CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

194 Bijlage 6 Rapport Ecologische effecten kleine windturbines Zuid-Holland

Besluitvormende raadsvergadering 6 juni 2024, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen beleidskader zonne-energie Gemeente Nieuwkoop (2024-056)21.724 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

45

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Conclusies In deze paragraaf worden de antwoorden op iedere onderzoeksvraag samengevat.

1.

Welke referentieturbine(s) dient/dienen gebruikt te worden voor dit onderzoek?

De grote variëteit aan beschikbare grote kleine windturbines in combinatie met het provinciale schaalniveau van dit onderzoek maakte het niet mogelijk om voor ieder type kleine windturbine de ecologische effecten te onderzoeken. Daarom is in dit onderzoek gebruik gemaakt van een bandbreedte van afmetingen, welke is gebaseerd op het overzicht uit “Bijlage I Beschikbare kleine windturbines”. De te onderzoeken bandbreedte is bepaald door de windturbines met twee uiterste afmetingen; de maximale tiphoogte (bij ashoogte 30 meter) en minimale tiplaagte (bij ashoogte 15 meter). Er is gewerkt met het worst-case scenario, op basis van de grootste rotordiameter bij een ashoogte van 15 en 30 meter, om de maximale tiphoogte en minimale tiplaagte vast te stellen. Vervolgens zijn er twee referentieturbines gedefinieerd die antwoord geven op de eerste onderzoeksvraag. De referentieturbines zijn: • Referentieturbine ‘Laag’ (ashoogte van 15 meter): De rotordiameter is 20 meter, de tiphoogte is 25 meter en tiplaagte is 5 meter. • Referentieturbine ‘Hoog’ (ashoogte van 30 meter): De rotordiameter is 30 meter, de tiphoogte is 45 meter en de tiplaagte is 15 meter. In dit onderzoek naar ecologische effecten is de gehele bandbreedte tussen 5 meter tiplaagte en 45 meter tiphoogte onderzocht, zoals weergegeven in Figuur 6-1 en Tabel 6-1.

Ecologische effecten door grote kleine windturbines met een ashoogte van 20 of 25 meter vallen binnen deze bandbreedte.

Figuur 6-1. Te onderzoeken bandbreedte op basis van worst-case referentieturbines. Tabel 6-1. Referentieturbine laag en hoog.

Referentieturbine ‘Laag’ ‘Hoog’

Ashoogte (m) 15 30

Rotordiameter (m) 20 30

Tiphoogte (m) 25 45

Tiplaagte (m) 5 15

Te onderzoeken bandbreedte

15 tot 30 meter

N.v.t.

45

5

46

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

2.

Wat zijn de ecologische effecten van deze referentieturbine(s)?

Op basis van het uitgevoerde onderzoek lijken de mogelijke negatieve effecten door plaatsing van grote kleine windturbines op relevante soortgroepen beperkt. Uit de bestaande literatuur komt naar voren dat het plaatsen van één grote kleine windturbine beperkte risico’s met zich meebrengt voor vogels en vleermuizen vanwege de geringe hoogte en doorkruising van verschillende luchtlagen, de kleine schaal (één windturbine) en benodigde oppervlakte voor plaatsing. Gedurende de aanlegfase bestaan de effecten voornamelijk uit oppervlakteverlies en tijdelijke verstoring van leefgebied voor ongevleugelde soorten zoals zoogdieren, amfibieën en flora. Gezien het kleine oppervlak dat benodigd is voor het plaatsen van een grote kleine windturbine zijn negatieve effecten veelal volledig te mitigeren of in sommige gevallen zelfs te verwaarlozen. De betrokken ecoloog kan dit bepalen aan de hand van een QuickScan. Gedurende de gebruiksfase blijven negatieve effecten beperkt tot vogels en vleermuizen, met beperkte effecten op vliegende insecten. In dit onderzoek is de nadruk gelegd op vogels en vleermuizen. Voor deze soortgroepen is een literatuurstudie uitgevoerd naar de negatieve effecten en mogelijke mitigatie van het plaatsen van één grote kleine windturbine op agrarisch perceel.

