14 Bijlage 8 (TOE) Nader soortgericht onderzoek
Tekst van het document
Nader soortgericht onderzoek vleermuizen Ashram College te Nieuwkoop 22 oktober 2020
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
Verantwoording Titel
Nader soortgericht onderzoek vleermuizen Ashram College te Nieuwkoop
Opdrachtgever
Gemeente Nieuwkoop
Projectleider
Elise Koole
Auteur(s)
Sietse-Jelle Bijkerk MSc.
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Stuart van Baren, Kim Peterse, Jaap Gijsbertsen, Ruben van Laar
Projectnummer
1273108
Aantal pagina’s
13
Datum
22 oktober 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 4
2
Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 5
3
4
5
2.1
Plangebied ......................................................................................................................... 5
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 5
Ecologie en wetgeving............................................................................................................... 6 3.1
Ecologie van vleermuizen .................................................................................................. 6
3.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 7
Onderzoeksmethode ................................................................................................................. 8 4.1
Verwachte soorten ............................................................................................................. 8
4.2
Verwachte functies van het plangebied ............................................................................. 8
4.3
Veldwerk ............................................................................................................................ 9
Resultaten en effectbeschrijving ............................................................................................. 10 5.1
5.1.1
Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 10
5.1.2
Foerageergebied(en) ................................................................................................ 11
5.1.3
Vliegroute(s) .............................................................................................................. 11
5.2 6
Effectbeschrijving ............................................................................................................. 11
Conclusie en aanbevelingen ................................................................................................... 12 6.1
7
Resultaten veldwerk ......................................................................................................... 10
Vervolg ............................................................................................................................. 12
Bronnen ................................................................................................................................... 13
3/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
1 Inleiding In opdracht van Gemeente Nieuwkoop heeft Tauw onderzoek gedaan naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen. Het onderzoek is ten behoeve van herontwikkeling van het terrein aan de Lindelaan 2. Uit de eerder uitgevoerde natuurtoets (Tauw, 2019) blijkt dat negatieve effecten op vleermuizen voor deze locatie niet op voorhand worden uitgesloten. In deze rapportage wordt verslag gedaan van het uitgevoerde nader onderzoek. Het vleermuizenonderzoek is erop gericht om de functie vast te stellen van het plangebied voor de in de regio voorkomende vleermuissoorten. De kans bestaat dat als gevolg van de werkzaamheden (onderdelen van het leefgebied van) vleermuizen worden verstoord of verdwijnen. Dit is een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Middels het onderzoek wordt inzichtelijk gemaakt of, en op welke wijze, het plangebied door vleermuizen gebruikt wordt. De focus van het vleermuisonderzoek ligt op de soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Per soort wordt vastgesteld hoe zij gebruik maken van het plangebied. Hierbij wordt gekeken naar functies als verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes van deze soorten. Het rapport behandelt het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
Vervolgens wordt ingegaan op de ecologie van vleermuizen en de wijze waarop vleermuizen in Nederland beschermd zijn. Daarop volgen de onderzoeksmethode en de resultaten van het onderzoek. Tot slot wordt ingegaan op de effecten die de ontwikkeling heeft op de aangetroffen soorten en de functies die het plangebied voor deze soorten vervult. Hierbij wordt ook de vraag beantwoord of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is.
4/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
2 Plangebied en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk behandelt het plangebied waarop het nader onderzoek gebaseerd is. Tevens wordt de beoogde ontwikkeling besproken die plaats gaat vinden in het plangebied.
2.1
Plangebied
Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Figuur 2.2 geeft een impressie van het plangebied. Het plangebied ligt in de bebouwde kom. Het betreft het schoolgebouw aan de Lindelaan 2 te Nieuwkoop in Zuid-Holland. Het schoolgebouw bestaat uit verschillende blokken met bakstenen gevels, houten kozijnen en platte daken. De omgeving van het plangebied bestaat uit straatverharding, enkele bomen en twee watergangen aan de zuid- en oostzijde van het plangebied. Het onderzochte gebied betreft de panden maar ook de omgeving van deze panden.
