80% CONCEPT versie zienswijze herziening omgevingsbeleid 2025 oude versie - ONOPGEMAAKT en nog ZONDER RAADSVOORSTEL
Tekst van het document
Concept zienswijze (80% versie) Gemeente Nieuwkoop, vertegenwoordigd door haar gemeenteraad, heeft kennisgenomen van de concept herziening omgevingsbeleid 2025 van de provincie Zuid-Holland. Dit concept is door de Gedeputeerde Staten van de provincie ter inzage gelegd met een reactieperiode van 4 november 2025 tot en met 15 december 2025. Wij stellen het op prijs dat de provincie gemeenten uitnodigt om in deze fase actief mee te denken, zodat het definitieve omgevingsbeleid niet alleen uitvoerbaar is, maar ook recht doet aan de uiteenlopende realiteiten van stedelijke en landelijke gemeenten. Gemeente Nieuwkoop levert hier graag een actieve bijdrage aan en kijkt uit naar een open en constructieve samenwerking, waarin we gezamenlijk kunnen bouwen aan een duurzame en leefomgeving, welke passend is bij de diversiteit van onze provincie. Het voorliggende concept voorziet in beleidswijzigingen die zullen leiden tot ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Demografische ontwikkelingen, sterk veranderende en instabiele geopolitiek, maar ook noodzakelijke aanpassingen als gevolg van de sneller dan verwachte klimaatverandering en de alsmaar snelle gaande technologische ontwikkelingen vragen om een actueel omgevingsbeleid, met een daarbij behorend juridisch kader in de vorm van een verordening én een daarop aansluitend omgevingsprogramma.
De voorgestelde herziening gaat over alle beleidsterreinen heen en is daarmee breder en omvangrijker dan de actualisaties die de afgelopen jaren de revue zijn gepasseerd. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om het beleid op de verschillende thema's op elkaar af te stemmen en wij waarderen dan ook deze integrale benadering. Gezien de omvang van de herziening en de mogelijke impact op gemeente Nieuwkoop heeft het gemeentebestuur besloten deze zienswijze door haar volksvertegenwoordigers te laten vaststellen. Deze zienswijze wordt u dan ook door de gemeenteraad van Nieuwkoop aangeboden. Met deze zienswijze wil gemeente Nieuwkoop haar visie en aandachtspunten meegeven, zodat het omgevingsbeleid in de uitwerking goed aansluit op de gezamenlijke provinciale en gemeentelijke opgaven. Zo kan het herziene omgevingsbeleid niet alleen een duidelijke provinciale koers uitzetten, maar ook ruimte bieden voor lokaal maatwerk en het benutten van lokale kansen. Wij zien deze herziening dan ook als een kans om onze gezamenlijke doelen verder te versterken. Wij zien het als een positieve ontwikkeling dat de provincie het omgevingsbeleid actualiseert en hiermee een duidelijke koers voor de komende jaren uitzet. Dit is van groot belang juist nu de provincie en gemeenten voor grote en urgente opgaven staan die een integrale en toekomstgerichte aanpak vragen.
Gemeente Nieuwkoop onderkent deze opgaven en wil, binnen de mogelijkheden van een landelijke gemeente, een constructieve bijdrage leveren in de uitvoering daarvan. Tegelijkertijd vraagt de omvang en complexiteit van deze opgaven om een gezamenlijke afweging van realisme in tempo, middelen en regelgeving. Gemeente Nieuwkoop ondersteunt de zienswijzen van de Rijn- en Veenstreek, regio Holland Rijnland en de Vereniging van Zuid-Hollandse Gemeente. In aanvulling op deze zienswijzen ontvangt u onze zienswijze, waarin wij specifiek ingaan op de lokale impact van voorgenomen beleid. Deze lokale zienswijze bestaat uit drie onderdelen. Eerst worden vijf prioritaire aandachtspunten geschetst die volgens gemeente Nieuwkoop belangrijk zijn voor het omgevingsbeleid. Vervolgens volgt per thema de inhoudelijke reactie op het voorgestelde omgevingsbeleid. Tot slot worden verordeningstechnische aandachtspunten benoemd. Samen bieden deze onderdelen een integrale beoordeling van provinciale keuzes, de lokale gevolgen en de noodzakelijke ruimte voor maatwerk.
Algemene bevinding en aandachtspunten We zien in de herziening van het omgevingsbeleid verschillende positieve elementen terug. De provincie kiest nadrukkelijk voor een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarin woningbouw, economie, mobiliteit, klimaat, water, bodem en natuur in samenhang worden bezien. Ook de aandacht voor betaalbare woningbouw, opwek energie, klimaatadaptatie, zorgvuldig ruimtegebruik en circulaire economie sluit aan bij doelen die gemeente Nieuwkoop op lokaal niveau nastreeft. De combinatie van de concept herziening Omgevingsbeleid 2025, het gemeentelijk profiel en de algemene bevinding leidt tot vijf prioritaire aandachtspunten die in de rest van deze zienswijze terugkomen.
Aandachtspunt 1: maatwerk en differentiatie Gemeente Nieuwkoop benadrukt dat provinciaal beleid expliciet ruimte zou moeten bieden voor onderscheid tussen stedelijk en landelijk gebied. Voor gemeente Nieuwkoop betekent dit onder meer dat normen voor dichtheid, parkeerruimte, HOV-oriëntatie, economische ontwikkelruimte en de invulling van aandachtgroepen die in landelijke contexten soms om een andere invulling vragen, afgestemd op de kenmerken van kleinere kernen en een andere ruimtelijke structuur. Een gebiedsgerichte benadering met passend maatwerk is noodzakelijk. In de praktijk is de samenhang tussen de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening niet altijd helder, waardoor onduidelijk blijft hoe programma ambities zich verhouden tot juridische normen. Begrippen en sturingsdoelen keren in meerdere documenten terug, maar niet altijd op dezelfde manier. Daarom is het behulpzaam om in de definitieve uitwerking duidelijker te beschrijven hoe de verschillende beleidslagen zich tot elkaar verhouden. Daarnaast merken we op dat veel passages zijn geschreven vanuit een stedelijke invalshoek, met nadruk op HOV-knooppunten, hogere woondichtheden, lage parkeernormen en intensief ruimtegebruik. Voor gemeente Nieuwkoop, met verspreide kernen in een open landschap, sluiten deze uitgangspunten niet vanzelfsprekend aan op de ruimtelijke werkelijkheid.
Dat raakt zowel woningbouw, mobiliteit en parkeren als de economische ontwikkelruimte op bedrijventerreinen en de toepassing van klimaatadaptieve maatregelen. Zo geeft in het voorgestelde beleid de provincie aan dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen gebruik moet worden gemaakt van referentiewaarden voor voorzieningen, om vroegtijdig inzicht te krijgen in benodigde ruimte en om gemeentelijk beleid uniform te kunnen toetsen. Voor gemeente Nieuwkoop is het van groot belang dat deze referentiewaarden niet generiek worden toegepast, maar worden gedifferentieerd naar gebiedstype en kernkarakteristiek. Nieuwkoop bestaat uit 13 kernen die onderling sterk verschillen in: • • • • •
schaal en bevolkingssamenstelling; functie in de regio; Voorzieningenaanbod; ruimtelijke structuur en mobiliteitspatronen.
Een uniforme set provinciale referentiewaarden leidt in de landelijke context al snel tot een situatie waarbij onbedoelde of onnodige beperkingen op woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en centrumontwikkeling ontstaan. De referentiewaarden die zijn ontwikkeld voor stedelijke gebieden zijn niet zonder meer toepasbaar op kleine dorpen waar het voorzieningenpatroon sterk samenhangt met maatwerk, schaalgrootte en lokale behoefte. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om:
• • • •
expliciet vast te leggen dat referentiewaarden voor voorzieningen differentiëren naar gebiedstype, met aparte waardes of bandbreedtes voor landelijke gemeenten en kleine kernen; in de toelichting op te nemen dat gemeenten mogen afwijken van deze referentiewaarden wanneer lokale omstandigheden dat vereisen, mits gemotiveerd; te bevestigen dat referentiewaarden een hulpmiddel zijn, geen norm, waardoor dorpen met beperkte schaalgrootte niet worden geconfronteerd met onhaalbare eisen die het voorzieningenniveau of woningbouw onnodig belemmeren; aan te geven hoe de provincie omgaat met gemeenten waar voorzieningen op gemeentelijk of zelfs regionaal niveau worden benut en niet per kern, zoals in veel landelijke gemeenten gebruikelijk is.
