1 - toelichting en planregels BP Westkanaalweg 31-32
Tekst van het document
26
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader
5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.
Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen
Toelichting
27
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad. 5.2.3 Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater.
De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2019), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan).
In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.
28
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater.
De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
5.3
Waterhuishouding
Beschrijving watersysteem Het plangebied ligt in de Noordeind- en Geerpolder. Het zomer- en winterpeil van het peilgebied van deze polder bedraagt hier NAP -1,57 m respectievelijk -1,62 m. Veiligheid en Waterkeringen Planologisch moeten waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen de (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het verplicht opnemen van de waterkering in een bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Omgevingsverordening. De Westkanaalweg ligt op een dijklichaam met een hierbij behorende beschermingszone. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is op de verbeelding weergegeven overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. Oppervlaktewateren Op de Legger oppervlaktewater (2018) is de noordoostelijk gelegen sloot aangemerkt als 'overig oppervlaktewater' met een beschermingszone van 2 meter. Het is in beginsel niet toegestaan bebouwing te realiseren binnen de beschermingszone. In deze zone wordt niet gebouwd. De twee in de achtertuin gelegen watergangen zijn niet aanwezig.
Deze zijn lange tijd geleden al gedempt. In figuur 9 is de Legger weergegeven.
Toelichting
29
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Figuur 9: Legger oppervlaktewateren 2018. Plangebied rood gestreept omlijnd. Beschrijving waterkwantiteit Dempen is graven Ten eerste geldt dat als er bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, dezelfde hoeveelheid m³ die zich bevinden in het afvoerend nat profiel en de daarbovenop aanwezige vrije ruimte voor het bergen van water (de drooglegging, ofwel het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld) binnen hetzelfde peilgebied terug moet worden aangelegd. Dit principe staat bekend als 'dempen is graven'. Compenserende waterberging vanwege versnelde afvoer Daarbovenop komt de benodigde aanvullende hoeveelheid waterberging ter compensatie van de toename van verharding en/of een versnelde afvoersituatie. De minimale eis dat 15% van het nieuwe verharde oppervlak als retentiegebied moet worden gerealiseerd wanneer meer verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Toekomstige situatie en waterafvoer Binnen het bestemmingsvlak van het plangebied staat bebouwing met een oppervlakte van 360 m² (exclusief verharding, inclusief al gesloopte gebouwen). In de nieuwe situatie bedraagt het verhard oppervlak van de twee nieuwe woningen (inclusief verharding) circa 400 m², zodat per saldo sprake is van een toename van het verhard oppervlak met circa 40 m². Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig, omdat de toename minder is dan 500 m².
Waterkwaliteit (riolering en dubo) Het hemelwater van de daken van de woningen zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op de bestaande riolering worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.
30
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
5.3.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 24 februari 2020 (dossiercode 20200224-13-22565) uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er een waterstaatkundig belang is. In verband hiermee is het plan ingediend bij ruimtelijkeplannen@rijnland.nl. Als vervolg hierop heeft het hoogheemraadschap per e-mail van 25 februari 2020 gevraagd de volgende punten op te nemen in de toelichting van het bestemmingsplan: de toename aan verhard oppervlak in vierkante meters als gevolg van de planontwikkeling. Wanneer er sprake is van meer dan 500 m² toename aan verhard oppervlak dient 15% watercompensatie te worden gerealiseerd. Wordt er water gedempt als gevolg van de planontwikkeling? Voor het uitvoeren bouwwerkzaamheden en grondverzet in de kern- en beschermingszone van de waterkering dient de initiatiefnemer op grond van de Keur een watervergunning aan te vragen bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Voor het overige heeft het Hoogheemraadschap geen bezwaren tegen de planontwikkeling. Reactie Het verhard oppervlak neemt met circa 40 m² toe, zoals toegelicht onder het kopje 'Toekomstige situatie waterafvoer', zodat watercompensatie niet nodig is. Er worden geen sloten gedempt in het plangebied.
