Politiebureau te Nieuwegein_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Voor zowel de maximale geluidsniveaus als de indirecte hinder geldt dat stap 2 uit de VNG-brochure wordt overschreden maar stap 3 niet wordt overschreden. Bij de appartementenblokken met de hoogste geluidsbelasting (1 en 2) is al aandacht besteed aan de geluidwering van de gevels in relatie tot wegverkeerslawaai als gevolg van de A2. De appartementenblokken beschikken over een geluidwerende vliesgevel bij de balkons. Volgens het gemeentelijk geluidbeleid kan de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer betiteld worden als ‘luid’ tot en met 'erg luid'. Dit houdt in dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer 60 tot 69 dB bedraagt. Omdat bij geluidwering van gevels het spectrum van wegverkeer meer belastend is dan het spectrum voor buitengeluid, wordt gesteld dat de gerealiseerde gevelmaatregelen op blok 1 en 2 voldoende geluidwering bieden voor het politiebureau. Voor de indirecte hinder kunnen geen maatregelen getroffen worden. Het treffen van bronmaatregelen met betrekking tot de sirenes is niet mogelijk. Het bronvermogen van sirenes is in de Regeling optische en geluidssignalen gelimiteerd tot 125 dB(A). Het beperken van het bronvermogen brengt de verkeersveiligheid in gevaar.
Tevens wordt gesteld dat de geluidsbelasting ten gevolge van indirecte hinder gezien de categorisering ten gevolge van wegverkeer het woon- en leefklimaat in de appartementen niet nadelig zal beïnvloeden. Wegverkeerlawaai is hier maatgevend voor de geluidsbelasting. Wegverkeerlawaai is reeds maatgevend voor de geluidsbelasting op de appartementenblokken. Derhalve zal de komst van het politiebureau het woon- en leefklimaat niet nadelig beïnvloeden. Geadviseerd wordt om gemotiveerd geluidsbelastingen tot stap 3 te vergunnen. Conclusie De Wet geluidhinder en het Bouwbesluit 2012 verzetten zich niet tegen de komst van het politiebureau. Ook is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefmilieu zoals blijkt uit het verrichtte onderzoek. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar te achten.
31
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
4.8
Kabels en leidingen
Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt. Of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in het bestemmingsplan. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is. Binnen het plangebied zijn zich een bestaande gasleiding. Van deze gasleiding gaat een risico uit. Dit risico is echter reeds besproken in paragraaf 4.6 (Externe veiligheid) van deze toelichting. Uit die paragraaf bleek dat de aanwezige aardgasleiding geen belemmering vormt voor voorliggend plan. Op basis van het bovenstaande kan worden geoordeeld dat er vanuit kabels en leidingen geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.
4.9
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (hierna: nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft de minister in samenwerking met InfoMil de nibm-tool maart 2020 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekenhulp is de toename van de stoffen NO2 en PM10 te bepalen. Toetsing Zoals aangegeven moet dit project ten aanzien van luchtkwaliteit twee vragen beantwoorden: 1. 2.
Laat de luchtkwaliteit de nieuwe functie toe? Verslechtert de luchtkwaliteit in 'niet in betekenende mate'?
Ten aanzien van de eerste vraag geldt dat voor luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen wordt gekeken naar stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10 en PM2,5 ). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10 ) uit de wet is veertig microgram per kubieke meter, voor fijn stof (PM2,5 ) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het projectgebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2 , PM10 en PM2,5 . Uit de bovenstaande tabel volgt dat de grenswaarden voor PM2,5 , PM10 en NO2 niet worden overschreden.
32
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Ten aanzien van de tweede vraag geldt dat voor het invullen van de nibm-tool de verkeersgeneratie van het project bekend moet zijn. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als en wordt ook besproken in paragraaf 4.10 (Verkeer & Parkeren). Uit die paragraaf volgt dat het planvoornemen leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van circa 808 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde weekdag met daarbij een aandeel aan vrachtverkeer van 5 procent. Voor de nibm-tool betekent dat het onderstaande.
Figuur. NIBM-Tool. Uit de nibm-tool blijkt dat gesteld kan worden dat het politiebureau niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse kan achterwege blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt.