Aandachtspunt 2: realisme en uitvoerbaarheid Gemeente Nieuwkoop benadrukt dat opgaven voor landelijke gemeenten uitvoerbaar moeten zijn, in het licht van schaalgrootte, personele capaciteit, financiële mogelijkheden en de feitelijke ruimtelijke structuur. Voor landelijke gemeenten kan het nodig zijn om ambities te vertalen naar een tempo en schaal die passen bij lokale mogelijkheden. Een gezamenlijke verkenning van die uitvoeringsruimte helpt om ambities realistisch vorm te geven. In verschillende onderdelen van het omgevingsbeleid wordt gestuurd op snelle aanpassingen van gemeentelijke plannen en programmering. Veel ruimtelijke keuzes van het Rijk en waterschappen zijn nog niet duidelijk. Daarmee blijft het voorlopig onduidelijk hoe deze zich verhouden tot de ruimtelijke keuzes die u in deze concept herziening maakt en de keuze die de gemeenten maken. Een heldere afstemming tussen bestuurslagen helpt om planvorming soepel te laten verlopen en om gezamenlijke ambities binnen realistische tijdpaden te realiseren. Zonder duidelijke aansluiting tussen de verschillende bestuurslagen, prioritering en haalbare tijdpaden bestaat het risico dat ambitieus beleid op papier in de praktijk niet tijdig uitvoerbaar blijkt. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
•
de consistentie tussen beleidsvoornemens, wetgeving, verordeningen en uitvoeringsprogramma's te bewaken en ervoor te waken dat verschillende overheden ‘stapelende’ – of zelfs elkaar tegensprekende – vragen en eisen bij gemeenten neerleggen; expliciet wordt vastgelegd dat, indien desondanks sprake is van stapelende vragen en eisen aan gemeenten, uitsluitend de vragen en eisen van de hoogste overheid in dit traject gevolgd en als leidend beschouwd dienen te worden.
Aandachtspunt 3: Eenduidigheid van begrippen en juridische duidelijkheid Begrippen als “zwaarwegend belang”, “voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling” en de reikwijdte van begrippen als “ruimtelijke ontwikkeling” moeten helder en toetsbaar zijn, juist omdat zij bepalend zijn voor de toepassing van provinciale regels en adviesplichten. Ook overgangsrecht en verwijzingen naar “het laatste bestemmingsplan” vragen om ondubbelzinnige formuleringen, zodat gemeenten deze regels voorspelbaar en zorgvuldig kunnen toepassen. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
in de definitieve stukken expliciet te kiezen voor duidelijke definities, transparante procedures en een zorgvuldige omgang met lopende plannen en bestaande afspraken.
Aandachtspunt 4: Beschermingscategorieën In het voorgestelde beleid introduceert de provincie meerdere nieuwe beschermingscategorieën voor uiteenlopende thema’s (zoals natuur, weidevogels, water, bodem, landschap, energie en leefkwaliteit). Deze categorieën zijn vaak globaal afgebakend, overlappen regelmatig met andere provinciale of rijksopgaven en sluiten niet altijd aan op de feitelijke situatie in de gebieden. Voor gemeente Nieuwkoop leidt deze systeemkeuze tot een risico op stapeling van beperkingen, die op hun beurt kunnen resulteren in: • • • • •
onduidelijkheid over de prioriteit van opgaven in gebieden waar meerdere belangen samenkomen; interpretatieverschillen tussen provincie en gemeenten; risico’s op vertraging in planvorming; extra onderzoekslasten; en situaties waarin initiatiefnemers terughoudend worden door onduidelijkheid over de toepasbaarheid van regels.
Landelijke gemeenten met meerdere kleine kernen, zoals gemeente Nieuwkoop, worden hierbij relatief sterker beïnvloed, omdat globale categorieën onvoldoende recht doen aan lokale verschillen in landschap, ecologie, omgeving, sociale structuur en ruimtelijke dynamiek. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • • • • •
af te zien van brede, generieke beschermingscategorieën als primair sturingsinstrument; in plaats daarvan specifieke locaties aan te wijzen waar prioritaire opgaven moeten worden opgelost, gebaseerd op gebiedskenmerken en regionale afstemming; per locatie duidelijk te maken welke opgaven voorrang hebben en welke ruimte gemeenten houden voor andere ontwikkelingen; in de toelichting op te nemen dat het uitgangspunt “we gaan voor het maximale, maar niet het onmogelijke” ook geldt voor ruimtelijke beperkingen die uit categorisering voortvloeien; te voorkomen dat nieuwe categorieën bestaande plannen, lopende initiatieven of gemaakte afspraken onnodig blokkeren.
Aandachtspunt 5: bestaande afspraken Gemeente Nieuwkoop vindt het belangrijk dat het provinciale omgevingsbeleid goed aansluit op afspraken die eerder al zijn gemaakt. Dat gaat bijvoorbeeld om bestuurlijke afspraken, regionale woondeals en samenwerkingsagenda’s binnen de regio waar gemeente Nieuwkoop actief aan deelneemt. In algemene zin gaat gemeente Nieuwkoop ervan uit bestaande bestuurlijke afspraken gerespecteerd en toezeggingen gehonoreerd zullen worden. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
• •
dit expliciet te vermelden dat dit een generiek principe is dat op alle onderwerpen in de omgevingsvisie, de omgevingsverordening en het omgevingsprogramma van toepassing is; bestaande afspraken een herkenbaar uitgangspunt blijven, zodat continuïteit in lopende trajecten wordt geborgd, zodat de voortgang van lopende projecten en gezamenlijke regionale trajecten geborgd blijft; nieuwe provinciale normen aansluiten bij landelijke ontwikkelingen. Met name veranderingen die voortkomen uit landelijke wetgeving, zoals de Wet versterking regie volkshuisvesting vragen hebben baat bij duidelijke afstemming tussen rijk, provincie en gemeenten. Afstemming tussen landelijke en provinciale kaders helpt gemeenten om regelgeving eenduidig toe te passen;
•
specifiek af te zien van aanvullende eisen – ten opzichte van de kaders uit de omgevingswet – ten aanzien van de vereiste participatie bij ruimtelijke initiatieven.
Als deze vijf aandachtspunten worden meegenomen in de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening, draagt dit eraan bij dat het provinciale beleid nog beter aansluit bij de uitvoeringspraktijk van landelijke gemeenten zoals Nieuwkoop. Daarmee kunnen onze gezamenlijke opgaven effectief en in goede samenwerking worden gerealiseerd.
Zienswijze per thema Wonen en woningbouw Aandeel sociale huur in woningbouwprogrammering en voorraad In de provinciale Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening staat dat in de regionale woningbouwprogrammering minimaal twee derde van de nieuwbouw betaalbaar moet zijn en dat hiervan minimaal de helft sociale huur is. Dit komt neer op een ondergrens van één derde (33%) sociale huur in de nieuwbouw. Gemeenten die minder dan 27 procent sociale huur in hun bestaande woningvoorraad hebben (10% onder de doelstelling van 30%) moeten “substantieel meer dan één derde” sociale huur in hun programmering opnemen om de voorraad op termijn richting 30 procent te brengen. De bestaande Omgevingsverordening geeft hieraan een juridische uitwerking. In de toelichting bij artikel 7.47 (sociale huurwoningen) wordt aangegeven dat gemeenten in hun omgevingsplan moeten motiveren hoe nieuwe ontwikkelingen voldoende sociale huur realiseren én hoe deze bijdragen aan het doel van 30 procent sociale huur in de voorraad. Daarbij wordt expliciet vastgelegd dat gemeenten minimaal één derde sociale huur in de programmering opnemen. De provincie heeft in 2023 de regionale woondeal ondertekend, waarin is afgesproken dat elke gemeente toegroeit naar minimaal 30% sociale huur in de programmering, zowel in regionaal verband als per gemeente.
