ACHTERGRONDINFORMATIE Beantwoording Technische vragen RES 1.0 Holland Rijnland (VVD, NN, D66/Agendacie, SGP-CU)
Tekst van het document
Vragen vanuit de agendacommissie over rol provincie bij de RES Kan voor de MR naar aanleiding van de brief (2021-208) van Liesbeth Spies, voorzitter stuurgroep RES HR, aan de raad duidelijk gemaakt worden wat de rol van de provincie (Zuid-Holland) is bij de RES? Antwoord: Provincie Zuid-Holland is partner in zeven RES regio’s. In de regio Holland Rijnland zit de Provincie weliswaar als gelijkwaardige partner aan tafel, als medeondertekenaar van het Energieakkoord Holland Rijnland, maar tegelijkertijd ook als hogere macht (Huis van Thorbecke). Aangezien windturbines en zonnevelden ruimte vragen hebben we tegelijkertijd te maken met een hogere bestuurslaag die ruimtelijke plannen toetst aan haar ruimtelijk beleid. Kortom kan de Provincie haar doorzettingsmacht gebruiken om - vanuit haar provinciaal juridisch kader – plaatsing van windturbines en zonnevelden tegen te houden. Daarmee pakt de Provincie haar kaderstellende rol vanuit de ruimtelijke ordening. 1.
Aangezien Gedeputeerde Staten vasthoudt aan haar huidig provinciaal ruimtelijk beleid, zullen voorgenomen initiatieven voor windturbines en zonnevelden de toets van de Provincie veelal niet kunnen doorstaan. Pas als de Provincie een integrale gebiedsgerichte uitwerking gereed heeft en deze heeft laten vaststellen door de Provinciale Staten, is er zicht op een koers die naar verwachting meer toewerkt naar de doelen van de RES dan nu het geval is. Voor de RES 1.0 Holland Rijnland zou daarmee de ambitie van 1,05 TWh in 2030 onder druk komen te staan. Om verschillen in inzicht te overbruggen en te voorkomen dat ieder plan voor een zonneveld door de Provincie wordt afgewezen, zullen we – voor het opstellen van een lokaal afwegingskader - dan ook intensief met de Provincie optrekken. Gezien het bovenstaande is de verwachting dat er meer tijd nodig is om tot een afwegingskader voor zonnevelden te komen. Het is namelijk nog onduidelijk hoeveel ruimte de Provincie gemeenten geven als het aan komt op het toetsen van plannen waar de gemeente – vanuit haar lokaal afwegingskader - positief tegenover staat.
En hoe verhoudt deze rol zich tot het Nationaal Programma RES? Antwoord: Het Nationaal Programma RES is één van de afspraken uit het Interbestuurlijk Programma. Hierin spraken Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen af om rond grote maatschappelijke thema ś als één overheid op te trekken. Het thema “Samen aan de slag voor het Klimaat” is één van deze thema ś . Alle overheden werken samen aan de energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie vanuit hun eigen taken en verantwoordelijkheden. In een RES-regio staan gemeenten, provincies, waterschap(pen) samen met regionale maatschappelijke partners en het bedrijfsleven aan de lat om een RES op te stellen en uit te voeren. Dit vraagt om een samenwerking tussen de overheden vanuit gelijkwaardigheid. 2.
Net als de gemeente de RES moet inbedden in haar omgevingsinstrumentarium (Omgevingswet) moet ook de Provincie dat doen. Ook hier is weer sprake van een hogere doorzettingsmacht. Vanuit de NPRES komt duidelijk naar voren dat de RES niet alleen een energieopgave is maar ook een ruimtelijke opgave die moet worden verankerd in het Omgevingsinstrumentarium. Deze twee kunnen met elkaar botsen. Hoe hier mee omgegaan dient te worden, staat niet in de NP RES beschreven. In het uiterste geval zou het Rijk kunnen ingrijpen. Zij zijn de hoogste in de rangorde binnen het Huis van Thorbecke.
