CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

22. Actualisatie natuurtoets

Besluitvormende raadsvergadering 16 december 2021, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Aanvraag Verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de bouw van een restaurant met bovenwoning aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden (2021-109)14.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Actualisatie toetsing Wet Natuurbescherming Realisatie restaurant Noordse Dorpsweg 2, Noorden 15 maart 2021, Hippolytushoef

Opdrachtgever:

Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl

Bureau Aandacht Natuur

Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 3 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 7 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 7 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…....… blz. 9 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 10 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 10 3 Resultaten soortbescherming ….…..………..…………..………………….. blz. 11 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………..... blz. 11 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 11 3.3 Zoogdieren...…………………………………………….…………………...... blz. 13 3.4 Amfibieën……..……………………..……………………….……………….... blz. 13 3.5 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 14 4 Resultaten gebiedsbescherming.…..………..…………..………………….. blz. 15 4.1 Verstorings- en verslechteringstoets Natura 2000 gebied…………........ blz. 15 4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)..…………………….…………………...... blz. 24 4.3 Overige aspecten gebiedsbescherming….....…………….…………...….... blz. 25 5 Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 26 5.1 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 26 5.2 Toetsing gebiedsbescherming…..…………..……….…………………...... blz. 28 5.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz.

30 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 31 Bijlage 1: Toelichting Wet Natuurbescherming Bijlage 2: Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck Bijlage 3: Vleermuiswaarnemingen 2017 per veldronde

1

Bureau Aandacht Natuur

1. Inleiding In opdracht van , eigenaar van het Plashuis en de westelijke helft van de Binnenpolder, is in 2017 een toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming uitgevoerd voor de nieuwbouw en exploitatie van een restaurant aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden (figuur 1). Met betrekking tot het onderdeel gebiedsbescherming is destijds tevens een Verstorings- en verslechteringstoets uitgevoerd (Bureau Aandacht Natuur, 28 sept. 2017), gezien de aard van de activiteit ten opzichte van de ligging tot het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck.

Figuur 1. Ligging van het beoogde restaurant aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden

Ten behoeve van het onderdeel soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming heeft op 9 mei 2017 een verkennende veldonderzoek plaatsgevonden en in de zomer van 2017 een vleermuisonderzoek in verband met de voorgenomen sloop van het bestaande sportviscentrum, het Plashuis. Dit rapport betreft een actualisatie van het uitgevoerde onderzoek in 2017. Hiervoor heeft op 22 januari 2021 opnieuw een verkennend onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van het veldonderzoek aangevuld met (recente) literatuurgegevens en eventuele veranderingen in de wetgeving worden hieronder besproken. 1.1 Aanleiding en doel Het bestaande sportviscentrum, het Plashuis aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden verkeerd in slechte staat en is aan vervanging toe. In een eerder stadium is een plan voorgesteld om een nieuw plashuis te bouwen aan de Prolkade te Noorden en op de plek van het Plashuis, ter compensatie van de kosten een woning te realiseren op de locatie van het Plashuis. Wegens grote weerstand bij omwonenden en betrokken partijen is afgezien van dit plan en zal de bestaande horeca gelegenheid in het plashuis worden opgewaardeerd door de bouw van een restaurant op de betreffende locatie.

2

Bureau Aandacht Natuur

In verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning en de ligging van de locatie aan het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & de Haeck en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), maken het echter noodzakelijk dat onderzocht moet worden of de voorgenomen ontwikkeling en bijbehorende werkzaamheden een negatieve invloed (kunnen) hebben op het natuurgebied en de daarin voorkomende beschermde soorten en habitattypen. In dit rapport wordt een zogenaamde “Verstorings- en verslechteringstoets” uitgevoerd. Hierin wordt onderzocht of er sprake is van negatieve effecten en zo ja, of deze significant negatief zijn. 1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn.

Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.

3

Bureau Aandacht Natuur

 Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.

Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.  Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen.

Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

4

Bureau Aandacht Natuur

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

-

 “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud.

Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij tevens verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- en/of vergunningsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is het bevoegd gezag voor de

1

De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”

5

Bureau Aandacht Natuur

aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.

6

Bureau Aandacht Natuur

2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving Op de beoogde locatie van het restaurant is het huidige sportviscentrum het Plashuis aanwezig. Het Plashuis is gelegen aan de Noordse Dorpsweg 2 aan de rand van het buurtschap Noordse Dorp te Noorden. Het Plashuis bevindt zich tussen de Noordse Dorpsweg en de plas van de zogeheten Binnenpolder en is het eerste huis aan de zuidzijde van de weg (figuur 2). Het gebouw bestaat een vrij langgerekt pand met halverwege een zijvleugel naar het oosten. Aan de westzijde is eveneens een kleine uitbouw aanwezig. De gevel aan de wegzijde ligt direct aan de doorgaande weg. De muren van het pand zijn enkelwandig en rondom gepleisterd. Verder heeft het gebouw een rieten dak met verschillende dakkapellen met een houten betimmering. Aan de achterzijde bevindt zich een bar/restaurant met uitzicht over de plas. De bovenzijde van deze gevel is betimmerd en bevat een houten balkon. Verder zijn nog enkele houten bijgebouwen aanwezig, met een enkelwandige constructie. De bijgebouwen bevatten veelal een golfplaten of bitumen dak. Aan de kade achterop het terrein bevindt zich nog een klein bijgebouw met een rieten kap. Met uitzondering van een aantal plantenbakken en een tweetal bomen, is het terrein grotendeels voorzien van een halfverharding (grind) dan wel een tegelverharding.

Rondom het terrein ligt een beschoeiing en fungeert als aanlegsteiger voor de bootjes ten behoeve van de bereikbaarheid van de visplaatsen in/aan de plas. Tevens ligt er achter het plashuis een smal eiland, welke onderdeel uitmaakt van het terrein van het sportviscentrum het Plashuis. Het eiland is middels een houten loopbrug verbonden met het terrein van het Sportviscentrum en vormt tevens een aanlegplaats voor de sportvisbootjes. Het eiland is rondom voorzien van een hardhouten beschoeiing en bevat een vaste (nacht) visstek bestaande uit een houten vlonder. Het verder eiland bestaat uit een intensief gemaaide grasmat (gazonbeheer) en bevat geen oever- of rietvegetatie. Verder staan er verspreid enkele solitaire bomen (ruwe berk en gewone es) en geknotte wilgen en elzen.