Deze lijn sluit aan bij de Wet versterking regie volkshuisvesting die naar verwachting in 2026 wordt aangenomen. Tegelijkertijd geldt dat gemeente Nieuwkoop een landelijke gemeente is met een beperkte binnenstedelijke capaciteit, relatief kleinschalige plannen en een woningvraag die niet alleen uit sociale huur bestaat, maar ook uit levensloopbestendige woningen, middenhuur en betaalbare koop. Hierdoor kan een harde norm op gemeentelijk niveau, zonder regionale flexibiliteit, leiden tot een onevenredige druk op de beschikbare locaties. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • •
•
in de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening duidelijk te verankeren dat de regionale woondeal het uitgangspunt blijft en dat provinciale programmeringsdoelen hiermee in overeenstemming worden gebracht; aan te sluiten bij de landelijke systematiek uit de Wet versterking regie volkshuisvesting, waarin wordt uitgegaan van 30 procent sociale huur binnen de totale woningbouwproductie. Dit bevordert samenhang in beleid tussen rijk, provincie en regio en ondersteunt een uitvoerbare invulling van de woningbouwopgave; te erkennen dat voor landelijke gemeenten met beperkte plancapaciteit, zoals gemeente Nieuwkoop, het groeipad naar 30 procent sociale huurvoorraad leidend is.
Groeipad naar 30 procent sociale huurvoorraad In het Omgevingsprogramma en in de Omgevingsvisie wordt niet alleen beschreven dat gemeenten met minder sociale huur in de voorraad dan 30 procent substantieel meer dan één derde sociale huur in hun programmering moeten opnemen, maar ook een realistisch groeipadplan moeten opstellen om de doelstelling van minimaal 30 procent sociale huurvoorraad te behalen. Dit groeipad moet worden vastgelegd als aanvulling op de regionale woonzorgvisie. Wanneer uit het plan blijkt dat het binnen een termijn van 10 tot 15 jaar niet mogelijk is om de 30 procent te halen, kan dit de basis vormen voor maatwerkafspraken. In dezelfde documenten wordt benadrukt dat gemeenten worden gevraagd een groeipad te beschrijven waarmee zij kunnen toegroeien naar 30 procent sociale huur in de voorraad, of in
ieder geval zo dicht mogelijk daarbij. Dit groeipad vormt volgens de tekst de basis voor maatwerk tussen provincie en gemeente. Gemeente Nieuwkoop heeft een relatief beperkte plancapaciteit, een overwegend landelijk karakter met verspreid liggende kernen en lopende afspraken met de provincie over concrete locaties en groeipaden. In die context is het niet realistisch om binnen korte tijd tot 30 procent sociale huurvoorraad te komen. De provinciale tekst onderkent dit en biedt ruimte voor maatwerk, maar de precieze invulling daarvan is nog weinig concreet. Daarbij is het van belang dat de provincie expliciet onderkent dat ook hier het uitgangspunt “we gaan voor het maximale, maar niet het onmogelijke” geldt, zodat lokale beperkingen en realistische groeiruimte worden meegewogen. Daarnaast heeft gemeente Nieuwkoop haar inspanningen al geconcretiseerd in een groeipadbrief, die door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd. Deze brief geeft aan hoe gemeente Nieuwkoop maximaal inzet op het vergroten van het aandeel sociale huur, binnen de realistische grenzen van de plancapaciteit en ruimtelijke mogelijkheden.
Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • in de Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma expliciet vast te leggen dat, wanneer een gemeente een door GS geaccepteerd groeipadplan heeft vastgesteld, dit plan het primaire referentiekader is voor de beoordeling van nieuwe plannen en programmering; • een maatwerkcriterium op te nemen waarin wordt erkend dat gemeenten met beperkte nieuwbouwmogelijkheden, bijvoorbeeld door water- en bodemopgaven, landschappelijke kwaliteiten of andere beperkende factoren aan de doelstellingen kunnen voldoen met een lager jaarlijks aandeel sociale huur in de programmering, mits het groeipad over de tijd geloofwaardig is; • duidelijke afspraken te maken over de evaluatiefrequentie van groeipadplannen en de wijze waarop wordt omgegaan met externe factoren zoals stikstof, netcongestie en bouwkosten, zodat gemeenten die aantoonbaar maximaal inspannen niet alsnog als achterblijver worden bestempeld.
Doelgroep ouderen: definitie 65+ versus 55+ In het Ontwerp Omgevingsprogramma staat dat tot de doelgroep ouderen iedereen vanaf 65 jaar behoort. De provincie sluit hiermee aan op de definitie die het Rijk hanteert in het programma Wonen en zorg voor ouderen. Deze definitie wordt gebruikt bij de uitwerking van de opgave voor woonzorgvormen, doorstroming op de woningmarkt en de ruimtelijke borging van geschikte woonconcepten.emeente Nieuwkoop werkt in haar lokale woonzorgvisie met een andere leeftijdsgrens, namelijk 55+. Gemeente Nieuwkoop doet dit bewust, omdat in de lokale praktijk vaak al vanaf 55 jaar een vraag ontstaat naar levensloopbestendige woningen en omdat het combineren van meer zelfredzame en meer hulpbehoevende bewoners binnen dezelfde woonmilieus een belangrijke basis vormt voor onderlinge ondersteuning en omzien naar elkaar. Daarbij maakt de beperkte woningvoorraad en de langere doorlooptijd van projecten het noodzakelijk om vroegtijdig op latere woonwensen in te spelen. Wanneer de provincie vasthoudt aan de grens van 65 jaar als referentie, ontstaat er een beleidsmatige mismatch tussen de provinciale definities en de lokale praktijk in gemeente Nieuwkoop. Dat kan doorwerken in monitoring, programmering en de beoordeling van plannen, terwijl de lokale keuze voor 55+ juist bedoeld is om de regionale doelstellingen effectief te ondersteunen.
Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • in het Omgevingsprogramma op te nemen dat gemeenten een eigen leeftijdsgrens mogen hanteren, wanneer dit aansluit bij lokale omstandigheden en beleidskeuzes. Daarbij vraagt gemeenten om expliciet te erkennen dat in landelijke gemeenten de woonzorgvraag vaak eerder ontstaat en dat een grens van 55+ in gemeente Nieuwkoop passend is;
•
te voorkomen dat monitoring en programmering uitsluitend uitgaan van 65+, zodat de lokale woonzorgvisie en projecten voor 55+ binnen de provinciale kaders blijven passen. In de toelichting kan worden opgenomen dat aansluiting bij de Rijksdefinitie voor ouderen niet betekent dat gemeentelijk beleid aan dezelfde leeftijdsgrens gebonden is.
Aandachtsgroepen in de woningbouwprogrammering In het Ontwerp Omgevingsprogramma is opgenomen dat gemeenten inzicht moeten geven in de programmering van het aantal woningen dat geschikt en bestemd is voor aandachtsgroepen. In het programma worden dergelijke aandachtsgroepen elders genoemd, maar niet in deze bepaling volledig uitgewerkt. Gemeente Nieuwkoop bedient aandachtsgroepen op een manier die past bij haar schaal en uitvoeringscapaciteit, waardoor een strikte verplichting vanuit de provincie kan botsen met deze praktijk. Hierdoor kunnen gemeenten minder goed inspelen op actuele vraag, wat vertragingen of zelfs leegstand veroorzaakt als er onvoldoende passende kandidaten zijn. Daarnaast bestaat het risico op doorkruisen van het lokaal maatwerk, regionale afspraken en bestaande toewijzingsbeleid. Door de onduidelijkheid over welke aandachtsgroepen precies worden bedoeld en of sprake is van een harde verplichting of een oproep tot inzicht, ontstaat het risico op extra administratieve lasten en een te gedetailleerde programmatische sturing die niet past bij de schaal van gemeente Nieuwkoop.
Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • duidelijk te maken welke aandachtsgroepen precies worden bedoeld en of deze limitatief zijn of indicatief; • te bevestigen dat de verplichting primair ziet op het bieden van inzicht en niet op het programmatisch reserveren van woningen voor elke afzonderlijke aandachtsgroep; • gemeenten ruimte te geven om, passend bij hun schaal en uitvoeringscapaciteit, zelf te bepalen op welke wijze zij aandachtsgroepen bedienen; • in de toelichting op te nemen dat een generieke beschrijving van geschiktheid (bijvoorbeeld in de vorm van toegankelijke, levensloopbestendige of begeleid wonenconcepten) voldoende is, zonder dat op projectniveau per aandachtsgroep exacte quota moeten worden vastgelegd.
Actualisering woningbehoefte en herziening plannen In het Ontwerp Omgevingsprogramma geeft de provincie aan dat de woningbehoefteverkenning periodiek wordt geactualiseerd, in aansluiting op de ramingen en prognoses van het Rijk. Actualisering betekent volgens de tekst dat nieuw beleid en nieuwe inzichten ertoe kunnen leiden dat woningbouwplannen opnieuw worden bezien, onder meer met betrekking tot het aandeel betaalbare woningen en sociale huurwoningen. In het servicedocument wordt toegelicht dat gewijzigde omstandigheden aanleiding kunnen geven voor heroverweging van bestuurlijke afspraken. Voor gemeente Nieuwkoop is de provinciale woningbehoefteverkenning een belangrijk fundament onder het gesprek over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgave. Tegelijkertijd zorgt de combinatie van “periodieke actualisering” en de mogelijkheid om plannen en afspraken te heroverwegen voor onzekerheid, zeker bij projecten met lange doorlooptijden. De laatste woningbehoefteverkenning dateert van 2023. Het is voor gemeente Nieuwkoop niet duidelijk wanneer een nieuwe actualisatie volgt en hoe dit samenloopt met regionale programmering en lokale planvorming.
Voor lopende projecten in gemeente Nieuwkoop kan dit betekenen dat investeringen, planologische trajecten en participatieprocessen gaande zijn op basis van één set uitgangspunten, terwijl bij een volgende verkenning strengere of andere kaders kunnen worden gehanteerd. Dit brengt risico’s met zich mee voor de uitvoerbaarheid van projecten,
de bereidheid van marktpartijen om te investeren en de mogelijkheid om de totale regionale woningbouwopgave tijdig waar te maken. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • in het Omgevingsprogramma concreet aan te geven wat onder “periodiek” wordt verstaan, bijvoorbeeld een vaste cyclus (bijvoorbeeld eenmaal per twee of drie jaar), zodat gemeenten hier in hun planvorming rekening mee kunnen houden; • in de toelichting vast te leggen dat harde plannen met een gevorderde planologische status in beginsel worden gerespecteerd bij een volgende actualisering, tenzij sprake is van zeer zwaarwegende nieuwe inzichten; •
bij eventuele heroverweging van plannen expliciet de doorlooptijd, reeds gemaakte kosten en afspraken, en de bijdrage van het plan aan de totale regionale opgave mee te wegen;
•
een transparante procedure vast te leggen waarin wordt beschreven wanneer en hoe met gemeenten en regio’s over heroverweging van plannen wordt gesproken, en op basis van welke criteria dit gebeurt, zodat onverwachte aanpassingen tijdens uitvoering worden voorkomen.
Verruimen bovengrens regionale woningbouwprogrammering Gemeente Nieuwkoop werkt actief samen binnen de regionale woningbouwprogrammering en onderschrijft het belang van een realistisch en uitvoerbaar woningbouwtempo. Het regionale uitgangspunt dat programmeren tot 130% mogelijk is, biedt structuur. Tegelijkertijd constateren wij dat deze bovengrens in de praktijk onvoldoende ruimte laat voor landelijke gemeenten met beperkte binnenstedelijke capaciteit en een grotere afhankelijkheid van kleinschalige uitbreidingslocaties. Kenmerkend voor dergelijke gemeenten is dat individuele projecten relatief gevoelig zijn voor vertraging door factoren die buiten gemeentelijke invloed liggen, zoals stikstofbeperkingen, netcongestie, water- en bodemopgaven en fluctuaties in de ontwikkelcapaciteit. Hierdoor ontstaat het risico dat stagnatie op één locatie de totale regionale voortgang beïnvloedt. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
de bovengrens voor regionale woningbouwprogrammering te verruimen van 130% naar 150%, zodat gemeenten met beperkte binnenstedelijke capaciteit en afhankelijkheid van kleinschalige uitbreidingslocaties voldoende planruimte behouden om realistische doorlooptijden, fasering en vertraging door externe factoren op te vangen en een evenwichtige programmering te borgen.
Functiewijziging niet-woongebouwen naar wonen en de HOVvoorwaarde In het Omgevingsprogramma geeft de provincie aan dat functiewijziging van gronden met niet-woongebouwen naar wonen binnen bestaand stads en dorpsgebied in aanmerking kan komen voor opname in het regionale woningbouwprogramma, mits de ontwikkeling nabij hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) ligt en cijfermatig past binnen het regionale programma. De nabijheid van HOV wordt daarmee als een belangrijke voorwaarde neergezet. Voor gemeente Nieuwkoop is dit een aandachtspunt, omdat gemeente Nieuwkoop geen HOV-voorzieningen binnen de gemeentegrenzen heeft en hier zelf geen invloed op kan uitoefenen. Hierdoor bestaat het risico dat deze voorwaarde ongewenst onderscheid creëert tussen gemeenten met wel en geen HOV. Een strikte toepassing van de eis “nabij HOV” zou betekenen dat er in Nieuwkoop nauwelijks ruimte bestaat om het gesprek te voeren over functiewijziging van niet-woongebouwen naar wonen, ook wanneer dit ruimtelijk en maatschappelijk wenselijk is. Daarmee wordt een stedelijk uitgangspunt toegepast op
plattelandsgemeenten, terwijl bereikbaarheid in Nieuwkoop op andere wijze wordt georganiseerd, bijvoorbeeld via regulier busvervoer en goede fiets en autoverbindingen Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • •
• • •
voor landelijke gemeenten de eis “en nabij HOV” niet als harde voorwaarde te hanteren voor gesprekken over functiewijziging; in het Omgevingsprogramma en de toelichting op te nemen dat in gemeenten zonder HOV ook andere vormen van bereikbaarheid (fietsroutes, busverbindingen, wegennet, nabijheid van voorzieningen) als volwaardige onderbouwing kunnen gelden; te waarborgen dat gemeenten zonder HOV niet worden benadeeld of uitgesloten van provinciale ondersteuning bij functiewijziging, aangezien zij zelf geen invloed hebben op de aanwezigheid van HOV; indien HOV een harde voorwaarde blijft, de provincie op te roepen te borgen dat in alle gemeenten het openbaar vervoer op orde is, conform de provinciale ambitie voor ‘bereikbare steden en dorpen’; te erkennen dat conversie van gebouwen naar wonen niet ten koste mag gaan van de lokale en regionale plancapaciteit.
Bestuurlijke afspraken, Ladder voor duurzame verstedelijking en bestaande locaties In het Ontwerp Omgevingsprogramma wordt bij de uitwerking van wonen gesteld dat bestemmingsplannen en omgevingsplannen moeten voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en dat gewijzigde omstandigheden aanleiding kunnen zijn om bestuurlijke afspraken te heroverwegen. In die context merkt gemeente Nieuwkoop op dat een strikte koppeling tussen de toepassing van de Ladder en het heroverwegen van afspraken onzekerheid kan creëren voor zorgvuldig voorbereide ontwikkelingen. Het is van groot belang dat bestaande bestuurlijke afspraken worden gerespecteerd, zodat ontwikkelruimte behouden blijft, planvorming niet onnodig wordt vertraagd en betrokken partijen kunnen rekenen op voorspelbaarheid en continuïteit.
Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • bij de toepassing van de Ladder aan te sluiten bij de landelijke lijn, waarin juist wordt voorgesteld om de Ladder voor nieuwe woningbouwlocaties te schrappen om vertraging te voorkomen; • op te nemen dat omruilafspraken die reeds door Gedeputeerde Staten zijn geaccordeerd, niet opnieuw ter discussie worden gesteld op grond van latere beleidswijzigingen; • in de toelichting duidelijk te maken dat wijzigingen in rijksbeleid niet mogen leiden tot het achteraf heropenen van bestaande afspraken, maar dat maatwerk wordt gezocht binnen het bestaande pakket aan bestuurlijke besluiten.
Energie Zoekgebied 3 voor windenergie (IA.03.HR) In de ontwerpwijziging van de Omgevingsvisie heeft de provincie een kaart met Zoekgebieden Windenergie opgenomen. Voor gemeente Nieuwkoop gaat het met name om zoekgebied 3 in de polder Nieuwkoop, dat in de Omgevingseffectrapportage (OER) is aangeduid als IA.03.HR binnen de RES-regio Holland Rijnland. De provincie geeft aan dat het zoekgebied op de kaart behoort tot één van de technisch best beoordeelde gebieden. Hiervoor is gebruik gemaakt van de uitkomsten van de OER en botsproeven.
UITWERKING LOCATIE IA.03.HR Voor gemeente Nieuwkoop is dit uitgangspunt niet in lijn met de feiten en analyses die in de OER zelf zijn vastgelegd, noch met de lokale werkelijkheid in de betreffende polder. In eerdere brieven aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten en in de gezamenlijke brief van RES-regio Holland Rijnland, heeft gemeente gemotiveerd waarom zoekgebied IA.03.HR niet geschikt is voor windenergie. De concept herziening van het omgevingsbeleid geeft geen aanleiding om dit standpunt te herzien. Argumenten om zoekgebied 3 als zoekgebied windenergie te schrappen 1. Zoekgebied 3 ligt tegen de in aanbouw zijnde woonwijk Buytenwech Noord aan Het zoekgebied ligt op ongeveer honderdvijftig meter van deze toekomstige wijk. De provincie schrijft in haar eigen omgevingsbeleid dat bij de selectie van zoekgebieden windenergie rekening moet worden gehouden met bestaande en geplande woningbouw en met de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. In dit geval zou de plaatsing van hoge windturbines op een dermate korte afstand tot een nieuwe woonwijk leiden tot een aantasting van woon- en leefklimaat. Denk hierbij aan geluidhinder, gezondheidsklachten en waardevermindering van woningen. De combinatie van geluidhinder, zichtbaarheid, slagschaduw en beleving maakt dat windturbines hier ruimtelijk moeilijk te verantwoorden zijn. 2. Hoogte windturbines
Voor het zoekgebied geldt nu een hoogte beperking vanuit Schiphol. Nieuwkoop ziet dit als een harde belemmering, omdat ILT heeft aangegeven geen vrijstelling te willen geven voor bouwwerken hoger dan 146 meter. Voor windturbines lager dan 146 meter zijnde verschillende omgevingseffecten zoals geluidhinder en verstoring van aanwezige ecologische waarde niet onderzocht. Naar de mening van gemeente Nieuwkoop zijn de uitkomsten van de OER dan ook niet toepasbaar op dit specifieke gebied. 3. Meer dan de helft van het zoekgebied 3 ligt in een belangrijk weidevogelgebied met Beschermingscategorie 2. Een windmolenpark beschouwt de provincie als transformatie. Transformatie in een belangrijk weidevogelgebied is uitgesloten. Weidevogels hebben open ruimte en overzicht nodig. Weidevogels mijden opgaande structuren zoals windturbines in het broedgebied vanwege de dreiging van predatoren. Daarbij zijn weidevogels, met name de kieviten en plevieren, erg gevoelig voor aanvaringen met windturbines. De weidevogels zullen het belangrijke weidevogelgebied in het zoekgebied windenergie, waar in 2024 nog 112 broedparen zijn geteld door Bureau Schildwacht, mijden als voedsel-, rust- of broedgebied. Dit vormt een groot probleem voor de weidevogels in het gebied, omdat goede broedgebieden voor zulke grote aantallen als daar voorkomen, moeilijk te compenseren zijn.
Zij kunnen niet zomaar uitwijken naar een ander gebied. Weidevogelgebieden moeten aan specifieke eisen voldoen. Dergelijke gebieden zijn in Nederland steeds schaarser. De provincie heeft haar verplichting om deze soorten in Europa in stand te houden en zet in haar herziening actief in op het beschermen van weidevogels en hun leefgebieden. Een windmolenpark in een belangrijk weidevogelgebied is niet in lijn met de inbreukprocedure van Europese Commissie aan de Nederlandse overheid om meer werk te maken van het beschermen van weidevogels. De provincie staat dan ook transformatie (waaronder windmolenparken) in belangrijke weidevogelgebieden niet toe (pagina 118 Ontwerpbesluit omgevingsverordening, pagina 355 OER). Daarmee zijn windturbines in dit deel van de polder niet mogelijk. In onze zienswijze op het onderdeel Ontwerpbesluit Omgevingsverordening, onderdeel Belangrijk en kansrijk weidevogelgebied wordt ingegaan op de werkelijke weidevogelstand in het gebied. 4. Windturbines in zoekgebied 3 verstoren de vogelrijke Natura 2000 en NNNgebieden en migratieroutes van vogels Het zoekgebied ligt in de buurt van de Nieuwkoopse plassen, Ruygeborg en de Groene Jonker. In deze gebieden leven bijzondere soorten, als de purperreiger, wulp en roerdomp. De purperreiger heeft een broedkolonie in de Nieuwkoopse plassen.
Deze reigers – maar ook - lepelaars, meeuwen en smienten vliegen dagelijks van hun rustgebied naar omringende voedselgebieden. Deze soorten worden verstoord als er in het gebied windturbines komen. Daarbij hebben soorten als buizerd, torenvalk, bruine kiekendief, slechtvalk, kerkuil en ransuil veel last van windturbines. Deze zijn voor hun voedselvoorziening ook aangewezen op het open weidelandschap. De OER stelt dat de verstoringseffecten op deze natuurgebieden nog niet volledig in beeld zijn, maar desondanks wordt IA.03.HR als kansrijk zoekgebied gepresenteerd. In het licht van de ambitie om natuur te beschermen en biodiversiteit te versterken, is dit vanuit het perspectief van gemeente Nieuwkoop moeilijk te rijmen. 5. Windturbines in zoekgebied 3 staan haaks op het beleid van de provincie ter behoud van het open landschap in het Groene Hart In uw uitwerking, op pagina 423 in de OER, geeft u aan dat met name de grote openheid een aandachtspunt is en dat windturbines een nieuw beeld van de polder zouden creëren. Juist het behoud van de openheid van het Groene Hart is door Provinciale Staten in de motie “Zuinig op het Groene Hart” (M-1801) als kernwaarde vastgesteld.
Het toelaten van windturbines van de schaalgrootte die in de OER wordt gehanteerd, zou deze kernwaarde aantasten, terwijl alternatieve vormen van opwekking, zoals zorgvuldig ingepaste zonnevelden, de landschappelijke kwaliteiten wel respecteren. 6. Inconsistentie met eerdere bestuurlijke afspraken en besluitvorming
Het creëren van nieuwe mogelijkheden voor windlocaties in het Groene Hart is naar het oordeel van gemeente Nieuwkoop niet in lijn met eerdere bestuurlijke afspraken en vastgestelde beleidskaders. Gemeente Nieuwkoop hanteert de RES 1.0 als richtinggevend voor de regionale energietransitie binnen Holland Rijnland en voor de uitvoering binnen de eigen gemeente. Deze RES 1.0 vormt, voor alle ondertekenaars, de enige bestuurlijk bindende afspraak over de regionale opgave. 6.1 Afwijking van de provinciale uitgangspunten bij RES 1.0 Bij het vaststellen van de RES 1.0 op 16 juni 2021 heeft de provincie Zuid-Holland zelf expliciet toegevoegd dat: • •
windenergie in het Groene Hart slechts mogelijk is als uitbreiding van bestaande locaties en nieuwe windlocaties moeten aansluiten bij grootschalige infrastructuur of bedrijvigheid, en bovendien bovenregionaal moeten worden afgewogen.