Initiatiefnemer zal tijdig een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap indien er bouwwerkzaamheden en grondverzet plaatsvinden binnen de kern- en beschermingszone van de Keur. Met inachtneming hiervan zijn de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen zijn er geen bezwaren tegen de gevraagde planontwikkeling.
Toelichting
31
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
32
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Hoofdstuk 6
Milieu en omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.
In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/besluit Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van 2 woningen, waarvan 1 vervangende nieuwbouw. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling. Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2.
Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck', ligt op 5 km afstand. De woningen zijn niet van invloed op dit Natura 2000-gebied. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.3. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.
Toelichting
33
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt onderdeel uit van lintbebouwing aan een gebiedsontsluitingsweg waar naast woningen ook enkele bedrijven voorkomen. Gesteld kan worden dat hier sprake is van een gemengd gebied. Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande woningbouw. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen voor een gemengd gebied op basis van de VNG-richtlijn. Uit de inventarisatie is het volgende gebleken.
Garagebedrijf en tankstation met LPG aan Westkanaalweg 37 Aan de Westkanaalweg 37 is een autobedrijf gevestigd met een tankstation voor LPG. De doorzet van het tankstation is in de milieuvergunning gelimiteerd tot maximaal 500 m³ LPG/jaar. Het garagebedrijf valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. Een brandstofverkooppunt met LPG < 1.000 m³/jr valt onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 m. De 2 woningen liggen op een afstand van meer dan 55 m. Voor wat betreft het onderdeel externe veiligheid wordt verwezen naar 6.1.6.1, waar de verantwoording van het groepsrisico is beschreven. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit bedrijven en milieuzonering voor dit bedrijf geen beperkingen. Bedrijventerrein 'Hoekse Aarkade' Aan de overzijde van het Aarkanaal aan Hoekse Aarkade ligt het bedrijventerrein 'Hoekse Aarkade' waarin bedrijven in categorie 1 tot en met 3.2 zijn toegestaan. Dit bedrijventerrein is een gezoneerd
34
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
industrieterrein. Er bevindt zich een geluidzone als bedoeld in de Wet geluidhinder rond dit industrieterrein. De geluidzone (50 dB(A)-contour) ligt net buiten de grens van het industrieterrein en reikt niet tot over het plangebied. Voor gemengd gebied geldt een richtafstand van 50 m. De 2 woningen, waarvan 1 vervangende nieuwbouw, liggen op een grotere afstand dan 70 m en ruim buiten de grens van het gezoneerde industrieterrein. Bovendien liggen er op kortere afstand woningen die al maatgevend zijn voor de aldaar gelegen bedrijven. Mitsdien vormen deze bedrijven geen belemmering voor realisatie van dit plan. Gelet hierop is het mogelijk dat de nieuw te bouwen woningen zonder milieuhygiënische knelpunten kunnen worden gerealiseerd. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen hebben een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
6.1.3 Geluid Wettelijk kader Wettelijk kader wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader vliegtuiglawaai Het Rijk wil voldoende groeimogelijkheden voor Schiphol en wil daarom voorkomen dat er meer mensen komen te wonen op plaatsen waar veel vliegtuiggeluid is. In de PKB Nota Ruimte (2004) is een gebied aangewezen waar geen nieuwe woningbouw mag plaatsvinden, de zogenaamde '20KE contour'. Uitgezonderd hiervan zijn woningbouwmogelijkheden die al bestonden volgens het in 2004 vigerende streekplan. In Zuid-Holland gaat het om gebieden binnen het stads- en dorpsgebied en om woningen die vanwege de ruimte-voor-ruimte regeling gebouwd mogen worden.
In het geval dat binnen de 20KE contour gebouwd wordt, dient wel in het (steden)bouwkundig ontwerp rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vliegtuiggeluid, ten einde de leefomgevingskwaliteit zo veel mogelijk overeind te houden, bijvoorbeeld door een betere geluidsisolatie in het dak toe te passen. Wettelijk kader spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh).
Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Wegverkeerslawaai
Toelichting
35
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de N461, N462, Westkanaalweg en Oostkanaalweg. Op deze wegen is de maximum snelheid 50 km/h. De wegen zijn binnenstedelijk en hebben een zonebreedte van 200 m. De overige wegen (Bloemenstraat) zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. Deze wegen zijn voor beoordeling van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het akoestisch onderzoek. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB). Indien de berekende geluidbelasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door S &W Consultancy B.V. te Vlissingen (rapport van 19 maart 2021, rapportnummer 2191268, versie 6.0, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woningen ten gevolge van de N461 wordt overschreden. De maximale waarde bedraagt op de oostgevel van de woningen 60 dB na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder. Er wordt wel voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB voor wegverkeerslawaai.
Er dient een verzoek om hogere waarde te worden ingediend. Richtlijnen voor het vaststellen van Hogere waarde, Omgevingsdienst West-Holland De woningen worden gesitueerd als vervanging van bestaande bebouwing. Er is een geluidsbelasting aanwezig hoger dan 53 dB, er dient gekeken te worden naar akoestische compensatie. Daarnaast dient gestreefd te worden naar ten minste één stille gevel. De aan te vragen hogere waarde bedraagt meer dan 58 dB, er is een afzonderlijke (uitgebreide) motivering nodig waarom het noodzakelijk is om van het hogere waarde beleid af te wijken. Hieronder wordt hierop ingegaan. Akoestische compensatie Omdat sprake is van 2 vrijstaande woningen zal van geluidhinder richting de buren weinig sprake zijn. Akoestische compensatie tussen de woningen onderling is niet aan de orde. Voor akoestische compensatie kan gedacht worden aan een hoger ambitieniveau voor de karakteristieke geluidwering waarmee een lager binnen niveau [Lbi] gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld een GA,k van 36 dB in plaats van de vereiste 33 dB. De indeling van de woningen is nog niet bekend. Hierdoor kan met de indeling rekening worden gehouden dat de verblijfsruimten zo min mogelijk worden gesitueerd aan de gevel waar de hoogste geluidsbelasting optreedt. Slaapkamers moeten zo veel mogelijk aan de achtergevel gerealiseerd worden. De tuinen zijn geheel rondom de woningen gelegen.
Hiermee zijn de buitenruimten slechts minimaal gelegen aan de gevel waar de hoogste geluidsbelasting optreedt. De tuinen gelegen aan de achterzijde van de woningen worden als geluidluw aangemerkt. De gecumuleerde geluidsbelasting op de achtergevel is < 48 dB en daarmee kan de achtergevel worden aangemerkt als een (extra) stille gevel. Vliegtuiglawaai De woningbouwlocatie ligt binnen het beperkingengebied van het LIB (zie paragraaf 4.1.4), zodat er vanuit vliegtuiglawaai nader onderzoek nodig is. Het geluidsniveau luchtvaartlawaai (Lden) wordt bepaald aan de hand van de gegevens www.bezoekbas.nl. Op basis van de geluidskaart “Schiphol etmaal”, kan worden geconcludeerd dat het plan ruim buiten de 55 dB contour is gelegen. Het bouwplan is niet geluidsbelast ten gevolge van luchtvaartlawaai. Spoor- en industrielawaai Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting. Deze spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde zone, volgens artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorlijnen en (gezoneerde) industrieterreinen, zodat een akoestisch onderzoek voor deze onderdelen achterwege kan blijven.
Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, nadat een procedure hogere grenswaarde wegverkeerslawaai is doorlopen. Het ontwerpbesluit zal gelijktijdig met tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan
36
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
worden bekend gemaakt. Het Luchthavenindelingbesluit staat de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan evenmin in de weg, omdat de woningbouwlocatie in het bestaand stads- en dorpsgebied ligt. Bij het ontwerp van de woningen zal overeenkomstig het advies van het ministerie Infrastructuur en Milieu rekening worden gehouden met luchtvaartlawaai door bij de aanvragen omgevingsvergunning een akoestisch rapport te overleggen in het kader van het Bouwbesluit naar de geluidwering van de gevels van de woningen. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling In verband met onderhavige planontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd door Grondslag bodemkwaliteitsbureau te Kamerik (rapport van 25 september 2020, projectnr. 7153. versie 2, Bijlage 2).
Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Conclusies Chemische kwaliteit perceel A5468 De gestelde hypothese dat ter plaatse van de (vermoedelijke) gedempte sloot verhogingen aan PAK en/of zware metalen verwacht kunnen worden, is bevestigd. Ter plaatse van de slootdemping zijn maximaal lichte verhogingen gemeten aan zware metalen en/of PAK. De kwaliteit van de grond ter plaatse van de slootdemping wijkt niet af van de kwaliteit op het overige gedeelte van het perceel. Ook de bodemvreemde bijmenging ter plaatse van de globale ligging van de slootdemping wijkt niet af van de aangetroffen bodemvreemde bijmenging op het overige deel van de onderzoekslocatie. Op basis van het historisch onderzoek en de terreininspectie is de op het perceel geregistreerde HBO-tank niet aangetroffen. De gestelde hypothese dat er geen verontreinigingen worden verwacht ter plaatse van het overige gedeelte van het perceel, is niet bevestigd. Ter plaatse van de boringen 102 en 106 zijn sterke verhogingen gemeten aan nikkel en barium. In de afperkende boringen hieromheen zijn maximaal matige verhogingen gemeten aan nikkel en barium. Voor het overige zijn er lichte verhogingen aangetoond aan diverse zware metalen en/of PAK. In het grondwater zijn lichte verhogingen gemeten aan barium, vluchtige aromaten en VOCL.
De herkomst van de lichte verhogingen in het grondwater is onbekend. De verontreiniging met nikkel/barium boven de interventiewaarde is aanwezig ter plaatse van de boringen 102 en 106 (oprit woonhuis) aanwezig van 0,45 tot maximaal 1,50 m-mv. De nikkel/barium verontreiniging in de grond heeft een oppervlakte van circa 19 m². De dikte van het pakket sterk verontreinigde grond bedraagt maximaal 1,05 meter. Het totale volume sterk met nikkel/barium verontreinigde grond wordt geraamd op circa 20 m³. Dit komt overeen met 34 ton (bij een soortelijk gewicht van 1,7 ton/m³). Er is geen sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. Chemische kwaliteit perceel 5469 De gestelde hypothese dat op basis van voorgaand onderzoek plaatselijk matige tot sterke verhogingen worden verwacht aan lood en zink in de bovengrond, is bevestigd. Alleen ter plaatse van boring 201 is in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) een sterke verhoging gemeten aan lood. De sterke verhoging is aangetoond ter plaatse van de reeds bekende lood/zink verontreiniging uit voorgaand onderzoek (Verkennend en nader bodemonderzoek Westkanaalweg 32 te Ter Aar, Grondslag BV, project 6765, d.d. 5 april 2002). De bekende lood/zink verontreiniging ter plaatse van boring 6 uit voorgaand onderzoek, bleek niet reproduceerbaar. In boring 202 is een matige verhoging gemeten aan lood en een lichte verhoging aan zink.
Ook in de afperkende boringen rondom boring 6 uit voorgaand onderzoek, zijn destijds geen verhogingen gemeten boven de interventiewaarde. Voor het overige zijn op het perceel hoofdzakelijk lichte verhogingen gemeten aan diverse zware
Toelichting
37
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
metalen en/of PAK. Plaatselijk zijn matige verhogingen gemeten aan lood en zink. De verontreiniging met lood ter plaatse van boring 201 is aanwezig vanaf het maaiveld tot een diepte van 0,5 m-mv. De loodverontreiniging in de grond heeft een oppervlakte van circa 7 m². De dikte van het pakket sterk verontreinigde grond bedraagt 0,5 meter. Het totale volume sterk met lood verontreinigde grond wordt geraamd op circa 3,5 m³. Dit komt overeen met 6 ton (bij een soortelijk gewicht van 1,7 ton/m³). Er is geen sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. Asbestonderzoek perceel A5468 De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is op de verdachte locaties (boring 05 en ter plaatse van het asbestdak) zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van het perceel weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader asbestonderzoek. Asbestonderzoek perceel A5469 De gestelde hypothese dat het perceel wordt aangemerkt als onverdacht op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is met het verkennend asbestonderzoek in gat 203 asbesthoudend materiaal aangetroffen (>2cm). Ook in de grondfractie < 2 cm is asbest aangetoond.
