20230314_toelichting_NL.IMRO.0569.bpTARikclangeraar-on01- bestemmingsplan Kindcentrum De Poel
Tekst van het document
bestemmingsplan
Kindcentrum De Poel, Langeraar Gemeente Nieuwkoop
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0569.bpTARikclangeraar-on01
Datum:
2023-03-14
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. R. van der Made | Dhr. T.B. Wilde
Kenmerk Buro SRO:
SR220176
Opdrachtgever:
Gemeente Nieuwkoop
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 15 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 15 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 18 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 22 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 24
4 Omgevingsaspecten .............................................................................................................................. 26 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 26 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 27 4.3 Ecologie ............................................................................................................................................................. 34 4.4 Archeologie ....................................................................................................................................................... 36 4.5 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 38 4.6 Water ................................................................................................................................................................ 38 4.7 Duurzaamheid ...................................................................................................................................................
40 4.8 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 41
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 45 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 45 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 45 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 45 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 45 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 46
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 48 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 49 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 49 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 50 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 50
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Nieuwkoop en de maatschappelijke partners zijn voornemens om op de planlocatie aan de Langeraarseweg 86 te Ter Aar Kindcentrum De Poel (IKC) en woningbouw te realiseren. De gemeente en de maatschappelijke partners in de gemeente Nieuwkoop hebben de ambitie om in alle dorpskernen waar basisonderwijs gegeven wordt, toe te werken naar Integrale Kindcentra. Zo ook in Langeraar. Het huidige gebouw van basisschool Aeresteijn is verouderd en slecht geïsoleerd. Er is behoefte aan nieuwe huisvesting. Het Integraal Kind Centrum Langeraar en Papenveer biedt onderdak aan onderwijs, kinderopvang en peuteropvang voor alle kinderen van Langeraar en Papenveer. Daarnaast heeft het Integraal Kindcentrum een sociale functie. Naast het IKC is er ook ruimte binnen het plangebied voor de ontwikkeling van appartementen. De planlocatie is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Langeraar en Papenveer, 1e herziening' uit 2017. In dit bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemmingen 'Maatschappelijk'. Het plan past niet geheel binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan vastgesteld te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan de Langeraarseweg 84-86 in Ter Aar. Het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door bebouwing (woningen), aan de zuidzijde ligt de Langeraarseweg en aan de westzijde ligt de Heilige Adrianuskerk. Het plangebied maakt deel uit van de kadastrale gemeente Ter Aar, sectie A, percelen 7084, 4401 en 4893 met een totale oppervlakte van circa 13.500 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: gemeente Nieuwkoop)
1.3 Geldend bestemmingsplan De planlocatie ligt binnen de plangrenzen van het geldende 'Langeraar en Papenveer, 1e Herziening', vastgesteld door de raad van de gemeente Nieuwkoop op 9 maart 2017. Dit bestemmingsplan is een herziening van het bestemmingsplan 'Langeraar en Papenveer' (vastgesteld op 28 maart 2013). De gronden in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk' en de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waterstaat - Waterkering'..
6
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Geldend bestemmingsplan 'Langeraar en Papenveer', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Onder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan functies als een begraafplaats, bibliotheken, verenigingsleven en zorginstellingen. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor water, groenvoorzieningen, wegen en paden, parkeervoorzieningen en voorzieningen van algemeen nut. Voor een groot deel van de planlocatie is ook een bouwvlak opgenomen en er mogen gebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 6 m en 10 m worden opgericht. Voor de gronden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen voor het behoud en bescherming van archeologische waarden. Bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Tevens is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, waarvoor bij het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 10.000 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De realisatie van een Integraal Kindcentrum en woningen op de planlocatie is niet toegestaan binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken moet een nieuw bestemmingsplan vastgesteld worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
7
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk zal in hoofdstuk 2 het initiatief worden toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planbeschrijving beschreven. Hoofdstuk 6 omvat de economische uitvoerbaarheid. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Voor de ontwikkeling van het IKC is de keuze gemaakt om de locatie van de huidige basisschool Aeresteijn te transformeren. Op deze locatie heeft ook de voorganger van basisschool Aeresteijn gestaan. Rond 1975 is de school gesloopt en heeft deze plaats gemaakt voor de huidige basisschool Aeresteijn. De nieuwe school is zowel ten opzichte van de Langeraarseweg als ten opzichte van het Kerkplein achter de bestaande gebouwen geplaatst. Later zijn aan de omgeving van de school nieuwe woningen toegevoegd in de vorm van nieuwbouw en door de transformatie van het Sint Antonius rusthuis. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie ter plaatse van het plangebied.
