CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

13 Bijlage 7 (TOE) Natuurtoets

Besluitvormende raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Lindelaan Nieuwkoop (2022-009)4.567 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natuurtoets Ashram College Lindelaan 2 Nieuwkoop Wet natuurbescherming onderdeel soortbescherming 25 november 2019

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Verantwoording Titel

Natuurtoets Ashram College Lindelaan 2 Nieuwkoop

Opdrachtgever

Gemeente Nieuwkoop

Projectleider

Elise Koole

Auteur(s)

Nils Rutjes

Tweede lezer

Berto van Dam

Uitvoering veldbezoek

Nils Rutjes

Projectnummer

1273108

Aantal pagina’s

18

Datum

25 november 2019

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon Tauw bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Inhoud 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Doel .................................................................................................................................... 4

1.2

Wetgeving .......................................................................................................................... 4

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 4

1.4

Werkwijze ........................................................................................................................... 5

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 5

1.6

Uitgangspunten .................................................................................................................. 5

Situatie en voorgenomen ingreep.............................................................................................. 6 2.1

Huidige situatie................................................................................................................... 6

2.2

Voorgenomen ingreep........................................................................................................ 6

Soortenbescherming ................................................................................................................. 8 3.1

Beschermingsregime en bepalingen .................................................................................. 8

3.2

Vrijstellingen ....................................................................................................................... 8

3.3

Zorgplicht ........................................................................................................................... 8

3.4

Literatuuronderzoek ........................................................................................................... 9

3.5

Effecten ............................................................................................................................ 10

3.5.1

Vaatplanten ............................................................................................................... 10

3.5.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 10

3.5.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 11

3.5.4

Broedvogels .............................................................................................................. 14

3.5.5

Amfibieën en reptielen .............................................................................................. 15

3.5.6

Ongewervelden ......................................................................................................... 15

4

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 16

5

Literatuur ................................................................................................................................. 18

3/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de uitgangspunten voor toetsing.

1.1

Doel

De gemeente Nieuwkoop is voornemens om het terrein aan de Lindelaan 2 te herontwikkelen. Daarvoor moet het oude schoolgebouw van het Ashram College worden gesloopt. Het Ashram college verhuist naar een nieuw schoolgebouw aan de Achterweg 1 te Nieuwkoop. Voor de sloop in het kader van de herontwikkeling moet onderzocht worden of de werkzaamheden een effect hebben op beschermde flora en fauna en/of gebieden uit de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wnb zijn van belang? • • •

1.2

In hoeverre is de voorgenomen ingreep (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Wetgeving

Sinds 1 januari 2017 is de Wnb in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

1.3

Te beschouwen onderdelen Wnb

Het is noodzakelijk om de voorgenomen ingreep te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Een toetsing aan beschermde gebieden en houtopstanden is niet nodig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 350 meter afstand van het plangebied. De omgeving tussen het plangebied en Natura 2000-gebied bestaat uit bebouwde omgeving. Gezien de ligging van het plangebied, de aard van de werkzaamheden en het lokale karakter van de ingreep worden negatieve effecten door verstoring (geluid, trillingen & licht) op dit Natura 2000gebied niet verwacht.

4/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om effecten als gevolg van stikstofdepositie uit te sluiten dient een AERIUS berekening te worden uitgevoerd. Hieruit zal blijken of er sprake is van een effect als gevolg van stikstofdepositie. Toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is niet nodig, aangezien het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het NNN. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Dat geldt niet voor de bomen in het plangebied. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden als bedoelt onder de Wnb is dan ook niet noodzakelijk.

1.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data • • •

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Een oriënterend veldbezoek op 19 november 2019

Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens een oriënterend veldbezoek of de locatie voldoet aan de eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten). Voor het oriënterende veldbezoek is gebruik gemaakt van een zaklamp en een verrekijker.

1.5

Kwaliteit

Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

1.6

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten zijn van toepassing: • Het schoolgebouw wordt gesloopt • •

De omgeving rondom het schoolgebouw kan afhankelijk van de toekomstige bestemming veranderen. Daarom is uitgegaan van een worst case verandering Het vergraven van (oevers van) watergangen is geen onderdeel van de werkzaamheden

5/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

2 Situatie en voorgenomen ingreep Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Figuur 2.2 geeft een impressie van het plangebied. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Nieuwkoop. Het betreft het schoolgebouw aan de Lindelaan 2 te Nieuwkoop in Zuid-Holland. Het schoolgebouw bestaat uit verschillende blokken met bakstenen gevels, houten kozijnen en platte daken. De omgeving van het plangebied bestaat uit straatverharding, enkele bomen en twee watergangen aan de zuid- en oostzijde van het plangebied.

