CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

08 Bijlage 2 (TOE) Vormvrije m.e.r.-beoordeling Lindelaan

Besluitvormende raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Lindelaan Nieuwkoop (2022-009)5.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Nieuwkoop, Lindelaan

Gemeente Nieuwkoop

Datum: 15 oktober 2021 Plannummer: 200341

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 4 6

2

Kenmerken van het plan

7

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

7 7 8 8

3

Plaats van het plan

10

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

10 10 10

4

Kenmerken van het potentiële effect

15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

15 16 18 19 19

5

Conclusie

21

Gebruikte onderzoeken/bronnen

23

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Lindelaan in Nieuwkoop is het voormalige schoolgebouw van het Ashram College met bijbehorende gymzaal gelegen. De school heeft inmiddels een nieuw onderkomen gevonden aan de Achterweg, op nabije afstand van de oude locatie. Vanwege de grote behoefte aan betaalbare (huur)woningen bestaat de wens om de voormalige schoollocatie te transformeren naar appartementen. De gemeente heeft een massastudie opgesteld voor de mogelijke invullingen. Hierin zijn maximaal 65 appartementen mogelijk.

Plangebied

Globale ligging en begrenzing plangebied (gele arcering) (Bron: Google Maps)

Om de doelstellingen te kunnen realiseren wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijnde wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag (college) voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde 3

gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden 4

ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van maximaal 65 wooneenheden) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” 2

De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 6.500 m en het plan voorziet in de realisatie van maximaal 65 appartementen. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit ruim onder de drempelwaarde en zou een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd zijn. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit.

Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

5

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

6

2 2.1

Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en het risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving plan

2.2.1

Planbeschrijving 1

Voor het plangebied heeft de gemeente een visie opgesteld. Hierin zijn de ruimtelijke randvoorwaarden van de herinrichting van het plangebied beschreven. Hierbij is het plangebied opgedeeld in drie delen; noord, midden en zuid. Dit is op onderstaande afbeelding inzichtelijk gemaakt.

Ruimtelijke indeling plangebied (Bron: gemeente Nieuwkoop)

Gezien de ligging van het plangebied tussen grootschalige bebouwing is het passend om in de delen midden en zuid een groter bouwblok te realiseren. Aan de zuidzijde van het plangebied bestaat de mogelijke bouwhoogte uit maximaal 5,5 verdiepingen (randvoorwaarde). Door de bebouwing aan de Achterweg te realiseren sluit deze aan bij de grootschalige en hogere bebouwing binnen deze zone. Daarmee kan de noordwestzijde van het plangebied, die aansluit op de lagere bebouwing rondom de Lindelaan/Iepenstraat, gevrijwaard worden van hoge bebouwing. Verder zorgt deze ligging

1

Stedenbouwkundige visie 17 februari 2021. 7

voor een meer besloten buitenruimte aan de noordzijde van het plangebied of bebouwing van maximaal 3 bouwlagen. De massastudie gaat uit van maximaal 65 appartementen verdeeld over drie woonblokken, verspreid over de drie plandelen. Nabij de Achterweg zijn twee woonblokken voorzien, bestaande uit 5 bouwlagen. In het noorden van het plangebied is vervolgens een woonblok beoogd bestaande uit 3 bouwlagen. Hier zijn 121 parkeerplaatsen opgenomen. Dit aantal parkeerplaatsen is gebaseerd op het parkeerbeleid van de gemeente (peildatum februari 2021)

Massastudie, gezien vanaf de zuidzijde (Bron: gemeente Nieuwkoop)

2.3

Omvang van het plan Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 65 wooneenheden. De oppervlakte 2 van het totale plangebied bedraagt circa 6.500 m .

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere planen Cumulatie met andere plannen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlij-

8

ke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. Het beoogde plan heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

9

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied is ingevuld met het voormalige schoolgebouw met bijbehorende gymzaal van het Ashram College. Het oudste deel van de school dateert uit 1967. De school is gedateerd geraakt en is verhuisd naar een nieuw pand aan de Achterweg. Met het vertrek van de school is de bebouwing in het plangebied leeg komen te staan. De bebouwing in het plangebied is verouderd en voldoet, onder andere door het gebrek aan groen, niet meer aan de duurzaamheidswensen. Het plangebied is nagenoeg geheel verhard. Onderstaand is een afbeelding te zien van de huidige situatie in het plangebied.

Huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Lindelaan (Bron: Google Maps)

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven. 10

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt in het Natio-

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

naal Landschap het Groene

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Hart (zie verder onder 1).

in een berg- en bosgebied.

van de EHS. 3.3.2.1

Speciale beschermingszones,

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het plange-

door de lidstaten aangewezen

bied liggen enkele Natura 2000-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

gebieden (zie verder onder 2).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in ge-

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar op basis van

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

communautaire wetgeving

kwaliteit reeds worden

reeds normen worden over-

overschreden

schreden.

