2021-033 Uitspraak RvS 20 maart 2019 geanonimiseerd
Tekst van het document
Uitspraak 201702444/1/R3
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:898
Datum uitspraak
20 maart 2019
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" vastgesteld.
Volledige tekst 201702444/1/R3. Datum uitspraak: 20 maart 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en anderen, 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], 5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), 7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], 8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], en anderen, 9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, 11. [appellant sub 11], wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, 12. [appellante sub 12], gevestigd te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, 13. [appellant sub 13], wonend te Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop, 14. Free Heart B.V., gevestigd te Nibbixwoud, en andere,
Uitspraak 201702444/1/R3
1
15. [appellant sub 15], wonend te Zegveld, gemeente Woerden, en anderen, 16. [appellante sub 16], handelend onder de naam [bedrijf A], en anderen, allen gevestigd te [plaats], 17. Pocahondas Holding B.V., gevestigd te Abbenes, en anderen, en de raad van de gemeente Nieuwkoop, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 3 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellante sub 12], [appellant sub 13], Free Heart B.V. en anderen, [appellant sub 15] en anderen, [bedrijf A] en anderen en Pocahondas Holding B.V. en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellante sub 12], [bedrijf A] en anderen, Free Heart B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend. Bij besluit van 16 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" gewijzigd vastgesteld. Daartegen zijn geen beroepen aanhangig.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 en 2 november 2018, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, bij monde van [appellant sub 2] en [gemachtigde A], bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde B], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. E. Braad, advocaat te Alphen aan den Rijn, [appellant sub 5], [appellant sub 6], vertegenwoordigd door [gemachtigde C], [appellant sub 8] en anderen, bij monde van [gemachtigde D], bijgestaan door [gemachtigde E] en [gemachtigde F], [appellant sub 10], bijgestaan door [gemachtigde G], [appellant sub 11], bijgestaan door [gemachtigde H], [appellante sub 12], vertegenwoordigd door [gemachtigde H] en [gemachtigde I], [appellant sub 13], bijgestaan door [gemachtigde J], Free Heart B.V. en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde K] en [gemachtigde L], [appellant sub 15] en anderen, bij monde van [appellant sub 15], [bedrijf A] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn, en [gemachtigde M], en de raad, vertegenwoordigd door F.W. de Bruijn en M.W. Hijman, zijn verschenen.
Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door [gemachtigde N], [belanghebbende C] en [belanghebbende D] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende C]), bij monde van [belanghebbende C], bijgestaan door [gemachtigde O], en [belanghebbende E], bijgestaan door mr. R. Olivier, advocaat te Den Haag, als belanghebbenden gehoord. Overwegingen
Uitspraak 201702444/1/R3
2
Inleiding 1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het gehele gemeentelijke grondgebied met uitzondering van de dorpskernen, bedrijventerreinen, projectlocaties, glastuinbouwgebieden en zomerparken. Het is een in hoofdzaak conserverend plan waarin geen grootschalige nieuwbouwlocaties of projectmatige ontwikkelingen zijn opgenomen. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te Zegveld. Zij kan zich niet verenigen met de aan haar perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D2540, toegekende bestemming "Recreatie-Dagrecreatie". Volgens haar is ten onrechte niet de bestemming "Agrarisch" toegekend aan haar perceel. 4.
De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is, omdat zij geen zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht. 4.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant sub 1] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat zij niet schriftelijk is geïnformeerd per post.
In de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Ook is geen rechtvaardiging gelegen in de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat zij niet via de berichtenbox van www.mijnoverheid.nl is geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerpplan terwijl zij daar wel is aangemeld en op deze wijze de gemeentelijke heffingen ontvangt. Daarover overweegt de Afdeling dat de gemeente Nieuwkoop niet is aangesloten op de berichtenbox zodat alleen al daarom hierin geen rechtvaardiging is gelegen.
Uitspraak 201702444/1/R3
3
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:355) kan een kennisgeving via het internet een geschikte wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb zijn. Ingevolge artikel 2:14, tweede lid, en artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, gelezen in onderlinge samenhang, moet van een ontwerpbesluit echter op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, kennis worden gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In dit geval is in de Verordening elektronische publicatie nieuwkoop 2012, en daarmee bij wettelijk voorschrift, bepaald dat publicatie van ontwerpbesluiten elektronisch plaatsvindt, tenzij wettelijk een andere wijze van publicatie is voorgeschreven. De publicatie vindt plaats in het elektronisch gemeenteblad en het elektronische gemeenteblad is te vinden op www.nieuwkoop.nl. Uit de stukken blijkt dat de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft plaatsgevonden in het elektronische gemeenteblad Nieuwkoop en dat de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan in het elektronisch gemeenteblad Nieuwkoop de in artikel 3:12 van de Awb bedoelde inhoud heeft.
Op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, in verbinding gelezen met artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, wordt de kennisgeving ook in de Staatscourant geplaatst. Uit de stukken blijkt dat de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ook heeft plaatsgevonden door plaatsing in de Staatscourant. De Afdeling is van oordeel dat hiermee is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke voorschriften. In dit verband overweegt de Afdeling dat deze wijze van bekendmaken bij [appellant sub 1] bekend was of kon zijn en zij daarom tijdig op de hoogte had kunnen zijn van de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat een e-mailabonnement op het elektronisch gemeenteblad Nieuwkoop tot de mogelijkheden behoorde. De omstandigheid dat het adres van [appellant sub 1] in een aangrenzende gemeente is gelegen, waar de lokale krant niet wordt verspreid, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat zij van de kennisgeving op www.nieuwkoop.nl geen kennis heeft kunnen nemen. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen 5. [appellant sub 2] en anderen zijn eigenaren van diverse percelen aan de Hogedijk te Zevenhoven.
