2021-083f Bijlage 4 Toelichting ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
Tekst van het document
Figuur 9 - Vergunde situatie 'De Sleutelbloem'. Deze vergunning is in de voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan verwerkt door middel van het opnemen van de bestemming 'Maatschappelijk' waarbij de bestemmingsomschrijving is toegespitst op de activiteiten uit de vergunning. De bestaande woning in het zuidwestelijk deel van het terrein is daarbij aangeduid als 'bedrijfswoning'. Andere vormen van maatschappelijke doeleinden en/of functies zijn niet toegestaan. Er is ook een bouwvlak opgenomen waarbinnen bedrijfsgebouwen zijn toegestaan. De omvang van het bowuvlak volgt uit de inrichtingstekening die deel uitmaakt van de vergunning (figuur 9). De contour van het bouwvlak volgt de buitenste grens van de gebouwen.
31
4.3.5
Visvijvers
Op de gronden tussen en achter Veenweg 2 en 4 is een plan ingediend voor de ontwikkeling van een nieuwe recreatieve voorziening in de vorm van een aantal visvijvers met bijbehorende voorzieningen in een gebied van circa 1,5 hectare. De toegang naar het vijvercomplex is voorzien aan de zijde van de Ir J. Nysinghweg. Hier zullen ook de parkeerplaatsen (minimaal 30) en een gebouw ten behoeve van ondersteunende functies met een omvang van maximaal 150 m2 worden gerealiseerd. Het betreft onder meer ondersteunende horeca, zodat bezoekers ter plekke iets te eten en/of drinken kunnen kopen. Daarbij wordt het gehele complex op een landschappelijke wijze ingepast, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van natuurlijke afscheidingen. Zoals ook in paragraaf 1.2 is aangegeven maakt deze ontwikkeling geen deel uit van het voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan. Omdat het initiatief in beginsel past binnen de uitgangspunten van de Inrichtingsvisie voor de Noordse Buurt en het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 20 december 2016 over dit initiatief positief heeft geoordeeld, wordt het plan volledigheidshalve wel in deze plantoelichting genoemd. Voor dit initiatief is op 13 december 2018 door de gemeenteraad een 'eigen' bestemmingsplan vastgesteld (bestemmingsplan 'Visvijver Ons Stekkie, Noordse Buurt').
Een aantal omwonenden heeft bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij uitspraak van 19 februari 2020 zijn de beroepen ongegrond verklaard en is het bestemmingsplan in werking getreden en onherroepelijk geworden.
4.4
Hoofdlijnen bestemmingsplan
4.4.1
Wonen
Omvang huiskavels en bouwregels De bestemming "Wonen" betreft in beginsel een oppervlakte van circa 1500 m2. De omvang van de woonkavels (bestemmingsvlakken 'Wonen") is afgestemd op de (particuliere) eigendomssituatie zoals die per begin oktober 2019 is aangegeven in het Geografisch Informatie Systeem GIS). De begrenzing van een aantal bestemmingsvlakken "Wonen" kan voorafgaande aan vaststelling van het bestemmingsplan - nog onderhevig zijn aan veranderingen als gevolg van de uitkomsten van een aantal aan-/verkooptrajecten die nog gaande zijn, en/of de definitieve inmeting van de desbetreffende percelen. In het kader van harmonisatie met het recent vastgestelde bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' is besloten om de maximale bouwhoogte voor woningen te verhogen van maximaal 9 meter (zoals bepaald in het voorgaande bestemmingsplan "Noordse Buurt") naar 10 meter. De maximale goothoogte blijft gehandhaafd op 6 meter. Volgens de huidige inzichten, maar ook die bij de totstandkoming van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop', is het wenselijk gebleken om de destijds gekozen systematiek van één totaal bouwvolume voor de woning inclusief privé erfbebouwing tegen het licht te houden. In de praktijk wil dit bij aanvragers namelijk wel eens tot misverstanden leiden en ook tekenaars/architecten voor ontwerpproblemen stellen.
Verder blijkt de individuele ruimtebehoefte steeds meer te groeien en rechtvaardigt de omvang en locatie van de meeste huiskavels in het Nieuwkoopse buitengebied het realiseren van een groter bouwvolume. Daarom wordt in de voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan Noordse Buurt gelijk aan het vastgestelde bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' - uitgegaan van een maximaal bouwvolume voor de woning/hoofdgebouw van 750 m3 en een separate regeling voor erfbebouwing van maximaal 80 m2 met een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 5,5 meter. Hier 'bovenop' zijn er dan nog de vergunningvrije bouwmogelijkheden. Al met al betekent dit een ruim en praktisch bruikbaar, modern en toekomstbestendig planologisch regime voor woningen c.q. woonbestemmingen.