Impressie huidige situatie plangebied (bron: gemeente Nieuwkoop)
9
Plangebied vanaf de Langeraarseweg (bron: Google streetview)
De school is gevestigd in de groene ruimte tussen het oude en nieuwe dorp. De school staat op een ruim schoolterrein met grote bomen en veel groen. Het is daarmee een fijne, rustige en veilige omgeving voor de school en de opvang. Tevens is er veel ruimte om te spelen, ook voor het kinderdagverblijf. Dit is een grote kwaliteit tijdens maar ook buiten schooltijd. Deze ruimte betreft zowel het school terrein aan de westzijde, maar ook het plantsoen aan de oostzijde. De nieuwe dorpsuitbreidingen zijn georiënteerd op de nieuwe woonstraten en liggen, net als de oorspronkelijke bebouwing langs het lint en het kerkplein, overwegend met hun achterzijden naar de huidige school. Het gevolg is dat de school enigszins verstopt is en geen duidelijk adres heeft. De ligging doet daarmee geen eer aan de betekenis van de school voor het dorp en de bewoners. De school kan letterlijk van alle kanten benaderd worden. Te voet vanuit de buurten, op de fiets vanuit Papenveer en met de auto vanaf de Langeraarseweg en het plein voor de kerk. De vele toegangen maken dat de school veilig en zelfstandig bereikt kan worden.
10
Onderdeel van het plangebied is ook het gebouw aan de Langeraarseweg 84. Op onderstaande afbeelding is een impressie van dit gebouw weergegeven.
Langeraarseweg 84(bron: Google streetview)
2.2 Toekomstige situatie Op de planlocatie wordt in de toekomstige situatie een nieuw Integraal Kindcentrum en woningbouw gerealiseerd. Om dit te kunnen realiseren zal de bestaande bebouwing grotendeels gesloopt worden. Dat wil zeggen dat het schoolgebouw wordt gesloopt. Het vierkante gebouw aan het kerkplein blijft behouden en wordt in de toekomst mogelijk getransformeerd naar appartementen. De gemeente Nieuwkoop heeft voor de voorliggende ontwikkeling een stedenbouwkundig kader opgesteld, waarin de opgave van deze ontwikkeling wordt uitgewerkt. Dit stedenbouwkundig kader is als bijlage bij de toelichting gevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Het primaire doel van het voorliggende plan is het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting voor het IKC Langeraar en Papenveer, waar er voldoende ruimte is voor het geven van basisonderwijs, buitenschoolse opvang en dagopvang voor 0-4 jarigen. Daarnaast moet het kindcentrum ook geschikt zijn voor medegebruik, voor aanbieders van diensten en activiteiten voor kinderen en buiten schooltijden voor bredere verenigingen en maatschappelijke organisaties. Zo moet de gymzaal bijvoorbeeld geschikt zijn voor sportactiviteiten.
In totaal wordt er beoogd om een IKC te realiseren dat voorziet in 1.759 m² bvo aan basisonderwijs (één school met 310 leerlingen) met 930 m² aan buitenruimte, circa 441 m² bvo aan kinderopvang met 204 m² aan buitenruimte en 550 m² bvo aan sport (gymzaal en toebehoren). Totaal komt dit neer op circa 2.750 m² bvo en 1.134 m² aan benodigde buitenruimte. Naast de ontwikkeling van het IKC wordt er ook woningbouw gerealiseerd in het plangebied. Het aanbod van voldoende en geschikte woningen is een belangrijke voorwaarde voor de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp. De huidige bebouwing in het plangebied is wijd en langgerekt opgezet. Door het nieuwe kindcentrum compacter te maken komt er ruimte vrij in het plangebied om woningen toe te voegen. Er is een nieuw gebouw voorzien waarin ruimte is voor maximaal 20 huurappartementen, in het middenhuur segment.