Bij het uitvoeren van de literatuurstudie is vanwege beperkte informatie van grote kleine windturbines waar nodig ook geput uit effectstudies naar grote windturbines (ashoogte > 30 meter). Hierbij is geconcludeerd dat het grootste risico voor vogels en vleermuizen ligt bij aanvaring met de windturbine(s). De snellere rotorsnelheden en slechte zichtbaarheid van kleine windturbines leiden mogelijk tot negatieve effecten met betrekking tot aanvaringen. Passende locatiekeuze in de aanlegfase kan aanvaringsrisico in de gebruiksfase minimaliseren en is daarmee ook de beste mitigerende maatregel. Kleine windturbines (ashoogte maximaal 15 meter) Kleine windturbines hebben zowel op vogels als vleermuizen een mogelijk negatief effect. Bij vogels gaat het met name om soorten die op of direct rond het boerenerf voorkomen (lokaal effect). Soortgroepen zoals uilen en zwaluwen zijn extra kwetsbaar en kunnen vaak in directe nabijheid van de windturbines komen. Onder de gevonden slachtoffers vallen relatief hoge aantallen van wilde eend, houtduif en spreeuw op. Ook vleermuizen kunnen gevoelig zijn voor kleine windturbines en bij de veldonderzoeken naar aanvaringsslachtoffers zijn meer exemplaren aangetroffen dan eerder verwacht. De vleermuizen foerageren dan ook veelvuldig direct rond de boerderijen en komen vaak binnen bereik van de rotorbladen (5-20 meter hoogte).

Grote kleine windturbine (ashoogte maximaal 30 meter) Grote kleine windturbines hebben een hoger rotorbereik en kunnen vogelsoorten benadelen die op grote hoogte overvliegen. Hiermee kunnen soortgroepen effect ondervinden op een meer regionale schaal en dan kan er sprake zijn van risico op aanvaring tijdens voedseltrek of slaaptrekbewegingen. In de provincie Zuid-Holland komen veel vogelsoorten voor die in de open cultuurlandschappen (met name veenweide- en droogmakerijlandschap) in grote getalen kunnen doortrekken en overwinteren en deze zijn dan ook mogelijk kwetsbaar voor aanvaring met deze grote kleine windturbines. Zeker als deze windturbines op een locatie geplaatst worden waar veel vogelbewegingen te verwachten zijn. Dit zijn onder andere de grote moerasgebieden in veenweidelandschappen (broedlocaties van aalscholvers en reigers) of de randen van het zeekleilandschap waar grote aantallen eenden en ganzen kunnen overnachten en dagelijks naar hun voedselgebieden zullen vliegen. Voor vleermuizen zijn geen grote verschillen te verwachten tussen effecten van kleine en grote kleine windturbines. Hoger vliegende soorten als de laatvlieger lopen mogelijk meer risico op aanvaring bij grote kleine windturbines, maar veel vleermuissoorten foerageren ook in lagere luchtlagen.

Uit onderzoek lijken kleine windturbines zelfs mogelijk meer vleermuisslachtoffers te eisen dan grote kleine windturbines, maar de beschikbare literatuur is nog zeer beperkt en de bestaande onderzoeken zijn slechts op kleine schaal uitgevoerd. Deze conclusie is daarom nog niet met zekerheid te stellen.

3. Onder welke ecologische voorwaarden kunnen deze referentieturbine(s) worden toegestaan? De hoofdzakelijke ecologische voorwaarde waaronder de referentieturbine(s) kunnen worden toegestaan is een geschikte locatiekeuze, op zowel lokaal als regionaal niveau. Voor grote kleine windturbines specifiek is locatiekeuze op regionaal niveau van belang, waar wordt gelet op de nabijheid van vogelrijke gebieden. Voor zowel kleine als grote kleine windturbines is locatiekeuze op lokaal of perceelniveau van belang, waarbij wordt gelet op de nabijheid van landschappelijke elementen en structuren als bomen, hagen en waterwegen. Andere mitigerende maatregelen die

47

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

toegepast kunnen worden bij het plaatsen van (grote) kleine windturbines zijn opgesomd in Bijlage II Mitigerende maatregelen. De locatiekeuze op regionaal niveau en perceelniveau worden hieronder verder toegelicht. Locatiekeuze op regionaal niveau Locatiekeuze op regionaal niveau is in het bijzonder voor grote kleine windturbines en voor vogels essentieel. Omdat grote kleine windturbines hogere luchtlagen raken dan kleine windturbines hebben vogels niet alleen een aanvaringsrisico bij lokale foerageerbewegingen, maar mogelijk ook bij de voedsel- en slaaptrek. Om effecten op regionaal niveau op vogels te minimaliseren is het belangrijk dat voorzichtigheid wordt betracht bij het plaatsen van grote kleine windturbines in of nabij vogelrijke gebieden. Afhankelijk van de locatiekeuze kan in het voortraject ook bepaald worden of eventuele vervolgstappen aan de orde zijn ten opzichte van de ligging binnen of nabij Natuurnetwerk Nederland (NNN), groene ontwikkelingszones of eventuele Natura-2000 gebieden. Locatiekeuze op perceel niveau Na het definiëren van (on)geschikte regio’s voor de plaatsing van grote kleine windturbines, is de keuze op perceelniveau van belang. Op perceelniveau is het vooral voor vleermuizen, bij zowel kleine als grote kleine windturbines, cruciaal dat windturbines niet te dichtbij landschappelijke structuren staan.