32
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
Verplaatsing bouwkavel Eén bestemmingsvlak "Wonen" ingevolge het voorgaande bestemmingsplan "Noordse Buurt" had betrekking op een onbebouwd perceel (westelijk van de Ir J. Nysinghweg 6). Dit perceel is eigendom van de gemeente Nieuwkoop en heeft een zodanige omvang en (driehoekige) vorm dat dit minder geschikt is voor de realisering van een woning. Daarom is ervoor gekozen aan dit perceel - anders dan in het voorgaande bestemmingsplan - niet de bestemming "Wonen" toe te kennen (maar evenals de aangrenzende gronden) de bestemming "Natuur". In plaats daarvan is aan een perceel gelegen aan de Floraweg (schuin tegenover het perceel Floraweg 11) een bestemmingsvlak "Wonen" ter grootte van 1500 m2 toegekend. Er is voor deze nieuwbouwlocatie gekozen omdat (de realisering van) een woning op die locatie past binnen het stedenbouwkundige stramien van woningen langs dit deel van de Floraweg. Verder zijn de kavels inmiddels aangepast naar de nieuwe eigendomssituaties, waarbij de resterende stukjes van de woonkavels, die uiteindelijk niet binnen de particuliere eigendommen liggen, bestemd zijn naar de bestemming "Natuur". Hiermee zijn deze kavels thans in overeenstemming tot hetgeen is gekocht en ingeschreven bij het Kadaster.
Mantelzorg Mantelzorg in woningen (binnen en buiten de bebouwde kom) is veelal vergunningsvrij mogelijk (zie artikel 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht). De procedure voor gevallen waarin een (tijdelijke) pré mantelzorgwoning niet vergunningsvrij kan worden gerealiseerd, is sterk vereenvoudigd. Voor de beleidsuitgangspunten pré mantelzorg in woningen wordt er verwezen naar de Nota Ruimtelijk Beleid gemeente Nieuwkoop, vastgesteld door het college op 3 december 2019. Bedrijf- en beroep aan huis, nevenactiviteiten Tenslotte zijn de overige regels voor de bestemming "Wonen", zoals voor het voeren van een beroep of bedrijf aan huis, alsook de mogelijkheid voor ondergeschikte verblijfsrecreatieve (neven)activiteiten, zoals logies/bed & breakfast, eveneens overeenkomstig die in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' zijn opgenomen.
33
Hoofdstuk 5
Milieu- en omgevingsaspecten
5.1
Bodem
5.1.1
Beleid en regelgeving
Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Eventueel aanwezige bodemverontreiniging kan grote invloed hebben op de keuze van een bepaalde functie en/of uitvoerbaarheid van een plan. Met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van een plan kan het nodig zijn dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Dit kan een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 zijn. Dit onderzoek kan dan ook worden gebruikt ten behoeve van een verplichting voortvloeiend uit de Woningwet of de Wet milieubeheer. Op basis van artikel 8 van de Woningwet jo. de bouwverordening moet worden voorkomen dat er wordt gebouwd op verontreinigde grond. Dit om schade en/of gevaar voor de gezondheid van gebruikers te voorkomen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming op elkaar afgestemd dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek, bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wbb. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden in geval van zogeheten "spoed- of risicolocaties"). Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 5.1.2
Relatie met het plangebied
Tijdens het aankooptraject van de Noordse Buurt zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Op basis van alle bodemonderzoeken is een bodemkaart gemaakt die globaal aangeeft waar de grond plaatselijk verontreinigd is en waar niet (zie figuur 10). Voor de daarin aangegeven verontreinigde percelen geldt dat voorafgaand aan de herontwikkeling van het desbetreffende perceel een aanvullend bodemonderzoek, danwel sanering, moet plaatsvinden.
34
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
Figuur 10 - Overzicht van (deels) verontreinigde percelen, in rood weergeven, deze vallen buiten het huidige plangebied Voor de in figuur 10 rood gemarkeerde gronden, die buiten het nieuwe plangebied voor het huidige bestemmingsplan vallen, geldt overigens niet dat deze percelen zwaar zijn verontreinigd; de aanduiding heeft een 'signaalfunctie'. Wanneer een perceel is weergegeven als (deels) verontreinigd, wordt daarmee aangegeven het bodemonderzoek te raadplegen indien op deze percelen, of een deel daarvan, nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. Op basis van het reeds uitgevoerde verkennend bodemonderzoek kan worden bepaald of vervolgonderzoek en/of bodemsanering nodig is. De bijgevoegde kaart is dit kader vooral bedoeld als indicator van de bodemkwaliteit. Hierin is geen rekening gehouden met andere factoren zoals: asbesthoudende beschoeiingen; asbesthoudende opstallen; teerhoudende asfaltlagen; verontreinigde verhardingslagen; baggerkwaliteit. Deze kunnen ook reden zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij sloop en/of herontwikkeling van de individuele percelen. Zoals uit hoofdstuk 4 blijkt, wordt binnen het plangebied voor de gevoelige bestemmingen (zoals woningen) overwegend de bestaande functie vastgelegd. Het uitvoeren van een (nader) bodemonderzoek is om die reden niet nodig.
Daarbij wordt opgemerkt dat het bestemmingsplan wel het toetsingskader vormt voor eventuele toekomstige aanvragen voor omgevingsvergunningen voor bouwen. In het kader van een dergelijke vergunningsaanvraag dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie die op het perceel uitgeoefend zal worden. Dit onderzoek dient beschikbaar te zijn voor de aanvang van de bouwwerkzaamheden en mag niet ouder zijn dan vijf jaar. 5.1.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit staat de vaststelling van de 1e herziening van het bestemmingsplan niet in de weg. 35
5.2
Geluid
5.2.1
Normstelling en beleid
Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerlawaai, railverkeerlawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies, zoals woningen. De Wgh gaat daarbij uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar voor bestemmingsplannen een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wgh onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Bij nieuwe situaties gaat het om nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. In het kader van deze 1e herziening van het bestemmingsplan is alleen het aspect wegverkeerlawaai van belang. Er liggen in het plangebied van deze 1e herziening van het bestemmingsplan of in de directe omgeving geen gezoneerde industrieterreinen of spoorlijnen. Naast de Wgh is ook de Luchtvaartwet, van belang. Het rijk wil door een goede ruimtelijke ordening voorkomen dat er meer mensen komen te wonen op plaatsen waar veel vliegtuiggeluid is. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de zogenaamde '20Kecontour' van de luchthaven Schiphol aangeduid.
