CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

ACHTERGRONDINFORMATIE Reactie op aanvullende technische vragen Kadernota 2025-2028 van SBN, VVD en D66

Meningsvormende raad I 20 juni 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Jaarstukken 2023 en Kadernota 2025-20283.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ERRATUM: In de auditcommissie van 11 juni jl is een afspraak gemaakt om middels een technische beantwoording mee te geven dat fiche 53 m.b.t. Tafeltje dekje abusievelijk is opgenomen in de lijst met gekozen fiches. Dit moet de niet gekozen fiches zijn. Tijdens de oriënterende raad was de reactie van wethouder Ingwersen aanleiding voor de VVD om nog een technische vraag over de Kadernota te stellen: […] “Wethouder Ingwersen gaf in haar beantwoording tijdens de OR op 13 juni aan dat de OZB gemiddeld 20-25 euro stijgt door deze maatregel (5%). 1. Welke berekening ligt hieraan ten grondslag? Coelo publiceert jaarlijks de woonlasten per gemeente. Voor gemeente Nieuwkoop is de gemiddelde OZB last in 2023 € 515 voor een meerpersoonshuishouden. Als je hier 5 % van neemt kom je uit op een bedrag van € 25,75. 2. Kan de stijging gespecificeerd worden voor eigenaar woning/niet woning en gebruiker niet woning o.b.v.

de gemiddelde WOZ-waarde van de (niet) woning?” […] Op basis van de ontvangen OZB die in de jaarrekening is verantwoord zal de verdeling van de potentiële besparing van € 500.000 ongeveer als volgt zijn: OZB eigenaren woningen: € 302.000 OZB eigenaren niet woningen: € 114.000 OZB gebruikers niet-woningen: € 84.000 Vervolgvraag na antwoord op vraag 5 Ruimtelijke Ontwikkeling Wanneer wordt inzichtelijk gemaakt wat de invoering van de Wkb betekent voor de relevante leges in 2025? Conform de wens van de raad en de in december 2023 behandelde motie “evaluatie structuur titel 2 tarieventabel” en de toezegging van de portefeuillehouder financiën, zal uiterlijk in november 2024 het dan aanwezige cijfermateriaal aan de raad kenbaar worden gemaakt. Op voorhand wordt nogmaals benadrukt dat dit cijfermateriaal nog onvoldoende representatief zal zijn om hieruit de volledige effecten van de Wkb in te kunnen schatten. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de minister via een kamerbrief van 6 juni 2024 aan de Eerste Kamer heeft laten weten de invoering van verbouwactiviteiten in gevolgklasse 1 (opnieuw) uit te stellen. Deze zullen dus niet zoals eerder nog werd verwacht op 1 januari 2025 onder het stelsel van de Wkb komen. De invoering van gevolgklasse 2 en 3 onder de Wkb zou op zijn vroegst pas worden overwogen na de eerste evaluatie.

Een evaluatie die gepland staat in 2029 (5 jaar na invoering Wkb). Juist omdat er vooralsnog sprake is van slechts een klein deel van de bouwplannen die op dit moment onder de Wkb valt, worden de effecten op de legesinkomsten relatief klein ingeschat. Vervolgvraag op het antwoord op vraag 1 Ruimtelijk Beheer Kunt u duiden wanneer de verbetering van het vergunningsregime en het deels vergunning vrij maken effect hebben op de formatie? Een deel van de vraag is eerder beantwoord vooruitlopend op de meningsvormende raad waarin het Afvalbeleid ter besluitvorming is behandeld, april 2024. De thematische herziening als onderdeel van het omgevingsmanagement zal naar verwachting in 2025-2026 gestart worden (in vervolg op de eerste gebiedsgerichte wijziging). Het vergunningsvrij maken van specifieke onderdelen zal geen effect hebben op de formatie. Wel zal er een activiteiten verschuiving plaatsvinden van vergunningverlening naar voorlichting, eerder in het proces en de handhaving na realisatie.