Figuur 2: Huidige situatie van Het Plashuis aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden.

7

Bureau Aandacht Natuur

Het planvoornemen bestaat uit de bouw van een restaurant met bovenwoning op de vrijkomende locatie van het sportviscentrum (figuur 3 en 4). Met betrekking tot parkeergelegenheid, zullen de benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd rondom het benodigde restaurant en zal een ondergrondse parkeerkelder worden gerealiseerd.

Figuur 3: Beoogd aanzicht van rechter zijgevel van het restaurant, gezien vanaf de plas.

Figuur 4: Plattegrond nieuwe situatie.

8

Bureau Aandacht Natuur

2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen Het projectgebied is gelegen aan het meest noordelijk deel van het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck (figuur 5), in het buurtschap Noordse Dorp. De projectlocatie ligt direct aan de plas van de Binnenpolder en ligt daarmee net buiten het Natura 2000 gebied De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck. Het gebied van de Nieuwkoopse Plassen is tevens aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), maar is iets ruimer begrenst dan het Natura 2000 gebied, waarmee het eiland en de watergang achter het Plashuis onderdeel uitmaken van de NNN grote wateren. De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. De Nieuwkoopse Plassen is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Tevens is het een belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen zoals roerdomp, purperreiger, snor en rietzanger. Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (zwartkopmeeuw, zwarte stern). Het Natura 2000-gebied bestaat uit grote veenplassen, mozaïeken van petgaten en legakkers en graslanden op veen.

Het gebied ontleent zijn internationaal beschermde status aan de broedvogels van rietmoerassen (waaronder een grote populatie van de purperreiger), het rijk ontwikkelde onderwaterleven, de grote oppervlakte aan Veenmosrietland en Moerasheide, enkele trilveenrestanten en de nabijheid van een grote kolonie meervleermuizen, die hier foerageren. (Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl).

Figuur 5. Ligging van het beoogde projectgebied (rood kader) aan de rand van het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck

Aangezien de projectlocatie in gebruik is als sportviscentrum en is ingericht voor functioneel gebruik door recreanten (sportvissers) bevat de locatie geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en heeft de locatie geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende habitattypen of kenmerkende soorten.

9

Bureau Aandacht Natuur

Tevens is de planlocatie niet gelegen in weidevogelleefgebied en is niet aangewezen als (onderdeel van) of als natuurverbinding. 2.3 Houtopstanden Eventueel te verwijderen beplanting op de projectlocatie valt binnen de bebouwde kom (Boswet), waardoor van beschermde houtopstanden geen sprake is. Er is dan ook geen sprake van strijdigheden met betrekking tot het verwijderen van houtopstanden / bomen die onder de bescherming vallen van de Wet Natuurbescherming. 2.4 Methode Op 9 mei 2017 en 22 januari 2021 heeft overdag een verkennend onderzoek plaatsgevonden aan de hierboven beschreven locatie. Het onderzoek heeft zich gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van de projectlocatie. Tevens heeft in 2017 een vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of het Plashuis wordt gebruikt als zomer- of paarverblijfplaatsen door vleermuizen en of de aanliggende plas bij het plangebied een functie heeft als vliegroute / foerageergebied voor o.a. de kwalificerende meervleermuis. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisinventarisaties (Vleermuisvakberaad NGB & Zoogdiervereniging, maart 2017).

Hiertoe zijn twee veldrondes uitgevoerd in de kraamperiode (15 mei tot 15 juli) en twee veldrondes in de baltsperiode (15 augustus tot 1 oktober), zie tabel 1. Tabel 1. Weersomstandigheden en data veldonderzoek Datum Zonsondergang/ Start einde temperatuur zonsopkomst 22-05-‘17 27-06-‘17 16-08-‘17 15-09-‘17

21:40 uur 5:20 uur 21:03 uur 19:55 uur

21:25 uur 3:20 uur 21:00 uur 21:00 uur

23:40 uur 5:30 uur 23:30 uur 23:15 uur

19°C 13oC 17oC 12°C

wind geen weinig geen geen

bijzonderheden geen geen geen Af en toe (mot)regen

Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240X, eventueel in combinatie met een Pettersson D100). Hiermee kunnen de ultrasone geluiden, die vleermuizen tijdens het vliegen uitzenden, voor het menselijk gehoor hoorbaar gemaakt worden. Indien noodzakelijk, is gebruik gemaakt van opnameapparatuur. Bij twijfel is het geluid opgenomen en geanalyseerd in het hiervoor speciaal ontworpen computerprogramma Batsound. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat maart 2017 is geactualiseerd en door DLG is goedgekeurd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Bureau Aandacht Natuur is aangesloten) voor het uitvoeren van vleermuisonderzoek. Verder is op basis van een literatuurstudie een effectenbeoordeling gemaakt en beoordeeld of beschermde soorten voor(kunnen)komen binnen het plangebied.

10

Bureau Aandacht Natuur

3. Resultaten soortbescherming In de ochtend van 9 mei 2017 en 22 januari 2021 heeft een verkennend veldbezoek plaatsgevonden aan het projectgebied. Hierbij zijn, met uitzondering van enkele vogelsoorten, geen beschermde soorten aangetroffen. 3.1 Flora Het terrein rondom het plashuis bestaat grotendeels uit een half-verharding van grind en bevat naast een aantal hagen, enkele solitaire bomen en een aantal plantenbakken geen geschikt groeiplaats voor (beschermde) plantensoorten. Aan de waterzijde van het erf is een houten oeverbeschoeiing aanwezig, waarbij eveneens geen (beschermde) plantensoorten zijn aangetroffen. De muren van het plashuis zijn verder gepleisterd en bevatten geen (beschermde) muurplanten. Op de projectlocatie zijn dan ook geen vegetatietypen aanwezig, waarbij verwacht kan worden dat beschermde soorten voorkomen. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017), zijn binnen de betreffende uurhokken (5x5km) waarnemingen bekend van de beschermde plantensoorten naaldenkervel en groenknolorchis. Het voorkomen van genoemde plantensoorten is gerelateerd aan zeer specifieke groeiplaatsomstandigheden. De Naaldenkervel is een soort van zeer extensief beheerde (wintergraan)akkers en ruderale terreinen. Groenknolorchis komt in het gebied voor in het Natura 2000 gebied de Nieuwkoops Plassen hoofdzakelijk voor in en aan de rand van veenmosrietland.