Aan het College van B&W van de gemeente Nieuwkoop Inzake: Technische vragen In verband met het raadsvoorstel RES 1.0 Holland Rijnland (RES staat voor Regionale Energie Strategie) heeft de fractie van de SGP-ChristenUnie de volgende vragen: Vraag 1) Hoe is de verdeling/toewijzing van de hoeveelheid op te wekken duurzame energie in 2030 aan Nieuwkoop toegewezen? Antwoord: Binnen regio Holland Rijnland zijn geen afspraken gemaakt over de verdeling van de hoeveelheid op te wekken duurzame energie in 2030. Wel is het streven om de opwek zo gelijkmatig mogelijk over de gemeenten binnen de regio te verdelen. Vraag 2) In het raadsvoorstel staat ‘door het instellen van een productieplafond wijken we af van de regionale lijn. Om die reden hebben we bij Holland Rijnland er niet op aangedrongen een productieplafond voor Nieuwkoop op de regionale kaart te zetten.’ Wat is de bestuurlijk en/of juridische waarde als we als gemeente Nieuwkoop een productieplafond instellen maar dit niet opgenomen is op de regionale kaart? Antwoord: In deze vraag zitten verschillende facetten. Belangrijk hierin is de juridische status van de regionale kaart en de bestuurlijke waarde van een besluit van een individuele gemeenteraad op een regionaal document. Aangezien regio Holland Rijnland niks anders is dan een gemeenschappelijke regeling heeft de regio zelf geen beslissingsbevoegdheid.
Deze ligt bij de afzonderlijke raden. Pas als de RES lokaal is verankerd in ons eigen planologisch kader kunnen er rechten aan worden ontleend (dan krijgt het juridische waarde). Met andere woorden is de RES 1.0 Holland Rijnland een bestuurlijk document waar de partijen, die aan deze gemeenschappelijke regeling verbonden zijn, haar commitment uitspreken dat zij zullen werken aan de uitvoering van de RES 1.0 Holland Rijnland. Via een raadsbesluit willen wij al die partijen (die deel uitmaken van de regio) meegeven dat Nieuwkoop zich inzet om de RES 1.0 Holland Rijnland uit te voeren, maar niet voor elke prijs. Door een productieplafond in te stellen, schept dat helderheid binnen welke grenzen we redelijkerwijs kunnen werken aan de opwek van duurzame energie binnen de regio. In feite is dat ons lokaal bod aan de regio met het oog op 2030. Aangezien wij de enige gemeente zijn die in de regio een productieplafond hanteert, ligt het voor de hand om dat lokaal door de Raad te laten vaststellen. Een dergelijk raadsbesluit is van grote bestuurlijke waarde om Nieuwkoop stevig te positioneren in het traject naar een RES 2.0 en verder. Het helpt ook om tot een lokaal afwegingskader voor zonnevelden te komen, waarmee we zorgen dat de RES wordt ingebed in het omgevingsinstrumentarium (Omgevingswet).
Vraag 3) Welke eisen kan de gemeente stellen aan investeerders in zonnevelden? We hebben eerder begrepen dat het juridisch ingewikkeld is om een percentage lokaal eigendom af te dwingen. a) Kunt u toelichten waar de knelpunten zitten om dit af te dwingen? b) Welke mogelijkheden om de direct omwonenden dan wel onze eigen inwoners te laten profiteren van in onze gemeente gelegen zonnevelden zijn er wel? c) Welke mogelijkheden heeft de gemeente om lokale dan wel binnenlandse investeerders voorrang te bieden ten opzichte van buitenlandse investeerders in zonnevelden in onze gemeente? Antwoord 3a Het Klimaatakkoord bevat de afspraak om te streven naar een eigendom voor de lokale omgeving van 50% van de productie (in mede-eigenaarschap) van hernieuwbare energie. De wet -en regelgeving voorziet niet in het afdwingen van lokaal eigendom. We kunnen wel zoveel mogelijk binnen onze eigen kaders hierop aansturen, maar dus niet afdwingen. Antwoord 3b In het traject te komen tot een afwegingskader voor zonnevelden zullen we lokaal eigendom en omgevingsparticipatie meenemen. We moeten nog onderzoeken hoe we dit het beste kunnen opnemen in ons afwegingskader. Er zijn al voorbeelden bij andere gemeenten hoe we dit kunnen sturen.
Na analyse van de mogelijkheden en na het inwinnen van juridisch advies op de mate van afdwingbaarheid en voorkómen van rechtsongelijkheid, zullen we dit een plek geven in ons op te stellen afwegingskader. Antwoord 3c Deze vraag zal ook aan de orde komen als we met het afwegingskader aan de slag gaan.
