1 - toelichting bestemmingsplan Blokland 41/41a, Nieuwveen
Tekst van het document
Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
25
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De woning en bed & breakfast worden gezien als een gevoelige bestemming, waarbij uitsluitend de bed & breakfast een nieuwe functie is ten opzichte van bedrijven van derden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De planlocatie bevindt zich aan het bebouwingslint van het Blokland, waar zich zowel woningen als (agrarische) bedrijven bevinden. Daarmee kan gesteld worden dat het plangebied in een gebied ligt met het omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandstap. De volgende bedrijven zijn gevestigd rond het plangebied. Adres
Bedrijf/activiteit
SBI-code
Milieucategorie Richtafstand Werkelijke afstand (gemengd gebied) tot de woning
Blokland 18 Blokland 26a
Vuiloverslagstation/ 382, afvalverwerking 383202 Varkenshouderij 0146
4.2
200 m
47 m
4.1
100
280 m
Blokland 29 Blokland 37 Blokland 26
Melkveehouderij
3.2
50 m
280 m
Veehouderij
0141, 52109 0141, 0149
3.2
50 m
110 m
Veehouderij
0141
3.2
50 m
250 m
Zoals in bovenstaande tabel is af te lezen wordt er niet voldaan aan de richtafstand van 200 m tot het vuiloverslagstation/afvalverwerking aan het Blokland 18. De maatgevende aspecten hierbij zijn geur en geluid, waarvoor in een gemengd gebied de richtafstand van 200 m geldt. De locatie waar het afval opgeslagen en verwerkt wordt ligt achter op het perceel van Blokland 18. De afstand tussen de woning met bed & breakfast en dit deel van het terrein is ca. 250 m. Tevens staan er verschillende gebouwen tussen de locatie voor de opslag en het verwerken van het afval en de woning met bed & breakfast. Deze gebouwen vormen een buffer. De woning aan het Blokland 41 is reeds een woning van een derde ten opzichte van het afvalbedrijf en voor deze woning moet het afvalbedrijf al aan het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoen. Daarnaast bevindt de bestaande woning aan het Blokland 14 zich op kleinere afstand van het afvalbedrijf. Ook voor deze woning moet het afvalbedrijf reeds voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat de bed & breakfast minimaal op gelijke afstand van het afvalbedrijf is beoogd en personen slechts één of enkele nachten in de bed & breakfast verblijven, is er aannemelijk sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Bovendien zal de geluidbelasting vanwege het afvalbedrijf hoogstwaarschijnlijk ondergeschikt zijn aan de geluidbelasting vanwege wegverkeer over de provinciale weg N231. Daarmee dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn. De varkenshouderij aan Blokland 26a beschikt over een geurcontour. In de vergunning van de varkenshouderij zijn de geurgevoelige objecten rondom de varkenshouderij genoemd. Voor Blokland 41 geldt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. De waarde van 1,2 odour ligt ruim onder de norm van 8 odour. Voor de overige bedrijven wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstanden. Op het perceel van het Blokland 41 is in de huidige situatie ook al een (bedrijfs)woning aanwezig. Deze woning geniet reeds bescherming ten opzichte van bedrijven in de omgeving. Daarmee worden bedrijven niet (verder) beperkt in hun mogelijkheden.
26
Met het voorliggende initiatief wordt de bedrijfsbestemming op de planlocatie 'wegbestemd'. Hiermee zijn binnen het plangebied niet langer bedrijfsactiviteiten toegestaan. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Zoals op bovenstaande kaart te zien is, bevinden zich geen risicovolle inrichtingen en buisleidingen in de nabijheid van het plangebied. Wel ligt ten oosten van het plangebied de provinciale weg N231. Over deze weg mogen gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Langs de N231 zijn geen bedrijven gevestigd (bijv. een LPG-tankstation) waar een substantieel aantal transporten van gevaarlijke stoffen naar toe gaan. Hierdoor zal het aantal transporten van gevaarlijke stoffen minimaal zijn. Een uitgebreide toetsing is dan ook niet nodig.
27
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
28
4.3.2 Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied en 5.000 m² in de overige delen van het beheergebied 10 % daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging.
Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in overige delen van het beheergebied gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. In de huidige situatie bestaat het plangebied voor een groot gedeelte uit verhard oppervlak. Voor de beoogde functies wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. Er wordt geen verharding toegevoegd. Wel wordt één van de opstallen gesloopt. De oppervlakte aan verharding zal hierdoor afnemen. Daarnaast worden er geen watergangen gedempt. Om die reden is watercompensatie niet noodzakelijk.
Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht blijkt dat er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen primaire- en regionale waterkeringen aanwezig zijn. Riolering en afkoppeling De woning en bed & breakfast blijven volgens de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het hemelwater wordt zoveel als mogelijk afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
29
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Met het initiatief wordt de hooimijt gerenoveerd en wordt een van de stallen gesloopt. Het beoogde initiatief heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Om die reden is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (30 november 2021, Blom Ecologie, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de quickscan zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.
