CConstaterende datnieuwkoop
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Bijlagen omgevingsvergunning gebundeld

Meningsvormende raad I 9 februari 2023, gemeente nieuwkoopBij agendapunt: Raadsvoorstel Aanvraag verklaring van geen bedenkingen voor de herbouw van de woning Geerweg 16 te Ter Aar (Kern Langeraar)21.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Zuid-Holland...........................................................................................................................................31 7.3 Beschermde houtopstanden........................................................................................................................................................................32 7.4 Beschermde soorten..........................................................................................................................................................................................32

7.4.1 Soorten Vogelrichtlijn.................................................................................................................................................................32 7.4.2 Soorten Habitatrichtlijn.............................................................................................................................................................32 7.4.3 Nationaal beschermde soorten...........................................................................................................................................33 7.5 Invasieve exoten.....................................................................................................................................................................................33 7.6 Samenvatting benodigd onderzoek.........................................................................................................................................34 7.7 Aanbevelingen........................................................................................................................................................................................34 8 Geraadpleegde bronnen..........................................................................................................................................................................35 8.1

Literatuur.....................................................................................................................................................................................................35 8.2 Internet.........................................................................................................................................................................................................35 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied.....................................................................................................................................................37

5

1 Inleiding

1.1 Aanleiding In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Geerweg 16, Ter Aar. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen sloop en nieuwbouw binnen het plangebied (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2 Doel Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: •

Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

•

Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

•

Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

•

Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur). In het kader van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

6

1.3 Onderzoeksmethodiek De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. •

Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 16-03-2021 door M. de Vries, ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een zaklamp– onderzocht.

•

Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Afbeelding 1). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken.

•

Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd aan actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

1

7

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/ruimtelijkeingrepen/ontheffing-vrijstelling/ecologisch-deskundige

Afbeelding 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.

1.4 Leeswijzer In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samen gevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk nader onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.

8

2 Toelichting onderzoekskader

2.1 Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelt tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.

2.1.1 Bescherming van gebieden De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000-gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag het oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.

2.1.2 Bescherming van soorten De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen 2. 2

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

9

B e s c he r m i ngs r e gi m e s oor t e n V oge lr i c ht li jn § 3 . 1 W nb Ar t 3.1 lid 1 Het is ver boden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Ar t 3.1 lid 2 Het is ver boden opzettelijk nes ten, r us tplaats en en eier en van vogels te ver nielen of te bes chadigen, of nes ten van vogels weg te nemen.

B e s c he r m i ngs r e gi m e B e s c he r m i ngs r e gi m e s oor t e n H a bi t a t r i c ht l i j n § N a t i ona a l be s c he r m de 3 . 2 W nb s oor t e n ( a nde r e s oor t e n) § 3 . 3 W nb Ar t 3.5 lid 1 Ar t 3.10 lid 1a Het is ver boden s oor ten in hun Het is ver boden soor ten natuur lijk e ver s pr eidings gebied opzettelijk te doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen.

Ar t 3.5 lid 4 Het is ver boden de voor tplantings plaats en of r us tplaats en van dier en te bes chadigen of te ver nielen.

Ar t 3.10 lid 1b Het is ver boden de vas te voor tplantingsplaats en of r ustplaats en van dier en opzettelijk te beschadigen of te ver nielen.

Ar t 3.1 lid 3 Ar t 3.5 lid 3 Niet van toepass ing Het is ver boden eier en te r apen Het is ver boden eier en van en deze onder zich te hebben. dier en in de natuur opzettelijk te ver nielen of te r apen.

Ar t 3.1 lid 4 en lid 5 Het is ver boden vogels opzettelijk te s tor en, tenzij de s tor ing niet van wezenlijk e invloed is op de s taat van ins tandhouding van de des betr effende vogels oor t.

Ar t 3.5 lid 2 Het is ver boden dier en opzettelijk te ver s tor en.

