CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

20. Natuurtoets

Besluitvormende raadsvergadering 16 december 2021, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Aanvraag Verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de bouw van een restaurant met bovenwoning aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden (2021-109)14.469 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie. Met de voorgenomen sloop en nieuwbouw wordt dan ook niet verwacht dat nesten of het leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaats worden verstoord. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing voor (één van) de genoemde vogelsoorten met een vaste rust- en verblijfplaats is dan ook niet aan de orde. Vleermuizen Aan de hand van het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat het Plashuis geen verblijfplaats vormt voor vleermuizen. Met het onderzoek zijn binnen het plangebied voornamelijk foeragerende en passerende vleermuizen waargenomen. Van grote aantallen of een eventuele vlieg- of migratieroute nabij het Plashuis was geen sprake. Voor de sloop van het Plashuis en bijgebouwen is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet

3

In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.

23

Bureau Aandacht Natuur

Natuurbescherming voor het verstoren of verwijderen van belangrijk leefgebied of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet noodzakelijk. Tevens is geconstateerd dat de waterelementen achter het Plashuis geen belangrijk functie hebben als vliegroute of foerageergebied van meer kritische vleermuissoorten zoals meer- of watervleermuis. Extra mitigerende maatregelen of een ontheffingsaanvraag voor het verstoren van functioneel leefgebied van onder andere meervleermuis is dan ook niet van toepassing. Zoals omschreven in de paragraaf 3.2 zal echter wel worden voorzien in aangepaste verlichting (stralingsbeperkende armaturen, figuur 10), om negatieve effecten van kunstmatige verlichting op het Natura 2000 gebied te voorkomen. Dit zal tevens een gunstig effect hebben op het voorkomen van vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Met betrekking tot de overige (grondgebonden) zoogdieren worden uitsluitend enkele algemeen voorkomende zoogdieren verwacht binnen de projectlocatie. Hiervoor geldt een algemene vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en/of bestendig beheer. Verder is het voorkomen van noordse woelmuis, waterspitsmuis en otter bekend in de omgeving van het projectgebied. Geschikt leefgebied voor deze soorten ontbreekt echter op en in de directe omgeving van het projectgebied.

Zwaarder beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt, worden dan ook niet verwacht op de projectlocatie. Amfibieën Met betrekking tot het voorkomen van amfibieën zijn voornamelijk enkele algemeen voorkomende beschermde soorten (tabel 1) binnen de Wet Natuurbescherming te verwachten. Hiervoor geldt een vrijstelling bij onder meer een ruimtelijke ingreep, maar geldt te allen tijde de zorgplicht. De voorgenomen plannen hebben echter geen negatieve effecten op de lokale populatie van de te verwachten amfibiesoorten. In de ten noorden van het Plashuis gelegen polder is tevens kooractiviteit van rugstreeppad waargenomen. Aan de hand van recente verspreidingsgegevens is tevens bekend dat de beschermde soort heikikker voorkomt in de omgeving van het plangebied. Aan de hand van de aanwezige terreintypen kan het voorkomen van genoemde soorten binnen de projectlocatie echter worden uitgesloten. Nader onderzoek naar het voorkomen van genoemde soorten op of in de directe omgeving van het plangebied is dan ook niet noodzakelijk. Echter dient de aanbeveling om met een soort als rugstreeppad rekening te houden met de verdere bouwwerkzaamheden. De rugstreeppad is een zogeheten pionierssoort, die als zodanig in staat is om in korte tijd nieuw ontstane voortplantingswateren te koloniseren.

Geschikte voortplantingswateren bestaan uit ondiepe, tijdelijke wateren, in de directe omgeving van onbegroeide zandige terreinen. Met het bouwrijp maken van het projectgebied kan een dergelijk situatie ontstaan. Indien met de werkzaamheden rugstreeppad wordt aangetroffen is een ontheffingsaanvraag alsnog noodzakelijk. Overige beschermde soorten Andere strikt beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies.