Bij plaatsing in of nabij landschappelijke elementen en structuren zoals bomen, hagen, waterwegen is de kans op mogelijk negatieve effecten en overtredingen namelijk het grootst, omdat verschillende vleermuissoorten aan deze structuren zijn gebonden. Het ontwijken van de genoemde landschappelijke elementen is dan ook een belangrijke maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Voor vogels is echter sprake van grotere kans op negatieve effecten bij plaatsing van kleine of grote kleine windturbines in open landschap. Dit komt door de barrièrewerking van het plaatsen van een element in open gebied. Door tijdig een ecoloog in te schakelen kunnen mogelijke effecten en geschikte locaties in een vroeg stadium al in beeld gebracht worden en de afweging om te plaatsen in open gebied of nabij landschappelijke elementen worden geïnventariseerd. Daarmee kan ook vooraf helderheid geschept worden omtrent een eventuele ontheffingsaanvraag. Indien effecten (volledig) voorkomen of gemitigeerd kunnen worden biedt dat mogelijkheden om een kleine windturbine te kunnen plaatsen zonder een ontheffingsaanvraag. Beleidsadvies Uit de voorgaande conclusies blijkt dat er voorzichtigheid betracht moet worden ten aanzien van het onbeperkt toestaan van grote kleine windturbines in de meest vogelrijke gebieden in het cultuurlandschap.

De aanbeveling is dan ook om de mogelijkheid van een zonering te onderzoeken met onderscheid in gebieden waar het wel/niet gewenst is om grote kleine windturbines te plaatsen. In paragraaf 6.2 is een overzicht van leemten in kennis gegeven. Door invulling te geven aan deze leemten in kennis kan gerichter beleid worden geformuleerd. Waarmee negatieve effecten van grote kleine windturbines zoveel mogelijk kunnen worden geminimaliseerd en gemitigeerd.

6.2 Leemten in kennis en vervolgonderzoek De beschikbare kennis over de effecten van grote kleine windturbines op vogels en vleermuizen is beperkt. In Nederland is nog maar één onderzoek uitgevoerd waar gericht is gekeken naar aanvaringsslachtoffers van kleine windturbines in de provincie Groningen (Jonge Poerink & Van Houten - Munten, 2020). Op dit moment loopt in Groningen een vervolgonderzoek waarin het aantal aanvaringsslachtoffers verder gemonitord wordt. De eerste resultaten bevestigen de bevindingen van dit rapport. Mogelijk kunnen op basis van vervolgonderzoek robuustere conclusies worden getrokken over het aanvaringsrisico voor vogels en vleermuizen met kleine windturbines. Zo kan het aantal onderzoeksjaren en aantal onderzoekslocaties worden uitgebreid. Ook raden de onderzoekers in Groningen aan om extra onderzoek te doen naar de positionering van windmolens ten opzichte van houtopstand (Jonge Poerink, 2023). Over specifiek de effecten van grote kleine windturbines én de verschillen tussen effecten op basis van variërende ashoogtes is nog minder informatie beschikbaar. Om robuustere conclusies te kunnen stellen is aanvullend onderzoek, inclusief veldobservaties, noodzakelijk. Zo kan er bijvoorbeeld worden gedacht aan meer onderzoek naar slachtoffers, eventueel met GPS-zenders.

48

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

In Tabel 6-2 is een overzicht van kennisleemten en mogelijke vervolgonderzoeken weergegeven. De adviezen voor vervolgonderzoek zijn aangeraden om robuustere conclusies te trekken over de ecologische effecten van grote kleine windturbines in de provincie Zuid-Holland. Per onderzoeksadvies is aangegeven of deze ook noodzakelijk is voor het formuleren van beleidsadviezen, zoals het bepalen van zonering van regio’s. Deze zonering kan opgesteld worden op basis van de risico’s die (grote) kleine windturbines met zich meebrengen in een specifiek gebied. Ondanks een eventuele zonering op regionaal niveau, dient bij ieder initiatief voor het plaatsen van een kleine en grote kleine windturbine in het kader van de Wet natuurbescherming een QuickScan opgesteld te worden, om significante negatieve effecten uit te sluiten op beschermde soorten en/of gebieden. Uit de QuickScan en eventuele vervolgonderzoeken moet blijken of ontheffingsaanvragen noodzakelijk zijn. Tabel 6-2. Overzicht kennisleemten en vervolgonderzoek.