Zij kunnen zich niet verenigen met het niet als zodanig bestemmen van de bouwvlakken op de percelen, kadastraal bekend Zevenhoven, A55 en A60. Deze twee aan de Hogedijk gelegen percelen grasland zijn in eigendom van [appellant sub 2] en worden gepacht door [appellant sub 2A]. Ook kunnen zij zich niet verenigen met de toegekende bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie 2] van [appellant sub 2B] en bewoond door [appellant sub 2C]. 6. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen bouwvlakken zijn toegekend aan de percelen, kadastraal bekend Zevenhoven, A55 en A60. In het vorige plan was aan deze percelen de bestemming "Agrarisch" met twee bouwvlakken toegekend, waardoor ter plaatse bebouwing kon worden opgericht, aldus [appellant sub 2] en anderen. Zij voeren aan dat door het niet als zodanig bestemmen van deze bouwvlakken de mogelijkheden om deze percelen aan te kunnen wenden voor verschillende doeleinden aanzienlijk worden beperkt. Hoewel de percelen omdat als grasland worden gebruikt, is niet uitgesloten dat deze percelen in de toekomst aan anderen zullen worden verpacht waarbij bebouwing nodig is voor de agrarische bedrijfsvoering. In dit verband hebben [appellant sub 2] en anderen een planschaderapport overgelegd. Volgens hen is er geen deugdelijke motivering gegeven voor het niet opnemen van de bouwvlakken.
Uitspraak 201702444/1/R3
4
6.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In de Zienswijzennota bestemmingsplan Landelijk gebied Nieuwkoop staat bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] en anderen dat het in het vorige plan aan de percelen, kadastraal bekend Zevenhoven, A55 en A60, toegekende agrarische bouwblok was gekoppeld aan het agrarische bouwblok op de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. De raad heeft toegelicht dat de agrarische activiteiten ter plaatse zijn gewijzigd naar hoofdzakelijk niet-agrarische activiteiten. Daarom is in dit plan de in het vorige plan aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] toegekende agrarische bestemming dan ook omgezet naar de bestemming "Bedrijf", overeenkomstig de bestaande situatie. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestond om het onbenutte gedeelte van het agrarische bouwblok dat was gelegen op de percelen, kadastraal bekend Zevenhoven, A55 en A60, daarnaast als zodanig in stand te laten. De raad heeft toegelicht dat het deels handhaven van het voormalige agrarische bouwvlak, al dan niet gekoppeld aan de nieuwe bedrijfsbestemming, een onwenselijke bedrijfssplitsing inhoudt. 6.2.
In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Niet gebleken is dat [appellant sub 2] en anderen voorafgaand aan de vaststelling van het plan aan de raad een concreet plan voor de ontwikkeling van de percelen, kadastraal bekend Zevenhoven, A55 en A60, hebben voorgelegd. Met het enkele ter zitting genoemde voornemen van [appellant sub 2] en anderen om de paardenhouderij op het perceel [locatie 3] uit te breiden op de hiervoor genoemde kadastrale percelen, heeft de raad geen rekening kunnen en hoeven houden bij de vaststelling van het plan. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling er in redelijkheid voor kunnen kiezen om alleen de bestemming "Agrarisch", dus zonder bouwblok, toe te kennen aan de percelen, kadastraal bekend Zevenhoven, A55 en A60. Het betoog faalt. 7.
[appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte aan het perceel aan de [locatie 2] te Zevenhoven de bestemming "Bedrijf" is toegekend, waardoor ter plaatse uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan. Zij stellen dat dit perceel door middel van boedelscheiding in eigendom is gekomen van [appellant sub 2B] en dat zij geen binding heeft met het naastgelegen bedrijf aan de [locatie 3]. Aan de voormalige bedrijfswoning op het perceel aan de [locatie 2] moet volgens hen dan ook een zelfstandige woonbestemming worden toegekend. De raad handelt hiermee in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellant sub 2] en anderen. Zij wijzen op de percelen aan de [locatie 4] en [locatie 5]. 7.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 2], voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf" toegekend. Artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder c, van de planregels luidt: "De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen ten behoeve van de
Uitspraak 201702444/1/R3
5
bedrijfsuitoefening, indien de bedrijfswoning ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan, ter plaatse legaal aanwezig was." 7.2. Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.2 heeft overwogen moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. In de zienswijze over het ontwerp van het plan is door [appellant sub 2] en anderen gevraagd om bij de vaststelling van het plan de bedrijfswoning op het perceel [locatie 2] als plattelandswoning te bestemmen, omdat anders de woning in de toekomst leeg zou komen te staan. In de Zienswijzennota bestemmingsplan Landelijk gebied Nieuwkoop staat bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] en anderen dat de bedrijfswoning momenteel nog bij het bedrijf is betrokken en een aanpassing met het oog op de toekomst niet mogelijk is. Bovendien behoort volgens de zienswijzennota een plattelandswoning niet tot de mogelijkheden omdat op het perceel [locatie 3] geen agrarisch bedrijf meer is gevestigd.
In de zienswijzennota staat verder dat op dit moment de concrete aanleiding en ruimtelijke onderbouwing ontbreekt voor omzetting naar een particuliere woonbestemming. [appellant sub 2] en anderen hebben pas in het beroepschrift kenbaar gemaakt dat de woning als burgerwoning wordt gebruikt. Niet is gebleken dat de raad eerder wist dat de woning als burgerwoning werd gebruikt en dat [appellant sub 2] en anderen die bestemming voor de woning wensten. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de woning als bedrijfswoning heeft kunnen bestemmen. Overigens kan met de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid de bestemming "Bedrijf" worden gewijzigd naar de bestemming "Wonen". Over de door [appellant sub 2] en anderen gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 4], thans vernummerd tot [locatie 6], en het perceel [locatie 5] te Zevenhoven overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. De raad heeft toegelicht dat aan de wijziging van de bestemming van de woning op het perceel [locatie 6] een concreet verzoek ten grondslag lag en dat de bestemming van de woning op het perceel [locatie 5] is gewijzigd na volledige beëindiging van het bedrijf ter plaatse.