11
De navolgende afbeelding toont een situatieschets van de toekomstige situatie.
Situatieschets toekomstige situatie (bron: gemeente Nieuwkoop)
Het uitgangspunt van de ontwikkeling is dat het Integraal Kindcentrum naar het kerkplein gericht wordt. Het kindcentrum wordt gebouwd in de ruimte tussen het ontginningslint op de oude land en de nieuwbouw op het nieuwe land. De ruime en groene opzet is van belang voor spelende kinderen, tijdens en na schooltijd. Tevens levert de groene opzet een bijdrage aan de woonkwaliteit voor de aanwonende. De schooltuin heeft op deze manier ook een bijdrage aan het verminderen van hittestress en zorgt voor waterberging tijdens piekbelasting. De in het plan voorziene woningen moeten onderdak bieden aan dorpsbewoners en dragen zo bij aan de sociale veiligheid. De bereikbaarheid van het plangebied is in de huidige situatie erg goed, te voet is de basisschool van alle richtingen te bereiken. In de toekomstige situatie blijft dit behouden. Parkeren zal op dezelfde plek als in de huidige situatie worden gesitueerd, aan de Langeraarseweg en op het plein bij de kerk.
12
Onderstaande afbeelding toont de beoogde invulling van het plangebied.
Beoogde invulling van het plangebied (bron: gemeente Nieuwkoop)
Zoals op bovenstaande afbeelding is weergeven worden er twee gebouwen gerealiseerd in het plangebied, daarnaast is er veel ruimte voor een groene invulling en ruimte voor parkeren op dezelfde locatie als in de huidige situatie. Tevens wordt er een ruimte voorzien waar fietsen kunnen worden gestald. Wat de beoogde bebouwing betreft wordt het nieuwe IKC aan de westkant van het plangebied voorzien. Het IKC heeft een L-vormig bouwvolume. Waar de beide ‘poten’ van de ‘L’ bij elkaar komen bevindt zich het hoogste deel van het gebouw, zodat een gezicht aan het plein ontstaat. De hoogte van maximaal 11 meter wordt bereikt door op de eerste verdieping op deze plek de gymzaal te maken. De rest van het bouwvolume heeft een hoogte van maximaal 8 meter, wat ruimte biedt aan twee reguliere schoolverdiepingen. Het nieuwe woongebouw wordt in de noordhoek beoogd. Aan de noordzijde is de bouwhoogte begrensd tot 8 meter, wat ruimte biedt aan twee lagen. Aan de zuidzijde biedt de bouwenveloppe ruimte voor maximaal 13 meter. Dat komt overeen met maximaal vier lagen, wat de hoogte is van het tegenovergelegen gebouw plan 66 (het appartementencomplex aan de M. Waltuch-Kauffmannstraat). Onderstaande afbeelding geeft schematisch weer hoe de nieuwe volumes in het plangebied worden beoogd.
13
Vogelvlucht vanuit het zuidoosten (bron: gemeente Nieuwkoop)
14
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van nieuwe woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied raakt niet aan een van de nationale belangen van het Barro. Deze belangen zijn niet specifiek van toepassing. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
15
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van een nieuw Integraal Kindcentrum ter vervanging van de bestaande school. Daarnaast worden er maximaal 20 nieuwe woningen gerealiseerd in het plangebied. Derhalve wordt het plan gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient het plan getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Behoefte Uit de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017, die in toelichting paragraaf 3.3.2 wordt behandeld, blijkt dat er in de gemeente Nieuwkoop een behoefte aan 810 nieuwe woningen is in de periode 20172030. Uit het meer recente Integraal Woningbouwprogramma Nieuwkoop (zie toelichting paragraaf 3.4.2) blijkt dat er in de gemeente Nieuwkoop in de periode 2019-2029 een woningbouwbehoefte van 1.910 nieuwe woningen is.