Voor de bodem is een indicatief asbestgehalte bepaald van 64,32 mg/kg ds (worst case). Deze waarde overschrijdt de toetswaarde voor nader onderzoek. Aansluitend is op perceel A5469 een nader asbestonderzoek uitgevoerd. De aanleiding voor het nader onderzoek zijn de resultaten van het uitgevoerde verkennend asbestonderzoek waarbij de toetswaarde voor nader onderzoek werd overschreden. In totaal zijn zes sleuven geplaatst op het perceel. Alleen in sleuf SL01 is asbesthoudend materiaal aangetroffen in de grove fractie. Volgens de toetsingsregels uit de NEN 5707 kan worden geconcludeerd dat de verontreiniging met asbest binnen RE1 heterogeen verdeeld is. Dit heeft als gevolg dat voor het bepalen van het asbestgehalte voor RE1 (totaalgehalte) gerekend dient te worden met de hoogst gemeten waarde aan asbest, in dit geval betreft dit sleuf SL01 (43,98 mg/kg ds.). Het asbestgehalte (gewogen) van RE1 overschrijdt de interventiewaarde niet. In de bodem is asbest aangetroffen, maar in een gehalte lager dan de interventiewaarde. Formeel is er geen sprake van een (ernstig) geval van bodemverontreiniging en/of een saneringsnoodzaak. Asfaltonderzoek In totaal is er ca. 1,6 m³ asfalt (4 ton) aanwezig op de locatie. De omvang van de laag gepenetreerde stenen onder het asfalt bedraagt naar schatting 4,3 m³ (10 ton).
Zowel in het asfalt als in de laag gepenetreerde stenen is indicatief PAK aangetoond. Aanbevelingen Aangezien er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, geldt geen saneringsplicht voor de locatie. Naast de noodzaak tot saneren in het kader van de Wet bodembescherming kunnen er andere redenen zijn waarom een sanering nodig of gewenst is, bijvoorbeeld wanneer er graafwerkzaamheden staan gepland ter plaatse van de aanwezige verontreinigingen. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging. Ook vormen de onderzoeksresultaten geen belemmeringen voor de toekomstige afgifte van een omgevingsvergunning. In geval van een voorgenomen sanering wordt geadviseerd om de werkzaamheden vast te leggen in een Plan van Aanpak. De BRL7000 en BRL6000 zijn bij een niet-ernstig geval formeel niet van toepassing. Geadviseerd wordt de werkzaamheden wel in lijn met deze BRL’s uit te voeren. Met betrekking tot de veiligheidskundige aspecten wordt geadviseerd om conform de CROW400 een V&G-plan op te stellen onder verantwoording van een erkende arbeidshygiënist of HVK-er. In deze rapportage is de omvang van de verontreiniging vastgesteld, zoals deze aanwezig is in de bodem.