In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] en anderen genoemde situaties niet overeenkomen met de nu aan de orde zijnde situatie op het perceel [locatie 2]. Het betoog faalt. 8. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] 9. [appellant sub 3] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 7] te Zevenhoven. Ter plaatse exploiteert hij een veehouderij en rietdekkersbedrijf. Hij kan zich niet verenigen met het plan voor zover de voormalige bedrijfswoning op het naastgelegen perceel [locatie 6] is bestemd als burgerwoning. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] zijn de eigenaren van deze woning aan de [locatie 6]. Ook heeft [appellant sub 3] bezwaren tegen de toegekende dubbelbestemmingen aan de percelen [locatie 6] en 26a en is zijn rietdekkersbedrijf volgens hem ten onrechte niet als zodanig bestemd in het plan. 10. [appellant sub 3] betoogt dat de bedrijfswoning op het perceel [locatie 6] behouden moet
Uitspraak 201702444/1/R3
6
worden. Volgens hem heeft de raad de bedrijfswoning ten onrechte omgezet in een burgerwoning. Hij voert aan dat in de koopovereenkomst staat dat de koper bekend is met het feit dat de woning als bedrijfswoning is bestemd. [appellant sub 3] stelt geen afstand te hebben gedaan van zijn recht op een bedrijfswoning. Volgens hem kan de vanuit de bedrijfswoning vroeger uitgeoefende toezichtfunctie dan ook niet worden beëindigd. Zijn bestaande rechten worden onaanvaardbaar aangetast, aldus [appellant sub 3]. Daarnaast voert hij aan dat deze wijziging in strijd is met artikel 3, lid 3.7.3, sub a, onder 1, 2 en 3, van de planregels. Ter onderbouwing hiervan stelt hij dat het agrarische bedrijf ter plaatse door hem wordt voortgezet, niet is onderzocht en aangetoond dat de burgerwoning geen belemmering vormt voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van zijn bedrijf en in de burgerwoning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd gelet op geur-, stof- en geluidhinder. Hij stelt dat aan het perceel [locatie 6] de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak moet worden toegekend overeenkomstig het voorgaande plan. Subsidiair betoogt [appellant sub 3] dat, als de bestemming "Wonen" terecht is toegekend aan het perceel [locatie 6], ten onrechte geen directe bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning op zijn perceel [locatie 7] is opgenomen in het plan.
De in artikel 3, lid 3.2.1, onder a en b, van de planregels geboden mogelijkheid voor de realisatie van een bedrijfswoning bevat volgens hem te strenge voorwaarden, te weten de toetsing aan het noodzakelijkheidscriterium na het inwinnen van advies van een agrarisch deskundige. 10.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 6], voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen" toegekend. 10.2. Op de zitting is gebleken dat de voormalige zakenpartner van [appellant sub 3] zelfstandig eigenaar was van de bedrijfswoning aan de [locatie 6] en daar woonde. De bedrijfsgronden heeft die voormalige zakenpartner aan [appellant sub 3] verkocht en de bedrijfswoning is aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] verkocht. [appellant sub 3] heeft te kennen gegeven dat hij over onvoldoende financiële middelen beschikte om de bedrijfswoning te kopen. Ter zitting heeft [appellant sub 3] toegelicht dat hij geen bezwaar heeft tegen het afsplitsen van de bedrijfswoning en het toekennen van een woonbestemming, maar dat hij wel een directe titel voor een bedrijfswoning wil in verband met zijn bedrijfsvoering. In zoverre is niet gebleken van bestaande rechten waarmee in het plan rekening moest worden gehouden.
Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het perceel van [appellant sub 3] aan de [locatie 7], voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" is toegekend en dat op grond van artikel 3, lid 3.2.2., onder a, van de planregels per agrarisch bedrijf maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. Voor zover [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 3, lid 3.7.3, sub a, onder 1, 2 en 3, van de planregels, overweegt de Afdeling dat deze planregel een wijzigingsbevoegdheid bevat voor het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop om het agrarische bouwvlak te wijzigen naar de bestemming "Wonen" en dat deze wijzigingsbevoegdheid in dit geval niet is toegepast. In dit geval is sprake van een concreet initiatief dat bij de vaststelling van het plan ruimtelijk is beoordeeld. Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen voorzien in een burgerwoning op het perceel [locatie 6]. Het betoog faalt in zoverre. 10.3. Zoals hiervoor al is overwogen is aan het perceel van [appellant sub 3] aan de [locatie 7], voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak"
Uitspraak 201702444/1/R3
7
toegekend en is ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels per agrarisch bedrijf maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Ter zitting is gebleken dat binnen het bouwvlak nog ruimte bestaat voor een bedrijfswoning. Op grond van artikel 3, lid 3.2.1, onder b, van de planregels is een nieuwe bedrijfswoning uitsluitend toelaatbaar indien het bouwplan noodzakelijk is voor de toegelaten bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de Afdeling bevat het plan dan ook een directe bouwtitel voor een bedrijfswoning. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant sub 3] stelt, het inwinnen van advies bij een agrarisch deskundige niet als voorwaarde is genoemd voor de toelaatbaarheid van een nieuwe bedrijfswoning. Over het vereiste dat de bedrijfswoning noodzakelijk is voor de toegelaten bedrijfsvoering heeft de raad toegelicht dat dit in overeenstemming is met bestaand gemeentelijk beleid. De raad stelt dat bij elk agrarisch bouwvlak binnen het plangebied een noodzakelijkheidstoets geldt als voorwaarde voor het mogen realiseren van een bedrijfswoning. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het betoog faalt. 11. [appellant sub 3] voert aan dat niet duidelijk is of de dubbelbestemming "Waarde Archeologie 2" voor zijn perceel [locatie 7] juist is opgenomen op de verbeelding.
Hij wenst dat wordt aangesloten bij de beleidskaart van de Cultuur historische atlas van de provincie Zuid-Holland. 11.1. Blijkens de verbeelding is aan een deel van het perceel [locatie 7] de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. 11.2. De raad heeft toegelicht dat de dubbelbestemmingen voor archeologische waarden zijn gebaseerd op de archeologische kaarten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze kaarten zulke gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad zich hier bij de vaststelling van het plan niet op heeft mogen baseren. Het betoog faalt. 12. [appellant sub 3] voert aan dat ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend aan de percelen [locatie 6] en 26a. Volgens hem moet alleen voor gebieden waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor de percelen [locatie 6] en 26a is deze verwachting er niet gezien de beleidskaart van de Cultuur historische atlas van de provincie Zuid-Holland, aldus [appellant sub 3]. 12.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 6] en aan een deel van het perceel [locatie 7] de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" toegekend. 12.2.