Binnen de 20Ke-contour van Schiphol gelden beperkingen voor de realisering van geluidgevoelige objecten. 5.2.2
Relatie met het plangebied
Wegverkeerlawaai In de voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan worden 'bij recht' geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen functies mogelijk gemaakt, anders dan die in het voorgaande bestemmingsplan uit 2009 al geregeld waren zijn danwel in een eerder stadium specifiek zijn vergund (zorgkwekerij annex leerwerkcentrum 'De Sleutelbloem'). Een toetsing aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder is daarom niet nodig. Luchtvaartlawaai Het noordoostelijke deel van het plangebied valt binnen de 20Ke-contour van de luchthaven Schiphol. Dit houdt in dat ter plekke alleen bestaande geluidsgevoelige bestemmingen mogen worden vervangen; nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen zijn niet toegestaan. Om deze bepaling ook in het voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan te borgen is een gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerszone - geluidszone' opgenomen. Dat heeft vooral een "signaleringsfunctie" omdat binnen de aangeduide zone sowieso geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt. In dat verband kan worden opgemerkt dat het onbebouwde perceel Floraweg 43 een woonbestemming heeft gekregen, omdat dat ook in het voorgaande bestemmingsplan reeds de bestemming "Wonen" had. Er is derhalve ook daar geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige functie. 5.2.3
Conclusie
Het aspect geluid staat de het bestemmingsplan niet in de weg.
36
uitvoering
van de voorliggende 1e herziening
van
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beleid en regelgeving
In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Er is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. De belangrijkste waarden betreffen fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), omdat de desbetreffende normen in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 ìg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 ìg/m³. In de Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16 van de Wet milieubeheer) is aangegeven de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmeringen vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gevallen dat: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project niet leidt - al dan niet per saldo - tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden.
De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de nader bepaalde grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Als deze grenswaarden niet worden overschreden is het project NIBM en behoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt bijvoorbeeld voor woningbouwplannen de grens van 3% bij de realisering van 1500 woningen met één ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen. Als in een onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Goede ruimtelijke ordening Behalve de wettelijke waarden is ook het beginsel van een goede ruimtelijke ordening van toepassing.
De formele definitie van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is: "het coördineren van de verschillende belangen tot een harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigt dan het dienen van de belangen afzonderlijk". Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen, ofwel de luchtkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarom is het wenselijk om inzicht te hebben in de luchtkwaliteit situatie. 5.3.2
Relatie met het plangebied
Zoals uit hoofdstuk 4 blijkt worden in deze 1e herziening van het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, zeker niet in relatie tot het besluit NIBM en de genoemde getalsmatige grenswaarden uit de Regeling NIBM (>1.500 huizen, > 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoren). Ook is nieuwvestiging van agrarische bedrijven niet toegestaan.
37
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de Noordse Buurt beschouwd. In de achtergrondconcentraties zijn onder andere de bijdragen van de bestaande (agrarische) bedrijven inbegrepen. Hiervoor zijn de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN, peiljaar 2017) geraadpleegd. Op grond daarvan wordt geconcludeerd dat achtergrondconcentraties van NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk circa 15 ìg/m3, 17 ìg/m3 en 10 ìg/m3 bedragen en daarmee (ruim) onder de normen vallen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor het plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Beleid en regelgeving
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel langs infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke activiteiten en/of stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Besluit externe veiligheid inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (Revi II) zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Denk hierbij aan risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties. Wet vervoer gevaarlijke stoffen De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het bovengenoemde Bevi. Provinciaal Beleid In de provinciale omgevingsvisie wordt als hoofddoel voor de externe veiligheid vermeld: "een veiliger Zuid-Holland door de kans dat grote groepen mensen slachtoffer worden van ongevallen met gevaarlijke stoffen te minimaliseren".
De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het uitgangspunt is dat voldaan wordt aan de oriëntatiewaarde. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Nieuwkoop
38
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
De gemeenteraad heeft op 31 maart 2011 de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Toetsing van het aspect externe veiligheid vindt plaats aan de hand van deze beleidsvisie. 5.4.2
Relatie met het plangebied
Op basis van de risicokaart is een inventarisatie van de risicobronnen in en om het plangebied gemaakt. In onderstaande figuur 11 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Figuur 11 - Uitsnede risicokaart met plangebied. Risicovolle inrichtingen Binnen het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die onder het Bevi vallen. Wel zijn er twee installaties die een nadere toelichting vragen. In beide gevallen betreft het bedrijfsactiviteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen. Ter plekke van perceel Kade 1 is sprake van een opslagtank. Ter plekke van het perceel Ir J. Nysinghweg 3 staat een Gasdrukmeet en regelstation type C. Beide leveren geen veiligheidsrisico's op voor de omgeving. Transport van gevaarlijke stoffen In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. Buisleidingen Direct ten noorden van het gebied is een ondergrondse hogedrukaardgasleiding aanwezig. Deze leiding (nr. W-529, diameter 12 inch en werkdruk 40 bar) loopt via de kern Noorden in het westen in de richting van Mijdrecht. Hoewel de leiding zelf buiten het plangebied ligt, evenals de zogenaamde belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding, is het zogenaamde invloedsgebied wel van toepassing op de Noordse Buurt. In dit kader wordt het volgende overwogen. Plaatsgebonden risico Er is in het verleden een risicoberekening uitgevoerd voor deze hogedrukaardgasleiding. (Rapport 'Risicoberekening Hogedrukaardgasleiding Noorden, gemeente Nieuwkoop', d.d.
