernormen. In de regel is bovendien vastgelegd dat per wooneiland in de eigen parkeerbehoefte wordt voorzien om zo afwenteling van het parkeren op andere eilanden of op het centrale deel van de wijk te voorkomen.
Conclusie De ontsluiting van het plangebied is met de rotonde op de N231 goed en het parkeren is voldoende geborgd in de planregels. Het aspect verkeer staat het plan dan ook niet in de weg.
4.10
Geluid
Toetsingskader De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.