Niet van toepass ing

Niet van toepas s ing

Ar t 3.5 lid 5 Het is ver boden plantens oor ten in hun natuur lijk e ver s pr eidings gebied opzettelijk te pluk k en en te ver zamelen, af te s nijden, te ontwor telen of te ver nielen.

Ar t 3.10 lid 1c Het is ver boden plantens oor ten in hun natuur lijk e ver s pr eidingsgebied opzettelijk te pluk k en en te ver zamelen, af te s nijden, te ontwor telen of te ver nielen.

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3 Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: 10

• houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, • houtopstanden op erven of in tuinen, • fruitbomen en windschermen om boomgaarden, • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar, • kweekgoed, • uit populieren of wilgen bestaande: • wegbeplantingen, • beplantingen langs waterwegen, en • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, • het dunnen van een houtopstand, • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: • ten minste eens per tien jaar worden geoogst, • bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoud dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Zuid- Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Zuid- Holland 11

betreft dit Belangrijk weidevogelgebieden en de Strategische Reservering Natuur. In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader.

12

3 Omschrijving plangebied

3.1 Algemeen Het plangebied voor deze quickscan omvat een woonhuis met een schuurtje gelegen aan de Geerweg 16, Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, provincie Zuid-Holland (zie Afbeelding 2).

Afbeelding 2: Ligging plangebied en het onderzochte gebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)

3.2 Beschrijving •

Het plangebied bestaat uit een woonhuis met een naastgelegen schuurtje grenzend aan de Langeraarse plassen ten noorden van de bebouwde kom van Ter Aar.

13

Afbeelding 3: Geerweg 16, gezien vanuit het westen. Foto: M. de Vries | Ecoresult B.V. Woonhuis •

De woning in het plangebied stamt uit bouwjaar 19603.

•

Het woonhuis heeft twee etages.

•

De bebouwing in het plangebied is opgetrokken uit baksteen. Openingen in de buitenschil zijn aanwezig in de vorm van enkele ventilatievoegen ten hoogte van het maaiveld.

•

De ramen en deuren in het woonhuis zijn dichtgetimmerd en er zijn geen kieren aanwezig tussen de kozijnen, lekdorpels en buitenmuur.

•

Aan de dakranden bevinden zich zinken dakgoten. Deze hangen boven de gevels.

•

Vanuit deze dakgoten wordt regenwater via kunststof pijpen naar beneden afgevoerd.

•

De daken zijn afgewerkt met dakpannen, op de kopgevels zijn dakoverstekken aanwezig met overstekende kantpannen welke nauw aansluiten op het dakbeschot.

•

Eventuele achterliggende ruimtes onder het dakvlak zijn mogelijk toegankelijk via openingen onder de eerste rij dakpannen en de dakgoot.

•

Op het zuidelijk dakvlak is een dakkapel aanwezig welke is afgewerkt met daklood welke goed aansluit.

•

Op de westgevel is een vogelnestkast aanwezig.

Schuurtje •

Het schuurtje in het plangebied is opgetrokken uit houten planken en balken. Betimmering is alleen aanwezig op de oost en westgevel.

3

14

https://bagviewer.kadaster.nl/

•

Het dak bestaat uit golfplaten zonder tussenliggende ruimtes.

•

Het schuurtje doet dienst als opslag voor een bootje en tuinmeubilair.

Gehele plangebied •

Het woonhuis en schuurtje worden omsloten door gazon van Engels raaigras en diverse kruiden zoals kleine veldkers, kleefkruid, speenkruid, klein hoefblad en boerenkrokus.

•

Tuinbeplanting is zeer spaarzaam aanwezig binnen het plangebied in de vorm van drie kleine boompjes.

•

Van het woonhuis naar het schuurtje is tegelbestrating aanwezig en andere vormen van (half-) verharding.

•

Open water (watergangen, poelen etc.) en vochtige tot natte terreinen (natuurvriendelijke oevers etc.) zijn in het plangebied afwezig. Wel grenst het plangebied in het zuiden aan de Langeraarse plassen. De oever bestaat uit houten beschoeiing met enkele houten steigers.

