CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

07.F-Ruimtelijke onderbouwing ingediend d.d. 27-12-2023 opgesteld d.d. 19-12-2023

Besluitvormende raadsvergadering 3 april 2025, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Verlenen verklaring van geen bedenkingen voor afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen van 10 woningen (eerste fase) op het perceel achter Vrouwenakker 13-17 in Vrouwenakker (2025-027)12.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Wanneer dit gebeurt, vormt dit aspect verder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De rapportage van het uitgevoerde bodemonderzoek is als bijlage 4 bijgevoegd. 5.4 Geluid Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning als het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Vrouwenakker (N231). Gelet hierop is er door Aveco de Bondt akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeerslawaai.

Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen: • De geluidbelasting vanwege de Ruigekade, Nieuwveens Jaagpad en Amsteldijk Zuid is niet hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB; • De geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen vanwege de Vrouwenakker N231 is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB maar nergens hoger dan de maximale grenswaarde van 63 dB; • Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt ter plaatse van het plangebied na verlening van de benodigde hogere waarden voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. De rapportage van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd.

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

5.5 Ecologie Op 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming en gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen die een hoge wettelijke bescherming kennen. Hiervoor zijn Natura 2000 en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangewezen. Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Onderzoek/ beoordeling Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim 7 km afstand. Het betreft 'Nieuwkoopse Plassen & De Heack. Gelet op de afstand kan zondermeer gesteld worden dat van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden derhalve geen sprake is. Gelet op de ligging van het plangebied en de geringe impact van de voorgenomen ontwikkeling, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid/trillingen op voorhand worden uitgesloten. Lichtuitstraling en geluid/trillingen worden afgeschermd door tussenliggende bebouwing. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid/trillingen of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. De voorgenomen plannen leiden – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden.

Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De stikstofdepositie als gevolg van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase en de bouwwerkzaamheden in de realisatiefase is in beeld gebracht middels de AERIUS-calculator (zie bijlage 5). Aangezien de bouwmethodiek nog niet bekend is, is ervoor gekozen – mede gelet op de aanzienlijke afstand tot een Natura 2000-gebied- om te onderzoeken welke emissie zondermeer niet leidt tot een depositie >0,00 mol/ha/jaar. Uit deze berekening is gebleken dat er ter plaatse van het plangebied per jaar ten minste 200 kg NOx i.c.m. 25 kg NH3 geëmitteerd kan worden zonder dat er sprake is van enige depositie op een Natura 2000-gebied. Op voorhand kan

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

geconcludeerd worden dat de realisatie van 10 woningen slechts een fractie van deze emissie zal veroorzaken en dus niet zal leiden tot een depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het resultaat van de uitgevoerde berekening is als bijlage 5 bijgevoegd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Direct ten zuiden van het plangebied is een ecologische verbindingszone gelegen die onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN kent op grond van de provinciale omgevingsverordening geen externe werking. Ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de NNN zijn gelegen, vormen derhalve geen belemmering. Soortenbescherming Om de mogelijke effecten op beschermde soorten flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen, is een Quickscan Wet natuurbescherming (bijlage 3) uitgevoerd. Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd: •

het plangebied en de directe omgeving daarvan heeft potentie als leef- en verblijfgebied van vleermuizen, verschillende amfibieën, roofvogels en uilen.

Op basis van het uitgevoerde verkennende onderzoek kan niet uitgesloten worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op deze soorten. Nader onderzoek zal uitsluitsel moeten geven over de aan- of afwezigheid van de genoemde soorten. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat een of enkele van de beschermde soorten aanwezig zijn en negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden, dan niet een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming verkregen te worden. Aangezien eventueel benodigde mitigerende maatregelen te treffen zijn, is het op voorhand aannemelijk dat een dergelijke ontheffing verkregen zal worden. Dit staat de uitvoerbaarheid van onderhavige ontwikkeling dan ook niet in de weg. 5.6 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld.

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: A. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; B. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; C. een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); D. een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Conclusie Aangezien de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft op slechts 10 woningen kan zondermeer gesteld worden dat het plan 'in niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Verder onderzoek naar de luchtkwaliteit is dan ook niet benodigd. 5.7 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' In de publicatie bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, versie 2009) is het principe van functiescheiding verder uitgewerkt. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. De VNG-publicatie hanteert verschillende omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied.

Onderzoek/ beoordeling In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijfsmatige functies aanwezig: • Vrouwenakker 13: timmerbedrijf; • Vrouwenakker 25: autospuiterij; • Ruige Kade 4d: glastuinbouwbedrijf. Vrouwenakker 13: timmerbedrijf Het aanwezige timmerbedrijf is op grond van het vigerende bestemmingsplan en de VNG-publicatie aan te merken als een categorie 2 inrichting met een richtafstand tot woningen van 10-30 meter. Over het algemeen wordt aangenomen dat bedrijven met een categorie 2 goed verenigbaar zijn binnen een woonomgeving. De woningen binnen het plangebied komen op ten minste 10 meter van de bedrijfsbebouwing te liggen en zijn op minimaal vergelijkbare afstand tot het bedrijf gelegen als bestaande woningen in de directe nabijheid. Gelet hierop kan gesteld worden dat de beoogde woningen geen extra belemmering zullen vormen ten aanzien van de bedrijfsvoering van het timmerbedrijf, en dat tevens ter plaatse van het plangebied voldaan zal worden aan de geldende normen in het kader van een goed woon- en leefklimaat.