2.2

Voorgenomen ingreep

Het schoolgebouw aan de Lindelaan 2 in Nieuwkoop wordt gesloopt om herontwikkeling van het terrein mogelijk te maken. Naast sloop veranderd mogelijk ook het terrein rondom het gebouw. Als uitgangspunt geldt dat de gebouwen en het groen verdwijnen.

Figuur 2.1: De Ligging van het plangebied (rood) in Nieuwkoop.

6/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Figuur 2.2: Impressie van het plangebied (rood). Bron: Cyclomedia.

7/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag of de voorgenomen ingrepen kunnen leiden tot negatieve effecten voor beschermde flora en fauna.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

Het onderdeel soortenbescherming onder de Wnb heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende planten en diersoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • • •

Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Vogelrichtlijn Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hierin is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

3.2

Vrijstellingen

In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie ZuidHolland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten “vrij te stellen” van ontheffingsplicht. Dit betekent dat ten aanzien van deze soorten geen ontheffing nodig is voor projecten gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

3.3

Zorgplicht

De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht geldt daarmee ook voor soorten die door de provincie, in dit geval Zuid-Holland, zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ingrepen.

8/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Tabel 3.1: Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb.

Verbodsbepaling

A

B

C

D

E

Vogels VR

Dieren HR/

Planten HR/

Dieren

Planten

Bonn/Bern

Bonn/Bern

(‘Nationaal’)

(‘Nationaal’)

Dieren of planten: Doden of vangen

3.1.1

3.5.1

Storen/verstoren

3.1.4

3.5.2

3.10.1.a

(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,

3.5.5

3.10.1.c

ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren

3.2.6

3.6.2

3.6.2

Plaatsen: Vernielen, beschadigen of

3.1.2

wegnemen nesten Beschadigen of vernielen

3.5.4

voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen

3.10.1.b (vaste vp)

3.1.2

3.5.4

rustplaatsen

3.10.1.b (vaste rp)

Eieren: Vernielen (of –VR- beschadigen)

3.1.2

3.5.3

Rapen

3.1.3

3.5.3

Onder zich hebben

3.1.3

Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.

Rood

verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.

3.4

Literatuuronderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de volgende soortgroepen bekend: vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, algemene broedvogels, vogels met een jaarrond beschermd nest, amfibieën, reptielen en ongewervelden. Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen van beschermde soorten vissen bekend. Wel is het mogelijk dat de kwabaal voorkomt in de Nieuwkoopse plassen. Van de soort is ook bekend dat deze in de Vinkeveense plassen voorkomt. In tabel 3.2 staat weergegeven welke beschermde soorten er in en in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. Paragraaf 3.5 gaat in op het al dan wel of niet voorkomen van beschermde soorten en de effecten die optreden als gevolg van de voorgenomen ingrepen. Aangezien er in de directe omgeving van het plangebied geen beschermde vissen voorkomen en er geen werkzaamheden aan het water plaatsvinden, worden negatieve effecten op deze soortgroep op voorhand uitgesloten.

9/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Voor de overige soortgroepen worden effecten bepaald aan de hand van het aanwezige biotoop en de aard van de voorgenomen ingrepen. Tabel 3.2: Soorten die (mogelijk) voorkomen in de omgeving van het plangebied. Soortgroep

Aanwezige soorten in omgeving

Flora (artikel 3.5)

Groenknolorchis

Grondgebonden zoogdieren (artikel 3.5 en 3.10)

Otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis

Vleermuizen (artikel 3.5)

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, meervleermuis, baardvleermuis, franjestaart

Algemene broedvogels (artikel 3.1)

Diverse algemene soorten

Vogels jaarrond beschermd (artikel 3.1)

Ooievaar, wespendief, buizerd, havik, sperwer, boomvlak, slechtvalk, ransuil, steenuil, kerkuil, roek, huismus, gierzwaluw

Amfibieën (artikel 3.5)

Heikikker en rugstreeppad

Reptielen (artikel 3.10)

Ringslang

Vissen (artikel 3.10)

Kwabaal

Vlinders (artikel 3.10)

Zilveren maan

Libellen (artikel 3.5)

Gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker

Overige ongewervelden (artikel 3.5)