Indien de verontreiniging wordt gesaneerd middels ontgraving, dient rekening gehouden te worden met het feit dat de hoeveelheid vrijkomende grond niet overeen hoeft te komen met de vermelde omvang van de verontreiniging. De hoeveelheid te ontgraven grond hangt namelijk onder andere af van de randvoorwaarden van een saneringsplan (terugsaneerwaarde), eventuele graafverliezen (bijvoorbeeld ontgraving onder talud, ontgraving van een niet verontreinigde toplaag) en het verschil tussen losse en vaste kuubs grond. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring
38
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om het PAK-houdend asfalt en de onderliggende laag gepenetreerde stenen af te voeren naar een erkend verwerker. Aanbevolen wordt de met duizendknoop begroeide grond af te voeren naar een erkend verwerker. Conclusie Voor het oprichten van drie woningen kan planologisch vergunning worden verleend, omdat de resultaten van het bodemonderzoek geen aanleiding geven voor het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek. Binnen de exploitatie wordt rekening gehouden met het opstellen van een plan van aanpak voor, en het verwijderen van, de twee verontreinigingsspots en het afvoeren van de met duizendknoop begroeide grond naar een erkende verwerker. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit en de bodembeheernota van de gemeente Nieuwkoop. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen).
In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 6.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer. jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen stof NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 3 PM2,5 25 µg/m n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d.
het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter.
Toelichting
39
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Onderzoek luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 en PM2,5 bepaald. Ten behoeve hiervan is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2017 en de prognosejaren 2020 en 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Westkanaalweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. De vaststelling van dit bestemmingsplan stuit dan ook niet op bezwaren voor wat betreft luchtkwaliteit. Project is NIBM Dit plan omvat de nieuwbouw van 2 woningen, waarvan 1 vervangende nieuwbouw. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate, omdat sprake is van een woningbouwlocatie, die netto niet meer dan 1.500 woningen omvat. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit in het plangebied aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden. Dit blijkt onder andere uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN), waar de achtergrondconcentraties van fijn stof en stikstofdioxide (ruim) onder de normen liggen.
Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, bovendien steeds beter. Geurhinder Het perceel heeft in de huidige situatie al een woonbestemming en heeft daarmee bescherming tegen overmatige geurhinder. Er is echter sprake van aanpassing van het bouwvlak. De geurnormen gelden bij de gevel van een (geurgevoelig) gebouw. Uit de geurgebiedsvisie van de gemeente Nieuwkoop blijkt dat agrarische geurhinder op deze locatie geen belemmering voor het plan vormt. Conclusie Deze planontwikkeling valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor dit bestemmingsplan een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. Ook vanuit geurhinder zijn er geen belemmeringen. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Lokaal beleid: Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Nieuwkoop De gemeenteraad van de gemeente Nieuwkoop heeft in zijn vergadering van 31 maart 2011 de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Toetsing van externe veiligheid vindt plaats aan de hand van deze omgevingsvisie. Eén van de uitgangspunten in de beleidsvisie is dat woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen in woongebieden worden geplaatst en buiten de invloedsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen
40
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water In het Basisnet Water is het Aarkanaal als groene vaarweg aangemerkt. Dit betekent dat er geen beperkingen zijn. Evenmin geldt voor groene vaarwegen een plasbrandaandachtsgebied (veiligheidszone) voor kwetsbare bestemmingen. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over lucht Het plangebied ligt binnen de 20Ke-contour van Schiphol. Op de Risicokaart geeft de kaartlaag luchtvaartongeval geen signalering boven het plangebied. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt binnen een zone van 200 m van het plangebied de provincialeweg N461.
Uit de inventarisatie is gebleken dat over de provinciale weg N461 vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Uit het feit dat deze weg niet opgenomen is op de risicokaart, kan geconcludeerd worden dat het aantal vervoersbewegingen van gevaarlijke stoffen beperkt is. Gelet op het naar verwachting beperkte aantal transporten van gevaarlijke stoffen wordt ervan uitgegaan dat het groepsrisico kleiner is dan 0,01 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit Externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. In de nabijheid van het plangebied liggen geen ondergrondse hogedrukaardgasleiding van de Gasunie. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied ligt aan de Westkanaalweg 35 een tankstation met LPG.
Het GR wordt beschreven in paragraaf 6.1.6.1. Voor het overige zijn er geen EV-relevante inrichtingen gevestigd. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Uit de Risicokaart (figuur 10) blijkt dat er in de omgeving van het plangebied een tankstation ligt met LPG. De verantwoording van het groepsrisico is beschreven in paragraaf 6.1.6.1. Voor het overige zijn er geen potentiële risicobronnen aanwezig die een belemmering kunnen zijn voor deze planontwikkeling.