Kennisleemte

Beschrijving

Advies voor vervolgonderzoek

Effect van variërende ashoogtes

Studies naar kleine windturbines zijn beperkt aanwezig en studies naar de ecologische effecten van grote kleine windturbines ontbreken vrijwel volledig.

Vlieghoogtes bij lokale bewegingen

Een andere kennisleemte betreft de verschillende vlieghoogtes. De informatie rondom vlieghoogtes per soort(groep) is zeer beperkt als het gaat om lokale bewegingen en kleine afstanden. Deze informatie is niet vlakdekkend en de bestaande onderzoeken zijn vooral gericht op casestudies voor bepaalde plaatselijke ontwikkelingen. De genoemde vlieghoogtes zijn daarom slechts een indicatie op basis van de beschikbare literatuur, maar sluiten niet uit dat soorten ook op andere hoogtes kunnen voorkomen. De studies naar de effecten van meerdere kleine windturbines nabij elkaar of de cumulatie van een grote hoeveelheid kleine windturbines zijn nog zeer beperkt (Minderman, Gillis, Daly, & Park, 2017). Cumulatie valt niet binnen de reikwijdte van dit onderzoek, maar kan mogelijk grotere effecten veroorzaken in het geval dat de hoeveelheden kleine en/of grote kleine windturbines in aantal groeien. Op dit moment is ook geen duidelijke inventarisatie beschikbaar van de huidige hoeveelheid kleine windturbines in Zuid-Holland. Data over het voorkomen van vleermuizen en hun spreiding over de vier cultuurlandschappen is beperkt. Op waarnemingsbasis

Onderzoek naar ecologische effecten van specifiek grote kleine windturbines met een ashoogte van 30 m, inclusief veldonderzoek naar aanvaringsslachtoffers. (Veld)onderzoek naar vlieghoogtes van vogels tijdens lokale bewegingen, met name rondom vogelrijke gebieden. Met dit onderzoek zou duidelijker worden of soorten rondom vogelrijke gebieden inderdaad sneller worden getroffen door grote kleine windturbines.

Cumulatie van grote kleine windturbines

Verspreiding vleermuissoorten

49

Onderzoek noodzakelijk voor beleidsadvies (zonering)? Nee

Nee

Om cumulatie effecten in beeld te brengen dient nader onderzoek plaats te vinden naar de huidige stand van zaken van kleine windturbines en hoeveel het aantal windturbines zou toenemen.

Ja

Inventarisatie van vleermuissoorten en hun verspreiding door bijvoorbeeld provinciale tellingen. Omdat

Nee

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Kennisleemte

Voorkomen soorten op en rond erven

50

Beschrijving

Advies voor vervolgonderzoek

bestaan er verspreidingskaarten van verschillende vleermuissoorten in Zuid-Holland, maar deze informatie is afhankelijk van waar mensen zich bevinden die vleermuizen waarnemen. Over de dichtheid van vleermuizen in verschillende landschapstypes is geen vlakdekkende informatie beschikbaar.

voor vleermuizen minder verschil in risico’s wordt verwacht en veel vleermuissoorten over de hele provincie voorkomen is dit minder cruciaal om in kaart te brengen dan de verspreiding van vogels. Wel zou het in kaart brengen van vleermuisrijke gebieden helpen met het minimaliseren van effecten. Er kunnen ruimtelijke analyses worden uitgevoerd die inzicht geven in het voorkomen van bijzondere) soorten op de erven en de directe omgeving. Zo kan er verdiepend onderzoek worden gedaan naar bijvoorbeeld het voorkomen van ganzengebieden op en rond de boerenerven. En naar het voorkomen van de belangrijkste slaapplaatsen en slaaptrekbewegingen. Om zonering te kunnen toepassen bij het bepalen van de minst risicovolle locaties voor grote kleine windturbines, is het noodzakelijk om de vogelrijke gebieden in Zuid-Holland beter in kaart te brengen.

Over het voorkomen van bijzondere soorten (vogels en vleermuizen) op en rond de erven waar de turbines worden geplaatst is nog weinig bekend. Naast beschermde gebieden als weidevogelgebieden is het van belang dat andere vogelrijke gebieden in kaart worden gebracht.

Datum: 1 december 2023

Onderzoek noodzakelijk voor beleidsadvies (zonering)?