2.2
Beoogde ontwikkeling
Het schoolgebouw aan de Lindelaan 2 in Nieuwkoop wordt gesloopt om herontwikkeling van het terrein mogelijk te maken. Naast sloop verandert mogelijk ook het terrein rondom het gebouw. Als uitgangspunt geldt dat de gebouwen en het groen verdwijnen.
Figuur 2.1: De Ligging van het plangebied in Nieuwkoop
5/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
Figuur 2.2: Impressie van het plangebied. Bron: Cyclomedia
3 Ecologie en wetgeving In dit hoofdstuk wordt de ecologie van vleermuizen behandeld. Tevens wordt ingegaan op de wijze waarop vleermuizen in Nederland zijn beschermd.
3.1
Ecologie van vleermuizen
Een plangebied kan op drie manieren gebruikt worden door vleermuizen, namelijk als verblijfplaats, foerageergebied en/of vliegroute (Kapteyn, 1995; Limpens et al., 2004; BIJ12, 2017), Vleermuizen maken gebruik van het landschap als netwerk, waarin de verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes verspreid door het landschap liggen. Als gevolg van de seizoenswisselingen, maar ook door factoren zoals veranderingen in het voedselaanbod is het gebruik van het netwerk dynamisch en veranderlijk in de loop van het seizoen en in de loop van de jaren (Kapteyn, 1995; Limpens et al., 2004). Verblijfplaatsen Vleermuizen gebruiken openingen, holten en spleten in bomen of gebouwen als verblijfplaats. Door het jaar heen maken vleermuizen gebruik van verschillende soorten verblijfplaatsen: zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen. Het onderzoek naar winterverblijfplaatsen is indicatief, dit wordt onderzocht door tijdens de veldbezoeken te letten op specifiek gedrag rond paarverblijfplaatsen (het ‘zwermen’). Als dit gedrag wordt waargenomen in augustus of september is er waarschijnlijk sprake van (vestiging van) een winterverblijfplaats. De ligging van winterverblijfplaatsen voor de meeste zeldzamere soorten is overigens al goed bekend.
6/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
De zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen kunnen zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen, dit is afhankelijk van de vleermuissoort. Naar aanleiding van de eerder uitgevoerde natuurtoets (Tauw, 2019) is de aanwezigheid van zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen te verwachten. Foerageergebieden Vleermuizen foerageren vooral langs opgaand groen en bij overgangen in het biotoop. Het gebruikte foerageergebied verschilt per soort, zo kunnen vleermuizen ook foerageren boven water, in halfopen landschap, in stedelijk gebied en in of in de nabijheid van bos. Sommige soorten leggen ’s avonds enkele kilometers af om hun foerageergebieden te bereiken. Andere soorten zoeken hun voedsel binnen een straal van enkele honderden meters rondom de verblijfplaats. Foerageergebied van vleermuizen is alleen beschermd als sprake is van een essentiële functie van dit foerageergebied. Naar aanleiding van de eerder uitgevoerde natuurtoets (Tauw, 2019) is de aanwezigheid van foerageergebied binnen het plangebied niet te verwachten. Wel is geschikt foerageergebied direct grenzend aan het plangebied te verwachten. Vliegroutes De meeste soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen in het landschap als vliegroute, zoals heggen, lanen, bosranden en waterlopen.
Dergelijke lijnvormige elementen dienen als oriëntatie en bieden beschutting tegen wind en tegen mogelijke vijanden. Er wordt door vleermuizen vaak ook gefoerageerd op de vliegroute. Vliegroutes van vleermuizen zijn alleen beschermd als sprake is van een essentiële functie van deze vliegroute(s). Naar aanleiding van de eerder uitgevoerde natuurtoets (Tauw, 2019) is de aanwezigheid van essentiële vliegroutes binnen het plangebied niet te verwachten. Wel is geschikt foerageergebied direct grenzend aan het plangebied te verwachten.