12 oktober 2012, kenmerk 2012013917, opgesteld door Omgevingsdienst West-Holland). Uit de berekeningen blijkt dat er geen PR 10-6 contour is.
39
Verantwoording groepsrisico Bij een hogedrukaardgasleiding wordt het maatgevend scenario veroorzaakt door leidingbreuk en ontsteking van het uitstromende gas met een fakkelbrandscenario tot gevolg. Op grond van de 'Handboek buisleiding in bestemmingsplannen' (Ministerie IenM, 2010) bedraagt het invloedsgebied / inventarisatieafstand (de afstand tot de leiding waar nog 1% van de aanwezigen kan overlijden, de zogenaamde 1% letaliteitgrens) van deze leiding 140 meter aan beide zijden van de leiding. Het GR is in de bovengenoemde rapportage berekend en ligt op 0,021 maal de oriëntatiewaarde (en dus ruimschoots onder de oriëntatiewaarde). Gezien het conserverende karakter van de 1e herziening van het bestemmingsplan zal de personendichtheid in de omgeving van de gasleidingen niet of nauwelijks toenemen. Initiatieven waarbij personen langere tijd nabij de gasleiding zouden verblijven, worden niet mogelijk gemaakt. Hierdoor neemt ook de hoogte van het groepsrisico niet toe. Een nadere risicoanalyse wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. 5.4.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid houdt geen belemmeringen voor deze 1e herziening van het bestemmingsplan.
5.5
Ecologie
5.5.1
Beleid en regelgeving
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb richt zich op de bescherming van Natura 2000 gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen. Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn doordat zij behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Uitgangspunt van het beleid is dat plannen, handelingen en projecten in het NNN niet toegestaan zijn indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant aantasten. De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de begrenzing en heeft deze in de Verordening Ruimte vastgelegd.
Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde plantenen diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.
40
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 5.5.2 Relatie met het plangebied Om te beoordelen wat de effecten zijn van de beoogde transformatie van de Noordse Buurt, is door adviesbureau Ecoreest een Quickscan flora en fauna met een voortoets Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 Quickscan en voortoets Wet natuurbescherming bij deze plantoelichting opgenomen. De belangrijkste resultaten en conclusies worden hierna weergegeven. Quickscan flora en fauna met een voortoets Wet natuurbescherming Doel van de quickscan Wet natuurbescherming is een beeld te krijgen van de aanwezige habitats en de voorkomende beschermde dier- en plantensoorten ter plaatse van de onderzoekslocatie. Doel van de voortoets is om te bepalen of de kans bestaat dat de nieuwe bestemmingen van het plangebied tot negatieve effecten op de beschermde waarden van het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zullen leiden. 5.5.3
Conclusie
Soortenbescherming De bomenrijen binnen het omringende gebied maken mogelijk onderdeel uit van belangrijke vliegroutes van vleermuizen. Daarnaast kunnen de bomen gebruikt worden als broedlocaties door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de buizerd en de sperwer. De weilanden, oevers en sloten maken mogelijk deel uit van het leefgebied van de waterspitsmuis, ringslang, heikikker, rugstreeppad, kleine modderkruiper, bittervoorn en platte schijfhoren. De overige te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Daarnaast worden populaties van deze soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen. Binnen de onderzoekslocatie kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. De 1e herziening van het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen welke negatief kunnen uitpakken voor de beschermde soorten. De bomenrijen blijven in het gebied aanwezig. In dit kader blijft te allen tijde de zorgplicht gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Deze zorg geldt voor alle in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. Indien in de toekomst sprake is van werkzaamheden aan oevers, watergangen en weilanden binnen het plangebied, zal moeten worden bezien in hoeverre de desbetreffende werkzaamheden worden uitgevoerd in mogelijk leefgebied van de waterspitsmuis, ringslang, heikikker, rugstreeppad en platte schijfhoren. Indien sprake is van kappen van bomen zal moeten worden onderzocht of sprake is van broedlocaties door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de buizerd en de sperwer en in hoeverre potentiële vliegroutes van vleermuizen worden aangetast. Gebiedsbescherming Het plangebied grenst aan en is gelegen ten noorden van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Gelet op de zeer geringe afstand tot het gebied, de kernopgave van het gebied en de aard van de geplande ingreep is er onderzoek in het kader van gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Als gevolg van de te verwachten storingsfactoren worden geen nadelige effecten verwacht op aangewezen habitattypen en doelsoorten van Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Wel dienen luidruchtige werkzaamheden plaats te vinden buiten de
41
kwetsbare perioden van de aangewezen doelsoorten (buiten de periode maart tot en met half september). Een deel in het noordoosten van het plangebied is aangewezen als weidevogelgebied. Zoals voornoemd maakt deze 1e herziening van het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, welke op voorhand zouden kunnen leiden tot een verstoring van dit weidevogelgebied. Deze 1e herziening van het bestemmingsplan staat geen activiteiten toe die gepaard gaan met een grote verkeerstoename. Het plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die zouden kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in het Natura 2000 gebied (en daarmee tot schadelijke effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied). Tot slot is binnen en in de directe omgeving van het plangebied sprake van gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zowel binnen de provincie ZuidHolland, als binnen de (aan het plangebied grenzende) provincie Utrecht kent de bescherming van het NNN geen externe werking. Het NNN-gebied binnen de Noordse Buurt is reeds bestemd en in beheer als natuur en zal als gevolg van de voorgenomen plannen niet worden aangetast. Om deze reden is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet nodig.
