CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

20210922_t_NL.IMRO.0569.bpNWVweteringplein-on01 (toelichting)

Meningsvormende raad I 10 februari 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Weteringplein17.561 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

Gewenste woningbouwprogrammering gemeente Nieuwkoop 2019-2029 (bron: Integraal woningbouwprogramma Nieuwkoop)

De centrumlocatie in Nieuwveen staat in het vaststaand programma met in totaal 35 sociale huurwoningen. De maximaal 50 appartementen vallen onder de sociale huur, waarbij aangesloten wordt op de behoefte aan nieuwe woningen voor de doelgroepen starters (jongeren) en senioren (ouderen). Er kan daarmee geconcludeerd worden dat het voorliggende initiatief past binnen het woningbouwprogramma en dat er aangesloten wordt op de juiste doelgroepen. 3.4.3 Doelgroepenverordening In de doelgroepenverordening zijn voor de categorieën sociale huur (< ca. € 752 p/m), middenhuur (< ca. € 975 p/m) en goedkope koop (< ca. € 200.000) de maximum prijsgrenzen, de bijbehorende doelgroepen (op basis van inkomen) en instandhoudingstermijnen bepaald. Via de doelgroepenverordening kan in bestemmingsplannen worden aangegeven hoeveel procent van de woningen een bepaalde woningbouwcategorie moet zijn. Daarvoor gelden dan ook de overige bepalingen in de verordening zoals de instandhoudingstermijn. Door dit in het bestemmingsplan op te nemen, wordt dit publiekrechtelijk vastgelegd.

28

4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn voor de in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 50 sociale huurwoningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2.

kenmerken van het project; plaats van het project;

29

3.

kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Gezien de aard en omvang van het project zullen de effecten op de omgeving beperkt zijn. Deze effecten hebben met name te maken met het verkeer en de emissies die daardoor veroorzaakt worden. Deze effecten zullen echter ook beperkt zijn. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Op basis hiervan dient geconcludeerd te worden er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan. Het opstellen van een m.e.r.(-beoordeling) zal geen verder inzicht verschaffen in de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uiterlijk op het moment van het ter visie leggen van het ontwerp-bestemmingsplan dient het bevoegd gezag een m.e.r. beoordelingsbesluit te hebben genomen.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling vindt er een bestemmingswijziging plaats en worden er nieuwe woningen gebouwd. Er dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Om die reden wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (21 juni 2021, Inventerra, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:

•

De matig puinhoudende zandige bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv, MM1 t/m MM3) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK.

•

In de zandige ondergrond zonder bodemvreemde materialen (0,5 – 1,0 m-mv, MM4) zijn lichte verontreinigingen met lood en PAK aangetoond.

•

In de zwak puinhoudende venige ondergrond (1,0 – 2,0 m-mv, MM5) zijn een sterke verontreiniging met lood en lichte verontreinigingen met zink en kwik aangetoond. In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 119) zijn licht verhoogde concentraties met barium en zink gemeten; deze worden beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden.

• •

Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is in een mengmonster een geringe hoeveelheid asbest (11 mg/kgds) aangetoond. Dit is lager dan de norm van 50 mg/kgds waarboven nader onderzoek nodig is. In beide andere mengmonsters is geen asbest aangetoond.

De aangetoonde verhoogde gehalten in de bovengrond en zandige ondergrond worden toegeschreven aan de aangetroffen bijmengingen met puin en een diffuse bodembelasting als gevolg van het langdurige historische gebruik van de locatie. De gehalten komen globaal overeen met hetgeen is vastgesteld tijdens

30

het onderzoek in 2009 en zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Het zwak puinhoudende veen in de ondergrond is sterk verontreinigd met lood. Een en ander kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van toemaakdek, ondanks dat het geen officieel geregistreerd toemaakdek gebied betreft. Toemaakdek is ontstaand doordat in de 19e eeuw op grote schaal huishoudelijk afval uit de Randstad werd gebruikt voor verbetering van de bodemstructuur en bodemvruchtbaarheid. Als gevolg hiervan is de betreffende bodemlaag veelal (sterk) verontreinigd met zware metalen. Vanwege deze aangetoonde sterke verontreiniging met lood dient formeel een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen en daarmee of sprake is van een saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming. Omdat de verontreiniging zich bevindt op een diepte vanaf 1 m-mv kan de verontreiniging echter reeds als gesaneerd worden beschouwd. PM: aanvullend bodemonderzoek volgt. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.

Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

Planspecifiek De ontwikkeling van maximaal 50 sociale huurwoningen is een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 16 µg/m³, 9 µg/m³ en 14 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. De WHO hanteert de volgende advieswaarden voor fijnstof PM10 en PM2,5:

• •

fijnstof PM10: 20 μg/m³; fijnstof PM2,5: 10 μg/m³.

Voor fijnstof PM10 en PM2,5 wordt ook voldaan aan de advieswaarden van de WHO. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

31

4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een spoor of een geluidgezoneerd industrieterrein. Wel ligt de locatie binnen de onderzoekszone van de Anne Hendrik Kooistrastraat en Kerkstraat. Zoals staat aangegeven in de GVVP 2020 van de gemeente Nieuwkoop zal in de nabije toekomst de snelheid voor deze wegen verlaagd worden naar 30 km/uur. Om te toetsen of er sprake is van 'goede ruimtelijke ordening' is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (22 september 2021, Adviesburo van der Boom, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Bij het toetsen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh. Het geluidbeleid van de gemeente bevat geen specifieke voorschriften voor het toetsen van geluid van 30 km wegen. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt in de hoogst geluidbelaste rekenpunten 61 dB zonder aftrek, dat is 56 dB na aftrek van 5 dB ex. art 110g Wgh.

Deze geluidbelasting ligt ruim lager dan de maximale hogere grenswaarde uit de Wet geluidhinder waarbij nog sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er zal daarom voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting bedraagt 61 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels bedraagt dan GA;k 28 dB. Voor de gevels van woningen met een geluidbelasting door wegverkeer van meer dan 53 dB zonder aftrek zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).

Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven

32

komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Wonen wordt gezien als een gevoelige bestemming. De planlocatie ligt in het centrumgebied van Nieuwveen met verschillende functies in de omgeving, zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel en maatschappelijk. Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan het de omgeving van het plangebied daarmee aangemerkt worden als een 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandstap. De volgende bedrijven zijn gevestigd rond het plangebied. Adres

Bedrijf/activiteit

SBIcode

Milieucategorie

Richtafstand (gemengd gebied)

Anne Hendrik Kooistrastraat 7 Anne Hendrik Kooistrastraat 13 Landgoed Ursula Dorpsstraat 9 Centrum Nieuwveen

Slagerij

4724

1

0m

Werkelijke afstand tot de woningen 20 m

Kapper

9602

1

0m

20 m

Zorginstelling

871

2

10 m

50 m

Supermarkt diverse detailhandel en horeca

471 -

1 max. 2

0m 10 m

20 m 20 m

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er voor alle bedrijven en milieubelastende activiteiten voldaan wordt aan de gestelde richtafstand van de VNG-publicatie. Voor de supermarkt geldt dat de locatie voor het laden en lossen op een dusdanige afstand van de beoogde woningen ligt dat hinder uitgesloten kan worden. Daarnaast wordt het nieuwe plein tussen de woningen en deze locatie gerealiseerd. Van geluidhinder vanwege het laden en lossen zal dan ook geen sprake zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen

33

een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Zoals op bovenstaande kaart te zien is, bevinden zich geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen in de nabijheid van het plangebied. Op een afstand van ca. 200 m ten oosten van het plangebied bevindt zich aan de Hogendijk 2 een risicovolle inrichting. Voor de bovengrondse propaantank geldt een 10-6-contour van 10 m. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Het plangebied ligt tevens niet binnen het invloedsgebied van de propaantank, die onder de werking van het Activiteitenbesluit valt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet.