Vervolgvraag op antwoord op vraag 1 Bedrijfsvoering Mogelijk hebben wij onze vraag niet duidelijk genoeg geformuleerd. Medewerkers ontvangen een (vaste) reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer op basis van artikel 3.22 CAO Gemeenten. Klopt het dat daarmee een bedrag van 199.327 Euro is gemoeid? Zo niet, om welk bedrag gaat het dan? Ja, dat is correct. Sinds Corona werken veel medewerkers één of meer dagen per week thuis. Heeft de gemeente afspraken of beleid m.b.t. het aantal dagen dat thuisgewerkt kan worden? Zo ja, welke afspraken/welk beleid geldt hiervoor en om hoeveel medewerkers gaat het? Ja, wij hebben hiervoor afspraken. Dit betekent dat maximaal 50% van de werktijd thuis gewerkt kan worden. Dit is overigens geen verplichting. Niet elke medewerker kan of wil thuiswerken. Voor een aantal groepen medewerkers geldt dat zij niet thuis kunnen werken (zwembad, buitendienst en balies). Het aantal medewerkers in 2023 was 260. Als er afspraken/beleid is: welke besparing levert een of meer dagen thuiswerken organisatiebreed op in het kader van de vaste reiskostenvergoeding*? Meer dan 50% thuiswerken vinden wij niet wenselijk voor de kwaliteit van de dienstverlening, de onderlinge samenwerking en de betrokkenheid bij onze organisatie. Een eventuele besparing als er meer dan 50% wordt thuisgewerkt is niet eenduidig te geven.

Er zijn meerdere variabelen (de hoeveelheid dagen die een medewerker thuiswerkt, het aantal kilometers woon-werkverkeer per medewerker, het feit dat iedereen een ander percentage thuiswerkt), waardoor het niet eenvoudig is een bedrag te berekenen. Meer thuiswerken leidt overigens tot extra kosten voor de werkgever voor inrichting en aanpassingen van werkplekken thuis. Dit betreft zowel meubilair als ict-voorzieningen. Daarnaast heeft iedere medewerker recht op een thuiswerkvergoeding van € 3 netto per gewerkte thuisdag. Uiteraard vindt er bij declaratie van de thuiswerkvergoeding geen declaratie van de reiskosten plaats. Hieronder de uitgegeven bedragen voor reiskosten woon- werkverkeer in de afgelopen vijf jaar: 2019 2020 2021 2022 2023

192.720,15 123.420,26 98.223,81 148.004,39 199.326,50

Je ziet duidelijk dat in de Corona jaren (2020, 2021 en restje 2022) er minder geld hieraan uitgegeven is. Logisch want toen werkten we vooral thuis, behalve de genoemde groepen die niet thuis kunnen worden (buitendienst, zwembad en balies). In 2023 zitten we qua bedrag hoger dan in 2019. Redenen hiervoor zijn dat we ongeveer 30 meer medewerkers hebben t.o.v. 2019 en dat de onbelaste kilometervergoeding in 2019 € 0,19 per kilometer was en in 2023 was de onbelaste kilometervergoeding € 0,21 per kilometer. Als wij dan uitrekenen wat een medewerker gemiddeld in 2019 aan kilometers gereden heeft op jaarbasis is het als volgt: 1. 2019 gemiddeld 4410 km per medewerker 2. 2023 gemiddeld 3650 km per medewerker Dus een besparing van 760 km per medewerker. Als er geen afspraken/beleid is: welke besparing kan het deels thuiswerken (naar schatting) in relatie tot het bedrag aan vaste reiskostenvergoeding gaan opleveren*? * rekening houdend met hybride werken.

Niet van toepassing; er zijn wel afspraken. Zie het antwoord op vraag 2. Vervolgvraag op antwoord op vraag 5 Bedrijfsvoering Onze accountant heeft tijdens het gesprek over zijn verslag m.b.t. de jaarstukken 2023 aangegeven, dat een weerstandscapaciteit van 1 of 1,5 voldoende is. Waarom houdt u anders dan dit standpunt van de accountant- vast aan een weerstandspercentage dat ruim drie keer zo hoog is? Welke specifieke risico’s geven daartoe nu en /of in de nabije toekomst aanleiding? Dat een weerstandsvermogen van tussen 1 en 1,5 als voldoende kan worden aangemerkt komt overeen met de waarderingstabel die wij zelf ook hanteren. Daaruit blijkt ook dat een weerstandsvermogen van 1 ook maar net boven de kwalificatie “matig” uitkomt. U refereert in uw vervolgvraag waarschijnlijk aan de ratio weerstandsvermogen van 3,5 zoals die op bladzijde 100 van de jaarstukken staat vermeld. Dat is inderdaad ruim twee keer zo hoog dan de grens van de categorie “Voldoende” en kwalificeert als “Uitstekend”. Dit getal vertegenwoordigt echter geen standpunt van het college of wie dan ook. Het is slechts het rekenkundig resultaat van de beschikbare weerstandscapaciteit (op basis van de stand van de reserves per 31 december 2023) gedeeld door de benodigde weerstandscapaciteit (de geïnventariseerde risico’s).