Stikstof In de planregels is bepaald dat een wijziging van het gebruik van de gronden met de agrarische bestemming niet is toegestaan indien dat leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het naastgelegen Natura 2000 gebied ten opzichte van de depositie zoals die bestond op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien door de aanvrager wordt aangetoond dat dit op grond van de Wet Natuurbescherming mogelijk is. Het bevoegd gezag Wet Natuurbescherming zal vooraf om advies moeten worden gevraagd. Conclusie is dat het onderdeel ecologie geen belemmering vormt voor onderhavige 1e herziening van het bestemmingsplan.
5.6
Water
5.6.1
Beleid
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021 (met een vooruitblik richting 2050). Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende stap in bereiken van een robuust en toekomstgericht watersysteem, gericht op (onder meer) een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering door diverse aspecten zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
42
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; beheersbaar programma voor de waterkeringen; doelmatig beheer van de waterketen, werkzaamheden slim combineren; het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het 'oude' Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico's; zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; kader stellen voor regionale waterkeringen; beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; waterrobuust inrichten bevorderen; bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; zorgen voor schoon en voldoende grondwater.
Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Waterbeheerplan Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht. Het waterschap is een overheidsorganisatie die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030 en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 en een aanpak op hoofdlijnen.
De uitgangspunten zijn: samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; afstemming over alle watertaken per stroomgebied; behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
Keur 2019 – Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het hoogheemraadschap Amstel, Gooi, Vecht. Binnen dit gebied is de Keur 2019 van kracht. De Keur is één van de instrumenten van beheer die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen. De drie hoofddoelstellingen die vanuit de Waterwet zijn aangegeven zijn: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste;
43
beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
5.6.2
Waterthema's
Het bestemmingsplan is vooral conserverend van aard. Uitgaande van de diverse waterthema's wordt het volgende opgemerkt: Grondwater: De grondwaternorm is opgenomen in het gemeentelijk rioleringsplan. Plannen dienen te worden getoetst aan die grondwaternorm. Oppervlaktewater: Nu er geen sprake meer is van glastuinbouw in het gebied (met uitzondering van de handhaving van één bedrijf) kan het verouderde watersysteem in het plangebied worden vernieuwd en versoberd. De herinrichting dient te voldoen aan de Keur en aan het Programma van Eisen Beheer en Onderhoud van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Overleg met het Waterschap over de aanpassing van het watersysteem is nog gaande. Waterkwaliteit: De waterkwaliteit mag niet achteruitgaan. Het is wenselijk maatregelen te treffen die bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit. Daarbij kan gedacht worden aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers, variaties in waterdiepte en een goede doorstroming van het watersysteem. Afvalwater: De regels hieromtrent zijn opgenomen in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Er is in het plangebied geen sprake van een gescheiden rioleringssysteem. Hemelwater: De gemeente heeft een hemelwaterzorgplicht. Deze is beschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP).
Klimaatadaptatie: Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met het veranderende klimaat, waaronder hevigere regenbuien. De maatregelen op www.rainproof.nl kunnen dienen als inspiratie. Dijken/keringen: Rekening moet worden gehouden met de impact van plannen op de dijken c.q. waterkeringen. Werkzaamheden moeten voldoen aan een aantal voorwaarden als gesteld in de Keur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. In het plan is de beschermingszone langs de waterkeringen langs de oostelijke zuidelijke plangrens voorzien van de dubbelbestemming "Waterstaat Waterkering". In het desbetreffende artikel 12 van de planregels zijn bepalingen opgenomen voor de realisering van bouwwerken en de uitvoering van werkzaamheden die schade zouden kunnen toebrengen aan de desbetreffende dijken c.q. waterkeringen.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
In het plangebied en de aangrenzende gebieden is geen sprake van bedrijvigheid met een dusdanige milieuzonering dat deze van invloed is op de beoogde functies in het plangebied.