Gebieden met hoge bevol-

Het plangebied is niet gelegen

kingsdichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

In het plangebied zijn geen his-

historisch belang

Monumentenwet

torische bouwwerken of monu-

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

mentale panden gelegen. Ook

ontwikkelingsplan

bevinden zich geen structuren

o 

beschermd stads- en dorpsgezicht

met een cultuurhistorische of

archeologisch belang

beeldbepalende waarde in/nabij het plangebied. Het plangebied heeft daarnaast geen archeologische verwachtingswaarde.

1. Nationaal Landschap In het verleden heeft het Rijk een aantal Nationale Landschappen aangewezen. Deze landschappen weerspiegelen samen de diversiteit en ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Het rijk laat het beleid ten aanzien van landschap op land over aan provincies en wil provincies meer ruimte geven bij de afweging tussen verstedelijking en landschap om zodoende meer ruimte te laten voor regionaal maatwerk. De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitwerking van het beleid voor de Nationale Landschappen. Zij nemen een gedetailleerde begrenzing op in hun structuurvisies en werken daarin per Nationaal Landschap benoemde kwaliteiten uit.

11

Onderhavig plangebied is gelegen in het Nationaal Landschap het Groene Hart. Voor dit landschap is sprake van de volgende kernkwaliteiten: openheid, (veen)weidekarakter (inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust en stilte. Doordat het plangebied reeds onderdeel uitmaakt van een bestaande woonkern en het plangebied en haar directe omgeving reeds tot ontwikkeling zijn gebracht, zijn de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap reeds blijvend verstoord. Bij de ontwikkeling van het plangebied hoeft en kan daarom geen rekening te worden gehouden met de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. Ook is een verdere aantasting niet te verwachten, waardoor het niet te verwachten is dat er een negatief milieueffect ontstaat op de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht. 2. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied.

Wel ligt het plangebied op circa 300 meter afstand van het Natura 2000-gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ (waar zich stikstofgevoelige habitattypen bevinden), zoals op onderstaande afbeelding weergegeven.

Globale ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groen en geel). (Bron: Aerius) 12

Gelet op de afstand van het plangebied tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied en gelet op de omvang van het plan kan op voorhand niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000-gebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect gebiedsbescherming. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het plangebied maakt geen deel

heen: Ecologische Hoofdstruc-

uit van het Natuurnetwerk Ne-

tuur)

derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 3).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Bodembeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

een bodembeschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

3. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het plangebied ligt niet binnen NNN (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied.

13

Globale ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (groen) en natuurverbindingen (paars) (Bron: Provincie Zuid-Holland)

De bescherming van het natuurnetwerk kent in de provincie Zuid-Holland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in het natuurnetwerk of de groene contour ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het natuurnetwerk hebben. De bescherming van het natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht. 4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

14

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de beoogde woningbouw. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van maximaal 65 wooneenheden betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: het plan kan voor wat betreft gebiedsbescherming leiden tot gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden.

Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.  verkeer: de nieuwe ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  water: de watergang aan de oostzijde van het plangebied blijft gehandhaafd. In de nieuwe situatie neemt bovendien het verhard oppervlak niet toe ten opzichte van het geldende bestemmingsplan en zijn er voldoende mogelijkheden voor compenserende waterberging. De nieuwe functies zijn verder niet van dien aard dat deze mogelijk gevolgen hebben voor de waterhuishouding of de kwaliteit van het oppervlakte- of grondwater.

De gevolgen op de waterhuishouding zijn dus op voorhand zeer beperkt tot niet bestaand.  externe veiligheid: de functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten.

15

 landschap en cultuurhistorie: het plangebied heeft geen specifieke landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk nabij cultuurhistorische waarden. Wel ligt het plangebied in Nationaal Landschap het Groene Hart. Zoals voorgaand beschreven maakt het plangebied reeds onderdeel uit van een bestaande woonkern en het plangebied en haar directe omgeving zijn reeds tot ontwikkeling gebracht, waardoor de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap reeds blijvend verstoord zijn. Hierdoor is een negatief milieueffect op de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap niet te verwachten.  bodem: onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: de functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder.  archeologie: het plangebied kent geen archeologische verwachtingswaarde, waardoor geen sprake is van negatieve effecten voor archeologische waarden. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Nieuwkoop (provincie Zuid-Holland), nabij het centrum. Het oude schoolgebouw bestaat uit verschillende blokken met bakstenen gevels, houten kozijnen en platte daken. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich verder voornamelijk door de aanwezigheid van maatschappelijke functies en woonhuizen.