34

Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van maximaal 50 nieuwe woningen en de herinrichting van de planlocatie mogelijk. Om inzichtelijk te krijgen in hoeverre de ontwikkeling mogelijk effecten heeft op beschermde soorten van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (4 mei 2021, Blom Ecologie, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Er wordt geadviseerd om de volgende maatregelen te nemen:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

35

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

•

Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of een Belangrijk weidevogelgebied en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld.

In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Om aan te tonen of de beoogde ontwikkeling een significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd (21 mei 2021, Buro SRO, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Er is voor de gebruiksfase een berekening gemaakt. Voor de berekening geldt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j naar voren zijn gekomen. Voor de bouwfase geldt dat de Wet

36

stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 in werking is getreden. Hierdoor is er een vrijstelling voor de bouw, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De aan het plangebied grenzende gronden zijn in het bestemmingsplan ‘Kernen Nieuwveen, Zevenhoven en Noordeinde’ voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Bij werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met de beoogde ontwikkeling worden deze normen overschreden.

Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (21 januari 2010, Tauw, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Binnen het plangebied werden archeologische resten uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd verwacht. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat er binnen het plangebied een ophogingspakket op de natuurlijke veenondergrond aanwezig is, waarbij de top van het veen is vergraven. De diepte/dikte van de verstoring/ophogingspakket varieert sterk binnen het plangebied van 125 tot 240 cm beneden maaiveld. In de ophoging is één fragment aardewerk aangetroffen, dat dateert uit de periode 1850 – 1950 n. Chr. De bebouwing was voor aanvang van het veldonderzoek gesloopt, zowel bovengronds als ondergronds, waardoor het ophogingspakket sterk is verstoord Daarom wordt de kans dat er binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is klein geacht. De hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd wordt bijgesteld naar laag. De lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum als voor nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen wordt gehandhaafd. Er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

37

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Nieuwveen In de omgeving van het plangebied zijn verschillende cultuurhistorische waarden aanwezig. Nieuwveen ligt in een veenweidegebied en is ontstaan uit een relatief late ontginning. De grenzen van het gebied werden in grote mate bepaald door de omliggende nederzettingen, zoals Zevenhoven en de Uiterbuurt. Nieuwveen werd als oost Rijnse nederzetting uitgegeven door de grafelijkheid van Holland en moet dateren van voor de 13e eeuw. In de droogmakerij rond Nieuwveen is de oude structuur van de verbindende wegen nog goed zichtbaar. Nieuwveen ligt hoger dan het omliggende landschap. Aan de noordzijde van Nieuwveen worden de Ooster- en de Westerpolder gescheiden door de wetering die van noordwest naar zuidoost door de drooggemaakte polders loopt. De oude wetering lag op de plek van de planlocatie, maar is in de huidige situatie nauwelijks meer zichtbaar. Om de structuur van de geschiedenis voelbaar te maken is in het ontwerp de oude wetering zichtbaar gemaakt als open ruimte tussen het hofje en het plein. De kern van Nieuwveen wordt gevormd door haaks op elkaar staande wegen, de Kerkstraat, Dorpsstraat en de A.H.

Kooistrastraat. De bebouwing heeft zich op een natuurlijke wijze ontwikkeld en kan gekarakteriseerd worden als een dorpsbebouwing. De waarde van het gebied zit hem in de afwisselende bebouwing qua architectuur, functie en ouderdom. Zeer bijzonder is de situering van de kerk aan de Kerkstraat. Hierdoor is er een markante zichtlijn recht op de kerk vanaf de hoek Dorpsstraat/Kerkstraat. De planlocatie is in de loop van de geschiedenis nogal veranderd. Het tracé van de Muggenlaan liep in het verlengde van de Kerkstraat. Daarna kwam de Muggenlaan met een knik uit op de Dorpsstraat. In de huidige situatie ligt de Muggenlaan weer in het verlengde van de Kerkstraat. De wetering is pas na de uitbreiding van de bebouwing rond 1952 uit het plangebied verdwenen. Landgoed Ursula Ten noorden van het plangebied ligt Landgoed Ursula. In 1848 is de oude pastorie met grond aan de Dorpsstraat gekocht door dominee Schoenmakers. Op deze grond liet hij een ruim herenhuis bouwen met daarbij een fraaie tuin. Tot 1932 is dit huis bewoond door de familie Sasse. Jan Sasse jr. gaf zijn ouderlijk huis de naam ‘Sassenoord’ en breidde de tuin uit door de aankoop van enkele percelen grond. Het huidige Landgoed Ursula is dankzij deze uitbreiding uitgegroeid tot een schitterend wandelbos. Het huis werd in 2005 gekocht door Woningstichting Nieuwkoop en verbouwd tot zorgappartementen.