Mogelijk geschikte groeiplaatsen voor genoemde soorten ontbreken op de projectlocatie. Met de voorgenomen activiteit wordt dan ook niet verwacht dat beschermde plantensoorten zullen verdwijnen. 3.2 Vogels In de omgeving van de projectlocaties zijn enkele vogelsoorten zoals kokmeeuw, visdief, koolmees, winterkoning. merel en grote karekiet waargenomen. Met betrekking tot kokmeeuw en visdief is (2017) een kleine kolonie aanwezig op een eiland voor het plashuis en van grote karekiet (2017) is (territorium)zang waargenomen in een rietkraag ten westen van het plashuis. De andere genoemde soorten komen mogelijk als broedvogels voor in de aanwezige beplanting rondom het plashuis. Op de projectlocatie zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Op de locatie zijn geen (mogelijke) nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen. Met betrekking tot eventueel gebouw bewonende jaarrond beschermde soorten zoals huismus of gierzwaluw, bevat het gebouw en bijgebouwen geen geschikte nestgelegenheid, aangezien dakpannen of andere toegankelijke nestruimten in het gebouw ontbreken. 3.3 Vleermuizen Het Plashuis is door de aanwezigheid van een rieten dak en gepleisterde muren (zonder spouw) slechts beperkt geschikte als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen.

In verband met de aanwezigheid van een houten betimmering aan de gevel en bij dakkapellen kon een eventueel zomer- of paarverblijfplaats van vleermuizen als gewone of ruige dwergvleermuis niet geheel worden uitgesloten en heeft in 2017 een nader 11

Bureau Aandacht Natuur

onderzoek naar vleermuizen plaatsgevonden. De aanwezige bijgebouwen zijn door de enkelwandige constructie en type dakbedekking van golfplaten of plat dak niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Oude, hoge bomen (met boomholtes) ontbreken op de projectlocatie, waardoor er voor boombewonende vleermuissoorten geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Tevens heeft het nader onderzoek naar vleermuizen zich gericht op de mogelijke functie van het aanliggende plas als foerageergebied voor water- en/ of meervleermuis. De aanwezige begroeiing en waterelementen op of rondom het erf vormen verder geen lijnvormige structuren, waardoor niet wordt verwacht dat de locatie onderdeel zal zijn van een belangrijke vliegroute voor vleermuizen. In en rondom het plangebied zijn in totaal vijf soorten vleermuizen waargenomen; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en meervleermuis. Voor een volledig beeld van de vleermuiswaarnemingen in 2017 op de projectlocatie, zie bijlage 2. Met betrekking tot het Plashuis en/of bijgebouwen, zijn geen in- dan wel uitvliegende vleermuizen geconstateerd. Ook tijdens de paarperiode zijn geen paarverblijven aangetroffen in/aan de bebouwing binnen het plangebied.

Gedurende de kraamperiode zijn slechts enkele laatvliegers, rosse vleermuizen en gewone dwergvleermuizen foeragerend dan wel passerend aan of nabij het plangebied aangetroffen. Slechts enkele gewone dwergvleermuizen bleven enige tijd foeragerend rond de aanwezige boomkronen op en/of rond het terrein. Ook van laatvlieger zijn uitsluitend foeragerende dieren aangetroffen bij de open ruimtes langs de plas en het aanliggende eilandje. De waargenomen rosse vleermuizen betreffen uitsluitend enkele kortstondig foeragerende dan wel hoog boven het plangebied passerende dieren. Gedurende de paarperiode zijn grotere aantallen foeragerende vleermuizen aangetroffen en is met name gewone dwergvleermuis het meest algemeen aanwezig. Tijdens de ronde van 16 augustus zijn nog enkele foeragerende/passerende laatvliegers en een rosse vleermuis waargenomen. Deze soorten waren tijdens de veldronde van 15 september afwezig. Tijdens deze laatste ronde zijn tussen de foeragerende gewone dwergvleermuizen tevens enkele ruige dwergvleermuis kortstondig waargenomen en is een meervleermuis aan de plas gehoord. Echter was de waarneming van meervleermuis

Figuur 6. Houten betimmering aan de gevel biedt geen invliegmogelijkheden voor vleermuizen (links) en mogelijke openingen bevatten oud vuil en spinrag (rechts) en worden niet gebruikt als verblijfplaats door vleermuizen.

12

Bureau Aandacht Natuur

kortstondig en is geen foerageergedrag boven de plas waargenomen. Van een belangrijk foerageergebied van water- en/of meervleermuis boven de plas nabij het Plashuis is dan ook geen sprake. Tijdens het verkennend veldbezoek op 22 januari 2021 is Het Plashuis en bijgebouwen opnieuw beoordeeld ten aanzien van (mogelijke) verblijfplaatsen van vleermuizen. Aangezien de gevels zijn gepleisterd en de rieten kap en boeidelen goed aansluiten op de gevel, is het Plashuis nagenoeg niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Eventuele openingen zijn nogmaals goed nagelopen maar vertoonden veel spinrag en oud vuil, zie figuur 6. Aan de hand van de uitkomsten van het vleermuisonderzoek in 2017 en de uiterlijke kenmerken van het Plashuis, wordt niet verwacht dat met de voorgenomen herinrichting verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord of zullen verdwijnen. 3.4 Overige (grondgebonden) zoogdieren Op of rondom de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Naast het voorkomen van enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals huisspitsmuis en/of egel, wordt niet verwacht dat strikt beschermde zoogdiersoorten voorkomen op het erf van het Plashuis.