Zoals hiervoor al is overwogen heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de kaarten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waarop de raad zich heeft gebaseerd bij de toekenning van de dubbelbestemmingen voor archeologische waarden, zulke gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad zich hier bij de vaststelling van het plan niet op heeft mogen baseren. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat er geen sprake is van een algemene verplichting tot archeologisch onderzoek bij iedere bodemingreep. Op grond van artikel 26, lid 26.2.2, aanhef en onder b, van de planregels is het verbod om te bouwen of te laten bouwen op deze gronden niet van toepassing op bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 50 cm en waarvan de totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 10.000 m2. [appellant sub 3] heeft dit niet bestreden. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid de
Uitspraak 201702444/1/R3
8
dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan de percelen [locatie 6] en 26a heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt. 13. [appellant sub 3] betoogt dat zijn rietdekkersbedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Vanuit zijn agrarische bedrijf aan de [locatie 7] worden de werkzaamheden als rietdekker geëxploiteerd, aldus [appellant sub 3]. Het gereedschap en de werkvoorraad worden opgeslagen in de bebouwing van het agrarische bedrijf. Hij stelt dat een rietdekkersbedrijf niet is opgenomen op de lijst van kleinschalige nevenactiviteiten in bijlage 1 van de planregels. 13.1. Aan het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. De raad heeft ter zitting onweersproken verklaard dat niet-agrarische functies zijn toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf. Het niet opgenomen zijn op de lijst van kleinschalige nevenactiviteiten in bijlage 1 doet daar niet aan af. Het rietdekkersbedrijf is volgens de raad een ondergeschikte nevenactiviteit bij de veehouderij van [appellant sub 3] en dus toegestaan op het perceel van [appellant sub 3]. Daarbij heeft de raad ter zitting uiteengezet dat het ontbreken van een aanduiding op de verbeelding voor het rietdekkersbedrijf geen invloed heeft op de vraag of een nieuwe bedrijfswoning noodzakelijk is voor de toegelaten bedrijfsvoering, omdat de hoofdactiviteit de doorslag zal geven.
Het betoog van [appellant sub 3] mist dus feitelijke grondslag. 14. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4] 15. [appellant sub 4] is eigenaar van de (zomer)woning aan de [locatie 8]. Hij stelt dat deze (zomer)woning ten onrechte niet als zodanig bestemd is, omdat op het perceel waarop zowel zijn (zomer)woning als de boerderij aan de [locatie 9] staan, slechts één woning is toegestaan. 16. Aan het perceel zijn onder meer de bestemming "Wonen" en de functieaanduidingen "recreatie" en "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" toegekend. 17. Artikel 18, lid 18.2.1, onder a, van de planregels luidt: "per bestemmingsvlak is maximaal 1 woning toegestaan, tenzij op de verbeelding anders is aangeduid." 18. [appellant sub 4] stelt dat hij sinds 1975 in de (zomer)woning aan de [locatie 8] woont en dat hij deze woning sinds 2000 verhuurt. Volgens hem viel het gebruik van de (zomer)woning onder het overgangsrecht, omdat het bestemmingsplan in 1975 voorzag in één zelfstandige woning op het perceel. Hij voert aan dat ook de plannen "bestemmingplan Landelijk gebied" uit 1981, "bestemmingsplan Landelijk gebied, 2e herziening" uit 1986 en "Bestemmingsplan Landelijk Gebied" uit 2005 slechts in één zelfstandige woning voorzagen.
Pas het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Landelijk Gebied" uit 2005 voorzag in een bepaling die strijdig gebruik van het overgangsrecht uitsloot, maar [appellant sub 4] betoogt dat het gebruik al werd beschermd door de overgangsbepalingen van de voorgaande bestemmingsplannen. [appellant sub 4] bestrijdt het standpunt van de raad dat de beide woningen tot 2000 gezamenlijk werden bewoond door één gezin. Daarom is volgens hem ook geen sprake van een wijziging van het gebruik toen de (zomer)woning vanaf 2000 aan anderen werd verhuurd. Evenmin is sprake van een langdurige onderbreking van het gebruik, aldus [appellant sub 4]. 18.1. [appellant sub 4] heeft aannemelijk gemaakt dat hij sinds 1975 met zijn gezin in de (zomer)woning heeft gewoond, terwijl zijn ouders in die tijd in de boerderij woonden. In
Uitspraak 201702444/1/R3
9
zoverre was sprake van gebruik in strijd met het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan op het perceel slechts voorzag in één woning. Dit gebruik viel onder het overgangsrecht van de plannen "bestemmingplan Landelijk gebied" uit 1981 en "bestemmingsplan Landelijk gebied, 2e herziening" uit 1986. Ter zitting is naar voren gekomen dat de ouders van [appellant sub 4] tot in de jaren negentig in de boerderij hebben gewoond. [appellant sub 4] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik in strijd met het bestemmingsplan van zowel de boerderij als de (zomer)woning nadien is voortgezet. De vraag of sprake is van een wijziging van het gebruik vanaf 2000 hoeft daarom geen beantwoording. Daarom heeft de raad in redelijkheid slechts één woning toe kunnen staan op het perceel. Het betoog faalt. 19. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5] 20. [appellant sub 5] is eigenaar van een perceel aan de locatie [locatie 10] te Woerdense Verlaat. Dit perceel bestaat voor een deel uit water en voor een deel uit grond. Hij stelt dat op een smalle strook van dit perceel die grenst aan de naastgelegen camping, voorheen de bestemming Recreatie-Verblijfsrecreatie rustte, maar dat in het plan aan het gehele perceel de bestemming "Natuur" is toegekend.
Hij kan zich daarin niet vinden, omdat hij op het perceel wil kunnen verblijven, er een bootje wil kunnen laten liggen en er onderhoudswerken wil kunnen uitvoeren zonder dat voor deze werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist is. 21. Aan het perceel van [appellant sub 5] is de bestemming "Natuur" toegekend. 22. Artikel 1, lid 1.35, van de planregels definieert extensief recreatief medegebruik als: "Vormen van dagrecreatief medegebruik van gronden met een extensief karakter, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen." Artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder f, luidt: "De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor: f. extensief recreatief medegebruik;". Artikel 10, lid 10.5.1, luidt: "[…] Als gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; […]" Artikel 10, lid 10.6.1, luidt: "Het is verboden om op de voor "Natuur" aangewezen gronden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder omgevingsvergunning of in afwijking daarvan: a. het aanplanten van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van bodem- en oevervegetaties; b. het ontgronden, afgraven, egeliseren, diepploegen, en/of ophogen van gronden; c. het dempen, (ver)graven, verdiepen, waaronder baggeren, en/of verbreden van sloten en/of andere watergangen; d.