In de jaren dertig werd het huis verkocht aan de Zusters Ursulinen, waarna het landgoed gebruikt werd door de Haagse Sint Joseph Stichting. Op de planlocatie was de Christelijke Johannes Stichting gevestigd, waaruit later nieuwe stichtingen uit voortkwamen. In de jaren '60 werd het pand van de Johannes Stichting gesloopt om plaats te maken voor woningen. Deze woningen zijn in 2008 verwijderd, waarna het terrein braak is komen te liggen. Beschermd dorpsgezicht Een gedeelte van het centrum van Nieuwveen is in 2006 door de voormalige gemeente Liemeer aangewezen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. Het betreft de Kerkstraat, de Dorpsstraat en een deel van de achter de Dorpsstraat gelegen polder. Het plangebied maakt hier onderdeel van uit. Het dorp Nieuwveen is ontstaan rond de kruising van de Kerkstraat en de Dorpsstraat. De naam Nieuwveen duidt op de relatief late stichting ten opzichte van de overige kernen in de omgeving. De dorpskern ontstond rond de dertiende eeuw en is het centrum geweest van een late ontginning van het gebied rond de Kromme Mijdrecht. Na de Tweede Wereldoorlog vonden er ten zuiden van het oude lint dorpsuitbreidingen plaats. De nieuwe bebouwing is geconcentreerd aan de westkant van de Kerkstraat. Er werd afgestapt van het principe van verdichting van de bestaande bebouwing langs de bestaande linten.

Het slopen van bebouwing is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan. Echter betreft het plangebied een braakliggend terrein en wordt er geen bebouwing gesloopt.

38

Monumentale plataan De monumentale plataan blijft behouden en wordt ingepast binnen het plan. De plataan krijgt een belangrijke plaats in het ontwerp. Op deze manier wordt een ruim plein gecreëerd dat bestaat uit twee delen: een verhard deel en direct daaraan grenzend een groen deel met daarop de monumentale plataan. De plataan komt in het groen te liggen. De twee delen vormen samen een prettige openbare ruimte waar meerder vormen van verblijf en gebruik mogelijk zijn: een bijzondere en aantrekkelijke aanvulling voor het centrum van Nieuwveen. Principes vanuit cultuurhistorie De karakteristieke ontginningsrichting van het landschap in het centrumgebied wordt door vrije ruimte tussen de woningen teruggebracht. Dit kan in de toekomst tevens een voetgangersverbinding vormen met landgoed Ursula. Door de bebouwing aan weerszijden van de lijn (oude wetering) anders vorm te geven wordt de percelering en de zichtlijnen naar het achterliggende landschap versterkt. Bij de inrichting van het plein wordt dit opgepakt door een langwerpige heesterborder als overgang tussen de woningen en de pleinruimte. Aan het lint is kenmerkende wisselende bebouwing aanwezig die wordt doorgezet bij het nieuwe hofje. De twee kopgevels (kleine korrels) liggen aan de Anne Hendrik Kooistrastraat. Met deze indeling volgt de bebouwing aan het hof het kleinschalige ritme van de bebouwing aan het lint.