Op zich kan uit dit cijfer wel geconcludeerd worden dat de omvang van de reserves hoger is dan noodzakelijk als alleen naar het weerstandsvermogen wordt gekeken. Om een beeld te geven over hoeveel hoger dit is moet ook gekeken worden naar de prognose van de stand van de reserves in het meerjarenperspectief en de omvang van de risico’s beoordeeld worden naar de meest recente informatie. De risico-inventarisatie is altijd een momentopname en wordt bij het samenstellen van de begroting herzien. Op basis van deze informatie kan bij de begroting een nieuwe (feitelijke) stand bepaald worden. Verder is het voor een evenwichtig beeld van de financiële positie van de gemeente van belang om de verschillende ratio’s in samenhang te beoordelen en in meerjarig perspectief. Zo is het weerstandvermogen uitstekend, maar laat het meerjarenbeeld bij de begroting 2024 zien dat de schuldquote en solvabiliteit verslechteren. Mede door de komende besluitvorming over de kadernota zullen alle ratio’s wijzigen. Ook het resultaat daarvan wordt bij de begroting 2025 zichtbaar. Tenslotte wil ik nogmaals benadrukken dat de mogelijkheden om reserves in te zetten als structurele dekking voor begrotingstekorten beperkt zijn en hier wettelijke randvoorwaarden voor zijn.

Samen Beter Nieuwkoop heeft nog technische vervolgvragen aangeleverd ter voorbereiding op de meningsvormende raad van donderdag aanstaande 20 juni. Daarnaast nog de volgende aanvullende technische vragen van SBN OZB: hoeveel % boven de inflatie, betreft de OZB verhoging? De inflatie gebruikt voor de OZB is 2,2 %. De verhoging i.v.m. de beoogde bezuiniging is 5 % en komt hier bovenop. wat is het (gemiddelde) effect in euro per jaar en per maand, voor de inwoners en de ondernemers? Zie beantwoording aanvullende vraag VVD. (vraag 2) hoe verhoudt de nieuwe OZB heffing zich tot de OZB heffing in de ons omringende gemeenten als wij tot deze verhoging besluiten? Op basis van de meeste recente gegevens (Coelo 2024) ziet de verhouding, inclusief de verhoging, er als volgt uit : o.b.v. Coelo 2024 % OZB bedrag Afvalstoffe Rioolheffing totale OZB nheffing woonlasten Alphen a/d Rijn 0,0773% 337 330 280 947

Bodengraven-Reeuwijk

0,1280%

648

353

351

1.353

Kaag en Braasem

0,0900%

483

366

303

1.152

Nieuwkoop

0,1066%

595

356

227

1.178

Eventuele verhogingen van buurtgemeenten zijn niet in deze cijfers verwerkt. Recreatieparken: waarop is de structurele € 50.000, in de huidige begroting gebaseerd en sinds wanneer zit dit op deze wijze in de begroting? Deze vraag is inmiddels in een aparte raadsbrief beantwoord. D66 heeft nog een technische vraag aangeleverd ter voorbereiding op de meningsvormende raad van donderdag aanstaande 20 juni (kadernota).

Wat is de prijs voor de (verschillende) vaarvergunningen geweest in de afgelopen 10 jaar? year name name_1 Prijs 2015