5.8
Archeologie
5.8.1
Algemeen
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 ten aanzien van het archeologisch erfgoed is vervangen. Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening, zijn onverminderd van kracht gebleven. In het kader van het opstellen van deze 1e herziening van het bestemmingsplan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de desbetreffende gronden uit een oogpunt van archeologie waardevol zijn. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 44
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
5.8.2
Gemeentelijk beleid
De gemeente Nieuwkoop heeft haar archeologisch beleid afgestemd op de destijds geldende Provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS). De waardering is opgebouwd uit archeologische, historisch landschappelijke en historisch (steden)bouwkundige elementen en structuren. Wat betreft de archeologische verwachtingswaarde is onderscheid gemaakt in vier gebieden, te weten: Gebieden met een zeer grote kans op archeologische sporen in stads- of dorpskern; Gebieden met een zeer grote kans op archeologische sporen in overige delen van de gemeente; Gebieden met een redelijke tot grote kans op archeologische sporen; Gebieden met een kleine kans op archeologische sporen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de verschillende te onderscheiden gebieden met archeologische waarden of verwachtingswaarden is echter wel een ondergrens qua diepte en oppervlakte voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek gekoppeld. Navolgende tabel geeft een overzicht van de bij de zones behorende ondergrenzen. De ondergrenzen geven aan vanaf welke omvang én diepte (altijd in combinatie) van een ruimtelijke ingreep archeologisch onderzoek plaats moet vinden.
5.8.3
Relatie met het plangebied
Uit figuur 12 (uitsnede uit de recente provinciale "cultuurhistorische kaart" ) blijkt dat het plangebied is aangemerkt als een gebied zonder trefkans op archeologische sporen.
45
Figuur 12 - Archeologische trefkans in relatie tot het plangebied (bron: cultuurhistorische kaart provincie Zuid-Holland van kracht sinds januari 2017) 5.8.4
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt in de 1e herziening van het bestemmingsplan in voldoende mate rekening met het aspect archeologie.
5.9
Cultuurhistorie
Het plangebied is in de periode 1853-1854 drooggelegd. Het gebied is met zijn kenmerkende rechte wegenstructuur en omliggende dijk vanuit cultuurhistorisch opzicht interessant. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die deze cultuurhistorische waarde teniet doen.
5.10
Duurzaamheid
Holland Rijnland heeft samen met de veertien gemeenten, de provincie Zuid-Holland, de Omgevingsdienst West-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland een regionaal Energieakkoord opgesteld dat de energietransitie op regionaal niveau en het overstappen van fossiele bronnen op hernieuwbare energiebronnen tot stand moet brengen. Het realiseren van dit Energieakkoord loopt onder meer langs de uitvoeringslijnen: energiebesparing en -transitie, warmte- en bodemenergie, zonnepanelen op daken, en Greenports. Het algemene kader voor duurzaamheid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in het Beleidskader Duurzaamheid gemeente Nieuwkoop (vastgesteld door de raad op 19 maart 2020). Verder vindt er op verschillende schaalniveaus een nadere uitwerking van de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden-)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing plaats.
46
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
5.10.1 Duurzame stedenbouw Duurzame stedenbouw is vooral het inspelen op de kansen van de nieuwe bouwlocatie. Juist door in een vroegtijdig stadium aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de bouwlocatie kan ervoor gezorgd worden dat een aantrekkelijke woonen voorzieningenomgeving ontstaat. De gemeente Nieuwkoop hanteert hiertoe het Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS). In het RBDS staat het beleid van de gemeente Nieuwkoop voor duurzame stedenbouw. Dit instrument is bedoeld om de milieuambities en andere duurzaamheidaspecten een volwaardige plaats te geven in de ontwikkeling van ruimtelijke plannen voor gebieden groter dan 1 hectare. Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als 'People, Planet, Profit' (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid. Een ambitietabel maakt deel uit van het RBDS. Voor (her) te ontwikkelen gebieden groter dan 1 hectare wordt een ambitietabel ingevuld. 5.10.2 Klimaat - Energietransitie Bij het klimaatverband van Parijs is afgesproken dat Nederland in 2020 20% minder CO2 uitstoot ten opzichte van 1990, 20% minder energie verbruikt en 16% duurzame energie opwekt. In 2050 moet de CO2 uitstoot met 95% zijn verminderd.
Gemeenten hebben een belangrijke voorloperfunctie bij het behalen van deze doelstelling. Om deze doelstellingen te kunnen halen is het noodzakelijk dat overgestapt wordt van fossiele brandstoffen naar duurzame energie-oplossingen. Dit vraagt ander gedrag en aanpassingen van de economie. Ook heeft dit effect op het landschap en de ruimtelijke inrichting. De weg naar een energieneutraal Nederland wordt de 'energietransitie' genoemd. Samen met de veertien gemeenten, de provincie Zuid-Holland, de omgevingsdienst en het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft Holland Rijnland een regionaal Energieakkoord opgesteld, dat de energietransitie op regionaal niveau en het overstappen van fossiele bronnen op hernieuwbare energiebronnen tot stand moet brengen. Het realiseren van dit Energieakkoord loopt langs de uitvoeringslijnen energiebesparing, warmte en bodemenergie, zonnepanelen op daken, ruimte en energie (onderverdeeld naar zonnepanelenvelden en windenergie), Greenports en energietransitie en mobiliteit en energietransitie. Het Beleidskader Duurzaamheid van de gemeente Nieuwkoop sluit goed aan op de Europese, landelijke en regionale ambities. De gemeente Nieuwkoop heeft in 2017 het regionale Energieakkoord ondertekend. Daarbij is de uitvoeringslijnen Zonnepanelen op daken en Greenports en energietransitie.