Ja

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

7 Literatuurlijst Arcadis. (2022). Onderzoek Ecologische Effecten van kleine windturbines. Ba Alawi, M. (2018). The integration of wind turbines for generating sustainable energy in skyscrapers. Vrije Universiteit Brussel. Brus, R. (2022, https://www.nporadio1.nl/fragmenten/dijkstra-en-evenblij-ter-plekke/f49eaa3e-c8e8-4d09-872aa42379b95631/2022-09-11-de-purperreiger-bedreigd-door-een-windturbine). De Purperreiger bedreigd door een windturbine. Retrieved from NPO Radio 1. De Grijs, E. (2018). Windturbines en natuur. Natuur en Milieufederatie Zuid-Holland. Dirksen, S., Spaans, A., & Van der Winden, J. (1996). Nachtelijke trek en vlieghoogtes van steltlopers in het voorjaar over de noordelijke havendam van IJmuiden. Drewitt, A. L., & Langston, R. H. (n.d.). Collision effects of wind‐power generators and other obstacles on birds. Annals of the New York Academy of Sciences, 1134(1), 233-266. Haarsma, A. (2016). Omgaan met effecten van windturbines op vleermuizen. De Levende Natuur. Hartmann, S. A., Hochradel, K., Greule, S., Günther, F., Luedtke, B., Schauer-Weisshahn, H., & Brinkmann, R. (2021). Collision risk of bats with small wind turbines: Worst-case scenarios near roosts, commuting and hunting structures. Jonge Poerink, B. (2023). Tussenpresentatie slachtofferonderzoek vogels en vleermuizen kleine windmolens provincie Groningen. Jonge Poerink, B., & Van Houten - Munten, S.

(2020). Eindrapportage Pilot project effecten kleine windturbines op vogels en vleermuizen. Ecosensys. Provincie Groningen. Jonge Poerink, B., van Houten-Munten, S., Dekker, J., & van der Ende, M. (2023). Monitoring aanvaringsslachtoffers vogels en vleermuizen kleine windmolens onderzoeksjaar 2022. Marques, A. T., Batalha, H., Rodrigues, S., Costa, H., Pereira, M. J., Fonseca, C., . . . Bernardino, J. (2014). Understanding bird collisions at wind farms: An updated review on the causes and possible mitigation strategies. 179, 40-52. Minderman, J., Fuentes-Montemayor, E., Pearce-Higgins, J. W., & Pendlebury, C. J. (2014). Estimates and correlates of bird and bat mortality at small wind turbine sites. Biodiversity and Conservation, 24(3). doi:10.1007/s10531014-0826-z Minderman, J., Gillis, M., Daly, H., & Park, K. (2017). Landscape-scale effects of single- and multiple small wind turbines on bat activity. Animal Conservation. doi:https://doi.org/10.1111/acv.12331 Minderman, J., Pendlebury, C., Pearce-Higgings, J., & Park, K. (2012). Experimental Evidence for the Effect of Small Wind Turbine Proximity and Operation on Bird and Bat Activity. PLoS ONE, 7(7). doi:https://doi.org/10.1371/journal.pone.0041177 Nederlands Dagblad. (2009). RvS verbiedt windmolens in Weerribben.

Retrieved from Nederlands Dagblad: https://www.nd.nl/nieuws/nederland/735349/rvs-verbiedt-windmolens-in-weerribben Roemer, C., Disca, T., Coulon, A., & Bas, Y. (2017). Bat flight height monitored from wind masts predicts mortality risk at wind farms. Biological Conservation(215), 116-122. Rozema, v. B. (2019). Evaluatie beleid kleine windturbines Provincie Groningen. Rydell, J., Bach, L., Dubourg-Savage, M. J., G. M., Rodrigues, L., & Hedenström, A. (2010). Mortality of bats at wind turbines links to nocturnal insect migration. European Journal of Wildlife Research, 56(6), 823-827. Sierdsema, H., Foppen, R., van Els, P., Kampichler, C., & Stahl, J. (2021). Achtergronddocument windenergie. Nijmegen: Sovon Vogelonderzoek Nederland. Smits, R., & Dirksen, S. (2008). Vogels en Windpark Haatlanden/Zuiderzeehaven, Kampen. Veldwaarnemingen 2007/2008 en risicobeoordeling. Culemborg: Bureau Waardenburg. Stahl, J., & Epe, M. (2021). Gevoeligheid van vogels en vleermuizen voor windturbines in de provincie Utrecht. Provincie Utrecht. 51

