194 Bijlage 4 GS brief aan PS Onderzoek kleine windturbines
Tekst van het document
GS brief aan Provinciale Staten Provinciehuis Postbus 90602 2509 LP Den Haag T 070 - 441 66 11 www.zuid-holland.nl Datum 9 april 2024 Ons kenmerk PZH-2024-849692611DOS-2023006836 Bijlagen 2
Aan Provinciale Staten
Onderwerp: Ecologisch en landschappelijk onderzoek kleine windturbines tot 30 meter Geachte Statenleden, In het coalitieakkoord is afgesproken om lokale ondernemers de mogelijkheid te bieden om meer zelfvoorzienend te worden in hun energiebehoefte en daarbij te onderzoeken of dat kan met hogere kleine windturbines. Omdat de behoefte vooral bestaat om dit soort molens op of nabij boerenerven te plaatsen, spreken we in dit verband ook wel van “boerenerfmolens” of “erfmolens”. Met deze brief informeren wij u over de onderzoeken die wij hebben uitgevoerd naar de ecologische en landschappelijke impact van dit type windturbines. Op basis van deze onderzoeken en de thans beschikbare literatuur wordt duidelijk dat dit type turbines negatieve effecten kan hebben op beschermde vogels en vleermuizen. Daarom willen wij de komende maanden, in voorbereiding op de herziening van de Omgevingsverordening 2025, in een OER verder onderzoeken of en welke beleidsaanpassing wenselijk en mogelijk is binnen de ecologische en landschappelijke kaders. Aanleiding Gedeputeerde Staten vinden het belangrijk om lokale ondernemers de mogelijkheid te bieden om meer zelfvoorzienend te worden in hun energiebehoefte, zoals ook in het coalitieakkoord 2023-2027 van de provincie Zuid-Holland is opgenomen.
Een van de mogelijkheden om hier invulling aan te geven is het toestaan van hogere, kleine windturbines, bijvoorbeeld op boerenerven of op agrarische percelen. Het huidige beleid van de provincie staat kleinere windturbines tot een as-hoogte van 45 meter toe binnen bestaand stads- en dorpsgezicht (BSD) én in glastuinbouwgebied. Buiten BSD en dus in meer landelijk gebied geldt een maximale as-hoogte van 15 meter. Gemeenten zijn hier verantwoordelijk voor de vergunningverlening en mogen tot deze hoogte hun eigen voorwaarden stellen. In het coalitieakkoord is aangegeven dat de provincie voor deze categorie turbines de as-hoogte van 15 meter naar 30 meter wil verhogen, weliswaar “afhankelijk van de lokale effecten op de directe omgeving en ecologie buiten bestaand dorps- en stadsgebied”. Omdat hogere turbines meer stroom opwekken, is de opbrengst hoger en zijn ze daarmee aantrekkelijker voor toepassing op onder andere agrarische percelen. Overigens leveren turbines van deze omvang, zoals eerder met uw Staten gedeeld in onze brief van 27 juni 2023, geen significante bijdrage aan de regionale RESdoelstellingen. Wel kunnen ze van betekenis zijn voor de verduurzaming van de agrarische bedrijfsvoering.