De typologie van het hof wordt ondersteund door de groene inrichting, de verspreid liggende bomen en de beplanting in de berm. Het andere woongebouw is gesitueerd aan de noordzijde van het plangebied. Hiermee wordt het plein gevormd. Het gebouw aan de noordzijde ligt nog op het hogere deel van het ontginningslint. Het plein op de hoek van de Anne Hendrik Kooistrastraat en de Kerkstraat wordt begrensd door een bomenblok. Hierdoor krijgt het plein een ruimtelijke uitstraling. Ook de samenhang van het plein en de plataan wordt door het bomenblok vergroot, waarbij het plein een maat en schaal krijgt passend bij het dorp. Op 18 december 2020 heeft de centrale erfgoedcommissie Dorp, Stad en Land een erfgoed advies uitgebracht. Hieruit blijkt dat de commissie akkoord is met het voorgestelde stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan passend is binnen het beschermde dorpsgezicht.

4.6 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.6.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

39

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. 4.6.2 Beleid Waterschap Amstel Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen.

De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² extra verharding in stedelijk gebied 10 % daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. 4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Het plangebied is in de bestaande situatie vrijwel geheel onverhard. Met de beoogde ontwikkeling van de nieuwe woningen en de herinrichting van het plangebied neemt de oppervlakte aan verharding dan ook met

40

meer dan 1.000 m² toe. In de navolgende tabel staat de verhardingsbalans weergegeven, waarbij een vergelijking is gemaakt tussen de in 2008 aanwezige bebouwing en de nieuwe situatie.

Groen

Oude situatie 3.254 m²

Nieuwe situatie 1.621 m²

Verharding Bebouwing Privé tuin (onverhard) Totale toename verharding

2.604 m² 1.562 m² 0 m² -

3.601 m² 1.950 m² 248 m² -

Verschil - 1.633 m² 997 m² 388 m² 248 m² 1.385 m²

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de verhardingstoename van 1.385 m² bedraagt. Hiermee wordt de norm van 1.000 m² overschreden en is watercompensatie noodzakelijk. Binnen het plangebied is geen ruimte om de watercompensatie mogelijk te maken. Uitgaande van een compensatieplicht van 10% moet ca. 139 m² aan oppervlaktewater gecompenseerd worden. De watercompensatie vindt plaats in het peilgebied van de planlocatie op het perceel A 2605, gelegen ten noordwesten van het plangebied. Riolering en afkoppeling In het voorgenomen plan wordt er voldaan aan de ambities van het waterschap. Zo wordt het hemelwater zoveel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem en wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. De bebouwing zal aangesloten worden op het gemeentelijke rioolstelsel. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht blijkt dat een groot deel van het plangebied binnen de kernzone en beschermingszone van een regionale waterkering ligt. Volgens de keur is het verboden om zonder vergunning van het bestuur van het waterschap in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Het beoogde plan bestaat uit werkzaamheden, zoals graven en het oprichten van bouwwerken. Derhalve is een vergunning van het bestuur van het waterschap noodzakelijk.

Ter bescherming van de waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' conform de legger van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht opgenomen op de verbeelding. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Duurzaamheid Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in de Duurzaamheidagenda 'Samenwerken en Verbinden'. Dit beleid kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing. Voor kleinere projecten (minder dan 10 woningen) geldt dat de gemeente initiatiefnemers informeert over duurzaam bouwen via de Infobladen Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen. Planspecifiek Op het gebied van duurzaamheid heeft het voorliggende plan als doel een positieve bijdrage te leveren aan de doelstelling van de gemeente om in 2050 een vrijwel energieneutrale gemeente te zijn. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de BENG-normen. Dit houdt in dat er zeer energiezuinige woningen met een geringe warmtebehoefte worden gerealiseerd. Voor de woningen wordt ingezet op maximale energiebesparing door te investeren in een hoge warmteweerstand van de schil, goede kierdichting en luchtdichtheid. Daarnaast wordt ingezet op het terugwinnen van restwarmte uit ventilatielucht en stroomopwekking door zonne-energie. De zonnepanelen zullen primair ingezet worden voor de algemene voorzieningen, bijvoorbeeld voor een eventuele lift en