Platte schijfhoren

3.5

Effecten

3.5.1

Vaatplanten

In het plangebied zijn geen beschermde soorten vaatplanten waargenomen. Op basis van het biotoop worden deze ook niet in het plangebied verwacht. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bebouwing en straatverharding. De groene delen van het plangebied bestaan uit altijdgroene struiken, perkplanten en enkele bomen. Negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten zijn uitgesloten. 3.5.2 Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn geen beschermde soorten grondgebonden zoogdieren waargenomen. Ook zijn er geen sporen van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren aangetroffen. In het plangebied is geen geschikt biotoop voor beschermde soorten als otter, noordse woelmuis en waterspitsmuis aanwezig. In het plangebied is namelijk geen habitat aanwezig in de vorm van kruidenrijke vegetaties, riet of natuurlijke overgangszones tussen land en water. De sloot achter het schoolgebouw is beschoeid en het schoolterrein is verhard en beplant met altijdgroene struiken en perkplanten. Overige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren worden op basis van de ligging Nederland niet verwacht. Negatieve effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.

10/18

Kenmerk

3.5.3

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Vleermuizen

Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen Tijdens het oriënterende veldbezoek zijn aan de buitenzijde van het schoolgebouw geschikte invliegopeningen voor vleermuizen aangetroffen. Het betreft bakstenen gevels met open stootvoegen. Vleermuizen kunnen de stootvoegen gebruiken als toegang naar een verblijfplaats in de spouw (zie figuur 3.1). Daarnaast zijn er enkele geschikte invliegopeningen aangetroffen onder de daklijst. Vleermuizen kunnen deze openingen gebruiken als toegang naar een verblijfplaats onder het dak of achter houten betimmering (zie figuur 3.2). Op het terrein zijn geen geschikte holten in bomen aangetroffen die door boom bewonende vleermuizen, zoals rosse vleermuis, gebruikt kunnen worden als verblijfplaats.

In tabel 3.3 staat weergegeven welke vleermuissoorten en typen verblijfplaatsen niet kunnen worden uitgesloten: Tabel 3.3: soorten en type verblijfplaatsen die mogelijk voorkomen in het plangebied. Soort

Type verblijfplaats

Gewone dwergvleermuis

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats, winterverblijfplaats

Laatvlieger

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats, winterverblijfplaats

Ruige dwergvleermuis

zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats, winterverblijfplaats

Kleine dwergvleermuis

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats en winterverblijfplaats

Meervleermuis

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats

Grootoorvleermuis

zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats

Tweekleurige vleermuis

kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats, winterverblijfplaats

Figuur 3.1: Open stootvoegen (rode cirkels) die toegang bieden tot een spouw.

11/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Figuur 3.2: Opening onder de daklijst die toegang biedt tot een ruimte onder het dak of achter de daklijst.

De volgende negatieve effecten zijn niet uitgesloten: het opzettelijk doden of verstoren van vleermuizen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 2 en 4). Er is nader onderzoek nodig naar de aanof afwezigheid van kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van diverse soorten vleermuizen. Het nader onderzoek naar vleermuizen dient volgens de volgende planning te verlopen: • Drie veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli, met minimaal 30 dagen tussen ieder bezoek en twee veldbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober met minimaal 20 dagen tussen ieder bezoek (NGB, 2017) Als er verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen in het schoolgebouw dan is het nodig om een ontheffing in het kader van de Wnb aan te vragen. In dat geval zijn GS van de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag voor het behandelen van de ontheffingsaanvraag. Of een ontheffing verleenbaar is hangt af van het wettelijk belang van de ingreep. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend als kan worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing is (alternatievenafweging) en dat wordt voldaan aan tenminste één van de volgende wettelijke belangen: • •

In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten

Daarnaast dient in een ontheffing te worden geborgd dat er ook na de sloop permanente alternatieve verblijfplaatsen ter plaatse te realiseren zijn.