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

STOWA. (2020). Kansen voor kleine windturbines bij waterschappen. Amersfoort. Thaxter, C., Ross-Smith, V., & Cook, S. (2016). How high do birds fly? A review of current datasets and an appraisal of current methodologies for collecting flight height data: literature review. BTO Research Report No. 666. Thelander, C. G., Smallwood, K. S., & Rugge, L. (2003). Bird Risk Behaviors and Fatalities at the Altamont Pass Wind Resource Area: Period of Performance, March 1998-December 2000. National Renewable Energy Lab, No. NREL/SR-500-33829. Timmer, E. (2020). Unieke purperreigers bedreigd door windmolens. Retrieved from De Telegraaf: https://www.telegraaf.nl/nieuws/1127502244/unieke-purperreiger-bedreigd-door-windmolens Trieb, F. (2018). Interference of Flying Insects and Wind Parks. Study Report. Deutsches Zentrum für Luft-und . Tuitert Natuuronderzoek & Natuurbank Overijssel. (2022). Effectbeoordeling plaatsing kleine windturbine Burghornerweg 8a te Schagen. Van der Winden, J., Hartman, J., Kruk, M., Gerritsen-Davidse, D., & Van Schie, M. (2013). De purperreiger als logé; slaapplaatsen en foerageergebieden in Zuid-Holland. Van Lierop, S., & Heunks, C. (2018). Vliegbewegingen van vogels rond Lelystad Airport in relatie tot vliegveiligheid en Natura 2000; nulmeting 2017-2018. Culemborg: Bureau Waardenburg. Warwickshire Bat Group. (n.d.). Natterer's.

Retrieved from Warwickshire Bat Group: https://warksbats.co.uk/aboutbats/species/natterers.aspx#:~:text=Natterer%27s%20bats%20have%20a%20sl ow%20to%20medium%20flight,my%20reach%2015%20m%20among%20the%20tree%20canopy. Wind Energy Solutions. (2023, 08 04). Hoeveel bladen zijn het beste voor de productie van windenergie? Retrieved from https://windenergysolutions.nl/blog-nl/hoeveel-bladen-zijn-het-beste-voor-de-productie-vanwindenergie/?lang=nl Wing. (2023). Naar grotere kleine windturbines? Winkelman, J., Kistenkas, F., & Epe, M. (2008). Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Wageningen: Alterra. Zoogdiervereniging. (n.d.). Bosvleermuis. Retrieved from Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bosvleermuis

52

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Colofon ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

KLANT Provincie Zuid-Holland PROJECTNUMMER 30190971 DATUM 13 december 2023 STATUS Definitief

53

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Over Arcadis Arcadis is de leidende wereldwijd opererende ontwerp- en consultancyorganisatie op het gebied van de natuurlijke en gebouwde omgeving. Wij helpen onze klanten en de maatschappij met doeltreffende, duurzame en digitale oplossingen. Wij zijn met 36.000 mensen actief die in ruim zeventig landen meer dan €4,2 miljard aan omzet genereren. Wij helpen UN-Habitat met onze mensen, die kennis en expertise leveren om de moeilijke leefomstandigheden te verbeteren in gebieden die lijden onder de gevolgen van klimaatverandering. www.arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 220 3800 AE Amersfoort Nederland T +31 (0)88 4261 261

54

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Bijlage I Beschikbare kleine windturbines In Tabel 0-1 is een overzicht gegeven van het aanbod van kleine windturbines per leverancier. Daarbij is per windturbine het aantal bladen, het opwekvermogen, de rotordiameter en de verschillende ashoogtes weergegeven. Dit overzicht dient om een impressie te geven van het beschikbare aanbod van kleine windturbines om referentieturbines te bepalen en is niet bedoeld als compleet overzicht van het gehele aanbod van kleine windturbines. Tabel 0-1. Impressie van beschikbare kleine windturbines*.

Type

Aantal bladen

Solid wind power SWP-19.8 kW 3 SWP-19.4 kW 3 SWP-20 kW 3 SWP-25 kW 3 SWP-25 kW 3 Next Generation Energy XZERES 10 3 XZERES 50 3 Wind Energy Solutions WES 18/80 2 WES 18/100 2 WES 30/250 2 WES 50 2 Ecocyle EOX S-16 3 EOX S-16 3 EOX M-21 3 EOX M-26 3 Wind Technik Nord WTN 250 3 WTN 250 3 Ryse Energy E-20 HAWT 3 E-60 HAWT 3 G-11 HAWT 2 Verticale N-55 VAWT as EAZ Wind EAZ 13.2 3 Bestwatt BW10 3 BW45 3 BW80 3

55

Vermogen (kW)

Rotordiameter (m)

Mogelijke ashoogte (m)