Op basis van de huidige verspreidingsgegeven is het voorkomen van de zwaarder beschermde (grondgebonden) zoogdieren bekend uit de omgeving van de Nieuwkoopse Plassen en betreft het voorkomen van otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis. Genoemde soorten kunnen echter op basis van hun habitatvoorkeur worden uitgesloten van de projectlocatie. Het leefgebied van noordse woelmuis en waterspitsmuis bestaat veelal uit moeras, rietland en natte, kruidenrijke graslanden. Dergelijke biotopen ontbreken binnen de planlocatie. De otter is vrij recentelijk weer aanwezig in het Nieuwkoopse Plassen gebied. Het leefgebied van deze soort bestaat uit een uitgestrekt plassen en moerasgebied met extensieve hooilanden en rietlanden. Aangezien het Plashuis is gelegen in het bebouwingslint van het buurtschap Noordse Dorp en belangrijke biotooptypen van het leefgebied van deze soorten op de locatie ontbreken, kan er vanuit worden gegaan dat het Plashuis en bijbehorend erf geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied. 3.5 Amfibieën Van de soortgroep amfibieën zijn geen dieren aangetroffen op de projectlocatie zelf. Tijdens de vleermuisronde van 22 mei 2017 is in de achterliggende Polder Zevenhoven (Noordse Buurt) kooractiviteit van rugstreeppad waargenomen. Verder is het mogelijk dat rond het Plashuis enkele algemeen voorkomende amfibieën zoals meerkikker, gewone pad en bruine kikker aanwezig zijn.

Naast rugstreeppad is tevens het voorkomen van de zwaarder beschermde soort heikikker bekend uit de omgeving van de projectlocatie (Creemers en van Delft, 2009 en telmee.nl). Aangezien de projectlocatie voornamelijk bestaat uit bebouwing en een half verharding van grind, ontbreekt geschikt leefgebied voor genoemde soorten op de projectlocatie. Het eiland aan de zuidzijde van het plashuis bestaat verder uit gazon en enkele (geknotte) bomen, waardoor ook hier geschikt leefgebied ontbreekt. Van geschikte voortplantingswateren rond het plashuis is eveneens geen sprake. De onderhavige waterelementen betreffen vaarwater (afvaart en aanmeren vissersbootjes) met een steile oeverbeschoeiing (stalen damwand of een houten beschoeiing), waarmee de planlocatie geen functie heeft voor genoemde zwaar beschermde amfibieën.

13

Bureau Aandacht Natuur

3.6 Overige beschermde soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen andere beschermde diersoorten dan hierboven genoemd aangetroffen. Andere beschermde soorten (vissen, reptielen, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht op de beoogde projectlocatie.

14

Bureau Aandacht Natuur

4. Toetsing gebiedsbescherming 4.1 Verstorings- en verslechteringstoets Natura 2000 gebied In deze paragraaf wordt onderzocht of de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect (kunnen) hebben op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck.. Op deze vraag zijn drie antwoorden mogelijk: ▪ Er is zeker geen negatief effect te verwachten. ▪ Er is een mogelijk negatief effect, maar zeker geen significant negatief effect te verwachten. ▪ Er is kans op een significant negatief effect. Met betrekking tot dit project worden de gevolgen van het beoogde festival getoetst op de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000 gebied en aan het Natura 2000beheerplan Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, juli 2016). De beoordeling van de activiteiten vindt plaats in drie stappen: 1. Bepalen of de voorgenomen activiteiten “nieuw” zijn. 2. Bepalen wat de mogelijke effecten kunnen zijn. 3. Bepalen of de kans bestaat dat de gevolgen kunnen leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de aangewezen waarden. Nieuwe activiteit In de Natuurbeschermingswet is er sprake van “nieuw” indien de activiteiten nog niet in precies dezelfde vorm (dus zonder verandering van gegevens) eerder beoordeeld zijn. De bouw van een restaurant op de locatie van het Plashuis in Noordse Dorp is niet eerder getoetst en wordt als een “nieuwe activiteit” beschouwd.

Figuur 7. Habitattypenkaart (bron: aerius.nl; 2021)

15

Bureau Aandacht Natuur

Instandhoudingsdoelstellingen Voor het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck hebben de instandhoudingsdoelstellingen betrekking op 9 habitattypen, 8 habitatsoorten, 6 broedvogelsoorten en 4 niet-broedvogelsoorten (bijlage 3). De projectlocatie is gelegen aan de rand van de Binnenpolder, gesitueerd aan de westzijde van Noordse dorp te Noorden. Hieronder worden de ecologische betekenis voor het Natura 2000 gebied verder toegelicht.  Habitattypen Met betrekking tot de kwalificerende habitattypen kan worden geconstateerd dat er in de omgeving van het Plashuis geen kwalificerend habitattype voorkomen, zie figuur 7. De dichtstbijzijnde kwalificerende habitattype betreft Veenmosrietland (H7140B) en ligt op circa 390 meter van de projectlocatie.  Habitatsoorten Van de kwalificerende habitatsoorten zijn er vier soorten te verwachten in de Binnenpolder, dit betreffen noordse woelmuis, meervleermuis, bittervoorn en kleine modderkruiper. Met betrekking tot noordse woelmuis is deze soort na 2000 vastgesteld binnen het kilometerhok van de projectlocatie (figuur 7). Geschikt biotoop voor deze soort wordt gevormd door de rietlanden, ruigtes en (kruidenrijk) grasland (juni 2015, Provincie Zuid-Holland). Op de beoogde projectlocatie ontbreekt echter geschikt leefgebied voor de soort aangezien ruigtes, riet- en moerasland ontbreekt.

Figuur 8. Verspreidingskaart noordse woelmuis en meervleermuis in de Nieuwkoopse Plassen

Met betrekking tot meervleermuis zijn er binnen het projectgebied in 2003 waarnemingen gedaan van deze soort (figuur 7). Meervleermuis is een gebouw bewonende soort, welke foerageert boven grote wateroppervlaktes. In de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck zijn de meeste meervleermuizen gesignaleerd boven het plassen- en moerasgebied. De Nieuwkoopse Plassen vormen een belangrijk jachtgebied voor kraamkolonies van de meervleermuis die op enkele kilometers afstand liggen. Aan de hand van het vleermuisonderzoek in 2017, zoals beschreven in paragraaf 3.3 is de plas van de Binnenpolder nabij het plashuis van beperkte mate van belang voor meervleermuis. Met betrekking tot de verspreiding van kleine modderkruiper en bittervoorn binnen het Natura 2000 gebied de Nieuwkoopse Plassen en de Haeck zijn er weinig gegevens beschikbaar. Echter blijkt uit de verspreidingsatlas dat deze soort in alle uurhokken voorkomt (temee.nl en www.zuid-holland.vissenatlas.nl (2017)). Er kan dan ook worden