Het voorgestelde nieuwe zoekgebied IA.03.HR voldoet niet aan deze voorwaarden: a. In de OER – waarop locatie IA.03.HR is gebaseerd – is geen bovenregionale afweging door de provincie zichtbaar. b. Locatie IA.03.HR betreft een volledig nieuw zoekgebied zonder bestaande turbines of eerdere planvorming. 6.2 Afwijking van de afspraken uit paragraaf 6.5 van de RES 1.0 In paragraaf 6.5 van de RES 1.0 is onder meer vastgelegd dat: • • •
beperkingen die op de opgave drukken, niet eenzijdig kunnen worden weggenomen; indien zoekgebieden afvallen, het regionale bod evenredig wordt verlaagd en er sprake moet zijn van een evenwichtige verdeling van opgaven binnen de regio.
Tegen deze achtergrond signaleert gemeente Nieuwkoop meerdere knelpunten: d. Door IA.03.HR als nieuw zoekgebied op te nemen, gaat de provincie voorbij aan het bestaande beleid en de uitgewerkte plannen van gemeente Nieuwkoop voor dit gebied. e. In andere delen van de regio zijn diverse zoekgebieden inmiddels afgevallen. Conform RES 1.0 had dit moeten leiden tot een herijking van het regionale bod, maar dit is niet gebeurd. De provincie hanteert het oorspronkelijke bod als motivatie voor het toevoegen van nieuwe zoekgebieden. f. De nieuwe zoekgebieden leiden ertoe dat circa 80% van de regionale windopgave in drie oostelijke gemeenten komt te liggen. Dit staat haaks op het afgesproken principe van een evenwichtige regionale verdeling. 6.3 Participatie en maatschappelijk draagvlak Bij de totstandkoming van de RES 1.0 is gebruikgemaakt van de landelijke Handreiking 1.1, waarin wordt benadrukt dat de energietransitie ingrijpende gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving en dat bewonersparticipatie essentieel is voor maatschappelijk draagvlak. Gemeente Nieuwkoop heeft – ondanks de beperkingen tijdens de coronaperiode – een uitgebreid participatietraject georganiseerd bij de opstelling van de RES 1.0. Voor de nieuwe provinciale zoekgebieden is gemeente Nieuwkoop echter niet bekend met een gelijkwaardig participatieproces. g.
Het onvoldoende toepassen van gedragen participatieprincipes bij een ingrijpende beleidswijziging ondermijnt het bestaande draagvlak voor de energietransitie en kan het vertrouwen van inwoners aantasten.
6.4 Impact op lopende regionale en lokale investeringen Op basis van de RES 1.0 heeft gemeente Nieuwkoop ingezet op de realisatie van 80 hectare zonne-energie (op daken en veldopstellingen). Deze plannen bevinden zich inmiddels in een vergevorderd stadium; naar verwachting kunnen in het eerste kwartaal van 2026 samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten tussen en ontwikkelaars en de gebiedscoöperatie. h. Een eenzijdige wijziging van het provinciale beleid ten aanzien van windturbines in het Groene Hart kan negatieve gevolgen hebben voor de bereidheid van betrokken partijen om te blijven investeren in zonne-energie, en daarmee reeds gedane substantiële investeringen onder druk zetten. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
•
•
zoekgebied 3 (IA.03.HR, polder Nieuwkoop) van de kaart Zoekgebieden Windenergie te verwijderen, omdat dit gebied in een belangrijk weidevogelgebied ligt nabij vogelrijke natuurgebieden, de migratie van vogels ernstig verstoord, grenst aan de in ontwikkeling zijnde woonwijk Buytenwech Noord, er bouwhoogtebeperkingen gelden vanwege Schiphol, de landschappelijke kernwaarden van het Groene Hart onevenredig raakt en schade veroorzaakt aan het woon- en leefklimaat rondom het gebied; zoekgebied 3 (IA.03.HR, polder Nieuwkoop) van de kaart Zoekgebieden Windenergie te verwijderen omdat met het éénzijdig toevoegen van dit zoekgebied bestaande bestuurlijke afspraken worden geschonden, de bestaande samenwerking tussen provincie en gemeente op het gebied van de energietransitie geen recht wordt gedaan en het draagvlak voor de energietransitie bij de bevolking zou kunnen schaden; vast te leggen dat in de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie geen windlocaties worden ontwikkeld in de directe invloedssfeer van Buytewech Noord en andere bestaande of geplande woonwijken in gemeente Nieuwkoop.
Luchtvaartbeperkingen en veiligheid De OER geeft een uitgebreid beeld van de bouwhoogtebeperkingen die voortkomen uit de nabijheid van civiele en militaire luchthavens, radarstations en navigatiesystemen. In het bijzonder geldt dat in delen van de provincie, waaronder de omgeving van gemeente Nieuwkoop, restrictievlakken van toepassing zijn die een harde bovengrens aan de bouwhoogte stellen. Voor het gebied IA.03.HR betekent dit dat de maximale tiphoogte van windturbines op 146 meter ligt. In de OER worden de mogelijkheden voor windturbines echter beoordeeld met een referentieturbine met een ashoogte van 160 meter, een rotordiameter van 160 meter, een tiphoogte van 240 meter en een vermogen van 5,6 megawatt. Voor deze referentievariant zijn de effecten op veiligheid, leefomgeving, landschap en natuur onderzocht. In de OER wordt expliciet aangegeven dat overlappen tussen zoekgebieden en harde hoogtebeperkingen als niet kansrijk worden beoordeeld. Desondanks worden de gebieden IA.01.HR en IA.03.HR in de toelichting op de OER en de ontwerp Omgevingsvisie alsnog gepresenteerd als technisch best beoordeelde gebieden, met de redenering dat mogelijk lagere turbines kunnen worden toegepast.
Daarmee wordt de systematiek van de OER in feite omgedraaid: een gebied dat voor de onderzochte referentieturbine als niet kansrijk geldt vanwege harde hoogtebeperkingen, wordt toch aangemerkt als kansrijk door uit te gaan van niet onderzochte, middelgrote turbines. Voor gemeente Nieuwkoop levert dit meerdere problemen op. De OER biedt geen onderbouwd inzicht in de effecten van middelgrote turbines op luchtvaartveiligheid, radarwerking, geluid, slagschaduw, natuur en landschap. Er is alleen gerekend met de referentieturbine. Hiermee kunnen de uitkomsten van de OER niet zonder meer worden
gebruikt als basis om te concluderen dat middelgrote turbines in gebieden met hoogtebeperkingen wél mogelijk zijn. Daarbij schuift de provincie de bewijslast voor luchtvaartveiligheid en technische haalbaarheid in belangrijke mate door naar initiatiefnemers, terwijl de OER zelf stelt dat overlappen met harde hoogtebeperkingen als niet kansrijk moeten worden aangemerkt. Dit is met het oog op rechtszekerheid en zorgvuldig bestuur een ongewenste situatie voor zowel gemeenten als initiatiefnemers. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
•
•
duidelijk in de omgevingsvisie op te nemen dat de in de OER gehanteerde referentieturbine leidend is voor de beoordeling van kansrijkheid en dat middelgrote turbines met andere afmetingen niet als impliciet alternatief mogen dienen zonder dat hun effecten afzonderlijk zijn onderzocht; vast te leggen dat – voor dit onderdeel - gebieden die in de OER vanwege hoogtebeperkingen als niet kansrijk beoordeelt, niet in de kaart Zoekgebieden Windenergie worden opgenomen, tenzij na aanvullend onderzoek wordt aangetoond dat luchtvaartveiligheid en radarwerking daadwerkelijk gewaarborgd zijn en te beschrijven welke onderzoeksplicht bij de provincie ligt en welke rol voor initiatiefnemers is weggelegd, zodat de bewijslast niet eenzijdig op gemeenten en marktpartijen wordt afgewenteld.
