ACHTERGRONDINFORMATIE reactie technische vragen D66 over verzoek wensen en bedenkingen deelname stichting Risicobeheer VRHM
Tekst van het document
Reactie op technische vragen van Jop van der Pijl van D66 over het raadsvoorstel wensen en bedenkingen deelname stichting Risicobeheer VRHM 1. In hoeveel gevallen dekt de bestaande verzekering niet de schade en/of letsel? Dat is binnen de VRHM tussen de 2 en 4 zaken per jaar, waarbij de VRHM door eigen (ex-)personeel aansprakelijk wordt gesteld. Vaak wordt een deel wel vergoed door de verzekeringsmaatschappij, echter zitten daar maxima aan verbonden en kent de VRHM een eigen risico. Daarnaast loopt het contract met de huidige verzekeraard af aan het eind van 2022. Er was bij de start van het landelijk project Risicomanagement en Verzekeringen nog slechts één verzekeraar bereid om het ongevallenrisico van de veiligheidsregio te dekken en was sprake van een flinke premiestijging. De veiligheidsregio’s zijn een niche-sector, waardoor ontwikkelingen op een specifiek product niet één op één doorvertaald kunnen worden. 2. Welke gevallen zijn, als voorbeeld, te noemen waarin de bestaande verzekering niet volstaat? Bij de afwikkeling van schade door een verzekeraar zijn diens belangen primair leidend. Zo kan er discussie ontstaan rondom elementen van de ongevalsdefinitie, terwijl voor de veiligheidsregio’s een afwijzing van een claim in sommige gevallen niet uitlegbaar is.
Dat doet zich bijvoorbeeld voor als ‘oorzaak en gevolg’ niet precies vast te stellen zijn, terwijl voor de buitenwereld duidelijk is dat de omstandigheden van een repressieve activiteit een relatie hebben met de schade of het letsel. Ook een letsel als barotrauma (letsel door drukverschil tijdens het duiken) wordt niet ingesloten als een ongeval. Verder zijn terrorisme en molest niet meer standaard in te kopen, terwijl de afdekking van deze risico’s voor de veiligheidsregio’s en hun medewerkers van groot belang zijn. 3. Speelt dit ook in de andere gemeenschappelijke regelingen of gemeentelijke diensten waar mogelijke ongevallen plaatsvinden? Het is niet expliciet onderzocht maar er zijn geen aanwijzingen dat hier sprake van is. 4. Welke ontwikkeling verwacht de portefeuillehouder op het gebied van ongevallencijfers en wat zegt dit over de hoogte van onze financiële bijdragen Met betrekking tot ongevallen probeert de VHRM dit uiteraard te allen tijde te voorkomen. Hiervoor zijn procedures ontwikkeld, o.a. het melden van voorvallen. Als er op een locatie iets gebeurt (ongevallen, bijna ongevallen, gevaarlijke situaties) wordt dit gemeld en wordt hierop actie ondernomen. De VRHM heeft een eigen adviseur Arbeidsveiligheid in dienst.
Ook wordt periodiek de (wettelijk verplichte) Risico Inventarisatie & Evaluatie (RI&E) opgesteld en actueel gehouden en volgt een opvolging en plan van aanpak om de risico’s tegen te gaan en tijdig arbeidsomstandigheden te verbeteren. De omvang van het expertisebureau beperkt zich in de jaren 2022-2023 tot circa 2 á 3 fte. De kosten zijn begroot op circa 22,5K inclusief BTW per regio per jaar. De 22,5K wordt gedekt binnen de bestaande begroting van de VRHM. 5. Over hoeveel ongevallen, die momenteel niet onder de verzekering vallen, binnen onze veiligheidsregio hebben wij het op jaarbasis? De veiligheidsregio’s gezamenlijk (25) gaan uit van circa 470 dossiers per jaar (ongevallen plus eigendommenschades tezamen). 6. Kan de portefeuillehouder toelichten waarom is gekozen voor de rechtspersoon stichting, in plaats van een andere vorm? De aangewezen rechtsvorm voor het expertisebureau risicobeheer is een stichting. De veiligheidsregio’s sluiten een deelnemersovereenkomst met deze stichting. Deelname van een veiligheidsregio aan het expertisebureau risicobeheer is niet verplicht. De keuze voor de stichting is afgeleid van het reeds gegeven advies over de rechtsvorm voor een waarborgfonds. Dit fonds is bedoeld voor het in gezamenlijkheid dragen van niet-verzekerbare risico’s.