19,8 19,4 20 25 25

14 15,95 15,95 14 16

18 17 17 15 15

24 24 17 17

30 30 18 18

10,4 51

7,2 16,5

18

24

30

80 100 250 72

17,9 17,9 30 20

18 18 30 15

24 24 39 28

30 30 48 24

20 30 100 90

15,8 15,8 21 26

16,8 16,8 32 32

23,8 23,8

250 250

30 29

30

40

18 60 11

9,8 15,8 13

15 18 18

18 27 27

55

14

25

30

15

13,2

Variabel

10 45 80

10,5 15,9 15,9

15 15 15

39

30

38

50

20 20 20

27 36 36

25 25 25

36

30 30

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Bijlage II Mitigerende maatregelen In onderstaande paragrafen zijn de mogelijke mitigerende maatregelen ten behoeve van soortbescherming bij plaatsing en gebruik van kleine en grote kleine windturbines opgesomd. De meeste maatregelen zijn zowel bij kleine als grote kleine windturbines van toepassing. Indien een mitigerende maatregel met name van belang is voor een grote kleine windturbine, is dit in de tekst toegelicht.

Aanlegfase Algemene maatregelen (zorgplicht) geldt voor alle soorten en alle type werkzaamheden De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht (art. 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving). Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige beschermde en niet-beschermde soorten planten en dieren moet worden omgegaan. Hiervoor moeten de volgende maatregelen worden genomen: • Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden (buiten het broedseizoen, circa van maart tot en met augustus) de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor soorten minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden rustig uit en van watergangen af zodat dieren niet ingesloten raken of het water in vluchten. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om veilig uit te wijken naar andere leefgebieden. • Bij werkzaamheden aan watergangen: Voer de werkzaamheden in het natte profiel niet uit bij kritische temperaturen, dus niet als ijs op het water ligt en ook niet bij zeer warme dagen waarbij de watertemperatuur boven de 25°C ligt. Werk verder bij het dempen of aanpassen van watergangen naar een open einde toe zodat eventueel aanwezige dieren de werkzaamheden kunnen ontvluchten. • Laat terreindelen die gehandhaafd blijven zoveel mogelijk met rust.

• Structuren die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door dieren, waaronder takkenhopen, puin en bladeren, boomstammen en stronken, worden zoveel mogelijk gespaard. Wanneer het sparen van dergelijke structuren niet mogelijk is, worden deze vooraf gecontroleerd op aanwezigheid van dieren. Wanneer dieren (egels, padden, kikkers e.d.) worden aangetroffen worden deze direct en zorgvuldig verplaatst naar een vergelijkbare structuur buiten het werkgebied, maar binnen het leefgebied van deze soorten. • Onnodige verstoring door betreding, licht en geluid van terreinen, waar planten en dieren (kunnen) verblijven wordt vermeden. Verstoring kan in veel gevallen worden voorkomen door kwetsbare gebieden af te zetten of te markeren in het veld en vervolgens te ontzien van betreding. Als met verlichting wordt gewerkt kan gekozen worden voor armaturen die weinig strooilicht veroorzaken. Door werkzaamheden zo efficiënt mogelijk uit te voeren kan de duur van geluidsverstoring beperkt worden. Flora en insecten • Gebruik bestaande toegangswegen tot de percelen. • Indien andere toegangswegen gemaakt moeten worden dient deze in overleg met een ecoloog bepaalt te worden om zo aantasten, ontwortelen en vernietigen van groeiplaatsen te voorkomen. • Plaats windturbines niet op plekken met (potentiële) groeiplaatsen van beschermde plantensoorten.

• Plaats windturbines niet op plekken met waardplanten of andere mogelijk essentiële ontwikkelingsplaatsen van beschermde insectensoorten. • Compenseer voor eventuele oppervlakteverlies voordat de werkzaamheden van start gaan. Broedvogels (zonder jaarrond beschermd nest) Alle algemene broedvogels zijn gedurende het broedseizoen beschermd. Voor deze soortgroep wordt geen Omgevingsvergunning afgegeven. Hiervoor dient naast de zorgplicht, afhankelijk van aanwezigheid/geschiktheid mitigerende maatregelen getroffen worden. De betrokken ecoloog kan deze inschatting maken. • Voer werkzaamheden in/nabij broedgebied buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt indicatief van maart tot en met augustus, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties die verloren gaan door de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. De exacte methode dient in afstemming met de betrokken ecoloog bepaald te worden. • Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Met name voor weidevogels is van belang dat de nesten gemarkeerd worden als deze in of nabij de invloedsfeer aanwezig zijn.