4.2.2

Effecten ontwikkeling 2

Tauw BV heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aanwezig zijn in het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Soortenbescherming Voor de voorgenomen ingreep dient rekening te worden gehouden met de onderdelen soort- en gebiedsbescherming van de Wnb. Ten aanzien van beschermde soorten dient rekening te worden gehouden met vleermuizen. Het gebouw biedt ook nestgelegenheden voor vogelsoorten waarvan het nest alleen gedurende het broedseizoen beschermd is.

2

Tauw BV (2019). Wet natuurbescherming onderdeel soortbescherming. Lindelaan 2 Nieuwkoop. Projectnummer: 1273108. 25 november 2019. 16

Als er tijdens het broedseizoen van de vogel, gewerkt wordt, is een (periodieke) controle op nesten van broedvogels voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Als een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Nader soortgericht onderzoek (vleermuizen) Gelet op de aanbevelingen uit het vooronderzoek is door Tauw BV een nader 3 soortgericht onderzoek vleermuizen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het schoolgebouw binnen het plangebied een mogelijke verblijfplaats van ruige dwergvleermuis aanwezig is. Met het afbreken van de school wordt deze verblijfplaats vernietigd, hiervoor is een ontheffing van de Wnb nodig. Effecten op essentiële foerageergebieden/ vliegroutes worden voorkomen door het nemen van maatregelen. Voor foerageergebieden of vliegroutes is daarom geen ontheffing nodig. Door Tauw BV is een activiteitenplan opgesteld ten behoeve van de ontheffing Wnb. Deze ontheffing is op 27-08-2021 verleend. De voorzorgsmaatregelen voor vleermuizen zijn al gerealiseerd. De tijdelijke vleermuizenkasten zijn eind maart/april 2021 geplaatst.

Gebiedsbescherming Ten aanzien van beschermde gebieden dient rekening te worden gehouden met externe werking van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van fysiek ruimtebeslag of verstoring door licht, geluid en trillingen op beschermde Natura 2000-gebieden. 4

Tauw BV heeft de stikstofdepositie van dit plan onderzocht. Bij het onderzoek zijn emissies van stikstof betrokken in de beoogde situatie en in de referentiesituatie. Er wordt gebruikgemaakt van intern salderen. Een verschilberekening tussen de referentiesituatie en beoogde situatie geeft aan dat er geen netto toename is van stikstofdepositie. Dat wil zeggen dat de stikstofemissie tijdens de beoogde situatie lager is dan in de referentiesituatie (het Ashram college). Daarmee staat het aspect stikstofdepositie niet in de weg aan vaststelling van het bestemmingsplan. Het voorliggende plan is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Toetsing aan het NNN is niet aan de orde, van externe werking is geen sprake. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Dat geldt niet voor de bomen in het plangebied. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden als bedoelt onder de Wnb is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie natuur In het schoolgebouw binnen het plangebied is een mogelijke verblijfplaats van ruige dwergvleermuis aanwezig. Deze verblijfplaats wordt vernietigd, hiervoor is een ontheffing van de Wnb verleend. Er zijn voorzorgsmaatregelen getroffen voor een tijdelijk onderkomen voor de vleermuizen 3

Tauw BV (2020). Nader soortgericht onderzoek vleermuizen. Lindelaan 2 Nieuwkoop. Projectnummer: 1273108. 22 oktober 2020.

4

Tauw BV (2021). Stikstofdepositie-onderzoek. Lindelaan 2 Nieuwkoop. Projectnummer: N002-1274767JWO-V01. 21 september 2021. 17

Hiernaast kan er van worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht. Het voorliggende plan heeft verder geen significant negatief effect op nabij gelegen natuurgebieden. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie In de huidige planologische situatie bevindt zich in het plangebied een middelbare school. Er is hierdoor reeds sprake van een verkeersaantrekkende werking van en naar het plangebied.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Om de verkeersgeneratie van het plan inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het 5 CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied in de kern van Nieuwkoop ligt (nabij de detailhandel op het Kennedyplein), wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘centrum’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Nieuwkoop wordt conform CBSgegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘niet stedelijk gebied’. Voor de ontwikkeling van de 65 appartementen volgt uit de kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Koop, appartement, goedkoop (30)

Huur, appartement, midden/goed-koop (35)

Totaal (65)

Minimaal

4,8 x 30 = 144,0

3,7 x 35 = 129,5

273,5

Maximaal

5,6 x 30 = 168,0

4,5 x 35 = 157,5

325,5

Gemiddeld gezien zullen bij de realisatie van het plan maximaal circa 326 verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. De verwachting is dat dit verkeer afgewikkeld kan worden op de Lindelaan, de Achterweg en verder. Negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid zijn daarmee niet te verwachten.