Vraag 4) De gemeente kan ook financiële voordeel behalen aan de exploitatie van zonnevelden in onze gemeente. Wordt dit financiële voordeel weer geïnvesteerd in de energietransitie door bijvoorbeeld het aanjagen van innovaties en duurzaamheidsmaatregelen? Antwoord: Het is correct dat de gemeente ook haar eigen grond kan inzetten voor het plaatsen van (tijdelijke) zonnevelden. We hebben tot dusver hier geen gebruik van gemaakt. De prioriteit ligt om eerst een afwegingskader te hebben. Vervolgens kan gekeken worden of de gemeente op haar eigen grond een rol kan spelen om op haar voorwaarden een zonneveld in een gebied toe te staan. Wanneer er sprake is van een dergelijke situatie en de gemeente inkomsten haalt uit een veld, dan zal op dat moment worden afgewogen hoe men met deze inkomsten om gaat.
Vraag 5) Welke maatregelen worden genomen of kunnen genomen worden om de recycling van zonnepanelen te waarborgen? Antwoord: Via het afwegingskader kan sturing gegeven worden om een voorschrift in de vergunning op te nemen dat - na bijvoorbeeld 25 jaar - het zonneveld ontmanteld dient te worden en dat de agrarische functie van het perceel moet worden hersteld. Omdat de gemeente (normaalgesproken) geen eigenaar is van de zonnepanelen kan de gemeente hergebruik of recycling ervan niet afdwingen.
Vraag 6) Waarom worden “windwokkels” niet gestimuleerd bij particulieren en bedrijven op grote daken? Antwoord: Windwokkels kunnen beschouwd worden als kleinschalig energielevering voor eigen gebruik. Deze vallen buiten de scope van de RES 1.0 Holland Rijnland. De vraag wordt beschouwd als een suggestie om te onderzoeken of deze techniek interessant genoeg is om bij particulieren en bedrijven te stimuleren.
Vraag 7) Het hogere doel van de RES is CO2 reductie. De verplichte bodemwaterdaling acties door het waterschap veroorzaakt relatief veel vrijkomende CO2. Waarom doet de gemeente nieuwkoop hier niets aan? Antwoord: Deze vraag wordt niet als een technische vraag beschouwd. Wel kunnen we stellen dat het peilbeheer onder de verantwoordelijkheid valt van het waterschap en dat de provincie een programma heeft gestart om bodemdaling tegen te gaan (inzet Impulsgelden Veenweiden ZuidHolland).
Vraag 8) Kunt u aangeven op welke aanknopingspunten er zijn voor grensoverschrijdende samenwerking met Alphen, Woerden, Ronde Venen en Kaag en Brasem op het gebied van de RES en de realisatie daarvan? Antwoord: In het raadsvoorstel hebben we aangegeven dat we, voor de opwek van duurzame energie, weinig aanknopingspunten zien om gemeentegrensoverschrijdende projecten op te pakken. We volgen wel de ontwikkelingen bij de aangrenzende gemeenten. Als deze aanleiding geven om samen projecten op te pakken dan zijn we hier graag toe bereidt. Voor het warmtevraagstuk zien we wel aanknopingspunten. Zoals in het raadsvoorstel geschreven kijken we in Greenport Aalsmeer verband naar benuttingsmogelijkheden van het potentieel aan diepere aardwarmte (SCAN1) en restwarmte voor tuinbouwkassen en woningen.
Vraag 9) Is het binnen de RES 1.0 mogelijk dat veelbelovende nieuwe innovaties van duurzame energieopwekking, die in de praktijk uitvoerbaar/toepasbaar blijken te zijn, de komende jaren nog ingezet kunnen worden? Antwoord: We staan altijd open voor innovaties. Tegelijkertijd houden we ons aan de taak die het Rijk bij de regio’s heeft neergelegd om met bestaande technieken een bod te doen vanuit de verschillende regio’s te komen tot 35 TWh productie van groene stroom in 2030.
1 Seismische Campagne Aardwarmte Nederland
Technische Vragen VVD Nieuwkoop en Natuurlijk Nieuwkoop Betreffende: Raadsvoorstel RES Datum indiening: 17-5-2021 Door: Tom de Kleer en Berry Dors Vragen bij raadsvoorstel RES 1.0 Holland Rijnland Netcapaciteit (blz. 12). Het college geeft aan dat er in het onderstation Nieuwkoop nog een aansluitcapaciteit van 50 MWp beschikbaar is. Die 50 MWp gaat niet ten koste van aansluitmogelijkheden op het middenspanningsnet.
Vraag 1:
Fungeren onderstation en middenspanningsnet niet als communicerende vaten?