Bij aanwezigheid van broedgevallen kan niet gestart worden met de werkzaamheden. 56

Datum: 1 december 2023

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

•

• •

Plaats windturbines niet in of nabij waterrijke gebieden, foerageer-, rust- en broedgebieden. Hoewel dit voor zowel kleine als grote kleine windturbines van belang is, is deze maatregelen in het bijzonder cruciaal voor grote kleine windturbines omdat deze meer luchtlagen kruisen voor vogels, zoals de voedsel- en slaapbewegingen van en naar foerageer- en rustgebieden. Plaats windturbines niet binnen belangrijke landschappelijke elementen zoals struiken, hagen, waterwegen. Het onderzoek in Groningen raadt ook af om windmolens te plaatsen binnen het bouwblok van boerderijen (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Plaats windturbines binnen één locatie op beperkte schaal: lage aantallen en lage dichtheid.

Broedvogels met jaarrond beschermd nest • Voer werkzaamheden in/nabij broedgebied buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt indicatief van maart tot en met augustus, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Plaats windturbines niet op plaatsen waarvoor bomen gekapt of schuren gesloopt dienen te worden. • Hanteer verstoringsafstanden van 50-150 m rondom bestaande nesten, afhankelijk van aanwezige soort en periode varieert de afstand (afstemming met ecoloog). • Plaats windturbines niet binnen belangrijke landschappelijke elementen. • Plaats windturbines binnen één locatie op beperkte schaal: lage aantallen en lage dichtheid. Vleermuizen • Om negatieve effecten te voorkomen moet gewerkt worden tussen zonsopkomst en zonsondergang in de nabijheid (< 50 meter) van bomenrijen, waterwegen en bebouwing. • Mogelijke verlichting en bouwlampen dienen naar beneden te worden gericht en van vliegroutes en mogelijke verblijfplaatsen (woningen, schuren en bomen) af. • Plaats windturbines niet in of nabij water- en bosrijke gebieden, foerageergebieden en bestaande vliegroutes van laagvliegende vleermuissoorten en verblijfplaatsen. • Plaats windturbines niet binnen belangrijke (lijnvormige) landschappelijke elementen als houtsingels en houtopstand.

Het onderzoek in Groningen raadt een afstand van >20m aan (Jonge Poerink, van HoutenMunten, Dekker, & van der Ende, 2023). • Plaats windturbines binnen één locatie op beperkte schaal: lage aantallen en lage dichtheid. Amfibieën en vissen • Plaats windturbines niet in of nabij stilstaande of langzaam stromende oppervlaktewateren.

Gebruiksfase Voorkomen geschikt houden als foerageergebied • Houdt de vegetatie onder de windturbine zo kort mogelijk of maak gebruikt van betonplaten onder de turbine. Dit dient te worden gedaan om leefgebied voor prooidieren (voornamelijk insecten) voor insect etende vogels of vleermuizen te voorkomen. De aanwezigheid van prooidieren heeft als mogelijk gevolg dat vogels en vleermuizen gelokt worden, waardoor meer aanvaringsslachtoffers ontstaan. Dit kan ook extra vestiging van muizen voorkomen, waardoor roofvogels en uilen minder worden aangetrokken om nabij de windturbine te foerageren (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023). Vogels met én zonder jaarrond beschermd nest Mogelijke maatregelen bij plaatsing van een kleine windturbine op een risicovolle locatie: • Voer geen licht op turbines, dit is ongewenst voor met name zangvogels. Die lijken hierin gevangen te raken. • Mogelijk kan het zwart kleuren van één van de wieken de zichtbaarheid van de windturbines voor vogels kunnen vergroten. Echter is hier nog onvoldoende onderzoek naar gedaan voor kleine windturbines. Ook zouden op de staart van de molen birdspikes kunnen worden geplaatst om te voorkomen dat roofvogels of uilen hierop landen (Jonge Poerink, van Houten-Munten, Dekker, & van der Ende, 2023).

• Worst case: schakel turbines ’s nachts, in de avond- en ochtendschemering en bij slechte weersomstandigheden (dichte mist, storm etc.) uit. Vleermuizen Mogelijke maatregelen bij plaatsing van een kleine windturbine op een risicovolle locatie: • Worst case: uitschakelen van windturbines in nachten waarbij de windsnelheid onder de 4-6 m/s ligt.

57

ECOLOGISCHE EFFECTEN KLEINE WINDTURBINES - PROVINCIE ZUID-HOLLAND

Vliegende insecten Mogelijke maatregelen bij plaatsing van een kleine windturbine op een risicovolle locatie: • Worst case: Voorkomen van aanvaringen is niet altijd reëel, compensatie of uitbreiden van leefgebied ondervangt mogelijk verlies door aanvaringen.

58

Datum: 1 december 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=2bdaac3f-2265-43fb-89fd-c8700167cca3