16

Bureau Aandacht Natuur

uitgegaan dat beide soorten in de Binnenpolder voorkomen, aangezien de aanwezige wateren geschikt biotoop vormen voor deze soorten. Van de soorten zeggekorfslak, gestreepte waterroofkever, groenknolorchis en platte schijfhoren is niet bekend dat zij voorkomen in de Binnenpolder. In de Nieuwkoopse Plassen en De Haeck bevindt zich één populatie zeggekorfslakken. De populatie is vitaal en bestaat vrijwel zeker uit enkele honderden dieren. De slakken leven in een verland petgat in ’t Ondiepe, het meest zuidelijke deel van het plassengebied (juni 2015, Provincie Zuid-Holland). Gestreepte waterroofkever is in 2003 opnieuw aangetroffen in een klein gebied in het centrale deel van de Nieuwkoopse Plassen (figuur 8). Groeiplaatsen van groenknolorchissen zijn voornamelijk bekend uit het oostelijk deel van het plassen- en moerasgebied en op een aantal percelen in De Haeck (juni 2015, Provincie Zuid-Holland). In de Binnenpolder zijn dan ook geen groeiplaatsen van deze soort bekend. Met betrekking tot platte schijfhoren vormen de Nieuwkoopse Plassen een belangrijk leefgebied. De waterslak komt in het gebied over een groot oppervlakte verspreid voor. Echter is de soort tijdens de onderzoeken in 2006 en 2007 niet aangetroffen in de Binnenpolder (figuur 8)

Figuur 9. Verspreidingskaarten platte schijfhoren en gestreepte waterroofkever in de Nieuwkoopse Plassen

Broedvogelsoorten Met betrekking tot de kwalificerende broedvogelsoorten ontbreekt binnen het plangebied geschikt leefgebied zoals moerasvegetaties, rietvelden en rietkragen en rietruigten. In 2015 heeft onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van rietzanger en snor (Bureau Aandacht Natuur, 10 oktober 2016) in de Binnenpolder. Aan de hand van dit broedvogelonderzoek is naar voren gekomen dat beide vogelrichtlijnsoorten niet voorkomen binnen het plangebied. Het dichtsbijzijnde territorium van rietzanger ligt op 130 meter van het Plashuis, zie figuur 10). Van snor is 1 territorium vastgesteld in de binnenpolder en bevond zich op het westelijk deel van de Binnenpolder. Tevens is met het broedvogelonderzoek in 2015 een territorium van grote karekiet aangetroffen nabij het Plashuis. Deze is tevens tijdens het veldbezoek op 9 mei 2017 vastgesteld. Ten zuidwesten van het plangebied is verder een kleine broedkolonie kokmeeuw aanwezig op het eilandje gesitueerd op 85 meter van de projectlocatie. De aanwezigheid van zwartkopmeeuwen is hier in 2017 niet vastgesteld. Broedgevallen- of territoria van de andere kwalificerende broedvogelsoorten, roerdomp, purperreiger en zwarte stern, zijn vanwege het ontbreken van geschikt biotoop en voldoende rust in het gebied, niet aanwezig.

17

Bureau Aandacht Natuur

Figuur 10. Resultaten broedvogelinventarisatie 2015

Niet- broedvogelsoorten Aangaande de kwalificerende niet-broedvogelsoorten heeft de Binnenpolder nagenoeg geen functie. Voor een slaapplaats van grote zilverreiger is er teveel onrust rondom het gebied, door de aanwezige bebouwing en verkeer. Kolgans en smient hebben veelal hun slaapplaats in het plassengebied en foerageren op de graslanden in en rondom de Nieuwkoopse Plassen. Ook krakeenden foerageren en rusten in grote aantallen op de plassen in het Natura 2000 gebied. De plas in de Binnenpolder is echter een vrij kleine plas en door zijn ligging te verstoringsgevoelig om grote groepen kolganzen, smienten en krakeenden voldoende rust te bieden. Uiteraard kan worden verwacht dat er geregeld smienten en krakeenden op de plas te vinden zijn. De omliggende rietpercelen zijn voor deze soorten geen onderdeel van het leefgebied. Mogelijke effecten van de werkzaamheden De projectlocatie is niet gelegen in het Natura 2000 gebied, waardoor er van een directe verstoring zoals oppervlakte verlies geen sprake is. Tevens bevindt de locatie zich niet tussen verschillende delen van het Natura 2000 gebied, langs een natuurverbinding of bij de complimenterende natuurgebieden aangewezen als NNN, waardoor ook van versnippering geen sprake is. De toetsing heeft dan ook met name betrekking op de externe werking van het beoogde restaurant op het aangewezen Natura 2000 gebied.

Voor de effecten bepaling van de beoogde ontwikkeling op het Natura 2000 gebied, zal er worden getoetst aan de hand van de verstoringfactoren genoemd in tabel 1.

18

Bureau Aandacht Natuur

Tabel 1. Verstoringsfactoren per habitattypen (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Ministerie van Economische Zaken)

19

Bureau Aandacht Natuur

 Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Op circa 390 meter van de projectlocatie bevinden zich in de Binnenpolder habitattypen aangewezen als veenmosrietland, welke gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Zowel in de sloop- en aanlegfase als de gebruiksfase is dan ook een toename van de stikstofemissie te verwachten. Middels een Aerius-berekening voor zowel de aanleg- als gebruiksfase (van Empel milieu advies, 17 december 2020) is de beoogde situatie voor het restaurant doorgerekend. Hieruit blijkt dat er met de aanlegfase sprake is van een geringe overschrijding van de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jr. Aangezien in de huidige situatie er reeds sprake is van bedrijvigheid, huidige exploitatie van Het Plashuis, heeft een verschilberekening plaatsgevonden (intern salderen). Hieruit blijkt dat nabij gelegen Natura 2000 gebieden geen overschrijding verkrijgen door de (extra) stikstofdepositie van het planvoornemen. Aan de hand van de gehanteerde verschilberekening zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j.  Waterhuishouding Ten behoeve van de realisatie van een nieuw restaurant aan de Noordse Dorpsweg te Noorden worden geen maatregelen genomen die een (blijvende) peilverlaging tot gevolg zullen hebben.