PZH-2024-849692611 dd. 09-04-2024
Ons kenmerk PZH-2024-849692611 DOS-2023-006836
Onderzoeken De provincie heeft twee onderzoeken laten uitvoeren om te bepalen of er meer ruimte gegeven kan worden aan kleine windturbines: een landschappelijk onderzoek (bijlage 1) en een ecologisch onderzoek (bijlage 2). De resultaten van het eerste onderzoek zijn 27 juni 2023 met uw Staten gedeeld middels een GS-brief (“Verkenning verhoging as-hoogte kleine windturbines”, https://pzh.notubiz.nl/vergadering/1121485#ai_7722983) Landschappelijk onderzoek In het landschappelijk onderzoek is beoordeeld of een verhoging van de maximaal toegestane ashoogte van kleine windturbines van 15 naar 30 meter landschappelijk en ruimtelijk aanvaardbaar is. Om deze vraag te beantwoorden heeft adviesbureau Wing gekeken naar vier typisch Zuid-Hollandse landschapstypen: het deltalandschap, veenontginningslandschap, droogmakerijenlandschap en bollenlandschap. Veruit de meeste agrarische erven in de provincie Zuid-Holland vallen onder deze vier landschappen. Vervolgens is voor elk van deze landschappen beoordeeld of de beschreven verhoging passend en wenselijk is. Uit de studie blijkt dat een verhoging tot 25 meter as-hoogte en een tiphoogte tot 30 meter in de meeste landschappen onder voorwaarden landschappelijk gezien mogelijk lijkt. Plaatsing op het agrarisch erf heeft daarbij de voorkeur; dit geeft een rustiger landschapsbeeld dan wanneer de windturbine buiten het erf staat.
In enkele gevallen geldt dat ook een verhoging tot 30 meter ashoogte landschappelijk acceptabel is. Hierbij zijn het type landschap, de precieze locatie van de kleine windturbine, de afstand tussen erven, de grootte van erven en de beplanting op erven van groot belang. Ook bleek tijdens deze studie dat vooral beperkingen in het gemeentelijk beleid een grote rol spelen bij de huidige, beperkte aanwezigheid van kleine turbines. Ecologisch onderzoek Adviesbureau Arcadis heeft beoordeeld wat de ecologische effecten op lokaal en regionaal schaalniveau zijn van een verhoging van de as-hoogte naar 30 meter. Omdat de effecten van kleine windturbines tot 15 meter as-hoogte nog niet eerder getoetst waren, zijn deze ook meegenomen in het onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat onder het huidige beleid al sprake kan zijn van een mogelijk negatief ecologisch effect op zowel vogels als vleermuizen die direct op of rondom het boerenerf voorkomen. Vooral vleermuizen kennen een hoog aanvaringsrisico, met name wanneer de kleine windturbines dicht bij landschappelijke elementen geplaatst zijn, zoals bomenrijen, dijkbeplanting en erfensembles. Bij een verhoging van de maximaal toegestane as-hoogte van 15 naar 30 meter, ontstaat er ook een aanvaringsrisico voor vogelsoorten die hoger vliegen.
Zuid-Holland kent verscheidene vogelsoorten die op bepaalde momenten overvliegen en dit regionale trekverkeer is kwetsbaar voor een verhoging van de maximaal toegestane as-hoogte. Voor vleermuizen is de verhoging een minder groot probleem. Een conclusie van het rapport is daarnaast dat er zeer beperkt studiemateriaal is over de cumulatieve effecten van meerdere kleine windturbines dicht bij elkaar. Dit geldt ook voor de cumulatie van een grote(re) hoeveelheid kleine windturbines verspreid over de hele provincie. Beide situaties kunnen mogelijk negatieve effecten veroorzaken en een probleem opleveren voor de instandhoudingsverplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming.
2/4
PZH-2024-849692611 dd. 09-04-2024
Ons kenmerk PZH-2024-849692611 DOS-2023-006836
Het onderzoek beschrijft enkele mitigerende maatregelen om de negatieve ecologische effecten te minimaliseren. De belangrijkste maatregel om het risico op aanvaringsslachtoffers te voorkomen, is om kleine windturbines met op afstand van landschappelijke elementen te plaatsen, en dus zo ver mogelijk buiten bestaande vlieggebieden en -routes van vogels en vleermuizen. Tot slot geeft het onderzoek aan dat overwogen moet worden om in het beleid instructieregels op te nemen om de lokale effecten van de kleine windturbines (beter) in kaart te brengen en te minimaliseren (om aanvaringsslachtoffers te beperken en eisen te stellen voor ruimtelijke kwaliteit). Ook cumulatieve effecten zouden daarbij betrokken kunnen worden. Breed onderzoek provincie Groningen Om beter inzicht te krijgen in de effecten van kleine windturbines op vogels en vleermuizen, hebben de provincie Groningen en Friesland meerdere onderzoeken uitgevoerd. In deze onderzoeken zijn meerdere aanvaringslachtoffers gevonden en bleek de locatie van de turbine in het landschap een belangrijke rol te spelen. Samen met zeven andere provincies laat de provincie Zuid-Holland nu een vervolgonderzoek uitvoeren naar de aard en omvang van aanvaringslachtoffers bij 26 turbines op 20 locaties in de provincie Groningen.