Met de realisatie van ten hoogste 20 woningen wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte in de gemeente en regio. Het betreft 20 appartementen in het middenhuursegment. Tevens is er behoefte aan nieuwe huisvesting voor de basisschool en andere maatschappelijke voorzieningen in de kern Langeraar. In deze behoefte wordt voorzien met de ontwikkeling van een nieuw IKC, waarin ook ruimte is voor andere maatschappelijke voorzieningen. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is gelegen in de kern Langeraar en is daarmee dus in het bestaand stedelijk gebied. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan gerealiseerd wordt in bestaand stedelijk gebied. Daarnaast voorziet het plan in de regionale en lokale behoefte aan woningbouw en de behoefte aan huisvesting ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen.
16
3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.
het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
Planspecifiek Het plangebied ligt niet in de zone van het beperkingengebied bebouwing 4 en 5, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. Er worden vanuit het LIB geen eisen gesteld aan de aspecten geluid en veiligheid.
Uitsnede beperkingengebied bebouwing LIB (kaart 3 bijlage 3, met het plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
17
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 2 december 2022. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
2.
Ambities en sturing
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
18
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in een 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. Dit betreft een bijzonder reliëf en aardkundige waarden, onder meer strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. De richtpunten zijn dat ontwikkelingen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand houden. Waar mogelijk worden de archeologische waarden met deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De ontwikkeling wordt gerealiseerd op het lager gelegen nieuwe land. Daarmee wordt de ontstaansgeschiedenis van dit landschap in stand gehouden. Het plangebied bevindt zich daarnaast in een veencomplex. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht.
Daarnaast zijn hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen te vinden. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. In het plangebied bestaat de ondergrond uit oude zeeklei. In een aantal droogmakerijen treedt verzilting op en wordt het waterbeheer steeds lastiger. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Ontwikkelingen in de droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding. De voorgenomen ontwikkeling levert een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding door de mogelijkheden voor infiltratie. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich aan de Langeraarseweg. Dit gebied is gelegen in een droogmakerijenlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling.
Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Richtpunt voor dit type landschap is dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke
19
groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. De onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd in een dorpskern waar de ontginningslijnen niet meer als zodanig zichtbaar zijn. Ook de ruime doorzichten zijn hier niet meer aanwezig. De ontwikkeling doet dan ook geen afbreuk aan het droogmakerijenlandschap. Laag van stedelijke occupatie Op de kaart 'Laag van stedelijke occupatie' is het plangebied gelegen binnen het dorp. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. Het plangebied is gelegen in de kern van Langeraar. Met de ontwikkeling wordt qua bebouwing, architectuur en inrichting van de openbare ruimte aangesloten op de karakteristieken van het dorp. De aansluiting wordt gezocht bij het plein voor de Adrianuskerk in de opzet van het plan (zie ook stedenbouwkundig kader). 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Droogmakerij met klei in de ondergrond De droogmakerijen Wassenaarsche Polder en de Griet- en Vriesekoopsche Polder hebben een grote maat en schaal door het vrijwel ontbreken van bebouwing en opgaande beplanting. Hierdoor zijn er lange zichtlijnen. Het contrast met de gerafelde oeverlijn van de Langeraarsche Plassen en het natuurlijk gevormde Braassemermeer geeft het gebied het onderscheidende karakter. De verkaveling is bijzonder lang en smal. De droogmakerijen zijn overwegend in gebruik voor akkerbouw en veeteelt en hebben een open karakter met weinig bebouwing en beplanting. De ontwikkeling vindt plaats in de dorpskern van Langeraar. Hier ontbreken de structuren van het droogmakerijlandschap.