Zoals genoemd behoort het opwekken van duurzame elektriciteit door zonnepanelenvelden tot de uitvoeringslijn Ruimte en Energie. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat met voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen kansen bieden in het bereiken van de verschillende doelstellingen op het gebied van de duurzaamheid.
47
5.11
Besluit milieueffectrapportage
5.11.1 Beleid en regelgeving Er moet ook worden getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Gemeenten moeten bij ruimtelijke plannen beoordelen of een milieueffectrapport (MER) dan wel een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden, dan is het opstellen van een MER nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, moet worden nagegaan of de ontwikkeling een activiteit is die terug te vinden is in kolom 1 van lijst D van de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. Indien dit het geval is, moet worden beoordeeld of het plan de drempelwaarden uit de 2e kolom van de lijst D overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Als een plan een activiteit betreft die wordt gerealiseerd onder de gestelde drempelwaarden, dan is er sprake van een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de criteria als bedoeld in de bijlage III van de EEG richtlijn 2011/92/EU.
Tevens kan de noodzaak voor het opstellen van een passende beoordeling zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming leiden tot een rechtstreekse (formele) plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER). 5.11.2 Beoordeling plan De voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan kan worden gezien als een ruimtelijk plan (ingevolge de Wet ruimtelijke ordening) dat voorziet in de realisatie van landinrichting als bedoeld in categorie 9 van lijst D uit de bijlage van het Besluit m.e.r. De drempelwaarde van 125 ha wordt niet overschreden. Dit houdt in dat er een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden. De vormvrije m.e.r.beoordeling moet zijn opgesteld op basis van de criteria die zijn te vinden in bijlage III van de Europese Richtlijn 2011/92/EU. Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet herziening m.e.r.richtlijn in werking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen, het m.e.r.beoordelingsbesluit. Voor wat betreft het m.e.r.-beoordelingsbesluit kan worden vermeld dat, op basis van artikel 7.19, lid 1 en 2, Wet milieubeheer, het bevoegd gezag bij de instemming met (de terinzagelegging van) het ontwerpbestemmingsplan dit m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen.
In dit besluit moet worden aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende (verzachtende) maatregelen. Voor wat betreft de bepaling van de m.e.r.-beoordelingsplicht dient rekening te worden gehouden met de eerder genoemde criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten: 1. Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën). Motivering: Het bestemmingsplan is vooral conserverend. Het bestemmingsplan voorziet niet activiteiten die nadelige effecten zullen hebben op het milieu. Kortheidshalve wordt verwezen naar het voorstaand vermelde in Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten. 2. Plaats van het project (de kwetsbaarheid van het milieu in een gebied waarop het project effect kan hebben, bijvoorbeeld een natuurgebied). Motivering:
48
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
Het plangebied ligt in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Zoals in deze toelichting is verwoord, wordt met de voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan mede beoogd uitgaande van de huidige situatie de aansluiting met deze gebieden te intensiveren. 3. Kenmerken van het potentiële effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid). Motivering: Verwezen wordt naar het vorenstaande. Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd dat deze 1e herziening van het bestemmingsplan niet m.e.r.(beoordelings)plichtig is. Het bestemmingsplan is eveneens niet kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten, zodat deze 1e herziening van het bestemmingsplan niet plan m.e.r.-plichtig is. 5.11.3 Conclusie Voor dit bestemmingsplan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
49
Hoofdstuk 6 6.1
Inleiding
6.1.1
Algemeen
Juridische aspecten
Dit hoofdstuk geeft inzicht in hoe de beoogde situatie is vertaald in het bestemmingsplan (bestaande uit een verbeelding en regels). De verbeelding geeft de bestemmingen weer. De bijbehorende regels bevatten de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Aan alle in het plan begrepen gronden worden op de verbeelding ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de (primaire) bestemmingen komt ook een dubbelbestemming voor. Deze overlapt de 'gewone' bestemming en geeft eigen regels, waarbij er ook sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemming. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. Deze aanduidingen zijn terug te vinden op de verbeelding en hebben via de planregels een juridische betekenis. Alle overige op de (analoge) verbeelding voorkomende zaken worden "verklaringen" genoemd.
Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn op de (analoge) verbeelding opgenomen om deze beter leesbaar te maken (bijvoorbeeld topografische ondergrond). 6.1.2
Digitaliseringsvereisten
Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn ook digitaliseringsverplichtingen aan een bestemmingsplan gesteld. De regels en de verbeelding dienen daarom te zijn opgesteld volgens IMRO en SVBP, onderdeel van de zogenaamde RO Standaarden. IMRO staat voor "Informatie Model Ruimtelijke Ordening" en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisaties op het gebied van de ruimtelijke ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor "Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen". Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen. Vanaf 1 juli 2013 zijn de RO Standaarden 2012 verplicht. Concreet betekent dit dat nieuwe bestemmingsplannen vanaf die datum volgens deze nieuwe standaard opgesteld en gepubliceerd moeten worden. De voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan is overeenkomstig deze nieuwe vereisten opgesteld en is dus voor een ieder digitaal raadpleegbaar.