het omzetten van gras- en/of schraalland, anders dan voor graslandverbetering of herinzaai;
Uitspraak 201702444/1/R3
10
e.het aanleggen, verharden en/of verbreden van paden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van oeverbeschoeiing, aanlegsteigers en/of golfbrekers, voorzover deze geen bouwwerken zijn; g. het aanbrengen van dagrecreatieve voorzieningen; h. het aanleggen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatieleidingen." Artikel 10, lid 10.6.2, luidt: "Het in 10.6.1 genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden: a. die tot het normale onderhoud en beheer worden gerekend; b. die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan in uitvoering waren of waarvoor op dat tijdstip al een vergunning was verleend." 23. Ter zitting is gebleken dat in 2005 in het bestemmingsplan "Landelijk gebied, gemeente Nieuwkoop" door een meetfout de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" ook is toegekend aan een smalle strook van het perceel die grenst aan de naastgelegen camping. Uit de plantoelichting blijkt echter dat het de bedoeling was dat die bestemming slechts op de gronden van de camping zou rusten. In dit plan heeft de raad aan willen sluiten bij de kadastrale grenzen, zodat in overeenstemming met de bedoeling de bestemming "RecreatieVerblijfsrecreatie" slechts op de gronden van de camping rust.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet hierop in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan het gehele perceel toe kunnen kennen. De Afdeling merk nog op dat normaal onderhoud niet onder het verbod in artikel 10, lid 10.6.1, van de planregels valt en dus gewoon mag. Datzelfde geldt voor niet-intensief verblijf. Het betoog faalt. 24. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 6] 25. [appellant sub 6] is eigenaar van het perceel [locatie 11] te Woerdense Verlaat. Hij kan zich niet verenigen met de aan zijn perceel toegekende bestemming "Recreatie Dagrecreatie". 26. [appellant sub 6] heeft in zijn zienswijze de raad verzocht om de bestemming te wijzigen ten behoeve van een recreatiewoning dan wel verblijfsrecreatie. Door de op het perceel aanwezige bouwwerken te slopen en te vervangen door één kleiner recreatieverblijf in combinatie met het recreatief gebruik, zal volgens hem de situatie aan de [locatie 11] aanmerkelijk verbeteren en een forse ruimtelijke kwaliteitswinst worden bereikt. Daarnaast voert hij aan dat geen sprake is van een onwenselijke intensivering van gebruik. Volgens hem vormt het niet mogen overnachten op zijn perceel juist een intensivering van gebruik door de extra vervoersbewegingen die daarvan het gevolg zijn.
Voorts voert [appellant sub 6] aan dat de gevraagde bestemming aansluit bij de bestemmingen en functies van de direct omliggende percelen. Ook zijn in de nabijheid percelen gelegen waaraan de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" is toegekend, zodat de gevraagde bestemming aansluit bij de ruimtelijke structuur en aard van de omgeving. Evenzeer sluit volgens [appellant sub 6] zijn initiatief aan bij de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid in de provinciale structuurvisie
Uitspraak 201702444/1/R3
11
Visie ruimte en mobiliteit, omdat de ruimtelijke kwaliteit en andere specifieke waarden ter plaatse worden behouden of verbeterd. Ook is het initiatief niet in strijd met de Verordening ruimte 2014, aldus [appellant sub 6]. Verder voert hij aan dat uit het rapport 'Natuurtoets beschermde soorten en natuurgebieden in het kader van de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet en Ecologische Hoofdstructuur' van 4 september 2015 van Ecoresult blijkt dat de natuurwaarden van het perceel en de omgeving niet worden verstoord. Ten slotte kan er volgens hem tegen de gevreesde permanente bewoning handhavend worden opgetreden. 26.1. Artikel 11, lid 11.1, van de planregels luidt: "De voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een perceel voor dagrecreatie met een tuinhuis; b. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, greppels, watergangen, waterberging, bruggen en duikers; met daarbij behorende: c. bebouwing, terreinen, in- en uitritten, gronden en voorzieningen, waaronder begrepen parkeervoorzieningen." Lid 11.3 van de planregels luidt: "Voor het gebruik op de voor recreatie aangewezen gronden gelden de volgende regels: Als gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruik van een tuinhuis voor recreatief nachtverblijf; b. het gebruik van een tuinhuis voor beroeps- en bedrijfsactiviteiten." 26.2.
De Afdeling stelt vast dat het gebruik dat in de huidige situatie door [appellant sub 6] van het perceel [locatie 11] te Woerdense Verlaat wordt gemaakt, door de raad als zodanig is bestemd. De raad heeft toegelicht dat in het algemeen de omzetting van dagrecreatief naar verblijfsrecreatief gebruik een intensiever gebruik met zich brengt en dat dit onwenselijk wordt geacht. De raad heeft uiteengezet dat de verblijfsduur en het minder seizoensgebonden gebruik hierbij relevant zijn. Daarnaast heeft de raad naar voren gebracht dat het gevaar van permanente bewoning van recreatiewoningen groot is. Daar komt bij dat provinciaal beleid in de weg staat aan de toekenning van de bestemming "Recreatie Recreatiewoning" dan wel "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aan het perceel. In het Programma ruimte van de provinciale structuurvisie Visie ruimte en mobiliteit, waarin het strategische beleid uit de visie is vertaald naar operationeel beleid, staat dat nieuwe recreatiewoningen alleen zijn toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken. Het gemeentelijk beleid sluit volgens de raad aan bij het provinciaal beleid.