Dit heet ‘verzekeren’ en is daarmee een activiteit die een vergunning van De Nederlandse Bank (DNB) vereist. Er kan echter voor het fonds een beroep worden gedaan op een vrijstelling van deze vergunningsplicht. Hierbij is het dan wel van belang dat geen sprake is van een winstoogmerk. Dat maakt dat gekozen moet worden tussen de rechtsvorm ‘stichting’ en de rechtsvormen ‘onderlinge waarborgmaatschappij’. Dit laatste is een bijzondere verenigingsvorm. Gelet op de wens voor een lichte structuur wordt voor het waarborgfonds een stichting beoogd (een vereniging is in dat opzicht veel omvangrijker). Om de activiteiten van het expertisebureau hierop te laten aansluiten ligt een stichting eveneens voor de hand. Hiermee wordt geen zwaardere structuur opgetuigd dan strikt noodzakelijk is. 7. Zijn andere vormen overwogen? Zie antwoord vraag 6. 8. Hoe verwacht de portefeuillehouder grip te houden op de kostenontwikkeling? In de businesscase is het volgende opgenomen: Het uitgangspunt bij de businesscase is kostenneutraliteit voor alle veiligheidsregio’s tezamen. Onder de kosten worden verstaan de kosten voor de premies, de makelaar en de eigen formatie. De financiële risico’s voor niet verzekerde aanspraken vallen hier niet onder.
De mate van kostenneutraliteit kan dus echter wel verschillen per regio, omdat niet iedere regio op dit moment bijvoorbeeld beleidscapaciteit beschikbaar heeft of software voor schadebehandeling heeft. Van verschillende kanten is echter ook aangegeven dat het niet onoverkomelijk is als de kosten iets zouden toenemen in het kader ‘liever goed dan goedkoop”. Dit neemt niet weg dat de businesscase een kans is om zowel de kwaliteit te verhogen als de efficiency te vergroten. Bijvoorbeeld doordat specialisatie zeker in combinatie met een goed ingericht schadeadministratiesysteem sterk bijdraagt aan de efficiency. Ook spreekt voor zich dat gezamenlijk inkopen minder tijd en kosten met zich meebrengt dan wanneer de regio’s individueel aanbesteden. Ook is de verwachting op basis van een eerder advies van AON dat gezamenlijk inkopen tot een premievoordeel moet leiden. Daarnaast kan de inkoop van de makelaarsdienst tot een besparing leiden nu hun advies slechts één keer hoeft te worden ingekocht en door de stichting kan worden door vertaald. Deze potentiële besparingen nemen bovendien verder toe als de Stichting Risicobeheer zich ook met andere risico’s gaat bezighouden. In totaal kost de verzekeringsfunctie de veiligheidsregio’s nu ruim 1,3 miljoen euro per jaar voor 18 fte (los van de premie). Dit aantal fte’s wordt uitgevoerd door een hoger aantal functionarissen.
Aan makelaarsdiensten voor de ongevallenverzekering wordt nu ruim 250K besteed. Deze prijs is niet in alle gevallen één op één in rekening gebracht, maar zit vaak verdisconteerd in premies. Van de ruim 4 miljoen euro premie verwacht AON dat op basis van de nieuwe uitgangspunten een premie van 2 miljoen euro mogelijk is, waarbij 500K wordt gewonnen door collectief in te kopen. Dus: De veiligheidsregio’s tezamen betalen ruim 4,4 miljoen aan premie ongevallenverzekering en makelaarsdiensten. De verwachting van AON is dat op basis van een collectieve inkoop en de nieuwe aanspraken een besparing van 2 miljoen euro mogelijk is. Daar komt bij dat het taakveld door specialisatie en het beter uitwisselen van informatie (o.a. door inzet van één systeem van informatieuitwisseling over schades en ongevallen) met minder formatie toekan. Deze besparing is echter noch het doel noch het vertrekpunt voor de beoogde samenwerking. Dat is namelijk goedwerkgeverschap na dienstongevallen. Door samen te werken kan hieraan beter invulling worden gegeven. Daarnaast heeft de gemeenteraad via haar burgemeester een afvaardiging in het bestuur van de veiligheidsregio. De Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s (RCDV) ziet toe op het functioneren van de stichting. Het bestuur kan de eigen directeur om informatie vragen.