50
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
6.2
Opbouw regels en verbeelding
6.2.1
Regels
De planregels zijn opgesteld volgens het SVBP2012. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met Inleidende regels (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de bestemmingsregels, de algemene regels (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de overgangs- en slotregels. Daarbij staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid. Opgemerkt wordt dat een bestemmingsregel niet alle elementen behoeft te bevatten. Dit kan verschillen per bestemming. 6.2.2
Analoge verbeelding (plankaart)
Uit de SVBP2012 volgen diverse verplichtingen voor wat betreft de verbeelding, zoals de kleur van de ondergrond (grijs) en minimaal weer te geven aspecten op de ondergrond. Ook de diverse kleuren van de bestemmingen, evenals de verhouding van de op de verbeelding voorkomende lijndiktes, zijn verplicht voorgeschreven. Voor wat betreft de ondergrond van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), aangevuld met de kadastrale kaart. Aan de hand daarvan zijn straatnamen en huisnummers te herleiden. De analoge kaart is op een schaal van 1:2.000 geplot. 6.2.3
Digitale verbeelding
Op grond van het bepaalde in artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting c.a. elektronisch te worden vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. Uit dit artikel blijkt voorts dat het elektronisch document bindend is. Het (bindende) bestemmingsplan is digitaal raadpleegbaar op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
6.3
Bestemmingen en dubbelbestemming
6.3.1
Bestemmingen 51
Er worden ingevolge artikel 3.1 Wro aan gronden bestemmingen toegekend. Met een bestemming in samenhang met de bijbehorende regels wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies (en bouwmogelijkheden) met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. 6.3.2
Dubbelbestemming
De dubbelbestemming kan worden gebruikt voor gronden die naast de aangegeven bestemming nog een andere waarde hebben die bescherming behoeft. Zo is er in de voorliggende 1e herziening van het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen voor de bescherming van de dijken met een waterkerende functie (bestemming 'WaterstaatWaterkering').
6.4
Artikelgewijze toelichting
6.4.1
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Artikel 1
Begrippen:
Voor de begripsomschrijvingen is aangesloten bij het SVBP2012. Deze begrippen zijn aangevuld met omschrijvingen van de overige voor het plan relevante begrippen. Daar waar mogelijk heeft een afstemming plaatsgevonden met het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' zoals deze op 3 november 2016 door de gemeenteraad van Nieuwkoop is vastgesteld. Artikel 2
Wijze van meten:
Dit artikel geeft aan hoe gemeten dient te worden. 6.4.2
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
Artikel 3
Agrarisch met waarden:
Uitsluitend het glastuinbouwbedrijf aan de Floraweg 20 (dat zal worden voortgezet) is specifiek geregeld met de aanduiding 'glastuinbouw'; de bijbehorende woning is voorzien van de aanduiding 'bedrijfswoning'. De bestaande goot- en bouwhoogte gelden als maximum. Binnen de aanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. De inhoud hiervan mag maximaal 750 m³ bedragen. Bij deze bedrijfswoning zijn ook nog bijbehorende bouwwerken tot een gezamenlijke oppervlakte van 80 m2 toegestaan. Deze bouwmogelijkheid is afgestemd op de bouwregels voor agrarische bedrijfswoningen uit het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Nieuwkoop' en komt ook overeen met de bouwregels voor de 'burgerwoningen' in het plangebied. Op basis van deze bestemming kunnen de percelen uitsluitend worden gebruikt voor extensieve grondgebonden agrarische bedrijvigheid en dus niet voor intensieve veehouderij. Daarnaast is aquatische landbouw toegestaan. Daaronder wordt volgens de begripsomschrijvingen (artikel 1) begrepen: het telen van gewassen bij hoge grondwaterstanden of op oppervlaktewater, zoals cranberry, lisdodde, wilg, riet, wilde rijst, kroosvaren, veenmos en dergelijke.
52
ontwerpbestemmingsplan Noordse Buurt 1e herziening
Wijziging van het gebruik van de gronden met de agrarische bestemming is niet toegestaan indien ten gevolge daarvan de stikstofdepositie op het naburige Natura 2000 gebied toeneemt ten opzichte van de depositie zoals die bestond op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien door de aanvrager wordt aangetoond dat dit op grond van de Wet Natuurbescherming mogelijk is. Het bevoegd gezag Wet Natuurbescherming zal vooraf om advies moeten worden gevraagd. Verder zijn de gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het droogmakerijlandschap, waaronder begrepen: grootschalig open landschap; regelmatig verkavelingspatroon met kavelsloten; karakteristieke hoogteverschillen tussen de Ringdijk die hoger ligt dan de drooggemaakte polder, en oude ontginningslinten die hoger liggen dan de omgeving; agrarische bouwpercelen dicht aan de weg als eilanden in de polder met kavelsloten rondom; bomenrijen langs wegen en beplanting op erfgrenzen; zichtlijnen op het open landschap. Ook zijn de gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden van het veenweidegebied in de vorm van: schraal grasland behorend bij het veenweidegebied; biodiversiteit behorend bij het veenweidegebied.
Verder is extensief recreatief medegebruik (zoals wandelen, fietsen, paardrijden) zonder meer toegestaan. De aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden worden beschermd middels een omgevingsvergunningenstelsel voor de uitvoering van werken en werkzaamheden. Tevens kan het bestemmingsplan in die zin door burgemeester en wethouders worden gewijzigd dat de aanduiding "glastuinbouw" ter plekke van het perceel Floraweg 20 wordt geschrapt en wordt gewijzigd naar de bestemming 'wonen' en 'natuur' indien het bedrijf wordt beëindigd. Artikel 4