41

algemene verlichting. Het verwarmen van de woningen gebeurt door middel van bodemwarmtepompen. Er wordt nader onderzocht of deze individueel per woning of collectief ingezet gaan worden. Het toepassen van duurzame, onderhoudsarme materialen en installaties is het uitgangspunt. De woningen worden toekomstbestendig ontworpen, waardoor deze geschikt zijn voor een brede doelgroep. Hiermee wordt voorkomen dat er bij toekomstige wijziging van de doelgroep de bebouwing aangepast moet worden. Daarnaast is het uitgangspunt om de woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig uit te voeren. Ook wordt ingezet op het informeren van de nieuwe bewoners over het gebruik van de technische installaties en het correct en zuinig omspringen met de benodigde energie. In het kader van klimaatadaptatie krijgt de materialisering in de openbare ruimte de nodige aandacht. Hierbij kan gedacht worden aan halfverharding en het toepassen van waterdoorlatende bestrating en verharding ten behoeve van de parkeerplaatsen.

4.8 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.8.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de verkeersgeneratie die de ontwikkeling van maximaal 50 sociale huurappartementen met zich meebrengt is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Voor de stedelijkheidsgraat is uitgegaan van 'niet stedelijk' en 'rest bebouwde kom'.

In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling uiteengezet. Soort woning/functie

Aantal woningen

Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)

50

CROWverkeersgeneratie 4,1

Totale verkeersgeneratie 205

De beoogde ontwikkeling van de maximaal 50 sociale huurappartementen veroorzaakt een verkeersgeneratie van 205 voertuigbewegingen per etmaal. Met het plan wordt de Viergang aan de westzijde van het plangebied recht getrokken. Dit bevordert de verkeersveiligheid ten opzichte van de huidige situatie waarbij de aansluiting op de Anne Hendrik Kooistrastraat overzichtelijker wordt. Het parkeerterrein aan de zijde van Landgoed Ursula is ontsloten via de Viergang. Gelet op de toename van de verkeersgeneratie en het feit dat de verkeerssituatie veiliger wordt, kan gesteld worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

42

4.8.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. In 2021 wordt het nieuwe parkeerbeleid van de gemeente Nieuwkoop vastgesteld. In het voorliggende plan wordt uitgegaan van dit nieuwe parkeerbeleid. Planspecifiek Voor het parkeren op de planlocatie is door de gemeente Nieuwkoop de parkeerbehoefte bepaald (maart 2021, gemeente Nieuwkoop, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). In dit onderzoek is uitgegaan van 46 woningen, verdeeld over 23 woningen voor jongeren en 23 woningen voor senioren. De gehanteerde parkeernormen zijn als volgt tot stand gekomen. De parkeernorm van 1,4 voor starters (jongeren) komt voor uit het nieuwe parkeerbeleid. Voor een appartement voor jongeren wordt uitgegaan van een- en tweepersoonshuishoudens. Aanvankelijk was er een parkeernorm van 1,0 voor senioren voortgekomen uit een eerder gehouden enquête over autobezit onder huurders van seniorenwoningen van Woningstichting Nieuwkoop. Ook hier werd als uitgangspunt een een- en tweepersoonshuishouden genomen.

Aanvullend hierop is door Mobycon een onderzoek uitgevoerd om te kunnen onderbouwen of afgeweken kon worden van de bestaande parkeernormen voor seniorenwoningen, namelijk 1,9 parkeerplaats per seniorenwoning en 1,8 parkeerplaats per sociale huurwoning. Uit het onderzoek volgt dat een parkeernorm van 1,2 voor een seniorenwoning aangehouden kan worden. Bij de parkeernormen van 1,2 en 1,4 is een parkeerbehoefte van 60 parkeerplaatsen benodigd. Op 22 april 2021 heeft de gemeenteraad hier een besluit over genomen. Vanaf dat moment ligt de parkeernorm voor het Weteringplein al vast. Het benodigde aantal parkeerplaatsen kan niet volledig binnen het plangebied ingevuld worden. In het noordoostelijke gedeelte van het plangebied wordt een parkeerterrein met 42 parkeerplaatsen gerealiseerd. De overige 18 parkeerplaatsen dienen in de omgeving opgevangen te worden. Uit een parkeerdrukmeting van mei 2020 en januari 2021 blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied veel openbare parkeerplaatsen liggen die niet of nauwelijks gebruikt worden in de avond- en nachturen. De navolgende afbeelding toont de parkeerdruk in de omgeving.

