7 - quickscan flora en fauna
Tekst van het document
broed
BURO SRO B.V. T.a.v. dhr. R. Van der Made ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Datum
28 september 2021 (herzien 30 november 2021)
Kenmerk
BE/2020/925/r
Uw kenmerk
Email d.d. 10 september 2021
Auteur(s)
ing. L. Pieterman
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
Quickscan Wet natuurbescherming Blokland 41 & 41a te Nieuwveen Aan de Blokland 41 & 41a te Nieuwveen zijn twee agrarische bedrijfspercelen met bedrijfsopstallen en monumentaal voorhuis gesitueerd. De bedrijfsopstallen bestaan uit drie stallen, een hooimijt en een loods. De bedrijfsopstallen zijn sinds enige tijd niet meer in agrarisch gebruik. Het voorhuis valt buiten de beoogde ontwikkeling. De initiatiefnemer is voornemens een stal (‘4’ in figuur 3) op de planlocatie te slopen, een stal (‘1’) te renoveren en de hooimijt (‘2’) te transformeren naar een theehuis. Stal ‘1’ is tegen het monumentale voorhuis gesitueerd, echter zal het monumentale voorhuis niet gewijzigd worden binnen de beoogde ontwikkeling. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Daarnaast is een bestemmingsplanwijziging beoogd voor een gedeelte aan de noordzijde van Blokland 41a. Hierbij wordt ‘Bedrijf’ omgezet naar ‘Natuur’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.
Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke? Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Blokland 41 & 41a (figuur 1). De planlocatie bestaat uit twee agrarische bedrijfspercelen. Op de percelen zijn vijf bedrijfsopstallen gesitueerd die bestaan uit drie stallen, een hooimijt en een loods.
Binnen de beoogde ontwikkeling dient een stal (‘4’) gesloopt te worden, een stal (‘1’) gerenoveerd te worden en wordt de hooimijt (‘2’) getransformeerd naar een theehuis. Stal ‘1’ is tegen het woonhuis gesitueerd. Het woonhuis blijft echter ongewijzigd tijdens de beoogde ontwikkeling. De renovatiewerkzaamheden aan de te renoveren stal (‘1’) betreffen het plaatsen van een nieuwe vloer, het vervangen van het dak, het isoleren van gevels en het plaatsen van nieuwe kozijnen. Bij de transformatie zal de hooimijt voorzien worden van een onderheide vloer, een nieuw dak en de gevels worden dicht gezet met kozijnen om een binnenruimte te creëren. Daarnaast wordt aan de noordelijke zijde van de planlocatie een gedeelte van het weideperceel omgezet van de functie ‘Bedrijf’ naar ‘Natuur’. De hooimijt is geheel opgetrokken uit golfplaat ondersteunt door een houten frame. De golfplaten dakbedekking is niet op dakbeschot gesitueerd. De te renoveren stal ‘1’ is opgetrokken uit halfsteense muren zonder spouw en is bedekt met een golfplaten dakbedekking welke op dakbeschot is gesitueerd. De te slopen schuur ‘4’ is opgetrokken uit houten rabatdelen en beschikt over een golfplaten dakbedekking welke niet op dakbeschot is gesitueerd. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. De planlocatie is gelegen naast de N231. Op een afstand van circa 1,5 km ten noorden van de planlocatie stroomt de Amstel.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Blokland 41 & 41a (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van een stal (‘4’), het renoveren van een stal (‘1’) en het transformeren van een hooimijt (‘2’) naar theehuisje. Stal ‘3’ zal als ontbijtruimte in gebruik worden genomen. Gezien deze reeds gerenoveerd is worden er geen bouwkundige aanpassingen verricht aan dit gebouw binnen de beoogde ontwikkeling. Aan de noordelijke zijde van de planlocatie wordt een gedeelte weideperceel omgezet naar natuur. De functie van de planlocatie dient te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ en van ‘Bedrijf’ naar ‘Natuur’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
3
slopen stal (‘4’): algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; renoveren stal (‘1’); algemene renovatiewerkzaamheden; transformatie hooimijt (‘2’): algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: H.W. van der Laan B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 september 2021 en is uitgevoerd door ing. L. Pieterman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie.
Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree
5
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland, de Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Voor werkzaamheden in dergelijk gebied dient een ontheffing op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland voorhanden te zijn. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Voor werkzaamheden in belangrijk weidevogelgebied en groene buffer geldt dit ontheffingsregime niet, maar geldt wel een compensatieplicht.
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebieden en groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
6
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie bestaat uit twee agrarische bedrijfspercelen waarbij veel verharding aanwezig is. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen kruidige soorten betreffen: grote brandnetel, paardenbloem, klimop en zachte ooievaarsbek. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, noordse woelmuis, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de noordse woelmuis geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De noordse woelmuis leeft voornamelijk in hogere grasachtige vegetatietypen, waarbij er voldoende variatie in vegetatie aanwezig dient te zijn (BIJ12 kennisdocument Noordse woelmuis, 2017). Binnen de beoogde ontwikkeling is sprake van het slopen van een stal (‘4’), het renoveren van een stal (‘3’) en het transformeren van een hooimijt. Hierbij worden geen groenstructuren aangetast.
Gezien de dichtstbijzijnde waarneming van de noordse woelmuis op een afstand van circa 1,7 km ten noorden van de planlocatie is gelegen, kunnen negatieve effecten op de soort uitgesloten worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, huismuis, huisspitsmuis en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis (NDFF 2011-2021).
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
7
Binnen de beoogde ontwikkeling worden geen werkzaamheden aan bomen verricht. Derhalve worden geen (potentiële) verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aangetast. De te ontwikkelen bebouwing op de planlocatie is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw is het voor vleermuizen onmogelijk om in de te saneren stal (‘4’) een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Onder de golfplaten dakbedekking is wegens natuurlijke ventilatie onder golfplaat, van onder tot boven de nok, geen stabiel microklimaat aanwezig, waardoor er geen voor vleermuizen geschikte ruimte aanwezig is.
Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het voorkomen van soorten als gewone grootoorvleermuis is niet bekend uit de omgeving. Ook zijn er geen sporen van vleermuizen aanwezig in de te slopen (‘4’) en de te renoveren stallen (‘1’). Op de planlocatie zijn tevens katten aanwezig. In de stallen rustende gewone grootoorvleermuizen lopen een erg groot predatierisico op, waardoor het voorkomen van de soort niet wordt verwacht. Het voorkomen van gewone grootoorvleermuis kan derhalve uitgesloten worden. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Binnen de beoogde ontwikkeling worden geen groenstructuren verwijderd. Er zal derhalve geen sprake zijn van een aantasting van essentieel foerageergebied. In de luwte van opgaande bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden.
De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 20112021). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad in de afgelopen 5 jaar komt voor op een afstand van circa 1,5 km ten zuiden van de planlocatie. In de afgelopen 3 jaar is de rugstreeppad niet waargenomen in de nabije omgeving. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond.
De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel is geen geschikt leefgebied voor de rugstreeppad aanwezig op de planlocatie. Tijdens de beoogde ontwikkeling kan echter geschikt leefgebied (c.q. vergraafbare grond) ontstaan. Gezien de afstand tussen de planlocatie en de dichtstbijzijnde waarneming wordt kolonisatie van de rugstreeppad niet verwacht. Maatregelen omtrent de rugstreeppad zijn derhalve niet noodzakelijk.
8
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Binnen de beoogde ontwikkeling worden geen werkzaamheden aan sloten of andere waterlichamen verricht. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2011-2021).