De ontwikkeling doet daarom geen afbreuk aan deze structuren. Kwaliteit stads- en dorpsgebied De planlocatie is deels gelegen in de historische kern van Langeraar en voor het andere behoort het tot het dorp Langeraar. De meeste dorpen zijn ontstaan langs oude ontginningsassen; veenrivieren, weteringen of wegen. In de historische kernen van de dorpen in het Hollands Plassengebied is de oorspronkelijke landschappelijke structuur goed afleesbaar in het stratenpatroon en de maat van de verkaveling. Vaak worden deze historische dorpskernen gemarkeerd door een kerktoren. Ze kennen een kleinschalig en authentiek karakter door de maat en schaal, positionering van gebouwen en materiaalgebruik. Vooral in het veengebied staan de kernen nog in verbinding met het buitengebied door oude watergangen. Behoud en versterking van de historische kernen is gewenst. Het voorliggende plan draagt hier aan bij door een nieuw Integraal Kindcentrum en woningbouw te realiseren in de dorpskern, wat goed is voor de leefbaarheid van het dorp. De nieuwe woningen sluiten aan op de vraag van de eigen bevolking. Ingesloten lint (historische dorpskern) Het lint is ingesloten door het dorp (of stad) zonder doorzichten naar het ommeland, maar is nog wel herkenbaar als lint. Vaak is de historische kern van het dorp van dit type lint.
Deze linten vormen vaak een belangrijke functionele en beleefbare verbinding tussen dorpen onderling en tussen dorpen en het landschap. Er is weinig ruimte voor ontwikkelingen door de dichtheid van het lint, tenzij bebouwing vervangen wordt. Het is wenselijk dat bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met behouden van de
20
cultuurhistorisch waardevolle ligging, maat en vorm van de lijn. Daarnaast is ook het versterken van de recreatieve bruikbaarheid van belang. De voorliggende ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door de sloop van bestaande verouderde bebouwing. De nieuwbouw sluit aan op de waardevolle ligging in de kern van het dorp, die van belang is voor de functie van een IKC in een dorp. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 2 december 2022 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een locatie in de kern van het dorp Langeraar waar nu een basisschool is gevestigd en beperkt zich tot het huidige schoolterrein. De locatie wordt herontwikkeld en er worden een nieuw IKC en nieuwe woningen opgericht. De herontwikkeling van het plangebied past bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.
21
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de planlocatie niet groter dan 3 hectare is. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Klimaatverandering In artikel 6.27a 'risico's van klimaatverandering' is opgenomen dat in een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte
Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal ruimte zijn voor het infiltreren van water. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied warmer is dan in de omgeving. Dit komt zeer waarschijnlijk omdat het plangebied grotendeels bebouwd is. De sloop en nieuwbouw in het plangebied zal niet leiden tot een dusdanig grote stijging van de temperatuur dat hittestress een probleem wordt in het plangebied. Het is mogelijk zo dat het plangebied uiteindelijk groener wordt dan in de huidige situatie. De manier waarop het onbebouwde deel van het plangebied wordt ingericht is daarbij van belang. Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. In de concrete uitwerking van de bouwplannen is het belangrijk om hier extra aandacht aan te schenken, zodat infiltratie geborgd wordt.
Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland-Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1.
Holland-Rijnland als een topwoonregio;
22
2. 3. 4. 5. 6. 7.
Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Met de ontwikkeling wordt een integraal kindcentrum (IKC) gerealiseerd. Daarnaast voorziet de ontwikkeling ook in de ontwikkeling van een aantal nieuwe woningen, in de vorm van maximaal 20 appartementen. De ontwikkeling is voorzien aan het dorpslint van de Langeraarseweg in de kern van Langeraar en sluit daarmee aan bij de concentratie van het stedelijk gebied. Tevens wordt er aangesloten bij het kernpunt 'Holland-Rijnland als een topwoonregio', waarbij er met name veel aandacht is voor de kwaliteit van de leefomgeving die passend is in de omgeving. De topwoonregio wordt gestimuleerd door het ontwikkelen van een nieuw Integraal Kindcentrum dat plek moet bieden aan alle kinderen die wonen in de omgeving van de kernen Langeraar en Papenveer. 3.3.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor de woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling.
Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 2 en 5. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een nieuw integraal kindcentrum (IKC) en maximaal 20 nieuwe woningen in de kern van Langeraar. Met de inbreiding wordt er op de planlocatie ruimte geboden aan een nieuw modern IKC en aan nieuwe woningen. Tevens wordt er ingezet op het concentreren van de bebouwing in het gebied ten opzichte van de huidige situatie, zodat er meer ruimte ontstaat voor groen in het plangebied waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In de gemeente Nieuwkoop is in de periode 2017-2022 vraag naar 540 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 270 extra woningen. Er is dus in de periode 2017-2030 een behoefte aan 810 nieuwe woningen. Uit de woonagenda komt daarnaast naar voren dat de behoefte aan het type woonmilieu voor Nieuwkoop verdeeld is over de categorieën 'dorps' en 'landelijk'. Het voorliggende plan voorziet in woningen in het middenhuursegment in een dorps woonmilieu in de kern Langeraar.
23
Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Nieuwkoop.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop De 'Omgevingsvisie gemeente Nieuwkoop' is de toekomstvisie voor de leefomgeving, waar de gemeente, inwoners, ondernemers en organisaties samen aan werken. De gemeente Nieuwkoop heeft gesprekken gevoerd over haar geschiedenis, karakter en identiteit. Hieruit is naar voren gekomen wat belangrijke waarden en kwaliteiten zijn voor het leven in de gemeente Nieuwkoop en voor de leefomgeving. Er zijn 'zeven Nieuwkoopse drijfveren' die de gemeente in de toekomst wil behouden en versterken: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Rust en ruimte; Weids landschap; Bijzondere natuur; Centrale ligging; Dorps karakter; Levendige dorpen; Saamhorigheid.
De Omgevingsvisie helpt antwoord te geven op de belangrijkste opgaven waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De opgaven zijn vertaald in drie ambities; 'gelukkige mensen', 'sterke dorpen' en 'groene toekomst'. Voor het grondgebied van de gemeente geldt dat de betekenis van de visie per gebied anders zal zijn. De visie is dan ook uitgewerkt in drie gebieden, het noorden van de gemeente, het midden van de gemeente en het zuiden van de gemeente. Planspecifiek Het voorliggende plan draagt voornamelijk bij aan de ambities 'sterke dorpen'. Om de kracht van de dorpen te behouden zijn er tot 2030 ca. 1.900 woningen nodig en tot 2040 nog eens 400 woningen. De gemeente Nieuwkoop wil dat iedereen goed en betaalbaar kan wonen, zowel starters als (jonge) gezinnen. Hierdoor blijft de bevolkingsopbouw gezond en blijven de dorpen in de gemeente levendig. Allereerst dienen de nieuwe woningen binnen de bestaande dorpsgrenzen gebouwd te worden, waardoor het landschap open blijft en niet wordt aangetast. Het realiseren van nieuwe woningen in de dorpskern is passend bij de ambitie om eerst nieuwe woningen binnen de bestaande dorpsgrenzen te bouwen. Op deze manier zorgt het voorliggende plan voor het versterken van de dorpen in de gemeente Nieuwkoop. Voor het plangebied geldt dat de bestaande (verouderde) bebouwing van de bestaande school gesloopt wordt.
Hiervoor in de plaats worden een nieuw Integraal Kindcentrum en maximaal 20 woningen gebouwd. De nieuwe woningen dragen bij aan een diverse woningvoorraad in de gemeente. Het Integraal Kindcentrum zorgt voor een sterk dorp door het behouden en clusteren van maatschappelijke voorzieningen. Gesteld kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Omgevingsvisie van de gemeente Nieuwkoop. 3.4.2 Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop De gemeente Nieuwkoop heeft met het integraal woningbouwprogramma de focus op het bouwen voor diverse doelgroepen. Het nieuwe woningbouwprogramma legt de nadruk op het specifiek bouwen van betaalbare woningen voor de doelgroepen starters, ouderen en jonge gezinnen en op het bouwen voor doorstroming. Het programma ziet op minder grondgebonden woningen en meer tweekamer- en driekamerappartementen.