30
Soortenbescherming De te renoveren stal achter de woning is mogelijk geschikt als nestlocatie voor de huismus. Er dient aanvullend huismusonderzoek uitgevoerd te worden. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Op korte termijn zijn er nog geen ingrepen beoogd. Hierdoor zullen er ter plaatse van de schuur achter de woning (gebouw 1) voorlopig geen mogelijke nestlocaties verstoord worden. Indien er bij de renovatie van de voormalige stal sprake is van ingrepen die een negatief effect zouden kunnen hebben op de huismus, zal, voorafgaand aan de eventuele renovatie van de schuur, in het kader van de omgevingsvergunning een aanvullend onderzoek naar de huismus uitgevoerd moeten worden. Het uitgangspunt is dat er te allen tijde aan de Wet natuurbescherming voldaan moet worden en dat er zorgvuldig gehandeld moet worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Groene buffers. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 5,5 km van het Natura 2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS stikstofberekening is niet noodzakelijk. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie In het kader van de bestemmingswijziging is de planlocatie voldoende onderzocht. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel dient in het kader van de omgevingsvergunning een aanvullend huismusonderzoek uitgevoerd te worden, indien er bij de renovatie van de voormalige stal (gebouw 1) sprake is van ingrepen die een negatief effect zouden kunnen hebben op de huismus. Het uitgangspunt is dat er te allen tijde aan de Wet natuurbescherming voldaan moet worden en dat er zorgvuldig gehandeld moet worden.
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied zijn in het geldende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm onder het maaiveld is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met het initiatief wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing.
Hierdoor worden de gestelde normen niet overschreden en is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. In het voorliggende bestemmingsplan is aan de gronden in het plangebied, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' toegekend. Hiermee worden eventuele
31
archeologische waarden beschermd en is er een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek als de vrijstellingsgrenzen overschreden worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Het plangebied maakt tevens geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. De voormalige boerderij aan het Blokland 41 is geen gemeentelijk of rijksmonumentaal pand. Wel heeft het voorhuis een karakteristieke uitstraling die cultuurhistorisch waardevol is. De aangebouwde stal, die in een slechte staat verkeert, heeft geen karakteristieke uitstraling. Met de ontwikkeling blijft het voorhuis van de voormalige boerderij behouden. Daarnaast wordt de aangebouwde stal omgebouwd tot bed & breakfast. Hiermee blijven de karakteristieken van het voorhuis behouden en wordt de uitstraling van de bebouwing versterkt.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Volgens de notitie Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015 behoort de hele gemeente Nieuwkoop tot de categorieën ’buitengebied’ en 'niet stedelijk'. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is de CROWpublicatie 381 'toekomstbestendig parkeren geraadpleegd.
Voor de vrijstaande woning wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand' en voor de bed & breakfast van de categorie '3* hotel'. Het aantal verkeersbewegingen voor de bed & breakfast kamers zal overeenkomen met een hotel.
32
In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling uiteengezet. Soort woning/functie koop, huis, vrijstaand 3* hotel Totale verkeersgeneratie
Aantal woningen/ kamers 1 8-10
CROW-verkeersgeneratie (per woning/per 10 kamers) 8,2 19,5
Totale verkeersgeneratie 8,2 15,6-19,5 23,8-27,7
Gezien het beperkte aantal voertuigbewegingen zullen de wegen in de omgeving geschikt zijn voor het afwikkelen van de verkeersgeneratie. 4.7.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. In 8 juli 2021 is de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021 vastgesteld. De gemeente Nieuwkoop zet met deze nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van parkeernormen door meer doelgroep specifieke normen toe te passen voor zowel de auto als de fiets. Verder is er de mogelijkheid om deelauto’s in te zetten om de parkeernorm te verlagen. Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen gemeente Nieuwkoop 2021. In de navolgende tabel staat de parkeerbehoefte per woning/functie aangegeven. Soort woning/functie grond gebonden woningen (≥ 130 m²) Bed & Breakfast Totaal
Aantal woningen/ kamers 1
Parkeernorm (per woning/per kamer) 2,5
Totaal aantal parkeerplaatsen 2,5
8-10
1
8 - 10 10,5 - 12,5
De totale parkeerbehoefte bedraagt ten hoogste 12,5 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte voor parkeervoorzieningen op het erf. Achter gebouw 1 (zie situatieschets in toelichting paragraaf 2.2) is ruimte voor langdurend parkeren. Voor gebouw 5 is ruimte voor kortdurend parkeren. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
33
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
34
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Natuur De bestemming 'Natuur' is opgenomen voor het achterste gedeelte van het plangebied. De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van natuur met de ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwaarden. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke- en cultuurhistorische waarden. In onderhavig geval is het landschapstype een droogmakerij. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. De bouwhoogte van gebouwen, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 m. Daarnaast zijn openbare steigers toegestaan met een lengte van niet meer dan 10 m, een breedte van 2 m en een bouwhoogte van 0,50 m. Wonen Op de voor 'Wonen' bestemde gronden is wonen toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Tevens zijn binnen deze bestemming onder andere bijbehorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' is een bed & breakfast met bijbehorende voorzieningen (o.a. ontbijtruimte) toegestaan. In specifieke gebruiksregels is vastgelegd dat het aantal kamers ten hoogste 10 mag bedragen.
Verder is binnen de bestemming ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - theehuis' een theehuis mogelijk. Binnen het bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan, waarbij de inhoud van de woning niet meer dan 750 m³ (exclusief vrijstaande bijbehorende bouwwerken) mag bedragen. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6 en 10 m. Voor een bestaande woning met een grotere inhoud dan 750 m³ die rechtmatig is gebouwd geldt deze inhoud als de maximaal toegestane inhoud, die bij herbouw ook mag worden teruggebouwd. Bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 80 m² bedragen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf' kan gebruik worden gemaakt van een sloop/bonus-regeling en kan afgeweken worden van de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken. De goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 meter en 5,5 m bedragen. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Dit betreft een afwijking van en aanvulling op de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (80 m²) en de sloop/bonus-regeling.
Waarde - Archeologie 2 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is opgenomen voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Bij bouwwerkzaamheden met een ondergrondse diepte van meer dan 50 centimeter en met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
35
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn er geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Nieuwkoop worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.
36
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.
7.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
37