5

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 18

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, waar verwacht kan worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een enig geluidsniveau als gevolg van omliggende wegen.

4.4.2

Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal het plangebied ingericht zijn met een toevoeging van woningen. De verkeersafwikkeling van het plangebied zal voor het merendeel plaatsvinden via de Achterweg. Hier bevinden zich reeds bestaande woningen. Bij deze bestaande woningen zal de geluidsbelasting dus kunnen toenemen als gevolg van de 6 realisatie van het plan. Op basis van het akoestisch onderzoek is op de Achterweg sprake van een etmaalintensiteit van circa 3.316 motorvoertuigen per etmaal voor het maatgevende jaar 2030. Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking van onderhavige ontwikkeling geschat op maximaal 326 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Bij dit plan is evenwel te verwachten dat de verkeerstoename lager zal zijn dan 40%. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst circa 10% voor de Achterweg (huidige intensiteit: 3.316 mvt/etmaal). Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename, rekening houdend met de toekomstige verkeersstructuur.

Daarnaast geldt dat het plangebied recentelijk was ingevuld met een functie met een verkeersaantrekkende werking (een middelbare school). Ten gevolge van de bestaande ommliggende 30 kilometer per uur wegen (waaronder de Lindelaan) mag verondersteld worden dat, gelet op het relatief lage aantal verkeersbewegingen, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor een goed woon- en leefklimaat kan blijven worden gewaarborgd na realisatie van onderhavig plan. Gezien voorgaande is geen sprake van een negatief milieueffect op het gebied van geluid.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De onderstaande tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden 6

SAB (2021). Memo akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Bestemmingsplannen ‘Lindelaan Nieuwkoop’. Projectnummer: 200341. 22 februari 2021. 19

voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Zeer fijnstof (PM2,5)

Achtergrondconcentratie (2019) 3 12-14 µg/m 3 17-18 µg/m 3 8-10 µg/m

Grenswaarde 3 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m

Stikstofdioxide en fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).

Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en (zeer) fijnstof in de huidige situatie ruim beneden de gestelde grenswaarden. 4.5.2

Effecten ontwikkeling Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 65 wooneenheden. Gezien deze omvang is het project ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), zoals ook onderstaand weergegeven.

Berekening NIBM-tool, op basis van 326 extra voertuigbewegingen, waarvan 1,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu).

Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig project onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

20

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de beoogde realisatie van maximaal 65 woningen aan de Lindelaan te Nieuwkoop belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

Lucht

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat negatieve effecten op het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat op zijn hoogst sprake is van een beperkt negatief milieueffect dat niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu kan worden gekwalificeerd. In het schoolgebouw binnen het plangebied is een mogelijke verblijfplaats van ruige dwergvleermuis aanwezig. Deze verblijfplaats wordt vernietigd, hiervoor is een ontheffing van de Wnb verleend. Er zijn voorzorgsmaatregelen getroffen voor een tijdelijk onderkomen voor de vleermuizen. Hiermee zal geen sprake zijn van een negatief (milieu-)effect. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. Recentelijk was een middelbare school in het plangebied gesitueerd, waarmee reeds sprake was van verkeer van en naar het plangebied. Verondersteld wordt dat de (effectieve) verkeerstoename niet voor een belemmering zal zorgen op de aspecten doorstroming en veiligheid. Hiermee zal geen sprake zijn van een negatief (milieu-)effect. Als gevolg van de nieuwe ontwikeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen.

De verkeersafwikkeling van het plangebied zal voor het merendeel plaatsvinden via de Achterweg. De toename van het verkeer op de Achterweg is minder dan 40% (licht verkeer) ten opzichte van de huidige verkeersintensiteiten. Hiermee zal geen sprake zijn van een merkbare toename van geluidshinder en is dus geen sprake van een negatief milieueffect. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Ook in de toekomstige situatie, na realisatie, blijven de 21

achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen (stikstofdioxide en fijnstof) beneden de wettelijke grenswaarden. De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

22

Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken  Quick scan natuur  Onderzoek stikstofdepositie  Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bronnen  Risicokaart www.risicokaart.nl  Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken  Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/  Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/  CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/  Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken  Interactieve kaarten provincie Zuid-Holland https://www.zuidholland.nl/overons/feiten-cijfers/interactieve/  AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/  Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=cf4a8034-26bb-4489-8c75-756d7e43ccb6