4.10 Verkeer & Parkeren Verkeersgeneratie Voor de verkeersgeneratie van dit planvoornemen is gebruikgemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. De kencijfers die gegeven zijn in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal kencijfer weer. De CROW-publicatie kent geen categorie 'politiebureau' en om die reden is aangesloten bij de meest vergelijkbare categorie: 'Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)'. Het politiebureau zal immers functioneren als een dienstverlenend kantoor waar ook bezoekers aanwezig kunnen zijn. Dit is uitgezonderd het aantal ritten ten behoeve van uitrukken. Ten aanzien van de ritten die de politie maakt als gevolg van een uitruk, volgde uit paragraaf 3.2 (Toekomstige situatie) al dat het per dag gaat om gemiddeld 100 uitrukken per dag. Voor dit planvoornemen (uitgezonderd het aantal ritten ten behoeve van uitrukken) geldt dat de locatie deel uitmaakt van het resterend deel van de bebouwde kom in sterk stedelijk gebied. Voor de categorie 'Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)' geldt dan dat sprake kan zijn van een verkeersgeneratie van minimaal 9,4 en maximaal 11,8 per 100 m2 aan brutovloeroppervlakte.
Nu het gebouw een brutovloeroppervlakte krijgt van circa 3.150 m2 betekent dat een verkeersgeneratie van tussen de 296 en 372 motorvoertuigen per dag. Dat maakt dat het totaal aantal voertuigbewegingen van en naar
33
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
het plangebied inclusief de uitrukken neerkomt op maximaal 472 motorvoertuigen per dag. De Zandveldseweg kan deze extra verkeersgeneratie aan. Er ontstaan op verkeerskundig gebied geen belemmeringen Verkeersontsluiting Ten aanzien van de ontsluiting van het plangebied geldt dat er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn. De primaire ontsluitingsweg zal via de al aanwezige carpoolplaats plaatsvinden. Deze carpoolplaats sluit vervolgens weer aan op de Zandveldseweg. Vanaf de carpoolplaats zal een nieuwe weg worden aangelegd richting het plangebied. Deze nieuwe weg komt uit op de achterzijde van het perceel van de politie. Zie hiervoor ook paragraaf 3.2 (Toekomstige situatie). Voorts zal ook een tweede ontsluitingsweg aanwezig zijn. Deze wordt echter alleen voor calamiteiten gebruikt. Deze weg verbindt de oostzijde van het plangebied met de Zandveldseweg. Koersdocument Parkeren 2020-2025 Het Koersdocument gaat uit van een integralere en flexibelere benadering waarbij maatwerk mogelijk is. Bij nieuwe ontwikkelingen dient voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd te worden, in principe op eigen terrein. Bij het bepalen van parkeerbeleid dienen vier leidende principes te worden gehanteerd: 1. 2. 3. 4.
beschermen van bewoners; benutten van de beschikbare ruimte; beprijzen; bouwen.
Bij elke ontwikkeling dient een integrale afweging te worden gemaakt wat de beste mix aan parkeerbeleid moet zijn. Bij elke ontwikkeling moet de onderbouwing van de parkeerbehoefte voldoen aan een checklist van 14 criteria. Indien nodig kan in plaats daarvan gebruik worden gemaakt van parkeernormen. Parkeren (autoverkeer) Ten aanzien van het parkeren geldt ook dat kan worden aangesloten bij de CROW-publicatie 381 'Toekomstig parkeren'. Voor de categorie 'Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)' geldt dan dat sprake kan zijn van een parkeerbehoefte van minimaal 2,0 en maximaal 2,5 per 100 m2 aan brutovloeroppervlakte in het resterend deel van de bebouwde kom in sterk stedelijk gebied. Nu het gebouw een brutovloeroppervlakte krijgt van maximaal 3.150 m2 (uitgaande van de variant met de grootste vloeroppervlakte), betekent dat een parkeerbehoefte van tussen de 63 en 79 parkeerplaatsen. Op basis van haar eigen cijfers verwacht de Politie behoefte te hebben aan 70 parkeerplaatsen. Dit past in de brandbreedte van de CROW-publicatie. Het aantal parkeerplaatsen op basis van de CROW-publicatie en de Politie houdt echter geen rekening met de dienstvoertuigen die ter plaatse aanwezig zullen zijn. In totaal zijn voor dienstvoertuigen (op basis van cijfers van de Politie) 67 parkeerplaatsen nodig. In totaal worden 137 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Dit aantal parkeerplaatsen zal geheel in het plangebied worden aangelegd. De parkeervraag bezet een groot gedeelte van de kavel waaruit volgt dat er minder ruimte op de kavel beschikbaar is voor de footprint van het kantoorgebouw. Afhankelijk van de gekozen variant van de inpassing van het gebouw is er voor de inpassing van het parkeren 4.400 vierkante meter nodig, wat zo'n 85% van de kavel is. Er zijn mogelijkheden om het parkeren onder het gebouw op te lossen en zo ook het hoogteverschil tussen de kavel en de omringende weg op te lossen.