Bescherming weidevogelgebieden in relatie met windenergie (zoekgebied 3) In de botsproeven die onderdeel uitmaken van de OER wordt onderkend dat er een botsing optreedt tussen nieuwe zoekgebieden voor windenergie en weidevogelgebieden. Windturbines kunnen negatieve effecten hebben op weidevogels, onder meer door verstoring, verlies van leefgebied en verhoogde predatiekansen. In de OER wordt dit als botsingpunt beschreven en wordt aangegeven dat voor botsende gebieden uitzonderingsbepalingen zijn en/of kwalitatieve compensatie mogelijk is. De formulering hiervoor is terug te vinden in de herziening van de omgevingsverordening. Het gebied IA.03.HR ligt in een polder waar nog steeds substantiële aantallen weidevogels voorkomen. In eerdere kaarten had een deel van deze polder een beschermingsstatus als belangrijk weidevogelgebied. In het nieuwe regime is die aanduiding aangepast, terwijl de praktijk laat zien dat de weidevogelstand nog steeds van betekenis is.
Meer dan de helft van zoekgebied 3 ligt in belangrijk weidevogelgebied De provincie heeft aangegeven zich uitsluitend te baseren op het onderzoek van Van der Goes en Groot. Telgegevens van agrarische collectieven zijn daarbij slechts gebruikt wanneer gebiedsdekkende tellingen ontbraken en beschikbaar waren. Het lijkt erop dat de provincie alleen de ruwe tellingen van de collectieven ontvangt en niet het volledige rapport. De Agrarische Natuurvereniging De Hollandse Venen heeft Gemeente Nieuwkoop toestemming gegeven om hun – door Bureau Schildwacht uitgevoerde – rapport te gebruiken. Dit onderzoek is in dezelfde periode uitgevoerd als dat van Van der Goes en Groot. Hoewel de kwaliteit van laatstgenoemd bureau niet ter discussie staat, zijn de verschillen tussen beide onderzoeken aanzienlijk. Van der Goes en Groot heeft uitsluitend gebieden onderzocht die op de oude kaart uit de jaren ’90 als beschermingscategorie 2 zijn aangemerkt. In de tussentijd kunnen weidevogels echter ook elders foerageer-, rust- of broedgebied hebben gevonden. Bureau Schildwacht heeft deze omliggende percelen wel meegenomen. Dit leidt tot grote verschillen in de resultaten: Van der Goes en Groot telt 16 broedparen, terwijl Schildwacht in dezelfde periode 112 broedparen vaststelt. Agrariërs, grondeigenaren en vogelaars herkennen zich nadrukkelijk in het beeld dat Schildwacht schetst.
Opvallend is dat Schildwacht meer
veldbezoeken heeft uitgevoerd en tevens een alarmtelling heeft meegenomen, iets waar het rapport van Van der Goes en Groot niet over rapporteert. Gemeente Nieuwkoop concludeert daarom dat het rapport van Schildwacht een betrouwbaarder en actueler beeld van de feitelijke situatie geeft. Dit betekent dat het gebied meer dan 30 broedparen per 100 hectare bevat, waarmee het onder het nieuwe provinciaal beleid kwalificeert als belangrijk weidevogelgebied en zijn beschermingscategorie 2-status dient te behouden. Gemeente Nieuwkoop vindt dat beleid moet worden gebaseerd op de actuele, feitelijke situatie in het gebied en dat ruimtelijke opgaven zorgvuldig naast elkaar moeten worden afgewogen. Nieuwkoop is voorstander van kwalitatieve compensatie van weidevogels, zoals eerder aan de provincie gemeld, en waardeert dat dit instrument is opgenomen in het provinciaal beleid. Wanneer echter sprake is van een zeer hoog aantal broedparen en grote negatieve effecten op de weidevogels, acht de gemeente transformatieprojecten – waaronder windenergie – in deze gebieden niet mogelijk. Dit sluit aan bij het provinciale beleid, waarin transformatie in belangrijke weidevogelgebieden wordt uitgesloten (OER p. 355 en ontwerpverordening p. 118). In de polder Nieuwkoop zouden windturbines een te grote en onomkeerbare impact hebben, waardoor compensatie binnen het gebied feitelijk niet uitvoerbaar is.
Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
• •
• •
te motiveren waarom de eerdere beschermingsstatus van delen van de polder Nieuwkoop als belangrijk weidevogelgebied is vervallen, en daarbij actuele monitoringsgegevens – inclusief het rapport van Bureau Schildwacht – mee te nemen; het gebied in de polder Nieuwkoop (deels in gebied 3) op basis van het rapport van Bureau Schildwacht aan te wijzen als belangrijk weidevogelgebied en de beschermingsstatus te behouden; de kaarten in de OER (p. 355–356) aan te passen en voor zoekgebied 3 vast te leggen dat windturbines niet kansrijk zijn vanwege de ligging in een belangrijk weidevogelgebied en de niet-mitigeerbare negatieve effecten. In de OER-tabellen dient de kleurstelling daarom rood te worden in plaats van oranje; vast te leggen dat in of direct grenzend aan weidevogelrijke gebieden, zoals de polder Nieuwkoop, geen zoekgebieden voor windenergie worden aangewezen gezien de cumulatieve effecten op weidevogels, leefgebied en predatie en geen uitzonderingsbepalingen op te nemen in de Verordening die het belang van windenergie boven het behoud van weidevogels plaatsen.
Zoekgebied 1 en 2 voor windenergie (IA.01.HR en IA.02.HR) In de kaart met Zoekgebieden Windenergie zijn zoekgebieden 1 en 2 opgenomen. Deze zijn in de OER aangeduid als IA.01.HR en IA.02.RH binnen de RES-regio Holland Rijnland. De gebieden liggen in buurgemeente Kaag en Braassem en behoren volgens de provincie tot de technisch best beoordeelde gebieden. Vanwege de impact van deze gebieden op de gemeente Nieuwkoop nemen we dit mee in onze zienswijze.
UITWERKING LOCATIE IA.01.HR
UITWERKING LOCATIE IA.02.HR Argumenten om zoekgebieden 1 en 2 als zoekgebied windenergie aan te passen 1. Windturbines in zoekgebied 1 belemmeren mogelijk woningbouwontwikkeling bij Langeraar De ontwikkeling van windturbines in dit zoekgebied kan belemmerend werken op woningbouw aan de westkant van Langeraar. De provincie moet namelijk toestemming verlenen voor woningbouw buiten de rode contouren. 2. Windturbines in zoekgebied 1 en 2 kunnen impact hebben op de welzijn en gezondheid van inwoners in en rondom Langeraar
Windturbines in een omvang zoals geschetst in bovenstaande figuur tast het woon- en leefklimaat aan van inwoners in en om Langeraar (o.a. effecten van geluidhinder op omwonenden, waardevermindering van woningen en aantasting woonomgeving). De combinatie van geluidhinder, zichtbaarheid, slagschaduw en beleving maakt dat windturbines op deze grootte schaal hier ruimtelijk niet te verantwoorden zijn. 3. Windturbines in zoekgebied 1 en 2 staan haaks op het beleid van de provincie ter behoud van het open landschap in het Groene Hart Het behoud van de openheid van het Groene Hart is door Provinciale Staten in de motie “Zuinig op het Groene Hart” (M-1801) als kernwaarde vastgesteld. Het toelaten van windturbines van de schaalgrootte die in de OER wordt gehanteerd, zou deze kernwaarde aantasten. 4. Een lijnopstelling langs een rechtlijnige grote provinciale weg is landschappelijk te prefereren boven een grootschalige clustering in het open landschap De zoekgebieden bevinden zich in een open polderlandschap dat deel uitmaakt van het Groene hart. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging, in lijn met de voorkeursopstelling uit de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 waarin de voorkeur wordt gegeven aan lijnopstellingen langs grootschalige infrastructuur zoals de N11, A4 en A44. De gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
de schaalgrootte van de voorgestelde zoekgebieden 1 en 2 (IA.01.HR en IA.02.HR) aan te passen aan de omvang zoals opgenomen in de Lokale Energie Strategie van de gemeente Kaag en Braassem met als uitgangspunt een lijnopstelling langs de N207. Wij vragen u daarbij rekening te houden met het algemeen maatschappelijk belang én het meewegen van de bredere maatschappelijke opgaven rondom de door u beoogde zoekgebieden, waaronder de woningopgave in en rondom Langeraar, zoals het 'straatje erbij' waarover wij met u in gesprek zijn, en het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Groene Hart.