43

Parkeerdruk in de omgeving van het plangebied (bron: Onderzoek parkeerbehoefte)

Binnen een loopafstand van 100 m rond de woningen zijn er voldoende mogelijkheden voor het parkeren in de openbare ruimte. Aan het begin van de Jan Sassestraat ten westen van het plangebied is er een parkeerstrook van 10 parkeerplaatsen die ’s avonds en ’s nachts niet gebruikt worden. Daarnaast zijn rondom het 't Liemerhof verschillende parkeerplaatsen aanwezig die buiten de tijden van de parkeerschijfzone gebruikt kunnen worden. Aan de voorzijde zijn 35 parkeerplaatsen en aan de achterzijde zijn er 25 parkeerplaatsen die in de nachtelijke uren een lage parkeerdruk hebben. Voor de 35 parkeerplaatsen aan de voorzijde geldt dat er een parkeerschijf verplicht is. Voor de 25 parkeerplaatsen aan de achterzijde geldt dit niet, waardoor deze parkeerplaatsen gebruikt kunnen worden voor langparkeren. De drie bestaande parkeerplaatsen langs de Muggenlaan (zuidoosthoek van het plangebied) worden opgeheven en opgevangen door de onbenutte parkeerplaatsen in de omgeving. Daarnaast is in het plan ruimte voor vier extra parkeerplaatsengereserveerd langs de (verplaatste) Viergang. Hier wordt in eerste instantie een groenvlak aangelegd.

44

De navolgende afbeelding toont de zoeklocatie voor de parkeerplaatsen.

Zoeklocaties parkeren in de omgeving (bron: Onderzoek parkeerbehoefte)

Conclusie Naast de 42 parkeerplaatsen die binnen het plangebied gerealiseerd gaan worden dienen de overige benodigde parkeerplaatsen (18 parkeerplaatsen) in de omgeving gezocht te worden. Uit de parkeerdrukonderzoeken blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn. De bestaande parkeerplaatsen kunnen beter benut worden. Hierdoor kunnen deze benut worden voor de parkeerbehoefte van het voorliggende plan.

45

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

46

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn onder andere bestemd voor de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen, wandel- en fietspaden, parkeervoorzieningen, speelplaatsen en speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen. Op deze gronden zijn gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 3 m en een oppervlakte van maximaal 15 m². Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor wegen met een functie voor verkeer en verblijf. Tevens zijn binnen deze bestemming onder andere groenvoorzieningen, langzaam verkeersroutes, parkeervoorzieningen, kunstwerken en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Op deze gronden zijn gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 3 m en een oppervlakte van maximaal 15 m². Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Wonen Voor het wonen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Daarnaast zijn de uitoefening van beroepen aan huis in de hoofgebouwen, een bed and breakfast en webwinkels toegestaan.

Deze gronden zijn tevens bestemd voor onder andere erven, tuinen, parkeervoorzieningen, wandel- en fietspaden, in- en uitritten en groenvoorzieningen. Voor het bouwen van hoofdgebouwen is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen. Hoofgebouwen zijn uitsluitend woningen en/of wooncomplexen met een maximaal aantal van 50 woningen. De maximale bouwhoogte staat met een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Naast de hoofgebouwen zijn bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De woningen worden voorzien van een flauwe kap met een lage dakhelling is ervoor gekozen om geen maximale goothoogte op te nemen. Waterstaat - Waterkering De gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een waterkering.

47

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=7fd0fcbc-b00c-4ab9-8cfc-d9eb771a2f2d