De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het perceel van [appellant sub 6] onder deze omstandigheden niet de door hem gewenste bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" dan wel "Recreatie - Verblijfsrecreatie" kon worden toegekend. Het betoog faalt. 27. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7] 28. [appellant sub 7] is gezamenlijk met [belanghebbende F]] eigenaar van het perceel [locatie
Uitspraak 201702444/1/R3
12
12] te Woerdense Verlaat. Hij kan zich niet verenigen met de aan dit perceel toegekende bestemming "Recreatie-Recreatiewoning". 29. [appellant sub 7] wenst dat de recreatiewoning wordt bestemd als burgerwoning. In ruil voor deze bestemmingswijziging zal een groot deel van de aangrenzende gronden worden overdragen aan de Vereniging Natuurmonumenten, aldus [appellant sub 7]. De ruimtelijke kwaliteitswinst is volgens hem een rechtvaardiging voor deze wijziging. In dit verband wijst hij erop dat de aangrenzende gronden in de huidige situatie worden gebruikt voor fruitteelt. Deze gronden zijn gelegen in een Natura 2000-gebied, aldus [appellant sub 7]. 29.1. In de plantoelichting staat dat het plan geen bouwmogelijkheden voor nieuwe burgerwoningen bevat om verstening van het landelijk gebied tegen te gaan. De raad heeft toegelicht dat de provincie in beginsel terughoudend is bij de ontwikkeling van nieuwe bebouwing en bijbehorende functies en elementen in de groene ruimte. Volgens de raad worden in het provinciaal kader slechts onder bepaalde omstandigheden nieuwe woningen in het buitengebied toegestaan. Nieuwe woningen zijn mogelijk indien de ruimtelijke kwaliteit en andere specifieke waarden ter plekke worden behouden of verbeterd.
De raad heeft uiteengezet dat het beëindigen van strijdig gebruik, in dit geval fruitteelt, en het overdragen van deze gronden aan een ander, niet leidt tot ruimtelijke kwaliteitswinst. Het bestemmen van de recreatiewoning met een woonbestemming verdraagt zich volgens de raad dan ook niet met dit uitgangspunt. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid in het plan de bestemming "RecreatieRecreatiewoning" aan het perceel [locatie 12] te Woerdense Verlaat heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt. 30. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen 31. [appellant sub 8] en anderen zijn eigenaren van de woning aan de [locatie 13] te Ter Aar. Zij kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Wonen" die is toegekend aan het naastgelegen perceel [locatie 14] te Ter Aar, waarvan [belanghebbende C] de eigenaar is. 32. Ter zitting hebben [appellant sub 8] en anderen hun beroepsgrond over het ontbreken van een planregel die het bouwen van een woning binnen de bestemming "Wonen" alleen toestaat op een afstand van 3 m van de perceelgrens, ingetrokken. 33. [appellant sub 8] en anderen betogen dat ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend aan het perceel [locatie 14] te Ter Aar.
Volgens hen is door het verkeerd intekenen van de grens van het plangebied op de plankaart van het in 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Glastuinbouw", de mogelijkheid ontstaan om op dit perceel een woning te bouwen. Dit zou worden hersteld in dit plan, maar hier heeft de raad volgens [appellant sub 8] en anderen ten onrechte van afgezien vanwege de al verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning ter plaatse. Volgens hen is dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. [appellant sub 8] en anderen voeren dan ook aan dat de toegekende bestemming onvoldoende is gemotiveerd. In dit verband voeren zij ook aan dat niet is onderzocht of het bestemmen van de woning strijd met artikel 2.3.4, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 oplevert. 33.1. In beginsel moet legaal bestaande bebouwing als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien.
Uitspraak 201702444/1/R3
13
In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk binnen een redelijke termijn wordt verwijderd. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. Tussen partijen is niet in geschil dat op 2 september 2015 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie 14] in Ter Aar en dat deze vergunning inmiddels onherroepelijk is. Ter zitting is door [belanghebbende C] toegelicht dat zijn woning is gebouwd en momenteel van binnen nog wordt afgebouwd. De raad heeft in overeenstemming met het hiervoor genoemde uitgangspunt in het plan voorzien in de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 14]. De raad heeft toegelicht dat de gevestigde rechten en belangen met zich brengen dat de woning als zodanig wordt bestemd. Hierbij neemt de raad in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat de woning binnen redelijke termijn wordt verwijderd. In de door [appellant sub 8] en anderen gestelde omstandigheid dat mogelijk sprake is van strijd met artikel 2.3.4, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om ervan af te zien om de woning als zodanig te bestemmen omdat sprake is van bestaande bebouwing op grond van de Verordening ruimte 2014.
De stelling van [appellant sub 8] en anderen dat de woning niet overeenkomstig de verleende vergunning op een afstand van 3 m van de perceelgrens is gebouwd, kan, wat hiervan ook zij, niet tot de conclusie leiden dat de raad de woning daarom niet in het plan als zodanig heeft kunnen bestemmen door de bestemming "Wonen" toe te kennen. Overigens is op 7 juni 2018 een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de situering van de al gebouwde woning op het perceel [locatie 14]. Daarom ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid de bestemming "Wonen" heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 14] te Ter Aar. Het betoog faalt. 34. [appellant sub 8] en anderen betogen dat een deel van hun perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, en het perceel [locatie 14] ten onrechte in één bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" zijn opgenomen. Zij voeren aan dat deze percelen hierdoor afhankelijk van elkaar worden voor de bouw van hoofdgebouwen en bijgebouwen. Het plan maakt immers per bestemmingsvlak maximaal één woning mogelijk en de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer dan 80 m² bedragen. In dit verband voeren [appellant sub 8] en anderen aan dat zij plannen hebben om het betreffende gebouw op hun perceel aan te passen en uit te breiden.
34.1. Artikel 18, lid 18.2.1, onder a, van de planregels luidt: "per bestemmingsvlak is maximaal 1 woning toegestaan, tenzij op de verbeelding anders is aangeduid." Lid 18.2.3, onder b, voor zover hier van belang, luidt: "de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer dan 80 m2 bedragen." 34.2. Blijkens de verbeelding zijn het perceel [locatie 14] en het perceel van [appellant sub 8] en anderen, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, in één bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" opgenomen. Omdat deze percelen in hetzelfde bestemmingsvlak zijn opgenomen, zijn op grond van artikel 18, lid 18.2.3, onder b, van de planregels op dit perceel van [appellant sub 8] en anderen slechts bouwwerken mogelijk die bij de woning van
Uitspraak 201702444/1/R3
14
[belanghebbende C] op het perceel [locatie 14] horen. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het plan op dit punt niet overeenkomt met de bedoelingen van de raad. De raad heeft beoogd op het perceel van [appellant sub 8] en anderen, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, bouwwerken mogelijk te maken die behoren bij de woning op het perceel [locatie 13]. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan in zoverre dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 35. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover daarin is voorzien in één bestemmingsvlak voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, en het perceel [locatie 14], een aanduiding 'relatie' tussen het perceel, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, D1780, en het perceel [locatie 13] te Ter Aar ontbreekt en voor zover daarin een planregel ontbreekt die ziet op de aanduiding 'relatie' voor de percelen met de bestemming "Wonen". 36.
Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in zoverre in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak voor dit plandeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Hierbij betrekt de Afdeling dat namens [belanghebbende C] ter zitting geen bezwaren zijn geuit tegen de bedoelde wijziging van de verbeelding en het toevoegen van een planregel. Het beroep van [appellant sub 9] 37. [appellant sub 9] is eigenaar van een perceel in de nabijheid van de Geerweg. Hieraan is de bestemming "Natuur" toegekend. [appellant sub 9] kan zich niet vinden in deze bestemming, omdat deze de mogelijkheden voor het gebruik van de gronden beperkt. Hij zou graag een bestemming hebben die past bij het huidige recreatieve gebruik of bij het gewenste gebruik als atelier. 38. [appellant sub 9] betoogt dat de bestemming van zijn perceel ten onrechte niet is aangepast naar aanleiding van zijn zienswijze. Volgens hem is sprake van willekeur omdat de bestemming van nabijgelegen percelen wel is aangepast. De begrenzing van het gebied Geerpolderplas, dat de bestemming "Natuur" heeft, loopt in andere gevallen achter de tuinen van de woningen aan de Geerweg. 38.1.
Artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder f, van de planregels luidt: "De voor "Natuur" aangewezen gronden zijn bestemd voor extersief recreatief medegebruik." 38.2. De Afdeling stelt vast dat de bestemming voor twee naburige percelen, ter hoogte van [locatie 15], is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Aan deze percelen is niet de bestemming "Natuur" toegekend, maar de bestemming "Tuin - Onbebouwd". Daaraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de begrenzing van natuurgebied Geerpolderplas ter plaatse van deze percelen over de oeverlijn loopt en niet tot aan de weg. Bij het perceel van [appellant sub 9], loopt de begrenzing van het natuurgebied wel tot aan de weg. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van ongelijke behandeling. Het betoog faalt. 39. [appellant sub 9] stelt dat feitelijk geen sprake is van natuur, omdat het perceel vlak bij
Uitspraak 201702444/1/R3
15
een drukke weg en naast een parkeerplaats ligt en hij nooit vogelnesten of wild heeft aangetroffen. Bovendien wordt voor de WOZ-waarde van de grond uitgegaan van recreatief gebruik, aldus [appellant sub 9]. 39.1. De raad heeft aangesloten bij de begrenzing van het natuurgebied Geerpolderplas, dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. 39.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Natuur" kunnen toekennen, omdat de gronden zijn gelegen binnen het natuurgebied Geerpolderplas. Dat, naar [appellant sub 9] stelt, feitelijk geen sprake is van natuur, omdat het perceel naast een drukke weg en een parkeerplaats ligt en hij geen vogelnesten of wild heeft aangetroffen, is geen reden om van die begrenzing af te wijken. Daarbij betrekt de Afdeling dat volgens de toelichting bij het besluit van 11 december 1984 waarbij het gebied Geerpolderplas als staatsnatuurmonument is aangewezen, het terrein deels in gebruik is als tuinland. Daarbij is vermeld dat wordt gestreefd naar het verminderen van de oppervlakte tuinland. Dat voor de WOZ-waarde van de grond wordt uitgegaan van recreatief gebruik, werkt niet door naar de ruimtelijke ordening. De Afdeling wijst er overigens op dat recreatief gebruik van gronden met de bestemming "Natuur" mogelijk is. Het betoog faalt. 40. Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 10] 41. [appellant sub 10] exploiteert een sierteeltbedrijf op de percelen, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, B 2198, 2199, 2210, 562, 563, 565 en 566, nabij [locatie 16]. Hij kan zich niet verenigen met het plan, omdat het plan niet voorziet in het realiseren van 500 m2 aan extra bouwwerken en een bedrijfswoning op de percelen, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, B 2198 en 2199. Voor het naastgelegen perceel, dat hij wil aankopen, ontbreekt een wijzigingsbevoegdheid waardoor dit perceel niet ten behoeve van sierteelt kan worden gebruikt, aldus [appellant sub 10]. 42. [appellant sub 10] betoogt dat de raad de bebouwingsmogelijkheden op zijn percelen, kadastraal bekend gemeente Nieuwkoop, B 2198 en 2199, ten onrechte niet heeft verruimd naar 1.000 m2. Volgens hem zijn er in de huidige situatie geen bouwmogelijkheden meer omdat er al twee loodsen van in totaal 500 m2 zijn gebouwd op zijn percelen. Hij voert aan dat de uitbreiding noodzakelijk is om een volwaardig bedrijf te kunnen blijven. In dit verband stelt hij dat de oppervlakte van zijn percelen inmiddels is verdubbeld, net als de productie. De verwerking van de gewassen vindt plaats in de twee loodsen.
Omdat de productie inmiddels is verdubbeld en er plannen zijn om het naastgelegen perceel aan te kopen zijn de twee loodsen inmiddels te klein geworden voor een juiste en efficiënte verwerking van de gewassen, aldus [appellant sub 10]. Volgens [appellant sub 10] handelt de raad hiermee in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat op de percelen [locatie 17] en [locatie 18] te Ter Aar wel uitbreiding van de bebouwing heeft plaatsgevonden. 42.1. Blijkens de verbeelding zijn aan de twee percelen de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "sierteelt" toegekend. Aan een deel van de percelen zijn ook de aanduidingen "bouwvlak" en "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend. 42.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het toegekende bouwvlak aan de twee percelen een oppervlakte heeft van 3.000 m2. [appellant sub 10] heeft uiteengezet dat binnen dit bouwvlak twee loodsen staan met een oppervlakte van 40 m2 en 460 m2. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 3, lid 3.2.1, onder d, van de planregels het bouwvlak volledig
Uitspraak 201702444/1/R3
16
mag worden bebouwd, terwijl [appellant sub 10] deze mogelijkheid nog niet heeft benut. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het plan dan ook ruimte om de door [appellant sub 10] gewenste extra 500 m2 aan bebouwing te realiseren. Ter zitting heeft [appellant sub 10] toegelicht dat zijn beroep zo moet worden opgevat als zijnde gericht tegen de vorm en omvang van het bouwvlak. [appellant sub 10] wenst dat zijn bouwvlak achter de bestaande loods komt te liggen zodat de bestaande loods kan worden uitgebreid. De Afdeling is van oordeel dat de raad geen rekening hoefde te houden met deze wens van [appellant sub 10], omdat hij ten tijde van de vaststelling van het plan geen concreet bouwvoornemen kenbaar heeft gemaakt. De raad heeft in zoverre dan ook geen aanleiding hoeven zien om de vorm van het bouwvlak aan te passen dan wel het bouwvlak te vergroten. Overigens is in artikel 3, lid 3.7.1, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het aanpassen van de vorm van het agrarisch bouwvlak en is in artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van het agrarisch bouwvlak. Over de door [appellant sub 10] gemaakte vergelijking met de percelen [locatie 17] en [locatie 18] te Ter Aar overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie.