3.2
Wetgeving
In deze rapportage vindt toetsing plaats aan de Wnb. De Wnb gaat uit van het voorzorgsbeginsel en stelt dat een overtreding van verbodsbepalingen met zekerheid is uitgesloten. Uitsluitsel is alleen mogelijk op basis van voldoende en actuele gegevens en bij afwezigheid van beschermde soorten. Bij het aanvragen van een eventuele ontheffing dient de aanwezigheid van de betreffende soort echter aangetoond te worden. Hierbij geldt een ‘omgekeerde bewijslast’ waarbij de initiatiefnemer verantwoordelijkheid draagt. Het beschermingsregime van de Wnb gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat het verboden is vleermuizen te doden of vangen, te storen of verstoren en onder zicht te hebben of te vervoeren. Daarnaast geldt dat het verboden is voortplantingsplaatsen en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Als uit het nader onderzoek blijkt dat negatieve effecten niet te voorkomen zijn, en dat het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk is, zal een ontheffing aangevraagd moeten worden.
7/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
De eventueel benodigde mitigerende maatregelen dienen te worden opgenomen in een (nader uit te werken) mitigatieplan. Deze mitigerende maatregelen vormen de basis van een ontheffingsaanvraag. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. De mitigerende maatregelen dienen te worden getroffen om de functionaliteit van het gebied voor vleermuizen en de staat van instandhouding van de soort te garanderen. Indien de mitigerende maatregelen voldoende worden geacht, wordt de ontheffing verleend. Aanvullend kan bevoegd gezag specifieke voorschriften aan het voornemen stellen.
4 Onderzoeksmethode 4.1
Verwachte soorten
Op basis van algemene verspreiding en biotoopvoorkeur is de aanwezigheid van de volgende vleermuissoorten in het plangebied niet uitgesloten: gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (o.a. Broekhuizen et al., 2016). Gelet op de geschikte invliegopeningen in gevels hebben deze soorten mogelijk verblijfplaatsen in het gebouw. Het betreft bakstenen gevels met open stootvoegen. Vleermuizen kunnen de stootvoegen gebruiken als toegang naar een verblijfplaats in de spouw. Daarnaast zijn er enkele geschikte invliegopeningen aangetroffen onder de daklijst. Vleermuizen kunnen deze openingen gebruiken als toegang naar een verblijfplaats onder het dak of achter houten betimmering.
4.2
Verwachte functies van het plangebied
Op basis van de eerder uitgevoerde quickscan kan het plangebied als zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paarverblijfplaats en winterverblijfplaats functioneren. Op de aanwezigheid van deze functies en de bovengenoemde soorten is met behulp van het Vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, 2017) bepaald welke onderzoeksinspanning noodzakelijk was. In tabel 4.1 wordt per soort weergegeven welke functies tijdens de uitgevoerde quickscan niet uitgesloten konden worden. Tabel 4.1 Te verwachten soorten en functies in het plangebied Type verblijfplaats
Vleermuissoorten
Zomerverblijf in gebouwen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis, laatvlieger
Paarverblijf in gebouwen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger
Kraamverblijf in gebouwen
Gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis, laatvlieger
Winterverblijf in gebouwen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger
8/13
Kenmerk
4.3
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
Veldwerk
Veldwerk is uitgevoerd volgens de meest recente versie van het vleermuisprotocol als opgesteld door het Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus et. al. (2017). Het veldwerk in de zomer is uitgevoerd door drie ervaren ecologen. Tijdens de najaarsbezoeken waren dit telkens twee ervaren ecologen. Deze aantallen zijn gekozen vanwege veiligheid en kwaliteit. Door het veldonderzoek met meerdere ecologen tegelijk uit te voeren, is het plangebied voldoende overzichtelijk geweest. Hierdoor kan aannemelijk gemaakt worden dat het plangebied met voldoende inspanning is onderzocht. De ecologen hebben verspreid over het plangebied te allen tijde 75% kunnen overzien. De ecologen hebben het plangebied vijf maal onderzocht. Zij hebben lopend het gebruik van het plangebied door vleermuizen in beeld gebracht met behulp van een batdetector (type: Petterson D240X). Tevens is een deel van de omgeving rondom het plangebied doorzocht. Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme van het geluid en de frequentie waarop de vleermuis het beste wordt gehoord, de zogenaamde piekfrequentie, kan in veel gevallen worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Soms kan in het veld het onderscheid tussen verschillende soorten niet gemaakt worden.