Tm 6 PK

€ 25,00

2015

vanaf 6,01 PK

€ 43,00

2015

7 dagen

€ 12,00

2015

24-uur

€

4,15

2015

electro

€

4,15

2016

Tm 6 PK

€ 25,00

2016

vanaf 6,01 PK

€ 43,00

2016

7 dagen

€ 12,00

2016

24-uur

€

4,15

2016

electro

€

4,15 4,20

2017

Jaarvergunning 2017

Vaartuig met elektromotor

€

2017

Jaarvergunning 2017

€ 43,50

2017 2017

Weekvergunning 2017 Dagvergunning 2017

2017

Jaarvergunning 2017

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

2017

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 12,10

2017

Weekvergunning 2017 Dagvergunning 2017

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€

4,20

2018

Jaarvergunning 2018

Vaartuig met elektromotor

€

4,25

2018

Jaarvergunning 2018

€ 44,00

2018 2018

Weekvergunning 2018 Dagvergunning 2018

2018

Jaarvergunning 2018

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

2018

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 12,30

2018

Weekvergunning 2018 Dagvergunning 2018

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 4,25

2019

Jaarvergunning 2019

Vaartuig met elektromotor

€ 4,34

2019

Jaarvergunning 2019

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK

€ 45,23

€ 12,10 €

4,20

€ 25,00

€ 12,30 €

4,25

€ 25,50

2019

€ 12,57

2019

Weekvergunning 2019 Dagvergunning 2019

2019

Dagvergunning 2019

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

2019

Jaarvergunning 2019

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 26,12

2019

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 12,57

2020

Weekvergunning 2019 Jaarvergunning 2020

Vaartuig met elektromotor

€

2020

Jaarvergunning 2020

€ 45,91

2020 2020

Weekvergunning 2020 Dagvergunning 2020

2020

Jaarvergunning 2020

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

2020

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 12,75

2020

Weekvergunning 2020 Dagvergunning 2020

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 4,41

2021

Jaarvergunning 2021

Vaartuig met elektromotor

€ 4,49

2021

Jaarvergunning 2021

€ 46,74

2021 2021

Weekvergunning 2021 Dagvergunning 2021

2021

Jaarvergunning 2021

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

2021

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 12,98

2021

Weekvergunning 2021 Dagvergunning 2021

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 4,49

2022

Jaarvergunning 2022

Vaartuig met elektromotor

€ 4,53

2022

2022

Jaarvergunning 2022

2022

Jaarvergunning 2022

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 13,13

2022

Weekvergunning 2022 Dagvergunning 2022

2022

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 13,13

2022

Weekvergunning 2022 Dagvergunning 2022

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 4,53

2023

Jaarvergunning 2023

Vaartuig met elektromotor

€ 4,65

2023

Jaarvergunning 2023

€ 48,45

2023 2023

Weekvergunning 2023 Dagvergunning 2023

2023

Jaarvergunning 2023

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

2023

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 13,45

2023

Weekvergunning 2023 Dagvergunning 2023

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 4,65

2024

Jaarvergunning 2024

Vaartuig met elektromotor

€ 4,79

2024

Jaarvergunning 2024

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK

€ 49,94

€ 4,34 € 4,34

4,41

€ 12,75 €

4,41

€ 26,51

€ 12,98 € 4,49 € 26,99

€

4,53

€ 47,25 € 27,28

€ 13,45 € 4,65 € 27,95

2024 2024

Weekvergunning 2024 Dagvergunning 2024

2024

Jaarvergunning 2024

2024

Weekvergunning 2024 Dagvergunning 2024

2024

Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor meer dan 6 PK Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 13,87

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 13,87

Vaartuig met verbrandingsmotor t/m 6 PK

€ 4,79

€ 4,79 € 28,83

De VVD heeft nog meer technische vragen aangeleverd ter voorbereiding op de meningsvormende raad van donderdag aanstaande 20 juni (financiële stukken).

· Fiche 08: Welke organisatie is verantwoordelijk voor de veenbonken? De gemeente is verantwoordelijk als vaarwegbeheerder voor het vrijhouden van obstakels in de vaarwegen.

· Fiche 24: Klepelen: Hoeveel kost iedere extra maand waarin niet gemaaid wordt? De bermen in het buitengebied worden drie keer per jaar gemaaid. In april de eerste meter en zichthoeken (verkeersveiligheid), juni geheel september/oktober geheel. De bermen binnen de bebouwde kom worden op sommige plekken wel zes keer gemaaid, o.a. de Voorwetering en taluds in de woonwijken. Als er minder wordt gemaaid zal een toename zijn van onveiligheid, meldingen en overlast. Ook zal de hoeveelheid maaiafval per keer toenemen. Dit is de reden waarom in het fiche 24 is gekozen voor een bezuiniging op de techniek in plaats van frequentie. Note, dit fiche gaat dus niet over het maaien van de grasvelden, dit wordt uitgevoerd door onze eigen buitendienst met cirkelmaaiers. De gazons (grasvelden) worden ca. 25 keer per jaar gemaaid. Een deel van de gazons wordt in mei niet gemaaid volgens de motie ‘maai mei niet’. Minder maaien van gazons is geen bezuiniging omdat de maaimachine en het personeelslid van de gemeente Nieuwkoop zijn. De kosten blijven dus bestaan als de maaier stil staat. Daarbij zal, zoals eerder is vermeld tijdens de behandeling van de motie ‘maai mei niet’ het gras na enkele keren niet maaien te hoog worden om met een cirkelmaaier te kunnen maaien.