12/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Aangezien er nog geen concrete invulling voor het plangebied bestaat is het lastig om vooraf te borgen dat er permanente alternatieve verblijfplaatsen ter plaatse te realiseren zijn. Vliegroute Ten oosten van het schoolgebouw loopt een watergang die grenst aan het plangebied (zie figuur 3.3). Deze watergang vormt een lijnvormig landschapselement dat omsloten wordt door gebouwen en een groene oeverzone. De watergang is geschikt voor vleermuizen om te verplaatsen en migreren tussen verschillende typen verblijfplaatsen en foerageergebieden in de omgeving van het plangebied. Er zijn geen plannen om de watergang te dempen of anderzijds werkzaamheden uit te voeren die van invloed zijn op de watergang. Permanente negatieve effecten op de watergang zijn daarom uitgesloten. Als er groenstructuren worden verwijderd zal dit geen significant effect hebben op een mogelijke vliegroute, aangezien het groen niet essentieel bijdraagt voor oriëntatie bij het vliegen. Om verstoring op voorbijvliegende vleermuizen te voorkomen dient overdag gewerkt te worden. Door overdag te werken is verstoring op voorbijvliegende vleermuizen eveneens uitgesloten. Foerageergebied De watergang ten oosten van het plangebied wordt mogelijk ook door vleermuizen gebruikt als foerageergebied.

De watergang heeft namelijk een open en voldoende donker karakter en is omsloten door gebouwen die vleermuizen kunnen gebruiken ter oriëntatie. Er zijn geen plannen om de watergang te dempen of anderzijds werkzaamheden uit te voeren die van invloed zijn op het karakter van de watergang. Permanente negatieve effecten op de watergang als gevolg van aantasting zijn daarom uitgesloten. Om verstoring op foeragerende vleermuizen te voorkomen dient overdag gewerkt te worden.

13/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Figuur 3.3: Watergang ten oosten van het schoolgebouw die geschikt is als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen.

3.5.4

Broedvogels

Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest die nodig is om het nest als zodanig te laten functioneren. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen rondom het plangebied, namelijk ter hoogte van de Iepenstraat 3 en Lindelaan 27. De huismussen zaten op het dak en in de tuinen van de woningen. Het schoolgebouw beschikt echter niet over geschikte ruimten waar huismussen kunnen broeden, zoals achter dakpannen of regenpijpen. In het plangebied zijn geen mussen gezien of gehoord. Ook zijn er aan het gebouw geen uitwerpselen van de huismus waargenomen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats. Negatieve effecten op nestlocaties van de huismus zijn daarmee uitgesloten. De altijdgroene struiken aan de noordkant van het plangebied, nabij de Iepenstraat, vormen mogelijk wel onderdeel van het leefgebied van de aanwezige huismuspopulatie. In de tuinen van de woningen zijn echter voldoende groenstructuren aanwezig die als alternatief gebruikt kunnen worden en bij het voornemen ongemoeid blijven. Er blijft in de omgeving voldoende habitat van voldoende kwaliteit over om nesten functioneel te houden. Negatieve effecten op essentieel leefgebied van de huismus zijn daarmee uitgesloten.

Het gebouw beschikt niet over geschikte bouwdelen en holten voor gierzwaluwen. Het gebouw heeft geen schuine dakdelen die voorzien zijn van een loodslab of geschikte invliegopeningen in een nok of achter dakpannen.

14/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Bovendien bestaat het gebouw hoofdzakelijk uit laagbouw waar onvoldoende vrije in- en uitvliegruimte voor gierzwaluwen aanwezig is. De hogere bouwdelen, zoals de gymzaal, bieden ook geen geschikte verblijfplaatsen voor gierzwaluwen, omdat er geen vrije uitvliegbreedte is door de aanwezige beplanting en bomen. Dat gierzwaluw in het schoolgebouw broedt is uitgesloten. Negatieve effecten op gierzwaluwen zijn daarmee uitgesloten. Door gebrek aan geschikte openingen en holten is het gebouw ongeschikt als nestlocatie voor kerkuil en steenuil. Bovendien biedt de directe omgeving van het plangebied geen functioneel leefgebied voor uilen om te foerageren. Er zijn tijdens het veldbezoek ook geen nesten van roofvogels, ooievaar of ransuil aangetroffen. Voor slechtvalk is het gebouw te laag. Negatieve effecten op ooievaar en andere roofvogels met een jaarrond beschermd nest zijn uitgesloten. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van alle vogels zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Op het platte dak van het gebouw en in de bomen en struiken rond het schoolgebouw kunnen vogels broeden. Vogels kunnen gedurende het hele jaar tot broeden komen. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode half maart t/m half juli. Dit wordt algemeen beschouwd als zijnde het broedseizoen.