Antwoord: Liander heeft ons verzekerd dat (citaat): “De 50 MW gaat niet ten koste van de aansluitmogelijkheden op het middenspanningsnet, die staat er los van”. De 50 MW heeft betrekking op de capaciteit van het onderstation inclusief de back-up trafo. Toelichting: Voor het functioneren van het net is er sprake van het transporteren van elektriciteit daar waar stroom nodig is en het opnemen van duurzaam geproduceerde elektriciteit in het net. Voor dat laatste zijn de beschikbare trafo’s essentieel om pieken van stroomproductie op te vangen. Het middenspanningsnet beschikt over verschillende kleinere trafo’s (kleinere stations) over een groot gebied. Het onderstation in Nieuwkoop beschikt over een grote trafo die als back up dient (voor storingen en onderhoud). Deze trafo wil Liander reserveren om pieken in de stroomtoevoer vanuit zonnevelden aan te kunnen. Dit systeem staat los van het middenspanningsnet. Met exploitanten van grootschalige zonnevelden kan Liander vervolgens afspraken maken over het tijdelijk afschakelen op piekmomenten. Dit voorkomt grote uitbreidingen van het netwerk die voor het overgrote deel van het jaar niet gebruikt wordt. Op middenspanningsniveau kunnen er geen separate afspraken gemaakt worden omdat er teveel aanbieders van (vaak) kleinschalige zonnestroom zijn.
In dat geval kan er sprake zijn van het bijplaatsen van extra trafo capaciteit in de wijk en/of in de buurt van het onderstation. Kortom: kleinschalige uitbreidingen kunnen veelal binnen het middenspanningsnet worden opgelost, maar meer grootschalige levering van stroom zijn gereserveerd voor een directe aansluiting op het onderstation waarbij de back up trafo de pieken van stroomproductie opvangt.
Vraag 2:
Indien fors ingezet wordt op zon op grote daken, gaat dan die capaciteitsbehoefte niet grotendeels ten koste van de beschikbare aansluitcapaciteit op het onderstation?
Uit de tekst: ‘De verwachting is dat daarmee de aansluitcapaciteit naar maximaal 50 MWp gaat….wat overeenkomt met circa 50 ha. aan zonnevelden.’ Antwoord: De bovengenoemde verwachting is 1 op 1 overgenomen van Liander. Bovenop de al beschikbare 10 MW kan via de back up trafo het onderstation nog eens 40 MW extra belasting aan. In het geval er op het bedrijventerrein De Olm op grote schaal (> 2 ha) grote daken benut worden voor het produceren van stroom, dan kan dit ten koste gaan van de beschikbare capaciteit van het onderstation. Anderzijds is ook hier een middenspanningsnet aanwezig en zou Liander kunnen besluiten om hier zoveel mogelijk gebruik van te maken. Bij elke aanvraag voor een aansluiting zal Liander een separate afweging maken hoe deze zo systeemefficiënt kan worden ingericht. Als de productie via zon op dak ver van het onderstation af ligt, dan is aansluiting op dit station niet aannemelijk. De productie van stroom vanuit daken, buiten de invloedssfeer van het onderstation, zal dan vooral via het middenspanningsnet lopen.
Vraag 3:
1 ha. zonneveld (= bruto oppervlakte, inclusief compenserende maatregelen voor natuurlijke inrichting) komt overeen met een vermogen van 1,2 à 1,3 MWp. Bent u het met ons eens dat dit betekent dat de 50 MWp extra capaciteit op het onderstation overeenkomt met circa 40 ha bruto zonnevelden?
Antwoord: Er is sprake van 40 MW extra capaciteit via de back up trafo van het onderstation. Dit bovenop de al aanwezige 10 MW aan capaciteit. Liander heeft aangegeven dat dit grofweg overeenkomt met in totaal 50 ha aan zonnevelden. “Grofweg” omdat er teveel onzekerheden zijn; denk aan: oost-west of zuidwest oriëntatie zonnepanelen, weersomstandigheden, mate van verdichting van de opstelling van de panelen (ecologische zonnevelden kunnen 2x meer oppervlakte nodig hebben dan sterk verdichte velden), veranderde vermogen per paneel door technologische ontwikkelingen etc. ---------------------------------------Naast het beroep van zonnevelden op de aansluitcapaciteit van het onderstation in Nieuwkoop is er ook sprake van andere grote capaciteitsafnemers: - bij realisatie van zonnepanelen op 10% van de grote daken (100 ha. volgens bijlage 6.3 Routekaart zon op dak) ontstaat een extra vraag van 16 MWp (10 ha. * 4.000 panelen * 400 Wp) - bij agrarische bedrijven is grote behoefte aan energieopwekking met de combinatie van zonnepanelen en kleine windmolens; conservatief geschat 5 MWp - er lopen nu enkele initiatieven voor de inrichting van gebiedsgebonden energiesystemen. De netbeheerder dient in zijn capaciteit rekening te houden met het gebiedsgebonden maximale energieaanbod; om die initiatieven kans van slagen te bieden dient een ruimte van 5 MWp gereserveerd te worden.