24

Bureau Aandacht Natuur

4.2 Toetsing gebiedsbescherming Met betrekking tot het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen realisatie van een nieuw restaurant aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden tot een aantal negatieve effecten kan leiden. Deze effecten hebben betrekking op de volgende verstoringsfactoren: verstoring door licht, geluid en trillingen optische verstoring verstoring door mechanische effecten De beoogde plannen hebben uitsluitend betrekking op de locatie van het huidige Plashuis en omvat de nieuwbouw van een restaurant met een bovenwoningen en een parkeerkelder. In de huidige situatie zijn geen terreintypen aanwezig die van belang zijn voor de in het Natura 2000 gebied aangewezen habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Met betrekking tot de voorgenomen plannen, hebben deze voornamelijk betrekking op externe effecten. De realisatie van een nieuw restaurant met bovenwoning aan de Noordse Dorpsweg 2 kan verstoring van licht, geluid en trillingen tot gevolg hebben. Het gaat hierbij met name om de uitvoeringsfase. Hierbij zullen heiwerkzaamheden, verkeersbewegingen en bouwwerkzaamheden zorgen voor verstoring door licht, geluid en trillingen. Verstoring door licht tijdens de bouwwerkzaamheden hebben betrekking hebben op de (aangewezen) broedvogelsoort rietzanger en de habitatsoort meervleermuis.

De verstoring van licht zal worden beperkt door in de gevoelige (voortplantings- en broed) periode (half maart t/m augustus) en de actieve periode van meervleermuis (april t/m, half oktober geen nachtelijke werkzaamheden (met felle bouwlampen) uit te voeren. Na realisatie kan verstoring door verlichting plaatsvinden door eventuele aan te brengen straat- en gevelverlichting en het aan- en afrijden van verkeer. Om verstoring door verlichting te voorkomen zal de parkeergelegenheid zo worden ingekleed, dat de plas wordt afgeschermd van deze verkeersbewegingen. De verwachte verkeerstoename ten opzichte van de huidige situatie zal dan ook grotendeels worden opgelost middels het aanbrengen van een ondergrondse parkeerkelder. In verband met het voorkomen van meervleermuis zal eventueel noodzakelijke verlichting aan en om het nieuwe gebouw worden uitgevoerd met vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige led-verlichting) dan wel niet breed stralende armaturen (www.zoogdiervereniging.nl) en een nog nader te bepalen dim-tijd schakelscenario. Aan de hand van deze voorwaarden kan worden geconcludeerd dat een significant negatief effect van verlichting op/in het Natura 2000 gebied niet aan de orde is. Met betrekking tot de verstoring door geluid en trillingen zijn met name hei- en transportwerkzaamheden met zwaar verkeer (vrachtverkeer en (graaf)machines) een verstorende factor.

Het bouwrijp maken, graven van de parkeerkelder en de noodzakelijke graaf- en heiwerkzaamheden zullen dan ook buiten de gevoelige voortplantings- en broedperiode van kwalificerende habitat- en vogelrichtlijnsoorten (half maart t/m augustus) plaatsvinden. Tevens zal voor de realisatie van een parkeerkelder (bron) bemaling moeten plaatsvinden, waarbij het vrijkomende (grond) water zal worden geloosd in het oppervlakte water. Gezien het belang van de waterkwaliteit in het gebied voor o.a. kwalificerende vissoorten, is het eveneens van belang om deze werkzaamheden buiten de gevoelige periode van voortplanting uit te voeren. De werkzaamheden zullen dan ook (moeten) worden uitgevoerd conform een ecologisch werkprotocol en onder ecologische begeleiding plaatsvinden. Ook met het gebruik van het restaurant en bovenwoning is het mogelijk dat verstoring door geluid en trillingen plaatsvindt. Trillingen en geluid zullen voornamelijk worden veroorzaakt door de verkeersbewegingen. Deze verkeersbewegingen zullen veelal opgaan in de reeds 25

Bureau Aandacht Natuur

bestaande verkeersbewegingen aan de Noordse dorpsweg. Verder zal het terras bij goede weersomstandigheden verstoring van geluid kennen. Deze verstoring is slechts beperkt van aard en vindt op gezette tijden plaats. Gezien de ligging ten opzichte van eventueel geschikt broedgebied van kwalificerende broedvogelsoorten en (functioneel) leefgebied van habitatrichtlijnsoorten, wordt niet verwacht dat geluid afkomstig van het terras een effect zal hebben op de beschermde waarden van het Natura 2000 gebied. Geconcludeerd kan worden dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen door toedoen van licht, geluid en trillingen op het Natura 2000 gebied niet aan de orde zijn. Als laatste zijn ook optische verstoring en mechanische effecten van belang bij de realisatie van het nieuwe restaurant met bovenwoning. Tijdens de bouw gaat het hierbij vooral om de aanwezigheid (graaf)machines, hijskranen, werkverkeer, werknemers en bijbehorende bouwactiviteiten. Met de uitbreiding van de horeca-aangelegenheid aan de Noordse Dorpsweg 2, zullen meer menselijke activiteiten en verkeersbewegingen aanwezig zijn aan de rand van het Natura 2000 gebied, wat zal leiden tot meer optische verstoring in het gebied. De bouwwerkzaamheden zijn van tijdelijke aard, waarmee de mechanische effecten en optische verstoring zich beperken tot de uitvoeringsduur van het project.