24
De startdatum van het woningbouwprogramma is 1 januari 2019. Volgens de provinciale woningbehoeftecijfers geldt voor de gemeente Nieuwkoop vanaf deze datum voor een periode van 10 jaar een woningbehoefte van 1.910 woningen. Het Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop biedt een kader op basis waarvan tempo gemaakt kan worden met het bouwen van de juiste woningen op de juiste plek. Planspecifiek De bouw van maximaal 20 woningen levert een bijdrage aan de woningbehoefte van 1.910 nieuwe woningen voor de periode 2019-2029. De navolgende afbeelding toont de gewenste woningbouwprogrammering in deze periode.
Gewenste woningbouwprogrammering gemeente Nieuwkoop 2019-2029 (bron: Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop)
De maximaal 20 woningen vallen in de categorie 'Middenhuur, € 737,14 - € 975', waaruit 10% van het gemeentelijke woningbouwprogramma bestaat. Met de realisatie van het voorliggende plan kan hier voor een deel in voorzien worden. Er kan daarmee geconcludeerd worden dat het voorliggende initiatief past binnen het woningbouwprogramma en dat er woningen mogelijk worden gemaakt voor doelgroepen waar de focus op ligt. In de gemeente Nieuwkoop is tevens de Verordening woonfonds van kracht. Deze verordening heeft als doel de toegankelijkheid van de woningmarkt te bevorderen. Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij niet voldaan wordt aan het vastgestelde percentage sociale woningbouw uit het woningbouwprogramma is de ontwikkelende partij een storting aan het woonfonds verschuldigd. Mogelijk is er een storting aan het woonfonds verschuldigd voor deze ontwikkeling. Ook geldt er de Beleidsregel Nieuwkoop anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht. Op nieuwbouwwoningen met een vrij-op-naamprijs tot aan de NHG-grens past de gemeente Nieuwkoop het antispeculatiebeding en de zelfbewoningsplicht toe. Deze bepalingen gelden gedurende de eerste vijf jaar vanaf de eerste bewoning. De beoogde woningen vallen mogelijk in deze categorie. In dit geval zullen privaatrechtelijk eisen worden gesteld aan anti-speculatie en zelfbewoning.
3.4.3 Verordening doelgroepen woningbouw Nieuwkoop 2020 In de Verordening doelgroepen woningbouw Nieuwkoop 2020 zijn voor de categorieën sociale huur (< ca. € 752 p/m), middenhuur (< ca. € 975 p/m) en goedkope koop (< ca. € 200.000) de maximum prijsgrenzen, de bijbehorende doelgroepen (op basis van inkomen) en instandhoudingstermijnen bepaald. Via de doelgroepenverordening kan in bestemmingsplannen worden aangegeven hoeveel procent van de woningen een bepaalde woningbouwcategorie moet zijn. Daarvoor gelden dan ook de overige bepalingen in de verordening zoals de instandhoudingstermijn. Planspecifiek De Verordening doelgroepen is in het onderhavige geval van toepassing. Het voorliggende bestemmingsplan maakt middenhuur appartementen(< ca. € 975 p/m) mogelijk.
25
4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn voor de in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het plan voorziet in de realisatie van een IKC en van maximaal 20 woningen. Het besluit bevat zodoende een activiteit uit kolom 1 van categorie D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van een aangesloten gebied met een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Gelet op het voorgaande kan worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r opgesteld worden.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld op basis van de drie criteria die te vinden zijn in bijlage III van de Europese Richtlijn 2011/92/EU. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet herziening m.e.r.-richtlijn in werking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling een expliciet besluit moet nemen, het m.e.r.-beoordelingsbesluit.
26
1.
Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën).