•

De ondergrond bestaat uit zand.

•

Straatverlichting is aanwezig in en rondom het plangebied door middel van lantaarnpalen. Verder bestaat verlichting uit armaturen aan de gevels van het woonhuis.

Zie Afbeelding 3 en Bijlage 1 voor een algehele foto-impressie van het plangebied.

3.3 Geplande ingrepen 3.3.1 Omschrijving werkzaamheden Het woonhuis en het schuurtjes zullen worden gesloopt en op deze locatie zal nieuwbouw komen van een woning. Voor de effectenbeoordeling in voorliggende rapportage wordt derhalve uit gegaan van het volgende scenario. Dit houdt in ieder geval in: •

Alle opstallen binnen het plangebied worden gesloopt.

•

De verharding binnen het plangebied zal (deels) worden verwijderd.

•

Verwijderen van laag groen.

•

Het bouwrijp maken van het plangebied.

•

Nieuwbouw van een woning.

15

3.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Een gedetailleerde planning en doorlooptijd van de werkzaamheden is nog niet bekend. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit voorliggende rapportage.

3.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze De exacte invulling is nog niet bekend. Voor voorliggende rapportage wordt uitgegaan van de volgende werkwijze. De huidige opstallen zullen worden gesloopt. Omliggend terrein binnen het plangebied zal worden opgeschoond. Dit betekend dat looppaden, klein groen worden verwijderd. Gedurende de sloopwerkzaamheden wordt rondom en binnen het plangebied gebruik gemaakt van sloopmateriaal en er zal een bouwterrein worden ingericht met een keet en opslag van materiaal.

3.3.4 (ontwerp-)tekening

Afbeelding 4: Ontwerptekening van de te realiseren woning aan de Geerweg 16. Bron: Opdrachtgever.

16

4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1 Wet natuurbescherming 4.1.1 Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Nieuwkoopse plassen & De Haeck op ca. 6,2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (zie Afbeelding 5), en heeft verschillende stikstofgevoelige habitats. De werkzaamheden binnen het plangebied behelzen de sloop en nieuwbouw van een woning. Bij de bouw van één enkele woning is de effectafstand 0,6 km4 (als ontwikkeling plaatsvindt op een afstand groter dan 600 meter tot een Natura 2000-gebied, is de stikstofdepositie kleiner dan 0,00 mol/ha/jaar). Negatieve effecten in het kader van geluid, trilling en stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen op basis van de afstand tot het Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek (in de vorm van onder andere een AERIUS berekening) is niet noodzakelijk.

4

Cardinaals et al, 2019.

17

Afbeelding 5: Plangebied (zwarte speld) en de nabijgelegen Natura 2000 gebieden (geel) en stikstofgevoelige habitats (paars). Bron: AERIUS 2020

4.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 4.2.1 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie Afbeelding 6. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de oeverzone langs de Geerpolderplas. Dit gebied ligt op ca. 104 meter ten noordwesten van het plangebied5. De dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone betreft een watergang welke de Geerpolder verbindt met de Langeraarsche Plassen op ca. 75 meter ten oosten van het plangebied (zie Afbeelding 6). Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt niet overtreden.

5

18

https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html? id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199&extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1 124%2C28992

Afbeelding 6: Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Bron: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html? id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199&extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813 %2C477053.1124%2C28992

4.2.2 Belangrijk weidevogelgebied Het plangebied is niet gelegen in een Belangrijk weidevogelgebied6. De Polder Vierambacht ten zuiden van de Langeraarsche Plassen, op een afstand van ca. 2,3 kilometer ten zuidwesten van het plangebied, zijn bestemd als Belangrijk weidevogelgebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.

4.2.3 Strategische reservering natuur Dichtstbijzijnde gebieden die aangewezen zijn voor Strategische reservering natuur betreft Het Lange Land nabij Benthuizen, op een afstand van circa 15,7 kilometer ten zuidwesten van het plangebied7. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening ZuidHolland wordt niet overtreden.