4.11 Water en klimaatadaptatie Voor het onderdeel water is het, in het kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan, nodig om het watertoetsproces te doorlopen. Dit proces omvat het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
34
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
4.11.1
Beleid
Gemeentelijk beleid Het jaarplan Water 2020 en de watervisie uit 2004 vormen samen het Waterplan van de gemeente Nieuwegein. De gemeente beschikt ook over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 met daarin het beleid voor de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook de ambities voor de waterkwaliteit en duurzaamheid van het (afval)watersysteem. Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaatbestendige inrichting van de stad en de samenleving hierop voorbereiden. Dit heet klimaatadaptatie en doet de gemeente niet alleen maar samen met de partners in de stad en de regio. De gemeente heeft een visie klimaatadaptatie en klimaatadaptatie is een van de aspecten bij ruimtelijke ontwikkelingen en herstructurering. 1.
2.
3.
4.
Op basis van deze visie zijn vier uitgangspunten van belang: Bij het ontwerpen van een project is de inrichting van het plangebied en de bebouwing klimaatadaptief. Schade, hinder en overlast als gevolg van extreme buien, perioden van droogte en hitte worden voorkomen door het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen. Hemelwater is afgekoppeld van de riolering en in het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (70 mm/u). Het plangebied wordt zodanig ingericht en ontworpen dat van deze hevige bui een deel wordt opgevangen (30-70 mm) en gedeeltelijk (20 mm) wordt geïnfiltreerd. Het overige deel kan vertraagd afgevoerd worden, bij voorkeur bovengrondse afvoer van hemelwater in plaats van ondergrondse afvoer via buizen. Een eventuele bergingscapaciteit dient na minimaal 24 en max. 48 uur weer beschikbaar te zijn, of is gestuurd. Voor de buitenruimte is het uitgangspunt een verhouding van één op één tussen verharding en groen/ halfverhard/en of water te realiseren. De groenlocaties dragen bij aan de thema's hittestress en wateroverlast. In potentiële wateropvanglocaties is het groen overstromings- en droogtetolerant. Bomen hebben goede groeiomstandigheden, zowel boven- als ondergronds.
De verharding draagt bij aan een klimaatadaptieve inrichting, bijvoorbeeld doordat deze geschikt is als tijdelijke waterberging, of door toepassing van waterpasserende of waterdoorlatende verharding. Op gebouwniveau worden klimaatadaptieve maatregelen toegepast zoals groene daken, groene gevels, extra zonwering , materiaalkeuze, enz. Van alle horizontale of verticale oppervlakken wordt 40% warmtewerend of verkoelend ingericht (thema's wateroverlast en hittestress).
Deze uitgangspunten worden meegenomen in de verdere uitwerking van de plannen. Daarnaast is punt 2 verwerkt in de algemene bouwregels van het bestemmingsplan. Waterbeheerder Het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) is de waterkwaliteiten waterkwantiteitsbeheerder. Het concrete toetsingskader van HDSR voor de watertoets is gegeven in het Handboek Watertoets. De belangrijkste uitgangspunten zijn hierbij als volgt: het standstill-principe: voorkom negatieve effecten van ruimtelijke watersysteem; verbeteren: benut kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen.
ontwikkelingen op
het
De principes die bij het waterbeleid van belang zijn: Waterkwantiteit: 1. de trits vasthouden - bergen - afvoeren; 2. versnelde afvoer van regenwater naar oppervlaktewater moet worden voorkomen of worden gecompenseerd; a. in verband met het voorkomen van versnelde afvoer adviseert het waterschap om wel een infiltratiesysteem aan te leggen. Voor een afname van verhard oppervlak in stedelijk gebied is geen compensatieplicht vanuit het waterschap; b. om versnelde afvoer naar oppervlaktewater te voorkomen, adviseert het waterschap om een infiltratiesysteem aan te leggen met 45 mm berging per m2 afgekoppeld oppervlak. Indien
35
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
infiltratie niet mogelijk is, zal automatisch moeten worden gecompenseerd. Voor een toename van verhard oppervlak van 500 m2 tot 10.000 m2 in stedelijk gebied moet berging worden gerealiseerd. Waterkwaliteit: 1. de trits schoon houden - scheiden - zuiveren. Voor bouwactiviteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zorgvuldige materiaalkeuze. Verslechtering van de waterkwaliteit bij nieuwbouw en herstructurering kan worden voorkomen door geen uitlogende (bouw)materialen toe te passen; 2. bij nieuwe ontwikkelingen adviseert het waterschap het regenwater gescheiden van het afvalwater te verwerken. 4.11.2
Watersysteem
Het plangebied ligt in een peilgebied met een vast waterpeil van + 0,40 NAP. Binnen het plangebied liggen een aantal droge greppels. Te dempen greppels dienen 1 op 1 te worden gecompenseerd.