Met betrekking tot de waterhuishouding zal echter (bron)bemaling moeten plaatsvinden voor de realisatie van de parkeerkelder onder het restaurant. Het vrijkomende water zal hierbij in het bestaande oppervlaktewater (terug) worden geloosd. Een bronbemaling op de locatie, zal vooral zijn gericht op de directe omgeving van de parkeerkelder en geen merkbaar peilverschil geven in de aanliggende Binnenpolder. Daarbij wordt vrijkomend water teruggebracht in het oppervlakte water. Deze tijdelijk ingreep in de waterhuishouding zal dan ook niet leiden tot een blijvend significant negatief effect op de (grond)waterstand in het gebied. De beoogde locatie ligt tevens aan de rand van het Natura 2000 gebied op een scheiding van twee peilvakken. Aan de Noordzijde van de Noordse Dorpsweg is een veel lager peil aanwezig dan dat in het plassengebied. Door toedoen van dit peilverschil is er reeds lekkage van het waterpeil aanwezig uit het Natura 2000 gebied. De plas betreft verder stilstaand water, welke in verbinding staat met het verdere plassengebied. Het aanbrengen van een parkeergarage van 690 m2 direct aan de zuidzijde van deze peilscheiding zal dan ook geen effect hebben met betrekking tot verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting en verandering in de stroomsnelheid in het gebied.

 Verandering overstromingsfrequentie of dynamiek substraat De voorgestane plannen hebben geen wijziging tot gevolg met betrekking tot de overstromingsfrequenties of de dynamiek van het substraat. Het waterbeheer in de Binnenpolder zal niet veranderen ten opzichte de huidige situatie. De werkzaamheden aan het water kunnen mogelijk leiden tot vertroebeling van het water door bodemberoering. Hierbij is tijdelijk sprake van een lokale bodemberoering en vertroebeling van het oppervlakte water. Echter wordt met de werkzaamheden het bodemsubstraat niet vastgelegd of blijvend verstoord. De werkzaamheden zullen dan ook geen wijziging tot gevolg hebben op de aanwezige dynamiek binnen het watersysteem. Een (significant) negatief effect van de voorgenomen plannen op de verandering van de overstromingsfrequentie of de dynamiek van het substraat is dan ook niet aan de orde.  Verontreiniging Met de nieuwbouw van het beoogde restaurant en de bovenwoning, zal verontreiniging van bodem en (grond)water worden voorkomen. Voor de beoogde ontwikkeling wordt aan de rand van het plassengebied gebouwd. De aannemer zal aan extra bouwvoorschriften moeten voldoen om verontreiniging te voorkomen. Ook het opruimen van bouwafval zal frequent (moeten) plaatsvinden, zodat dit niet in het oppervlaktewater van de Binnenpolder terecht komt. 20

Bureau Aandacht Natuur

Voor de bouwwerkzaamheden zal tevens “schoon” zand worden aangevoerd, ten behoeve van de draagkracht van de te realiseren bebouwing. Het aan te voeren zand zal een schone grondverklaring hebben. Ook andere gebiedsvreemde grond zal aan de huidige eisen van schone grond voldoen. Aangezien de bestaande ondergrond (veen) van zichzelf al vrij rijk is aan nutriënten, wordt uitspoeling van (extra) nutriënten door het aanbrengen van gebiedsvreemd zand of grond niet verwacht. Bouwgrond bestaat veelal uit een meer draagkrachtige grondsoort (zand), welke vrij voedselarm is, waardoor uitspoeling van nutriënten niet aan de orde is. Tevens zal voor de realisatie van een parkeerkelder (bron) bemaling worden toegepast, waarbij het vrijkomende (grond) water zal worden geloosd in het oppervlakte water. Ook hierbij dient te worden nagegaan of er sprake is van vervuilde grondwater en of dit geloosd kan worden op het oppervlakte water. Verder zal het nieuwe restaurant worden voorzien van een parkeerterrein en - kelder voor bezoekers. Het terrein is middels een stalen damwandconstructie van het Natura 2000 gebied gescheiden en ook het parkeerterrein op het eiland wordt onderheid zodat wordt voorkomen dat eventueel lekkende olie/brandstof in het (grond)water terecht komt. Effecten door verontreiniging worden dan ook niet verwacht.

 Verstoring door licht, geluid en trillingen Verstoring door licht, geluid en trillingen kan met name tijdens de bouwwerkzaamheden van het nieuwe restaurant worden verwacht. De ondergrond van de beoogde locatie is onvoldoende draagkrachtig, waardoor heiwerkzaamheden noodzakelijk zijn. Verder zullen verschillende verkeersbewegingen en bouwwerkzaamheden zorgen voor verstoring door licht, geluid en trillingen. Van de in de Binnenpolder voorkomende kwalificerende soorten en habitattypen kunnen de effecten uitsluitend van toepassing zijn op de vogel- en habitatrichtlijnsoorten bittervoorn, kleine modderkruiper (geluid en trillingen), meervleermuis (verlichting) en de broedvogels snor en rietzanger (licht en geluid). Met betrekking tot de habitatrichtlijnsoort noordse woelmuis is niet bekend of deze gevoelig is voor dergelijke verstoringsbronnen en bij habitattypen is deze vorm van verstoring niet van toepassing (zie tabel 1). De verstoring van licht zal worden beperkt door in de gevoelige (voortplantings- en broed) periode geen nachtelijke werkzaamheden uit te voeren. Verstoring door licht tijdens de bouwwerkzaamheden kunnen mogelijk betrekking hebben op de (aangewezen) broedvogelsoorten rietzanger en snor en de habitatsoort meervleermuis.

De aangewezen niet-broedvogelsoorten maken slechts beperkt gebruik van de Binnenpolder, vanwege de reeds aanwezige verstoring rondom het gebied in de vorm van verkeer, woningen, straatverlichting en kassen (verlichting). De Binnenpolder is dan ook niet van heel groot belang voor overwinterende vogels (smient en kolgans). Daarbij is voor deze groep vogels voldoende alternatief voor handen, zoals het verdere plassengebied ten zuiden van Noorden. Door werkheden met felle verlichting (bouwlampen) te voorkomen, en indien noodzakelijk deze alleen buiten de gevoelige periode van de voortplanting van zowel vogels als andere diersoorten plaats te laten vinden, wordt een significant negatief effect op het Natura 2000 gebied uitgesloten. Met betrekking tot de verstoring door geluid en trillingen zijn met name hei- en transportwerkzaamheden met zwaar verkeer (dumpers en graafmachines) een verstorende factor. Met uitzondering van kleine modderkruiper en bittervoorn komen er in de directe omgeving van het plangebied geen kwalificerende habitat- en vogelrichtlijnsoorten voor die gevoelig zijn voor genoemde aspecten. Aangezien de omgeving van het Plashuis reeds in gebruik is als sportviscentrum, waarvandaan bootjes heen en weer varen, wordt niet verwacht dat de directe omgeving van het Plashuis van groot belang is voor de soorten bittervoorn en kleine modderkruiper.