De volgende negatieve effecten zijn niet uitgesloten: doden of verstoren van broedvogels (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.1/3.5, lid 1, 2 en 4). Het is zaak om voorafgaand aan het werk rekening te houden met broedvogels. Wanneer de werkzaamheden aanvangen in de periode tussen maart en juli, dient een broedvogelcontrole plaats te vinden om de aanwezigheid van een broedgeval aan te tonen, dan wel uit te sluiten. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet gewerkt wordt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. 3.5.5 Amfibieën en reptielen Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor beschermde soorten amfibieën en reptielen. Er zijn in het plangebied geen geschikte plekken voor ringslangen om zich voort te planten, zoals broeihopen, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Voor heikikker en rugstreeppad biedt het plangebied geen voortplantingswater zoals ondiepe poelen en functionele leefomgeving die nodig is om voortplantingsplaatsen als zodanig te laten functioneren. Het plangebied ligt in de bebouwde kom en de watergang beschikt over beschoeiing. Negatieve effecten op beschermde soorten amfibieën en reptielen zijn uitgesloten. 3.5.6 Ongewervelden Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor beschermde soorten ongewervelden.

Er is in het plangebied geen water aanwezig. Wel ligt er ten oosten van het plangebied een watergang. Deze is ongeschikt als leefgebied voor platte schijfhoren door gebrek aan helder water en waterplanten. Er vinden ook geen werkzaamheden plaats aan de watergang.

15/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Ten aanzien van beschermde soorten libellen en vlinders is het plangebied en de directe omgeving ongeschikt als leefgebied door gebrek aan soortspecifieke waardplanten en natuurlijk biotoop met overgangszones tussen water en land. Negatieve effecten op beschermde soorten ongewervelden zijn daarmee uitgesloten.

4 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van gemeente nieuwkoop heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb) voor de sloop van een schoolgebouw in Nieuwkoop in het kader van de herontwikkeling van het terrein. De voorgenomen ingreep kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? Voor de voorgenomen ingreep dient rekening te worden gehouden met de onderdelen soort- en gebiedsbescherming van de Wnb. Ten aanzien van beschermde soorten dient rekening te worden gehouden met vleermuizen. Ten aanzien van beschermde gebieden dient rekening te worden gehouden met externe werking van stikstof op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van fysiek ruimtebeslag of verstoring door licht, geluid en trillingen op beschermde Natura 2000gebieden.Toetsing aan het NNN is niet aan de orde. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Dat geldt niet voor de bomen in het plangebied. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden als bedoelt onder de Wnb is dan ook niet noodzakelijk.

In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is nodig om een effectbepaling voor deze soortgroep te doen. Als nader vleermuisonderzoek uitwijst dat de voorgenomen ingrepen kunnen leiden tot negatieve effecten op de verblijfplaatsen van beschermde soorten vleermuizen dienen maatregelen te worden genomen. In dat geval moet een ontheffing in het kader van de Wnb worden aangevraagd. Als er geen vleermuizen worden aangetroffen is het niet nodig om een ontheffingsaanvraag in te dienen. Het gebouw biedt ook nestgelegenheden voor vogelsoorten waarvan het nest alleen gedurende het broedseizoen beschermd is. Als er in het broedseizoen gewerkt wordt, is een (periodieke) controle op nesten van broedvogels voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.

16/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? De volgende negatieve effecten zijn niet uitgesloten: het opzettelijk doden of verstoren van vleermuizen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 2 en 4). Er is nader onderzoek nodig naar de aanof afwezigheid van kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van diverse soorten vleermuizen. Het nader onderzoek naar vleermuizen dient volgens de volgende planning te verlopen: • Drie veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli, met minimaal 30 dagen tussen ieder bezoek en twee veldbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober met minimaal 20 dagen tussen ieder bezoek (NGB, 2017) Als er verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen in het schoolgebouw dan is het nodig om een ontheffing in het kader van de Wnb aan te vragen. In dat geval zijn Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag voor het behandelen van de ontheffingsaanvraag. Of een ontheffing verleenbaar is hangt af van het wettelijk belang van de ingreep. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend indien kan worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing is (alternatievenafweging) en dat wordt voldaan aan één of meerdere van de volgende wettelijke belangen: •

In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de

•

instandhouding van de natuurlijke habitats In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten

Daarnaast dient in een ontheffing te worden geborgd dat er ook na de sloop permanente alternatieve verblijfplaatsen ter plaatse te realiseren zijn. Aangezien er nog geen concrete invulling voor het plangebied bestaat is het lastig om vooraf te borgen dat er permanente alternatieve verblijfplaatsen ter plaatse te realiseren.

17/18

Kenmerk

R001-1273108NJR-V01-ibs-NL

5 Literatuur Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2017.

Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl

18/18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=fd022f7a-75f6-4049-9fb4-5137b3f9fb90