De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. Waardplanten zijn iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten worden gebruikt (Vlinderstichting grote vos, 2020). Op de planlocatie zijn geen iepen aanwezig en er si geen sprake van bos of bosrijke gebieden in de directe omgeving. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Het voorkomen van grote vos, en negatieve effecten op de soortgroep, zijn derhalve uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan is tijdens het veldbezoek enkel de kauw waargenomen. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De te renoveren stal ‘1’ beschikt over een golfplatendakbedekking welke op dakbeschot is gesitueerd. De ruimte tussen de golfplatendakbedekking en het dakbeschot is groot genoeg voor de huismus om te gebruiken als mogelijke nestlocatie. Het voorkomen van nestlocaties van de huismus op het dakbeschot van stal ’1’ kan derhalve niet uitgesloten worden. De groenstructuren op de percelen van de planlocatie kan daarbij gebruikt worden als mogelijk functioneel leefgebied. Deze structuren zullen niet verwijderd worden binnen de beoogde ontwikkeling. Om de mogelijke aanwezigheid van nestlocaties van de huismus dient een aanvullend huismusonderzoek plaats te vinden (zie Vervolgstappen). De te slopen stal ‘4’ en nabij gelegen schuur ‘2’ beschikken niet over dakbeschot waardoor huismussen geen plek hebben om een nest op te bouwen. De naastgelegen stal ‘3’ beschikt over isolatiemateriaal onder de golfplaten waardoor geen ruimte voor nestlocaties aanwezig zijn. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Wegens de afwezigheid van geschikte invliegopeningen en de lage aanvliegroute kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
9
In de bebouwing zijn geen sporen van uilen (c.q. braakballen, veren en krijtsporen) met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Waarnemingen van kerkuil en steenuil zijn in de omgeving niet bekend (NDFF 2011-2021). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Het gedeelte van het perceel welke een ‘Natuur’ bestemming dient te krijgen is mogelijk geschikt als foerageergebied voor roofvogels. Echter worden geen fysieke aanpassingen aan dit gedeelte gedaan. Negatieve effecten op roofvogels kunnen derhalve uitgesloten worden. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormen voor algemene broedvogels, zoals duiven, geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
10
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 5,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ (figuur 4).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een stal (‘4’), het renoveren van een stal (‘1’) en de transformatie van een hooimijt naar theehuis (‘2’). Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.
Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (5,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
11
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers. Op een afstand van circa 1,1 km ligt het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van circa 500 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). De planlocatie is circa 11 km verwijderd van de dichtstbijzijnde Groene buffer.
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, de Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
12
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend huismusonderzoek uitgevoerd te worden. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Groene buffers. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS stikstofberekening is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (cat. 5)
Tabel 3
Artikel 3.1
Ja Nee
Nestlocatie(s)
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
5,5 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1,1 km
Geen
N.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
500 m
Geen
N.v.t.
Groene buffer
11 km
Geen
N.v.t.
Tabel 4
13
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Nee
N.v.t.
Bomen
Ja
Nee
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te renoveren stal ‘1’ een relevante functie heeft voor huismussen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsveranderingaan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie Het slopen van een stal (‘4’), het renoveren van een stal (‘1’) en het transformeren van de hooimijt (‘2’) aan de Blokland 41 + 41a te Nieuwveen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Voorafgaande de ontwikkeling dient echter de mogelijke functie van stal ‘1’ voor de huismus onderzocht te worden.
Vervolgstappen Voor het renoveren van stal ‘1’ dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
14
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Noordse woelmuis Microtus oeconomus arenicola, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. L. Pieterman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
De te transformeren hooimijt wordt momenteel gebruikt als opslag.
Figuur 2
De te slopen stal ‘4’ beschikt niet over dakbeschot waardoor er geen nestlocaties voor de huismus aanwezig zijn.
18
Figuur 3
De stal ‘3’, welke behouden blijft binnen de beoogde ontwikkeling, beschikt over isolatiemateriaal onder het golfplaat waardoor geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn voor de huismus.
Figuur 4
Ondanks dat de stal ‘1’ in beperkte mate voorziet in nestlocaties voor de huismus, kunnen nestlocaties niet geheel uitgesloten worden.
19
Figuur 5
Stal ‘3’ zal zonder bouwkundige aanpassingen in gebruik worden genomen als ontbijtruimte.
Figuur 6
Binnenzijde van stal ‘3’.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
20
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
21
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
22