Toelichting
41
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
Figuur 10: Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart omlijnd). Toetsing gemeentelijk en provinciaal beleid Toetsing gemeentelijk beleid In paragraaf 4.2.1 van de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid zijn de volgende voor dit plan relevante uitgangspunten opgenomen: 1. geen nieuwe risicobronnen in woongebieden; 2. het groepsrisico is gemaximaliseerd op de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico; 3. woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen worden in woongebieden geplaatst en buiten de invloedsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aan de Westkanaalweg 35 ligt een tankstation met LPG. De doorzet van het tankstation is in de milieuvergunning gelimiteerd tot maximaal 500 m³ LPG/jaar. Het plaatsgebonden risico (10-6 per jaar) is 25 meter vanaf het LPG-vulpunt en LPG Reservoir. Het invloedsgebied van het groepsrisico strekt zich uit tot 150 meter vanaf het LPG-vulpunt. Het plangebied ligt op meer dan 55 m afstand. Binnen deze afstand zullen 2 woningen, waarvan 1 vervangende nieuwbouw worden gerealiseerd. In verband hiermee is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. In paragraaf 6.1.6.1 wordt hierop ingegaan. Toetsing provinciaal beleid De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Gelet op de omgeving is een overschrijding voor de toekomst niet te verwachten. Er wordt voldaan aan het provinciaal beleid.
6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico Beperkte verantwoording van het groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een tankstation met LPG. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico ten gevolge van de nieuwbouw nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het groepsrisico geldt een invloedsgebied van 150 meter, gerekend vanaf het LPG vulpunt, de LPG-afleverinstallatie en het LPG-reservoir. Binnen dit gebied liggen de twee nieuw te bouwen
42
Toelichting
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
woningen. Uit een eerder uitgevoerde groepsrisicoberekening (rapport ‘Groepsrisicoberekening LPG-tankstation (gemeente Nieuwkoop)’, d.d. juni 2012, opgesteld door MRo) blijkt dat de hoogte van het groepsrisico 0,103 * de oriëntatiewaarde van het groepsrisico is. Het aantal berekende dodelijke slachtoffers als gevolg van een calamiteit bij het LPG-tankstation bedraagt circa 150. Het effect van de ontwikkelingslocatie aan de Westkanaalweg 31 en 32 op de hoogte van het groepsrisico is, vanwege de afstand tot de risicobron en het beperkte aantal woningen (2, waarvan 1 vervangende nieuwbouw) minimaal. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Plaatsgebonden risico Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Ook ligt het plangebied niet binnen de veiligheidszone en het plasbrandaandachtsgebied van het Aarkanaal. Verantwoordingsplicht groepsrisico De risico's van de LPG-afleverinstallatie en het LPG-reservoir ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,103 * oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. In het bestemmingsplan wordt de vestiging van “zeer kwetsbare groepen” ook niet mogelijk gemaakt Er worden twee woningen gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Om te voldoen aan het uitgangspunt van de beleidsvisie wordt een planregel opgenomen dat het verboden is om woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen te realiseren.
Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Nieuwkoop hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een LPG-tankstation aan de Westkanaalweg 35. Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen 2 woningen worden opgericht, waarvan 1 vervangende nieuwbouw. Dit leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen waardoor de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar is. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Toelichting
43
bestemmingsplan Westkanaalweg 31 en 32, Papenveer
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Rijk en provincie In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid.
Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is. Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens ligt het plangebied in de Formatie van Echteld met het type afzetting: stroomgordels en geulafzettingen. Het plangebied heeft een hoge kans op archeologische sporen dieper dan 3 m onder maaiveld (figuur 11).
Figuur 11: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Nieuwkoop Het archeologisch beleid van Gemeente Nieuwkoop sluit aan op de Provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS). Ten behoeve hiervan heeft de gemeenteraad de "Erfgoedverordening