In deze gevallen zijn geluiden in het veld opgenomen met behulp van een opnameapparaat. Voor het determineren van soorten is vervolgens gebruik gemaakt van het programma Batsounds. Hierin worden de geluidsopnamen geanalyseerd om te bepalen om welke soort het gaat. Omdat vleermuizen vooral bij (redelijk) gunstige weersomstandigheden (geen of weinig neerslag en weinig wind) actief zijn, is alleen in dergelijke omstandigheden veldwerk uitgevoerd. In tabel 4.2 zijn de data en weersomstandigheden van elk veldbezoek weergegeven. Tabel 4.2 Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde veldbezoeken Datum
Tijdstip
Focus
Weersomstandigheden
15-05-2020
21:00 - 23:30
Zomer- en kraamverblijf
Bft. 2 (W), halfbewolkt, droog, ±10°C
08-06-2020
21:45 - 23:45
Zomer- en kraamverblijf
Bft. 3 (NNO), bewolkt, droog, ±14°C
01-07-2020
02:30 - 05:30
Zomer- en kraamverblijf
Bft. 3 (WZW), bewolkt, droog, ±17°C
20-08-2020
00:00 - 02:00
Zwermen, paar- en winterverblijf
Bft. 2 (ZZW), bewolkt, droog, ±20°C
09-09-2020
00:00 - 02:00
Zwermen, paar- en winterverblijf
Bft. 2 (Z), bewolkt, droog, ±17°C
9/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
5 Resultaten en effectbeschrijving In dit hoofdstuk worden de resultaten van het uitgevoerde veldwerk weergegeven. Daarna worden, gebaseerd op de resultaten, de effecten van de werkzaamheden op vleermuizen beschreven.
5.1
Resultaten veldwerk
In figuur 5.1 worden de resultaten van het veldwerk weergegeven. Deze zullen in de volgende paragrafen worden toegelicht.
Figuur 5.1: Resultaten van het uitgevoerde vleermuisonderzoek in het plangebied
5.1.1
Verblijfplaatsen
Tijdens het veldbezoek zijn verblijfplaatsen aangetroffen van ruige dwergvleermuis. Binnen het plangebied betrof het één paarverblijfplaats. De verblijfplaats is vastgesteld achter de boeiboorden onder de dakrand. De locatie is te zien in figuur 5.1. en 5.2.
10/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
Figuur 5.2: Paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis achter boeiboord
In de gebouwen aan de overzijde van de watergang ten westen van het plangebied zijn ook enkele verblijfplaatsen aangetroffen van ruige dwergvleermuis. Deze verblijfplaatsen staan tevens aangegeven in figuur 5.1. Deze verblijfplaatsen liggen buiten de invloedsfeer van de ontwikkeling. 5.1.2
Foerageergebied(en)
Tijdens het onderzoek werden foeragerende gewone en ruige dwergvleermuizen waargenomen in het plangebied, het betrof respectievelijk een maximum van vijf en twee dieren. Het kan echter uitgesloten worden dat het plangebied essentieel foerageergebied voor vleermuizen bevat. In de omgeving van het plangebied is namelijk kwalitatief beter foerageergebied aanwezig, zoals de aangrenzende watergang ten westen en de bomenrijen ten noorden en ten zuiden. Daarnaast zijn de aantallen foeragerende vleermuizen binnen het plangebied beperkt. De watergang en de bomenrijen blijven onaangetast maar liggen wel in de invloedsfeer van de werkzaamheden. Boven de genoemde watergang en de bomenrijen is tijdens de veldbezoeken altijd activiteit geconstateerd, het betrof voornamelijk gewone en ruige dwergvleermuis. Daarnaast zijn er waarnemingen van twee overvliegende en/of kortstondig foeragerende laatvliegers aangetroffen en is er een passerende rosse vleermuis gehoord. 5.1.3 Vliegroute(s) Tijdens het onderzoek werden eenmalig langsvliegende gewone dwergvleermuizen (ca. acht dieren) geconstateerd over de bomenrij ten zuiden van het plangebied aan de Achterweg. De bomenrij blijft behouden en bevindt zich buiten het plangebied.