4.11.3
Waterveiligheid
In de nabijheid van het plangebied ligt de Lekdijk (primaire waterkering). In het plan moet rekening worden gehouden met de ligging van de beschermingszone/ profiel van vrije ruimte van de Lekdijk (in blauw). De beschermingszone moet als dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering worden opgenomen.
4.11.4
Toename verhard oppervlak en klimaatadaptatie
Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig onbebouwd en onverhard, alleen de bestaande carpoolplaats is aanwezig. In het plangebied zal het verhard oppervlak door de te bouwen gebouwen toenemen ten opzichte van de feitelijke situatie. De eventueel benodigde watercompensatie zal nog verder worden uitgewerkt. Klimaatadaptatie Voor een klimaatbestendig Nieuwegein zet de gemeente in op een groene leefomgeving met veel aandacht voor water van een goede kwaliteit. Dit is verder uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie 2019–2022. Op basis van de handreiking klimaatadaptief bouwen gelden er prestatie eisen voor de beoogde ontwikkeling op het gebied van wateroverlast, droogte en hitte. PM Op basis van de minimale eis van het waterschap en de gemeente bedraagt de benodigde waterberging PM m³ (0,50 x PM m²) in voorzieningen op privaat terrein of in daarvoor bestemde (extra) voorzieningen in het plangebied. Het waterschap adviseert voor de aanleg van parkeervoorzieningen halfverharding (bijvoorbeeld grasbetontegels) te gebruiken. Hierbij dient wel rekening te houden met de infiltratiecapaciteit van de bodem (bijvoorbeeld door het aanbrengen van een zandlaag als onderlaag). Ook kan een bovengrondse (o.a. wadi) of ondergrondse infiltratievoorzieningen worden aangelegd. 4.11.5
Hemelwater en waterkwaliteit
Het waterschap adviseert het hemelwater zichtbaar af te voeren, dus bovengronds via open goten. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) toegepast voor dak, dakgoot en regenpijp.
36
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
4.11.6
Riolering
Het vuilwater dient te worden aangesloten op het bestaande rioleringssysteem, conform het gemeentelijk beleid. Het waterschap adviseert rekening te houden met voldoende drooglegging (minimaal 1,35 meter) en ontwateringsdiepte. Wij adviseren om het vloerpeil van de gebouwen minimaal 15 cm boven het maaiveld aan te brengen. Er moet rekening gehouden worden met: 1.
2.
Hemelwater moet bewerkt worden op eigen terrein. Daarbij is het uitgangspunt dat een bui van 100 mm geïnfiltreerd kan worden op eigen perceel. Er moet ook een hemelwater aansluiten komen want indien er een extreme bui optreedt moet het overtollige water getransporteerd worden naar de dichtstbijzijnde hemelwater riolering. Voor het verzamelen en transport van vuilwater moet een drukriolering aangelegd worden tot aan het bestaande vuilwater riool.
4.11.7
Conclusie
Bij de uitwerking van het bouwplan dient rekening te worden gehouden met de hierboven benoemde aandachtspunten van het waterschap. In het ontwerp bestemmingsplan zal deze paragraaf worden aangevuld.
4.12 Milieueffectrapportage Toetsingskader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets 38 kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Dit is de richtlijn die ziet op projecten (vierde kolom). De wijzigingsrichtlijn is voor het overgrote deel geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gewijzigde Besluit m.e.r. is in werking getreden op 7 juli 2017. Eén van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. De aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie omtrent de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Aan de hand van deze informatie kan het bevoegd gezag een beslissing nemen of voor de voorgenomen activiteit een MER dient te worden opgesteld.