De duur van het project is in dit stadium van het planproces nog onduidelijk. Met betrekking tot graaf- en heiwerkzaamheden en het bouwrijp maken (aan en afvoer grond etc.) en graven van de parkeerkelder, is besloten deze werkzaamheden uitsluitend uit te voeren buiten de gevoelige periodes van aanwezige habitat- en vogelrichtlijnsoorten, vanaf september tot 15 maart. Door deze (voorbereidende) werkzaamheden in genoemde periode uit te voeren, zal een groot deel van de mechanische effecten en optische verstoring door de aanwezigheid van zwaar (werk)verkeer, graafmachines en de hei-installatie, tot een minimum worden beperkt. De situatie na realisatie is echter blijvend van aard. Het restaurant aan de Noordse Dorpsweg 2 zal worden gerealiseerd binnen de bebouwde kom van Noordse Dorp en daarmee opgaan in de huidige bebouwingstructuur en niet leiden tot (extra) optische verstoring. Mechanische effecten (beweging) worden voornamelijk veroorzaakt door verkeersbewegingen aan de noordzijde van de plas en menselijke activiteiten op het terras. Een toename van mechanische effecten door toenemende verkeersintensiteit is hierdoor voornamelijk gekoppeld aan de Noordse Dorpsweg. De verkeerstoename in het gebied betreft maximaal 45 verkeerbewegingen per dag. Mechanische effecten van aanwezige bezoekers op het terras is afhankelijk van de weersomstandigheden.

Gezien de situering ten opzichte van kwalificerende habitattypen en het leefgebied van kwalificerende habitaten vogelrichtlijnsoorten, kan er vanuit worden gegaan dat de effecten niet significant negatief zullen zijn. Tevens is middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend, zie bijlage 3. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een overschrijding van de kritisch depositiewaarde (KDW) in nabij gelegen Natura 2000 gebieden. Het project heeft geen negatieve invloed op het voorkomen van stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende Natura 2000 gebieden. Er is dan ook geen verplichting tot het indienen van en melding en/of een aanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming. Verder is het mogelijk dat cumulatie van verschillende projecten optreed. Aangezien nog niet bekend is in welk tijdsbestek de werkzaamheden zullen plaatsvinden, kan hierover nog geen uitspraak worden gedaan. Zodra de uitvoering concreter wordt, zal moeten worden bezien of er sprake is van cumulatie van effecten door toedoen van de voorgenomen werkzaamheden. Gezien de mate van optische verstoring en mechanische effecten en door het nemen van mitigerende maatregelen tijdens de uitvoering, om verstoring door licht, geluid en trilling 26

Bureau Aandacht Natuur

dan mechanische effecten of optische verstoring op het Natura 2000 gebied te voorkomen, kunnen significant negatieve effecten op het Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen en de Haeck worden uitgesloten. Aan de hand van dit onderzoek, kan een vergunning dan wel een bestuurlijk oordeel in het kader van de Wet Natuurbescherming worden afgegeven, voor de realisatie van het restaurant aan de Noordse Dorpsweg 2 te Noorden.

4.3 Houtopstanden Houtopstanden die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.

27

Bureau Aandacht Natuur

Literatuurlijst • • • •

• • • • •

•

•

• • • •

Provincie Zuid-Holland, september 2015. Document PAS-gebiedsanalyse Herstelstrategieën voor Nieuwkoopse Plassen & De Haeck; PAS periode 2015 2021. Aerius Monitor 15 Provincie Zuid-Holland, juni 2015. Beheerplan Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck periode 2015 - 2021. Bureau Mediadiensten, Provincie ZuidHolland, Den Haag Krijgsveld K.L., Smits R.R., van der Winden J., 23 december 2008, Verstoringsgevoeligheid van vogels, update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie, Bureau Waardenburg bv, Culemborg Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, december 2011, Soortenstandaard Zandhagedis Lacerta agilis, Dienst Regelingen, Den Haag. Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Impporteurs bv, Haarlem / Provincie Noord-Holland, Haarlem.

Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk. Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr.

WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen.

28

Bureau Aandacht Natuur

• • • • • • •

www.earius.nl www.ravon.nl www.telmee.nl www.zuid-holland.nl www.rvo.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/

29

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 1. Wet Natuurbescherming

Bureau Aandacht Natuur

Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.

34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •

Programmatische aanpak stikstof

Het programma aanpak stikstof (PAS) beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie afkomstig van in Nederland aanwezig bronnen. Het programma heeft tot doel, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats binnen afzienbare termijn te realiseren. Hiermee dienen ook nieuwe activiteiten of -ontwikkelingen die een hoge stikstof-uitstoot tot gevolg hebben buiten Natura 2000-gebieden, te worden beoordeeld in het kader van de Wet Natuurbescherming. De resultaten van de ecologische beoordeling van de PAS omvatten in elk geval de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied. Andere aangewezen gebieden in de NNN of als natuurverbinding vallen niet onder de PAS-richtlijnen. •

Natura 2000-beheerplannen

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Bureau Aandacht Natuur

•

Cumulatieve effecten

Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •

Beschermd Natuurmonument

Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.

Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd: 80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen 39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3) bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •

Beschermingsregime Vogels

Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten.

Bureau Aandacht Natuur

Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1 Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn.

Dat zijn: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten

Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 1

Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort. 2

In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt

bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; •

Beschermingsregime “andere” beschermde soorten

Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

Bureau Aandacht Natuur

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort. •

Mitigatie en compensatie

Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn: het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode het gebruik maken van andere werkapparatuur of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk.

Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •

Vrijstelling

Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.

Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

Bureau Aandacht Natuur

Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.

Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien: Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.

De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie (of in bijzondere gevallen door het Rijk) aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Indien (vooraf) een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd wordt / moet worden, is de desbetreffende provincie het bevoegd gezag. De provincie zal vervolgens de aangeleverde gegevens toetsen en bepalen of een vergunning, ontheffing dan wel vrijstelling kan worden afgegeven en onder welke voorwaarden.

Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden: Geen andere bevredigende oplossing voor handen is; Sprake is van een in de wet genoemd belang (zie soortbescherming); Geen sprake is van verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal de provincie een toetsing van de belangen en de alternatieven uitvoeren en een ecologische toetsing doen. De termijn voor het

3

De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.

Bureau Aandacht Natuur

behandelen van een aanvraag bedraagt 13 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 7 weken. Indien door een handeling of activiteit verbodsbepalingen overtreden worden, moet door de initiatiefnemer worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing(en) is, waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Bij andere oplossingen kan gedacht worden aan alternatieve locaties, een ander ontwerp of inrichting van het plan, of een andere uitvoering van de handelingen. Bij de beoordeling of afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding mogen mitigerende en compenserende maatregelen betrokken worden. Uiteindelijk mag het verlenen van de ontheffing geen negatief effect hebben op het voorkomen van de soort. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Wettelijk verschilt het toetsingscriterium voor vogels van dat voor overige Europees en nationaal beschermde soorten. Europese jurisprudentie maakt echter duidelijk dat bij afwijkingen onder de Vogelrichtlijn ook gekeken moet worden naar de staat van instandhouding van de populatie vogels. De staat van instandhouding van lokale populaties is meestal niet bekend. De status van de lokale populatie kan afwijken van de landelijke staat van instandhouding of landelijke trend.

Hoe minder gunstig de trend en/of staat van instandhouding, des te strenger moet de beoordeling zijn of er toestemming voor de ontheffing kan worden verleend. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve effecten, dus ook met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van de soort.

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 2. Essentietabel Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & de Haeck

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 3. Aerius Calculator; realisatie restaurant Noordse Dorpsweg te Noorden

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 4. Vleermuiswaarnemingen per veldronde

Bureau Aandacht Natuur

Bureau Aandacht Natuur

Bureau Aandacht Natuur

Bureau Aandacht Natuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=10cdb47a-412f-4c3e-a910-60d2e099dad9