De resultaten worden in het vierde kwartaal van 2024 verwacht, en gecombineerd met eerdere resultaten van veldonderzoek in Groningen en Friesland. Conclusies en aandachtspunten Een verhoging van de provinciaal toegestane as-hoogte heeft mogelijk nadelige ruimtelijke en ecologische effecten voor vogels en vleermuizen. Ook als de turbines buiten het agrarisch erf worden geplaatst, kunnen ecologische effecten niet op voorhand worden uitgesloten. Meerdere kleine windturbines bij elkaar en/of vele kleine windturbines verspreid door de provincie veroorzaken mogelijk grotere ecologische effecten, zeker nabij Natura 2000-, NNN- en belangrijke weidevogelgebieden. Er is momenteel beperkt onderzoek beschikbaar over deze effecten. Daarom dient vervolgonderzoek duidelijk te maken of en onder welke voorwaarden hogere windturbines in het landelijk gebied eventueel mogelijk zijn. De beleidsontwikkeling voor kleine windturbines speelt op dit moment bij meerdere provincies en kent tegelijkertijd een grote variëteit. Die variëteit illustreert meteen het ontbreken van beleidsconsensus over dit vraagstuk. Zo staan Flevoland en Zeeland kleine windturbines niet toe. Noord-Holland hanteert een maximale hoogte van 15 meter as-hoogte, net als Zuid-Holland en Groningen.
De provincies Noord-Brabant en Utrecht hanteren 25 respectievelijk 20 meter as-hoogte, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan zoals een “bewijsplicht” dat er geen nadelige schadelijke effecten zijn. Gelderland bereidt een beleidswijziging voor waarbij een verbod geldt op en nabij Nationaal Park de Hoge Veluwe maar er verder geen hoogtebeperking geldt, mits de initiatiefnemer een uitgebreide ecologische impact toets laat uitvoeren die de instemming moet hebben van de provincie. Vervolg Dit jaar voert de provincie een OER (Omgeving Effect Rapport) uit in voorbereiding op de herziening van de Omgevingsverordening 2025. De kleine windturbines willen wij graag hierin meenemen om te bepalen of beleidsaanpassing wenselijk en mogelijk is en onder welke voorwaarden. Tevens willen wij kijken in hoeverre het huidige beleid voor kleinere windturbines – met de limiet van een as-hoogte van maximaal 15 meter in het landelijk gebied – voldoende aansluit op de nieuwe Omgevingswet.
3/4
PZH-2024-849692611 dd. 09-04-2024
Ons kenmerk PZH-2024-849692611 DOS-2023-006836
Tijdens dit traject willen wij gesprekken voeren met de omgevingsdiensten en met gemeenten die de regels graag verruimd zouden zien. Tot slot wachten wij met de andere provincies en het eerder aangehaalde onderzoek in Groningen af om de resultaten waar nodig te betrekken bij onze beleidsontwikkeling.
Hoogachtend, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, secretaris,
voorzitter,
drs. M.J.A. van Bijnen MBA
drs. J. Smit
Bijlagen 1. Naar grotere kleine windturbines? – WING & ROM3D 2. Ecologische effecten kleine windturbines – Arcadis
4/4
PZH-2024-849692611 dd. 09-04-2024