6 7

Vanwege de grote afstand niet op Afbeelding 6 weergegeven. Vanwege de grote afstand niet op Afbeelding 6 weergegeven.

19

5 Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van Ter Aar (zie Afbeelding 7). Echter zijn er geen bomen aanwezig binnen het plangebied. Derhalve is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Afbeelding 7: Het plangebied gelegen buiten de bebouwde kom van Ter Aar.

20

6 Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1 Soorten Vogelrichtlijn 6.1.1 Bronnenonderzoek 6.1.1.1 Soort Buizerd Gierzwaluw Havik Huismus Kerkuil Ransuil Sperwer

Nationale Databank Flora en Fauna Beschermingsregime Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest

Tabel 2: Waargenomen vogels met jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 15-03-2021

6.1.2 Verkennend veldonderzoek 6.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor huismus zijn er mogelijkheden om vaste rust en verblijfplaatsen te herbergen. Huismus kan tot broeden komen onder het pannen dak. Tijdens het veldbezoek werden aan de overkant van de Geerweg huismussen waargenomen. Voor gierzwaluw herbergt het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen. De bebouwing is daarvoor te laag en de overstekende kantpannen sluiten te nauw aan op het dakbeschot. Functioneel leefgebied voor huismus is niet aanwezig binnen en grenzend aan het plangebied. Er is geen dekking in de vorm van groenstroken of tuinen aanwezig binnen het plangebied. 21

Voor kerkuil of andere uilensoorten herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen (geen kerkuilnestkasten aanwezig). Tevens zijn er geen grote invliegopeningen aanwezig in het de buitenschil waar kerkuil gebruik van kan maken. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen grote bomen, of bosschages aanwezig. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen uitgesloten worden. Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, buizerd, havik en sperwer worden uitgesloten.

6.1.2.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten, zoals de spreeuw en eventueel koolmees en pimpelmees. Er zijn geschikte invliegmogelijkheden onder de daken, maar ook de nestkast aan de gevel is voor deze soorten geschikt (zogenaamde Categorie 5-soorten). De directe omgeving van het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten.

6.1.2.3

Algemene broedvogels

Het plangebied en directe omgeving is geschikt als voortplantingsplaats voor andere algemene broedvogels, te weten kauw. Nestindicatief gedrag van kauw is waargenomen op de schoorstenen binnen en grenzend aan het plangebed.

6.1.3 Effectbeoordeling en toetsing 6.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten

Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het plangebied aanwezig. Huismus kan in de daken tot broeden komen. Door de voorgenomen sloop, bouwrijp maken en herontwikkeling van het plangebied kunnen permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus. Verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Nader veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of: •

Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei (2 veldonderzoeken) of 4 bezoeken tussen 20 maart en 20 juni. De tussenliggende tijd tussen de

22

veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen8 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. •

Het plangebied is voor overige soorten met jaarrond beschermde nesten ongeschikt.

Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: •

Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).

•

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

6.1.3.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. •

Schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is

8

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf

23

voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

6.1.3.3

Algemene vogels

Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.

6.2 Soorten Habitatrichtlijn 6.2.1 Bronnenonderzoek 6.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Noordse woelmuis Ruige dwergvleermuis

Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren

Soort Watervleermuis Rugstreeppad Platte schijfhoren Noordzeehouting

Soortgroep Zoogdieren Amfibieën Weekdieren Vissen

Tabel 3: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 15-03-2021.

6.2.2 Verkennend veldonderzoek 6.2.2.1

Vleermuizen

De bebouwing binnen het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De bebouwing in het plangebied bevat meerdere gaten en kieren zoals openingen onder kantpannen en het dakbeschot welke mogelijk toegang geven naar ruimtes onder het dak waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Het plangebied kan voor deze 24

soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen (zie Tabel 4). Het laatste verblijftype (winterblijfplaats) geldt voor enkele solitaire dieren. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het plangebied uitgesloten door beperkte omvang, geringe hoogte en laag

Essentiele Vliegroute

Essentieel Foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Soort

Zomerverblijfplaats

temperatuurregulerend vermogen van de bebouwing.