De raad heeft toegelicht dat bij het perceel Kerkweg 40 sprake was van een paardenbak die in het bouwvlak is opgenomen. Naar aanleiding van de schuur op dit perceel heeft de raad gesteld dat in het plan op de percelen van [appellant sub 10] bij recht ook uitbreidingsmogelijkheden zijn opgenomen. Wat betreft de gebouwde woning en schuur op het perceel [locatie 18] heeft de raad toegelicht dat deze bouwmogelijkheden in 1991 zijn verleend en dat het beleid voor sierteelt sindsdien is gewijzigd. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 10] genoemde situaties niet gelijk zijn aan de nu aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 43. [appellant sub 10] voert aan dat in het plan voor de twee percelen ten onrechte de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" is opgenomen. Volgens hem is een bedrijfswoning noodzakelijk omdat wordt gewerkt met een zeer gevoelig natuurproduct op de koude grond. Bij nachtvorst en sneeuw is het noodzakelijk om het gewas vaak te controleren en hier direct op in te spelen om een mislukte oogst te voorkomen, aldus [appellant sub 10]. Dit is bij wonen op geruime afstand van deze percelen niet mogelijk en bovendien zeer intensief.
Omdat zijn bedrijf afgelegen ligt en niet is beveiligd, is een bedrijfswoning ook daarom noodzakelijk, aldus [appellant sub 10]. 43.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.2 heeft overwogen moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De Afdeling overweegt dat door [appellant sub 10] geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet bouwvoornemen bestond voor de bouw van een bedrijfswoning. Dus is niet komen vast te staan dat het voornemen voor de bouw van een bedrijfswoning ten tijde van de vaststelling van het plan zo concreet was dat de raad met dit voornemen bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Voor zover [appellant sub 10] zich op het standpunt heeft gesteld dat het plan ten onrechte niet in een bedrijfswoning voorziet vanwege de gestelde noodzaak daarvan voor de bedrijfsvoering, heeft de raad uiteengezet dat de twee percelen buiten het boom- en
Uitspraak 201702444/1/R3
17
sierteeltgebied als bedoeld in de Verordening ruimte 2014 liggen. In de toelichting op artikel 2.3.1 van de Verordening ruimte 2014 staat dat vanwege de grote landschappelijke effecten de mogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de concentratiegebieden beperkt zijn. De raad heeft toegelicht dat terughoudendheid in algemene zin met sierteelt in het Groene Hart, buiten de aangewezen gebieden, ook bestendig lokaal beleid is. Ter zitting heeft de raad gesteld dat bij de sierteeltsector de noodzaak voor een bedrijfswoning vrijwel niet meer is aan te tonen door de technische ontwikkelingen. De door [appellant sub 10] genoemde omstandigheden maken niet dat een bedrijfswoning in zijn geval wel noodzakelijk is. Omdat [appellant sub 10] de noodzaak voor een bedrijfswoning niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het mogelijk maken van een bedrijfswoning op de twee percelen. Het betoog faalt. 44. [appellant sub 10] voert aan dat voor het naast zijn loodsen gelegen agrarische perceel ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in het plan. Hierdoor kan het naastgelegen perceel, dat hij wil aankopen, niet worden gebruikt voor sierteelt, aldus [appellant sub 10]. Volgens hem is dit deel van de polder juist bedoeld voor de ontwikkeling van sierteeltbedrijven. 44.1.
Niet is gebleken dat een concreet voornemen bestaat om het naast zijn loodsen gelegen perceel te gebruiken ten behoeve van sierteelt. Gelet hierop heeft de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening kunnen en hoeven houden met de behoefte van [appellant sub 10] aan een wijzingsbevoegdheid voor dit perceel. Het betoog faalt. 45. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 11] 46. [appellant sub 11] exploiteert een sierteeltbedrijf op de percelen, kadastraal bekend gemeente Nieuwveen, B 1646, 1655 en 1794. Deze percelen zijn gelegen naast het perceel [locatie 19] te Nieuwveen. [appellant sub 11] kan zich niet verenigen met de aan zijn percelen toegekende aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt". 47. [appellant sub 11] betoogt dat ten onrechte geen volwaardig bouwvlak is toegekend aan zijn percelen. Volgens hem is de toegekende aanduiding "specifieke bouwaanduiding sierteelt" onvoldoende voor de verwerking van de oogst. Hij voert aan dat niet is gemotiveerd waarom zijn volwaardige sierteeltbedrijf niet in aanmerking komt voor een bouwvlak. [appellant sub 11] stelt te hebben onderbouwd waarom een volwaardig bouwvlak noodzakelijk is. Overigens komt de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" niet terug in de planregels en geeft deze aanduiding niet de gewenste rechtszekerheid, aldus [appellant sub 11].
Hij wijst ook op brieven van 2 maart 2017 en van 10 mei 2017 waarin het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop te kennen heeft gegeven dat de op verbeelding weergegeven aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" niet strookt met het bestreden besluit en dat deze kennelijke verschrijving inmiddels is aangepast. 47.1. Blijkens de verbeelding zijn aan de drie percelen, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "sierteelt" toegekend. Aan een klein deel van het perceel B 1655 is ook de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" toegekend. Artikel 3, lid 3.2.4, onder c, van de planregels luidt: "ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - sierteelt" is een bedrijfsgebouw