De Binnenpolder is tevens niet van groot belang voor overwinterende vogels (smient en kolgans) en is voor deze groep van 21

Bureau Aandacht Natuur

vogels voldoende alternatief voor handen, zoals het verdere plassengebied ten zuiden van Noorden. De heiwerkzaamheden en het bouwrijp maken van het terrein betreffen slechts tijdelijke activiteiten, welke niet structureel gedurende een bepaalde periode plaatsvinden. Ook met het gebruik van het nieuwe restaurant is het mogelijk dat verstoring door licht, geluid en trillingen plaatsvindt. Trillingen en geluid zullen voornamelijk worden veroorzaakt door de verkeersbewegingen van en naar de projectlocatie. Deze verkeersbewegingen zullen veelal opgaan in de reeds bestaande verkeersbewegingen aan de Noordse dorpsweg. Daarbij zal het restaurant worden voorzien van een buitenterras en parkeerplaatsen aan de zijde van de Binnenpolder. Tijdens mooie zomerdagen en avonden is verstoring door geluid afkomstig van bezoekers te verwachten. Daar het terras grenst aan open water is voortplantings- en broedgebied van kwalificerende habitat- en vogelsoorten niet aanwezig in de directe omgeving van het terras. Van de kwalificerende broedvogelsoorten zijn uitsluitend snor en rietzanger aanwezig in de Binnenpolder. Nestlocaties van deze soorten bevinden zich veelal in wat bredere rietkragen en zijn niet aanwezig in de (directe) omgeving van het projecttracé.

Aan de hand van een broedvogelinventarisatie (Bureau Aandacht Natuur, 10 oktober 2016) bevindt het dichtstbijzijnde territorium van rietzanger zich op ca. 140 meter van de projectlocatie, zie figuur 10. De instandhoudingsdoelstelling voor de rietzanger hebben betrekking op het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 680 paren. Het huidige aantal broedparen ligt op dit moment hoger dan de instandhoudingsdoelstelling (provincie Zuid-Holland, juni 2015) en wordt geschat op ca. 800 tot 900 exemplaren. Ten aanzien van de broedlocatie van snor worden geen effecten verwacht, aangezien het waargenomen territorium zich buiten de invloedsferen van de beoogde activiteiten bevindt. De soort is matig gevoelig voor verstoring van (water)recreatie, maar effecten op soortniveau kan niet eenduidig worden aangetoond (Krijgsveld e.a., 23 december 2008). Gezien de ruime afstand en de hiervoor beschreven feiten omtrent de instandhoudingsdoelstelling van rietzanger, heeft de voorgenomen activiteit dan ook geen effect op het voorkomen van kwalificerende broedvogelsoorten. Verstoring door licht en geluid kan plaatsvinden door het aan- en afrijden van het verkeer op het terrein. Door een deel van de parkeergelegenheid ondergronds te situeren, wordt een deel van het af- en aan rijdend verkeer afgeschermd.

De parkeergelegenheid bovengronds dient echter zo worden ingekleed, dat de plas voldoende wordt afgeschermd. Dit kan met behulp van beplanting en indien noodzakelijk een schutting of muurtje. Hierdoor wordt voorkomen dat autolichten over het Natura 2000 gebied heen schijnen. In verband met het voorkomen van (meer)vleermuizen is tevens overeengekomen dat er op het terras en rond het restaurant gebruik zal worden gemaakt van de in figuur 10 met het

Figuur 11. Gunstige en ongunstige toepassingen van verlichting voor o.a. vleermuizen

22

Bureau Aandacht Natuur

groene vinkje aangegeven type armaturen. Indien dit in combinatie met vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige led-verlichting) (www.zoogdiervereniging.nl) wordt uitgevoerd, kan een negatief effect op (meer)vleermuizen geheel worden uitgesloten. De toekomstige armaturen op het terrein worden tevens opgeleverd met een nog nader te bepalen dim-tijd schakelscenario. Eventuele buitenverlichting aan het nieuw te bouwen restaurant dient aan deze voorwaarden te voldoen, zodat negatieve effecten op het Natura 2000 gebied worden voorkomen. Aan de hand van deze voorwaarden kan worden geconcludeerd dat ook een significant negatief effect van verlichting op/in het Natura 2000 gebied niet aan de orde is.  Optische verstoring en mechanische effecten Met name tijdens de bouw als is er sprake van verstoring door mechanische effecten en optische verstoring van het Natura 2000 gebied. Tijdens de bouw gaat het hierbij vooral om de aanwezigheid (graaf)machines, hijskranen, werkverkeer, werknemers en bijbehorende bouwactiviteiten. Het nieuwe restaurant komt op de plaats van het bestaande Plashuis. Met betrekking tot de oude locatie zal de bebouwing iets dichter bij de grens van het Natura 2000 gebied zijn gelegen.

Door exploitatie van het te realiseren restaurant en nieuwe woning, zullen tevens meer menselijke activiteiten en verkeersbewegingen aanwezig zijn aan de rand van het Natura 2000 gebied. Genoemde activiteiten zullen dan ook leiden tot (meer) optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Met uitzondering van kleine modderkruiper en bittervoorn komen er in de directe omgeving van het plangebied geen kwalificerende habitat- en vogelrichtlijnsoorten voor die gevoelig zijn voor genoemde aspecten. Aangezien de omgeving van het Plashuis reeds in gebruik is als sportviscentrum, waarvandaan bootjes heen en weer varen, wordt niet verwacht dat de directe omgeving van het Plashuis van groot belang is voor de soorten bittervoorn en kleine modderkruiper. De bouwwerkzaamheden zijn van tijdelijke aard, waarmee de mechanische effecten en optische verstoring zich beperken tot de uitvoeringsduur van het project. De duur van het project is in dit stadium van het planproces nog onduidelijk. Na realisatie is het bestaande Plashuis vervangen door een hoger en groter gebouw. Door de aanwezigheid van een parkeerkelder, zal de begane grond circa 1,5 meter boven het huidige niveau komen te liggen. Echter krijgt het gebouw een traditionele uitstraling met een zadeldak op de eerste verdieping.