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis

Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende functies. Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit foerageergebied voor vleermuizen. De oevers van de plas kunnen het leefgebied zijn voor vleermuizen. Op basis van opgevraagde waarnemingen van de Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland 9 blijkt dat meervleermuis en watervleermuis veelvuldig gebruik maken van de oevers van de Langeraarsche plassen als foerageergebied en leefgebied. Eventuele verlichting tijdens de werkzaamheden kunnen verstorend werken op tenminste watervleermuis en meervleermuis.

6.2.2.2

Rugstreeppad

Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen (van de rugstreeppad. Binnen of aangrenzend aan het plangebied is niet genoeg dekking en structuur voor potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen voor rugstreeppad. Er ontbreken ondiepe poeltjes of slootjes waar ze kunnen verblijven en voortplanten. Voor eventuele overwinterende rugstreeppad is het plangebied ook ongeschikt. Het plangebied is laag gelegen en niet geschikt als eventueel droog en vorstvrij overwinteringsgebied. Tevens zijn er geen goede overwinteringsplekken aanwezig door het ontbreken van dekking en structuur binnen het plangebied zoals steenhopen. Aanwezigheid van rugstreeppad tijdens de werkzaamheden is niet uitgesloten. De dichtstbijzijnde populatie rugstreeppad is bekend van een natuurontwikkelingsgebied op een afstand van ca. 350 meter te noorden van het plangebied. Indien door het bouwrijp maken een zandig terrein ontstaat kan 9

https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdierenwerkgroep-zuid-holland

25

het gebied geschikt worden voor overwintering van rugstreeppad. Daarnaast kunnen tijdelijk ontstane (regen)plassen worden gebruikt als voortplantingswater.

6.2.2.3

Overige Habitatrichtlijn soorten

Open water, rivieren, poelen of natter terreinen zijn in het plangebied afwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van weekdieren, vissen en Noordse woelmuis worden uitgesloten. Voor platte schijfhoren is het plangebied niet geschikt vanwege het ontbreken van schone wateren met een rijke begroeiing. Wegens het ontbreken van stromende rivieren met kiezel of zandbodems kan Noordzeehouting worden uitgesloten. Noordse woelmuis wordt niet verwacht in het plangebied. Natte terreinen zoals rietland, moeras of zeer extensief gebruikte weilanden zijn niet aanwezig.

6.2.3 Effectbeoordeling en toetsing 6.2.3.1

Vleermuizen

Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger) is in de bebouwing binnen het plangebied niet uit te sluiten. De werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn onder de dakpannen, toegankelijk via de dakgoot en kantpannen. Nader onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 3 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 september middels 2 bezoeken om te bepalen of: •

Voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger aanwezig zijn binnen en grenzend aan het plangebied. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen10 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Per vleermuissoort en per functie functie kunnen andere gewenningsperioden gelden.

De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Een ontheffingsaanvraag wordt 10 Vleermuisprotocol 2021

26

op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: •

Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).

•

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

Tijdens de werkzaamheden kunnen ook negatieve effecten optreden op leefgebied en foerageergebied boven de Langeraarse plas van vleermuizen zoals watervleermuis en meervleermuis Deze effecten kunnen tot een minimum worden beperkt door zo min mogelijk te werken met bouwlampen. Mocht er toch moeten worden gewerkt met bouwverlichting dan dient deze ten alle

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari

tijden niet op het open water te zijn gerichten.

gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger meervleermuis zomerverblijfplaatsen zomer-/kraamverblijfplaatsen

Tabel 5: Onderzoeksperiode vleermuizen.