· Fiche 40: welke concrete effecten heeft het als hier 25% op bezuinigd wordt? Het concrete gevolg van 25% bezuinigen op deze post is dat we dan 50.000 EU weghalen bij deze organisaties en doelen i.p.v. de genoemde 200.000 EU. Het effect hiervan is niet anders dan beschreven in het fiche: “Risico is dat verenigingen die het al moeilijk hadden moeten stoppen, verhoging contributies door verenigingen (verlaging toegankelijkheid). Mogelijk zullen er dorpsfeesten niet meer georganiseerd worden of wordt de toegangsprijs te hoog. Het stopzetten van subsidies kan een factor zijn die de al lopende trend van terugloop van het verenigingsleven verder versterkt. Verenigingen zijn in de dorpen een sociaal verbindende factor, als zij verdwijnen verdwijnt een plek voor ontmoeting en onderlinge ondersteuning voor inwoners.” Echter zullen deze genoemde gevolgen in iets mindere mate optreden daar we bij het aframen met 25% we dan deze post minder verlagen. Het college stelt u in de conceptkadernota voor deze maatregel niet te nemen.

· Fiche 48+49: Wat is het omslagpunt van armoedeval als je alle regelingen die voor 130% gelden bij elkaar stapelt? Welk beleid voert de gemeente om mensen die rond, of aan de voor hen negatieve zijde van dit omslagpunt zitten, toch te stimuleren om aan het werk te gaan? In hoeveel situaties is hierbij gebruik gemaakt van de uitstroompremie? Welke alternatieve methoden zijn ingezet om huishoudens te stimuleren te werken?

Deze vraag is lastig te beantwoorden, zeker op deze termijn. De individuele situatie van de betreffende aanvrager zijn heel bepalend of er wel- of geen armoedeval aan de orde is. In zijn algemeenheid kan er gezegd worden dat het systeem van toeslagen, tegemoetkomingen en bijzondere bijstandsregelingen in sommige gevallen leidt tot een perverse prikkel waarin werken niet loont. Landelijk is dit ook onderkent. De ambitie van de landelijke politiek is om dit aan te pakken. Tegelijk zien wij dat de lokale regelingen voor het gros van de aanvragers/ontvangers hard nodig zijn om te kunnen meedoen en essentieel zijn voor hun bestaanszekerheid. Vanwege verlof van onze beleidsmedewerker kunnen wij op korte termijn u niet voorzien van allerlei feitelijke informatie. We kunnen hier desgewenst later op terug komen. Het is onze suggestie dit thema dan in bredere context te bezien. Staan er meer posten in de begroting genoteerd die on hold gezet kunnen worden omdat hier nog geen raadsbesluit of aanbesteding/inschrijving is genomen, zoals bijvoorbeeld specifiek het project ‘verbouwing gemeentehuis’ en zo ja welke zijn dit. M.a.w. zijn er projecten die nog niet zijn gestart, maar wel al in de begroting staan? De vraag heeft een brede reikwijdte en is mede daarom niet eenvoudig te beantwoorden. Er zijn door de hele begroting heen diverse projecten die op zich uit- of afgesteld kunnen worden.

Dit geldt in beginsel voor alle projecten waarvoor nog geen juridisch afdwingbare overeenkomst is afgesloten. Dit betekent niet dat het on hold zetten van deze projecten zonder consequenties is. Deze projecten hebben over het algemeen een grote maatschappelijke impact. Omdat ze bijdragen aan het bereiken van een gewenst maatschappelijk doel (b.v. nieuwbouw IKC), of omdat ze noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening verslechtert (groot onderhoud). Andere geplande investeringen vloeien voort uit wettelijke verplichtingen. Ook in financiële zin kan het on hold zetten van investeringen nadelige gevolgen hebben, denk aan het niet uitvoeren van preventief onderhoud. Verder moet bedacht worden dat bij sommige van deze projecten er al aanzienlijke bedragen betaald zijn aan onderzoekskosten. Als deze projecten niet uitgevoerd worden is dit “weggegooid geld”. Ook bij uitstel is het zeer de vraag of deze onderzoeken over enkele jaren nog relevantie hebben. Bij het beoordelen van de vraag of investeringen on hold gezet kunnen worden zullen ook deze aspecten meegenomen moeten worden en dat maakt dat de beantwoording van deze vraag te complex is om snel te beantwoorden. Verder heeft het uit- of afstellen van investeringen deels incidentele gevolgen, en dragen niet bij aan het bereiken van en structureel en reëel evenwichtige begroting.

Tenslotte is bij de kadernota al rekening gehouden met het resultaat van een realistischer investeringsplan (fiche 66). Dit gaat voor een groot deel over dezelfde investeringsprojecten en het resultaat kan niet twee keer ingeboekt worden. De invulling van dit fiche wordt uitgewerkt bij de begrotingsvoorbereiding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=579b5d8a-1689-4c3d-9289-45bfe42a9e00