In verband met de parkeerkelder en de huidige bouweisen, zal de nokhoogte op 10 meter boven het maaiveld uitkomen. Van een uitzonderlijk hoog gebouw of een uitzonderlijk kleurstelling, die tot ver in de omtrek zichtbaar zijn, is geen sprake. Tevens valt de nieuwbouw binnen de bestaande bebouwde kom van Noordse Dorp, waarmee het uiterlijk van het aanzicht veranderd, maar niet de visuele aspecten van de plas zal aantasten. Met betrekking tot meervleermuis zal de optische verstoring door de voorgestane nieuwbouw worden beperkt door gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting (zie de paragraaf verstoring licht, geluid en trillingen). De optische verstoring aangaande kleine modderkruiper en bittervoorn hebben uitsluitend betrekking op ingrepen aan het oppervlakte water. Aangaande het restaurant zal een effect vooral te maken hebben met de realisatie van de ondergrondse parkeergarage. In de huidige situatie is reeds een stalen damwand langs de oeverlijn aanwezig en wordt de locatie gebruikt als aanlegplaats voor visbootjes. Door het huidige gebruik, wordt niet verwacht dat de huidige oeverzone een belangrijk onderdeel uitmaakt als leefgebied van kleine modderkruiper en bittervoorn. Een significant negatief effect door optische verstoring of mechanische effecten ten aanzien van kleine modderkruiper, bittervoorn en meervleermuis is dan ook niet aan de orde.

 Verandering populatiedynamiek of soortensamenstelling Met de realisatie van een nieuw restaurant aan de Noordse Dorpsweg 2 kan er vanuit worden gegaan dat er geen (significant) negatief effect optreed in de soortensamenstelling 23

Bureau Aandacht Natuur

of dat er een verandering in de populatiedynamiek optreed. De ontwikkeling vindt voornamelijk plaats aan de rand van het natura 2000 gebied, waarbij (deel)populaties van beschermde soorten niet van elkaar worden gescheiden. Daarbij vormt de projectlocatie in de huidige situatie geen geschikt leefgebied voor de in het gebied aanwezige kwalificerende vogel- en habitatrichtlijnsoorten. Mogelijke gevolgen van cumulatie In dit stadium van de planontwikkeling is nog niet duidelijk in welke periode de uitvoering zal plaatsvinden en welke fasering hierin wordt aangebracht. Zodra meer bekend is over de uitvoering zal in overleg met het bevoegd gezag (provincie Zuid-Holland) worden gekeken naar eventuele cumulatie van projecten en hoe deze kunnen worden tegengegaan. 4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ondanks dat de planlocatie niet is gelegen in het Natura 2000 gebied, is een deel van het plangebied aangewezen als onderdeel van het NNN als waternatuurgebied, zie figuur 12. Het betreffende deel dat is aangewezen als NNN bevat het beheertype N04.02 Zoete plas.

Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen, breder dan 4 m en dieper dan 20 cm (gemiddelde waterdiepte) van stilstaande, of zeer langzaam stromende wateren, met fonteinkruiden, zannichellia, waterlelies, gele plomp, watergentiaan, krabbenscheer, kikkerbeet, groot blaasjeskruid, waterpesten, hoornbladen, vederkruiden, waterviolier, waterranonkels en soms ook sterrekrozen. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook in één seizoen. Omringend water zonder de genoemde soorten en de drijftillen worden daarom ook tot het beheertype gerekend.

Figuur 12. Ligging van een deel van de projectlocatie in de NNN (waternatuurgebied)

24

Bureau Aandacht Natuur

Het eiland dat bij de plannen wordt betrokken bestaat niet uit een drijftil en kan met uitzondering van het omringende water, niet tot dit beheertype worden gerekend. Voor de realisatie van parkeergelegenheid zal het eiland onderheid moet worden. Dit is tevens noodzakelijk om een vloeistof dichte vloer te creëren zodat vervuild regenwater (door bijv. lekkage van olie of brandstof) niet wordt afgevoerd naar het oppervlakte water. Verder zal het eiland worden ontsloten middels een brug aan de oostzijde van het eiland. De huidige voetgangersbrug aan de westzijde van het eiland zal hierbij verdwijnen. Voor de realisatie van het parkeereiland zullen de huidige contouren aangehouden worden en zullen er geen waterdelen worden gedempt. Hiermee is er geen sprake van een aantasting van de wezenlijk waarden en kenmerken van de huidige NNN. Aan de zuidzijde van het parkeereiland wordt een circa 2 meter brede oeverstrook aangelegd, waarbij open water zal plaatsmaken voor een oevervegetatie. In de huidige situatie bestaat de oever uit een houten oeverbeschoeiing met aanlegmogelijkheden voor de visplaatsen in de Binnenpolder, waardoor van een onderwatervegetatie nabij de oevers rond het eiland geen sprake is.

Met het toepassen van een meer natuurlijke oever worden de condities voor een onderwatervegetatie verbeterd en wordt het parkeereiland op een meer natuurlijke manier afgeschermd van het plassen gebied. De toepassing van een oevervegetatie aan de zuidzijde van het eiland zal dan ook een gunstig effect hebben op de wezenlijke waarden van de waternatuur. 4.3 Overige aspecten gebiedsbescherming De boogde plannen vinden verder niet plaats in of aan terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) een natuurverbinding of andere beschermde natuurreservaten.

25

Bureau Aandacht Natuur

5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies weergegeven ten aanzien van zowel quickscan soortbescherming en de verstorings- en verslechteringstoets gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming. Stapsgewijs wordt aangegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn en of een vergunningsaanvraag noodzakelijk is. 5.1 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten op de beoogde projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen op de beoogde projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Vogels In en rondom het plangebied zijn een aantal algemene broedvogels aangetroffen en te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden of activiteiten alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=42b630c6-4b4d-42c8-99e3-b6be40eeba9a