5.2
Effectbeschrijving
Tijdens het onderzoek is één paarverblijf aangetroffen van een ruige dwergvleermuis. De verblijfplaats is aangetroffen achter de boeiboorden (zie paragraaf 5.1 en figuur 5.1 en 5.2).
11/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
Het slopen van het gebouw heeft negatieve effecten op één paarverblijfplaats van één ruige dwergvleermuis. Er moet daarom een ontheffing worden aangevraagd onder de Wnb voor het vernietigen van de verblijfplaats. Direct naast het plangebied (circa 5 meter) bevindt zich mogelijk essentieel foerageergebied van verschillende vleermuissoorten in de vorm van de watergang (ten westen) en bomenrijen (ten noorden en zuiden). Dit foerageergebied blijft onaangetast maar bevindt zich binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Werkzaamheden kunnen zonder extra maatregelen worden uitgevoerd tussen zonsopgang en -ondergang en gedurende de winterperiode. Wanneer er gewerkt wordt binnen de actieve periode van de ruige dwergvleermuis dient er geen extra verlichting van de watergang plaats te vinden.
6 Conclusie en aanbevelingen Dit rapport doet verslag van een vleermuizenonderzoek dat door Tauw aan de lindelaan 2, te Nieuwkoop is uitgevoerd in opdracht van Gemeente Nieuwkoop. Het onderzoek is gericht op het gebruik van plangebied door vleermuizen. In het schoolgebouw binnen het plangebied is een mogelijke verblijfplaats van ruige dwergvleermuis aanwezig. Deze verblijfplaats wordt vernietigd, hiervoor is een ontheffing van de Wnb nodig. Effecten op essentiële foerageergebieden/ vliegroutes worden voorkomen door het nemen van maatregelen. Voor foerageergebieden of vliegroutes is daarom geen ontheffing nodig.
6.1
Vervolg
Het is noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen voor het vernietigen van één paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst West-Holland). Voor het indienen van een ontheffingsaanvraag moet een activiteitenplan worden opgesteld. Hierin staan de algemene gegevens van de beoogde ontwikkeling, de uitgevoerde onderzoeken en resultaten, een alternatievenafweging, het wettelijk belang van de beoogde ontwikkeling en mitigerende en compenserende maatregelen. De mitigerende en compenserende maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten op soorten en individuen zoveel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet gedacht worden aan het realiseren van nieuwe verblijfplaatsen voor ruige dwergvleermuis en periodisering van de werkzaamheden. Het foerageergebied rondom het plangebied dient gedurende de aanleg- en gebruiksfase niet extra aangelicht te worden om overtreding van de Wnb te voorkomen.
12/13
Kenmerk
R003-1273108BSJ-V01-efm-NL
7 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis: versie 1.0. Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone grootoorvleermuis: versie 1.0 Juli, 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument rosse vleermuis: versie 1.0 Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis: versie 1.0 Juli 2017, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument watervleermuis: versie 1.0 Juli 2017, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren, Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz, C. & A. Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa, KNNV Uitgeverij, Zeist. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt en Co, Haarlem & Provincie Noord-Holland, Haarlem. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Limpens, H.J.G.A., P. Twisk & G. Veenbaas, 2004. Met vleermuizen overweg. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft & Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming, Arnhem.
Tauw, 2018. Quickscan flora en fauna Basisweg 10 te Amsterdam. Tauw-rapport met kenmerk R001-1260271RGR-V01-kmi. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.gegevensautoriteitnatuur.nl en www.netwerkgroenebureaus.nl
13/13