Toetsing Dit planvoornemen maakt een politiebureau en bijbehorende voorzieningen mogelijk. In onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. is voor stedelijke ontwikkelingsprojecten als grenswaarde een
37
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer en tweeduizend of meer woningen opgenomen. Het gehele projectgebied van voorliggend initiatief betreft circa één hectare. Hiermee is sprake van een project van dusdanig schaal en omvang dat op grond van de aangehaalde jurisprudentie kan worden gesteld dat ook in onderhavig geval geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van een m.e.r-beoordeling. Het project is dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat het ruimschoots onder de drempelwaarden voor ontwikkelingen blijft, zoals die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom voldoende. Het college zal in een apart besluit, voorafgaand aan terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan, een beslissing nemen op de deze aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Conclusie PM
38
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Planomschrijving
Het bestemmingsplan geeft een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van de locatie. Het bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde bestemmingen; weergegeven op de verbeelding en uit regels voor het gebruik van de gronden en de daarop te realiseren opstallen, voor zover die regels in verband met de bestemming nodig zijn. Tevens gaat het bestemmingsplan vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken, de uitkomsten van het overleg (op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening) en een rapportering van de inspraak zijn opgenomen. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Deze bestemmingen betreffen aanduidingen van de doeleinden waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling in de planregels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de planregels een juridische betekenis.
5.3
Regels
De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. In het navolgende worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. 5.3.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn in overeenstemming met de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. 5.3.2
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit een aantal regels: 1. 2. 3. 4. 5.
Groen; Maatschappelijk - Politiebureau; Leiding - Gas; Waarde- Archeologie 4 Waterstaat - Waterkering
De onderstaand tekst bespreekt de bestemmingen afzonderlijk. 'Groen' De groenvoorzieningen rondom het plangebied zijn ondergebracht in de bestemming 'Groen'. Naast
39
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
beplantingen en plantsoenen zijn hier onder andere ook voet- en fietspaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten mogelijk. 'Maatschappelijk - Politiebureau' De bestemming 'Maatschappelijk - Politiebureau' betreft de voornaamste bestemming van dit bestemmingsplan. Deze bestemming voorziet in het bouwen van het geplande politiebureau en de bijbehorende faciliteiten. De bouwregels zijn ruim opgezet: en bevatten enkel regels omtrent het bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak en een bouwhoogte. Zo wordt flexibiliteit geboden voor het plan van de Politie. 'Leiding - Gas' Deze bestemming is opgenomen voor de in het plangebied planologisch relevante gasleiding. Waarde - Archeologie 4 Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische vondsten in de diepere ondergrond, is een dubbelbestemming opgenomen. Bij ingrepen in de bodem dieper dan 3 meter en groter dan 2.500 m2 , dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Waterstaat - waterkering Op grond van de Keur van het waterschap is aan de zuidzijde van het plangebied een dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering opgenomen. In dit deel van het gebied mag niet worden gebouwd. 5.3.3
Algemene regels
In het hoofdstuk Algemene regels wordt in de artikelen 'Anti-dubbeltelregel', 'Algemene bouwregels', 'Algemene gebruiksregels', 'Algemene afwijkingsregels' en de 'Algemene wijzigingsregels'. De 'Anti-dubbeltelregel' bepaalt dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de 'Algemene bouwregels' worden regels vermeld omtrent ondergronds bouwen. In deze regels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen die voorschrijft aan welke parkeernormen voldaan moet worden. In de 'Algemene gebruiksregels' zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik. In de 'Algemene afwijkingsregels' worden enkele afwijkingsbevoegdheden aan het college van burgemeester en wethouders toegekend die geringe afwijkingen mogelijk maken van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om het in geringe mate afwijken van het plan. Verder bevat het bestemmingsplan ook 'Algemene wijzigingsregels'. Die voorzien in het mogelijk maken van een overschrijding van bestemmingsgrenzen onder bepaalde voorwaarden. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 tot slot worden de overgangs- en slotregels geformuleerd. In het artikel 'Overgangsrecht' worden regels bepaald omtrent bouwwerken, die in de bestaande situatie aanwezig zijn of mogen worden gebouwd. In de 'Slotregel' wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald.
40
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 van de Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemeente Nieuwegein heeft de gronden in het plangebied in eigendom. Daarom is de gemeente in staat om de kavel uit te geven aan een ontwikkelende partij. Het kostenverhaal is anderszins, namelijk via de gronduitgifte, verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de fasen afzonderlijk besproken. Voorbereidingsfase De gemeente Nieuwegein voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook kan de gemeente aan belangstellenden de mogelijkheid bieden om te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. Het voorontwerp zal conform de inspraakverordening 2 weken ter inzage worden gelegd. De gemeente Nieuwegein geeft een reactie op mogelijke overlegreacties die voor zover noodzakelijk worden verwerkt in de regels en verbeelding. Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in het Gemeenteblad (in te zien via de website www.officielebekendmakingen.nl) voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend. Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste twaalf weken vast.
Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt: Indien gedeputeerde staten (GS) een zienswijze heeft ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging zes weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk twee weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk twee weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Binnen zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
41