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voorzien in de vervanging van een bestaande basisschool door een nieuwe onderwijsvoorziening met een aantal daaraan gerelateerde voorzieningen. Er wordt een Integraal Kindcentrum gerealiseerd. Daarnaast wordt er ook een beperkt aantal woningen op de vrijkomende grond gerealiseerd. De functiewijziging is daarmee beperkt. Zoals bovenstaand beschreven ligt de omvang ruim beneden de gestelde drempelwaarden van categorie D11.2. Daarnaast is geen sprake van cumulatie met een andere ontwikkelingen in de omgeving, is er geen sprake gebruik van natuurlijke hulpbronnen, noemenswaardige productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder of risico van ongevallen. 2.
Plaats van het project (kwetsbaarheid van het milieu in een gebied waarop het project effect kan hebben, bijvoorbeeld een natuurgebied).
Het plangebied is gelegen in de kern van Langeraar, in het stedelijk gebied, en ligt op ruime afstand van kwetsbare natuurgebieden. Tevens wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.3 voor een nadere toelichting op de effecten van het project op natuur en milieu. 3.
Kenmerken van het potentiële effect (bereik, waarschijnlijkheid, onomkeerbaarheid).
duur frequentie en
Het voorliggende plan voorziet in deels een andere functie ten opzichte van de huidige situatie, waarin er enkel een basisschool met aanverwante functies aanwezig is, door de toevoeging van woningen in het plangebied. Deze functiewijziging is van beperkte omvang, waardoor er geen significant negatieve effecten op het milieu te verwachten zijn. In toelichting hoofdstuk 4 worden de diverse milieuthema's beschouwd waaruit blijkt dat er geen negatieve effecten zijn. Ook niet voor wat betreft het bereik, de waarschijnlijkheid, de duur en frequentie van de mogelijke effecten. Er kan geconcludeerd worden dat belangrijke gevolgen voor het milieu uitgesloten kunnen worden en het voorliggende plan niet m.e.r.-plichtig is. Het bevoegd gezag kan op basis van het bovenstaande besluiten of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het bevoegd gezag zal het m.e.r.beoordelingsbesluit voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan nemen. Er is geen sprake van een bezwaar- en beroepsprocedure bij het besluit over de m.e.r.-plicht zelf. Bezwaar en beroep is mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
27
Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er deels een bestemmingswijziging plaats en worden er nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Bij een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Om deze reden is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 22-2239-R01ML, d.d. 5 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:
•
De matig baksteenhoudende kleiige ondergrond (0,5 – 0,7 m-mv, boring 110) is licht verontreinigd met minerale olie, kwik en lood.
•
De zwak slibhoudende kleiige ondergrond t.p.v. een slootdemping (0,7 – 1,0 m-mv, boring 11) is licht verontreinigd met kwik en lood.
•
De zwak baksteenhoudende zandige bovengrond (0,2 – 0,5 m-mv, MM01) is licht verontreinigd met zink, lood en PAK.
•
De visuele onverdachte zandige bovengrond (0,0 – 0,56 m-mv) is licht verontreinigd met kwik, lood (MM02) en PCB (MM03). De zandige bovengrond met een zwakke bijmenging met baksteen en koolas (0,10 – 0,50 m-mv, MM04) is licht verontreinigd met minerale olie, diverse zware metalen en PAK.
• •
De visuele onverdachte zandige ondergrond (0,5 – 1,5 m-mv, MM05) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK.
• •
De visuele onverdachte kleiige ondergrond (0,4 – 1,5 m-mv, MM06) is licht verontreinigd met kwik. De sterk metselpuinhoudende zandige ondergrond bij boring 01D en 01E (0,4 – 1,2 m-mv) is na uitsplitsing van het mengmonster licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK.
•
De zandige grond met een matige bijmenging van grind (0,3 – 1,5 m-mv, MM08) is licht verontreinigd met PAK.
• •
In het indicatieve asbestmonster is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. Het grondwater op de onderzoekslocatie is bij peilbuis 06C licht verontreinigd met barium en bij peilbuis 08 matig verontreinigd met barium en licht verontreinigd met zink.