Zonne-energie en RES-opgave Voor gemeente Nieuwkoop ligt de kern van de bijdrage aan de regionale duurzame elektriciteitsopgave in zonne-energie. Dit is na uitgebreide participatie met inwoners en lokale ondernemers door de raad vastgesteld; juist omdat grootschalige opwek van windenergie in de gemeente Nieuwkoop niet ruimtelijk inpasbaar lijkt. Tijdens het traject van RES 1.0 heeft gemeente Nieuwkoop een intensief participatieproces doorlopen, waarbij inwoners, lokale ondernemers, energiecoöperaties en overheden (waaronder de provincie) hun inbreng hebben gegeven. Dit proces heeft geleid tot een beleidskader zonne-energie met zoekgebieden zonne-energie. In het beleidskader staan ruimtelijke en maatschappelijke voorwaarden (waaronder lokaal eigendom), ontwerpprincipes, landschappelijke criteria en behoud van natuurwaarden. Gemeente Nieuwkoop is nu in de afrondende fase om met zonne-exploitanten, grondeigenaren en de Gebiedscoöperatie Nieuwkoop te komen tot een gebiedsgerichte aanpak met ruimte voor natuur en lokaal eigendom. Het beleidskader zonne-energie geeft de kaders voor de ontwikkeling. De borging van dit beleid komt terug in een samenwerking tussen zonne-exploitanten en de Gebiedscoöperatie Nieuwkoop. In deze overeenkomst is opgenomen dat: • •
projecten voldoen aan het gemeentelijke beleidskader zonne-energie; er gewerkt wordt vanuit een Energiegemeenschap;
• •
er gestreefd wordt naar 50% lokaal eigendom door inzet van Gebiedscoöperatie Nieuwkoop en er een gebiedsgerichte benadering wordt gevolgd waarbij rekening wordt gehouden met natuur, bodem, water en landschappelijke inpassing.
Volgens planning wordt de Green Deal in het eerste kwartaal van 2026 getekend en zullen de eerste projecten binnen deze Deal in 2026 worden opgestart. Bovengenoemde aanpak ziet gemeente Nieuwkoop als een concreet voorbeeld van de provinciale ambitie om duurzame energieopwek te koppelen aan zorgvuldig ruimtegebruik, natuurinclusiviteit, participatie en lokaal eigendom. Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: • •
in de Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma gemeente Nieuwkoop de ruimte biedt voor haar strategie om op een verantwoorde wijze zonne-energie op te wekken en het beleidskader zonne-energie gemeente Nieuwkoop en de samenwerking tussen zonne-exploitanten en de Gebiedscoöperatie Nieuwkoop in de toelichting te beschouwen als voorbeeld van de provinciale beleidslijn rond lokaal eigendom en gebiedsgerichte energiegemeenschappen.
Compensatieregels weidevogelgebieden in relatie met zoekgebieden zonne-energie In de herziening van de Omgevingsverordening zijn nieuwe kaarten voor belangrijk en kansrijk weidevogelgebied opgenomen en is in artikel 7.43j een compensatieplicht vastgesteld. Daarnaast regelt artikel 7.76a dat zonnevelden in door Provinciale Staten aangewezen RES-zoekgebieden in beginsel zijn uitgezonderd van compensatie, tenzij de locatie vóór de herziening als belangrijk weidevogelgebied was aangemerkt. Wel blijft gelden dat bij de locatiekeuze van zonnevelden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige weidevogels, ook wanneer geen formele compensatieplicht geldt. Voor Gemeente Nieuwkoop is relevant dat één locatie binnen het zoekgebied voor zon in de polder eerder als belangrijk weidevogelgebied was aangeduid, maar in de nieuwe kaarten niet langer als belangrijk of kansrijk wordt beschouwd. Monitoring bevestigt dit beeld: op deze locatie komen minder dan 15 broedparen per 100 ha voor. Door de huidige formulering van de artikelen 7.43j en 7.76a bestaat onduidelijkheid of in dergelijke situaties een volledige compensatieplicht geldt, dan wel dat kwalitatieve compensatie of natuurversterking volstaat.
Gemeente Nieuwkoop gaat ervan uit dat het nieuwe regime leidend is en dat voor locaties in RES-zoekgebieden die niet langer als (kansrijk) weidevogelgebied zijn aangeduid, geen zware compensatieplicht geldt, mits natuurinclusieve maatregelen worden getroffen. Voor zonnevelden in kansrijke weidevogelgebieden begrijpt Gemeente Nieuwkoop artikel 7.43j, lid 1 en 2 aldus dat ontwikkeling mogelijk is mits kwalitatieve compensatie wordt toegepast, waarbij de omvang in redelijke verhouding moet staan tot de verloren waarden. Kwalitatieve compensatie ziet volgens de gemeente op: • • •
het borgen van de openheid richting belangrijke weidevogelgebieden, zodat predatoren worden ontmoedigd en rust- en broedgebieden blijven functioneren; het verbeteren van habitatcondities door plas-drasvoorzieningen en kruidenrijk grasland; het blijvend borgen van adequaat beheer via weidevogelregelingen tussen agrariërs en provincie;
•
deze punten sluiten aan bij artikel 7.43j, lid 4, waarin wordt bepaald dat bij het omgevingsplan in elk geval weidevogeldichtheid, graslandgebruik, waterhuishouding, openheid en rust worden betrokken.
Gemeente Nieuwkoop verzoekt de provincie om: •
•
• • •
in de toelichting bij artikelen 7.43j en 7.76a te verduidelijken hoe moet worden omgegaan met locaties die voorheen als belangrijk weidevogelgebied golden maar volgens de nieuwe kaarten daarbuiten vallen, en wanneer volledige, beperkte of uitsluitend kwalitatieve compensatie aan de orde is; te bevestigen dat zonnevelden binnen RES-zoekgebieden die niet langer als belangrijk of kansrijk weidevogelgebied zijn aangemerkt, zijn uitgezonderd van zware compensatieplichten, mits aantoonbaar rekening wordt gehouden met aanwezige weidevogels; op te nemen dat actuele monitoring leidend is voor de beoordeling van de noodzaak en omvang van compensatie; te verduidelijken dat de verwijzing naar “op dat moment niet opgenomen als belangrijk weidevogelgebied” niet leidt tot een starre toepassing van compensatieplichten wanneer de feitelijke ecologische situatie is veranderd; uit te spreken dat grootschalige zonne-energie in kansrijke weidevogelgebieden die tevens RES-zoekgebied zijn, mogelijk is via kwalitatieve compensatie conform artikel 7.43j, lid 4.
Weging energiebelang bij grote ontwikkelingen De provincie wil een energietoets uitvoeren om de gevolgen voor het energiesysteem mee te nemen bij het toelaten van grote ruimtelijke ontwikkelingen in Omgevingsplannen. In de toelichting somt zij allerlei deelvragen op die betrekking hebben op het netbeheer. Ook stelt zij dat het wenselijk is dat deze partijen (initiatiefnemer, netbeheerder, betrokken overheden) in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan over de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling en of en hoe deze past in de bestaande en geplande energie-infrastructuur. Nieuwkoop ziet het nut van vroegtijdige afstemming met bovengenoemde partijen, maar vindt een ‘verplicht’ advies van GS over de weging van energie op grote energieprojecten een te zwaar instrument. Dit is namelijk primair een taak van de netbeheerder. Als de netbeheerder geen mogelijkheden ziet om een groot energieproject op haar net aan te sluiten, of als de ontwikkelaar te weinig doet om netstabiliteit voor elkaar te krijgen, dan zal deze ontwikkeling niet doorgaan of ernstig vertragen. De netbeheerder voert zelf ook al een nettoets uit. Deze nettoets maakt deel uit van de afweging om een aansluiting toe te laten.