Vraag 4:
Rekening houdend met de capaciteitsvraag van grote daken, agrarische bedrijven en gebiedsgebonden energiesystemen, geschat op 26 MWp, blijft dan de beschikbare capaciteit op het onderstation niet beperkt tot 24 MWp, overeenkomend met ongeveer 20 ha. zonnevelden (bruto)?
Antwoord: De vraag over de capaciteit van het net is, via de beantwoording van de vorige 3 vragen, voldoende beantwoord. Ingaand op de bovenstaande rekensom is de vraag in hoeverre daken daadwerkelijk benut kunnen worden? Niet elk dak is geschikt voor zonnepanelen. De dakconstructie moet voldoende sterk zijn en er kunnen obstakels op het dak aanwezig zijn die het plaatsen van panelen bemoeilijkt. De ligging van het dak ten opzichte van de zon is van belang voor de opbrengst alsmede de weersomstandigheden. Ten slotte is van belang in hoeverre zonnepanelen financieel interessant zijn voor bedrijven met het oog op de lage energietarieven bij grootverbruikers en de aansluitkosten op het net. Ons college wil maximaal inzetten op zonnepanelen op daken. Tegelijkertijd wordt ook gesteld dat zon op dak niet voldoende is om de vraag aan groene stroom te kunnen ondervangen. Aangezien ons college geen mogelijkheden ziet voor middelgrote en grote windturbines zijn – naast zon op dak zonnevelden nodig om in 2030 – met bestaande technieken - voldoende bijdrage te leveren aan de RES 1.0 Holland Rijnland.
Vraag 5:
Hoe denkt het college te voorkomen dat als gevolg van de realisatie van een te grote capaciteit aan zonnevelden er straks onvoldoende aansluitcapaciteit beschikbaar is voor zon op grote daken, de volgens de zonneladder preferente optie?
Antwoord: Ons college is zich ervan bewust dat dit zich kan voordoen. Daarom neemt het college ruim tijd om tot een afwegingskader te komen voor zonnevelden. In het afwegingskader wil het college ruimtelijke en sociaaleconomische randvoorwaarden meegeven waarbinnen ontwikkelingen plaats kunnen vinden. Om wildgroei aan zonnevelden te voorkomen, wil het college daarbij een productieplafond hanteren en de productie monitoren. Om dus aan de voorkant zoveel mogelijk inspanningen te vragen van initiatiefnemers (inclusief omgevingsparticipatie), deze initiatiefnemers voorwaarden mee te geven waarop ze hun plannen kunnen baseren, een productieplafond te hanteren, trachten we maximaal sturing te geven om tot een gewenste gebiedsontwikkeling te komen. We zullen hierin intensief met Provincie Zuid-Holland samenwerken. Tegelijkertijd zullen we ons inspannen om het aandeel zon op grote daken te laten toenemen. Hierin werken we – actief deelnemend aan de sectortafels – samen met de Gebiedscoöperatie Nieuwkoop.
Vraag 6:
Wat is de aansluitcapaciteit van het dichtstbijzijnde onderstation van Stedin ten behoeve van het oriëntatiegebied in Woerdense Verlaat
Antwoord: Woerdense Verlaat ligt aan de rand van het gebied waar Stedin actief is. Het gebied ligt te ver van een onderstation af om daarop aangesloten te worden. Vooralsnog is aansluiting op het middenspanningsnet het meest aannemelijk.
Vraag 7:
Wat is de aansluitcapaciteit van het onderstation in Leimuiden ten behoeve van het oriëntatiegebied in de Vierambachtspolder?
Antwoord: Het onderstation heeft ruimte voor 10 MW aan opname van groene stroom. Het onderstation wordt uitgebreid naar 50 MW. Deze uitbreiding is wel afhankelijk van de bouw van een 150 kV station in Leiden Oost.