6.2.3.2

Rugstreeppad

Het plangebied kan door/tijdens de werkzaamheden geschikt worden voor rugstreeppad. Er kunnen losse zandige terreinen ontstaan, regenpoelen ontstaan of opslag van materialen als schuilplaats. Er kunnen maatregelen worden getroffen om vestiging van rugstreeppad tegen te gaan. Vestiging kan worden voorkomen door: •

Op het werkterrein wordt voorkomen dat er (tijdelijke) ondiepe waterpartijen en grond- en/of zanddepots ontstaan die als respectievelijk voortplantingshabitat of functioneel leefgebied van rugstreeppad zouden kunnen functioneren.

•

Het voorkomen van vorming van ondiepe plassen op het werkterrein in de periode april – mei.

•

Indien niet voorkomen kan worden dat grond- en/of zanddepots meer dan 4 weken blijven liggen in de periode september/oktober, dienen deze grond- en/of zanddepots direct na afwerking afgedekt te worden met landbouwplastic of aan de onderzijde een goed afsluitend 27

zeildoek, of, •

Het plaatsen van amfibiewerende schermen rondom het werkterrein of de zanddepots, indien aan bovenstaande punten niet voldaan kan worden. De schermen zijn 50 centimeter hoog en steken minimaal 10 centimeter in de grond. Deze schermen dienen regelmatig gecontroleerd te worden op scheuren of gaten.

•

Afhankelijk van het seizoen en de weersomstandigheden kan deze periode langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van rugstreeppad.

Voor overige Habitatrichtlijnsoorten is het plangebied redelijkerwijs ongeschikt.

6.3 Nationaal beschermde soorten 6.3.1 Bronnenonderzoek 6.3.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort

Soortgroep

Bosmuis Bunzing Dwergmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Rosse woelmuis Veldmuis

Provinciale Soort vrijstelling Overige zoogdieren ja Vos Overige zoogdieren ja Waterspitsmuis Overige zoogdieren ja Wezel Overige zoogdieren ja Bastaardkikker Overige zoogdieren ja Bruine kikker Overige zoogdieren ja Gewone pad Overige zoogdieren ja Kleine watersalamander Overige zoogdieren ja Meerkikker Overige zoogdieren ja Grote vos Overige zoogdieren ja Ruw parelzaad

Soortgroep

Provinciale vrijstelling Overige zoogdieren ja Overige zoogdieren nee Overige zoogdieren ja Amfibieën ja Amfibieën ja Amfibieën ja Amfibieën ja Amfibieën ja Dagvlinders nee Vaatplanten nee

Tabel 6: Waargenomen niet vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 15-03-2021.

6.3.2 Verkennend veldonderzoek 6.3.2.1

Vaatplanten

Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn geen oude (kalk-)muren – geschikt voor muurvegetatie – aanwezig in het plangebied. Door de ligging 28

van het plangebied in een urbane omgeving, met sterk gecultiveerde vegetatie zijn geschikte groeiplaatsen voor soorten als ruw parelzaad in het plangebied derhalve niet aanwezig.

6.3.2.2

Zoogdieren

Het plangebied en de directe omgeving zijn potentieel geschikt voor algemene soorten waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. verschillende soorten (spits-) muizen. Voor waterspitsmuis is het plangebied ongeschikt. Stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers is niet aanwezig binnen het plangebied.

6.3.2.3

Amfibieën

Het plangebied is enkel geschikt als terrestrisch habitat voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals gewone pad en bruine kikker. Overige beschermde amfibieën zijn uitgesloten op basis van het ontbreken van geschikt habitat en hun natuurlijke verspreidingsgebied.

6.3.2.4

Overige soorten

Beschermde reptielen en vissen worden zijn uitgesloten. Open water is in het plangebied niet aanwezig. Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos. Deze soort komt voor in de nabijheid van grote solitaire bomen welke ontbreken in het plangebied. Op basis van het ontbreken van geschikt habitat komt deze vlindersoort hier niet voor.

6.3.3 Effectbeoordeling en toetsing Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, gewone pad en bruine kikker. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoals gewone pad, bruine kikker en (spits-)muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Voor overige niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt.

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwkoop&id=bd03ee31-ab56-43fa-a72f-c168a0b31353