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Vrouwenakker 25: autospuiterij Ter plaatse van het perceel Vrouwenakker 25 is een autospuiterij aanwezig. Op grond van de VNG-publicatie en het vigerende bestemmingsplan kent een dergelijke inrichting een 3.1 categorie met een richtafstand tot woningen van 30-50 meter. De woningen binnen het plangebied komen op meer dan 30 meter tot de bedrijfsbebouwing van de spuiterij te liggen. Aangezien er reeds verschillende bestaande woningen dichterbij dit bedrijf zijn gelegen, kan zondermeer gesteld worden dat de beoogde woningen geen extra belemmering zullen vormen ten aanzien van de bedrijfsvoering van de autospuiterij, en dat tevens ter plaatse van het plangebied voldaan zal worden aan de geldende normen in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Ruige Kade 4d: glastuinbouwbedrijf Een glastuinbouwbedrijf kent een milieucategorie 2 waarbij een richtafstand tot woningen geldt van 10-30 meter. De gemeente Nieuwkoop heeft op grond van het vigerende bestemmingsplan onderzoek uitgevoerd naar de onderliggende effecten en mogelijke hinder tussen woning en glastuinbouw. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat enkel in situaties waar de afstand tussen een woning en de glastuinbouw kleiner dan 15 meter bedraagt, mogelijk sprake is van (geluid)hinder.

Ter plaats van onderhavig plangebied bedraagt de afstand tussen de toekomstige woningen en de ten oosten gelegen glastuinbouw minimaal 24 meter. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanwege de ligging van het plangebied geen onderlinge belemmeringen voor de uitvoerbaarheid zullen optreden. 5.8 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG- tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Onderzoek/ beoordeling Op basis van de Signaleringskaart EV blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen potentiële risicobronnen aanwezig zijn. Toetsing aan plaatsgebonden of groepsrisicocontouren is dan ook niet aan de orde. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.9

Archeologie en Cultuurhistorie

Wettelijk kader - Rijk en provincie In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid.

Archeologiebeleid gemeente Nieuwkoop Het archeologisch beleid van Gemeente Nieuwkoop sluit aan op de Provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS). Ten behoeve hiervan heeft de gemeenteraad de "Erfgoedverordening 2010" vastgesteld. De waardering is opgebouwd uit archeologische, historisch landschappelijke en historisch

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

(steden)bouwkundige elementen en structuur. Wat betreft de archeologische verwachtingswaarden is onderscheid gemaakt in een viertal gebieden, te weten: • • • •

Gebieden met een zeer grote kans op archeologische sporen (stads- of dorpskern); Gebieden met een zeer grote kans op archeologische sporen; Gebieden met een redelijke tot grote kans op archeologische sporen; Gebieden met een kleine kans op archeologische sporen.

Naast gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, wordt er in de CHS tevens onderscheid gemaakt in archeologische monumenten van hoge waarde, zeer hoge waarde en beschermde monumenten. Deze laatste drie komen niet voor in de gemeente Nieuwkoop. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de verschillende te onderscheiden gebieden met archeologische waarden of verwachtingswaarden is echter wel een diepte- en oppervlakte ondergrens voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek gekoppeld. In het bestemmingsplan geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Onderzoek is nodig bij grondbewerkingen dieper dan 50 cm en waarvan te totale oppervlakte groter is dan 10.000 m². In dit deelgebied is een lage trefkans op archeologische sporen is, zodat onderzoek naar archeologie achterwege kan worden gelaten. Conclusie Het plangebied ligt in een niet-gezoneerd gebied wat betekent dat er geen archeologische verwachting is aangewezen. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Er worden dan ook geen voorwaarden gesteld met betrekking tot archeologie aan de aan te vragen omgevingsvergunningen.

Wel geldt altijd het volgende: Melding toevalsvondst In geval bij de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. Voor het melden van vondsten kan gebruik worden gemaakt van het E-formulier Vondstmelding dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft ontwikkeld of kan contact opgenomen worden met de InfoDesk van de RCE (info@cultureelerfgoed.nl of 033-4217456) of het ARCHIS meldpunt.

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Zienswijzen De omgevingsvergunning wordt voorbereid met afdeling 3.4, de uitgebreide voorbereidingsprocedure, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ontwerpbesluit Het ontwerpbesluit zal gedurende zes weken ter inzage gelegd worden. Tijdens deze periode is er mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen. 6.2

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken worden vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Bijlage 1 Stedenbouwkundige studie

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Bijlage 2 Akoestisch onderzoek

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Bijlage 3 Verkennend natuuronderzoek

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

Bijlage 5 AERIUS-berekening

datum referentie

19 december 2023 231302_AdB_RAP_0001_v1.0_RO

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=2fc9d95b-ee91-4cc9-a82e-35479eddb24a