CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Factsheets KRD 2022 5 oktober 2022.pdf

Uitnodigingen aan de raad 5 oktober 2022, gemeente Nieuwegein8.673 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

KADERSTELLEND RAADSDEBAT WERK EN INKOMEN LEKSTROOM (WIL) 5 OKTOBER 2022

‘SAMEN DOEN WAT KAN IN 2023’

FACTSHEETS

1

LEESWIJZER Bijgaand treft u een aantal factsheets aan waarin we nader ingaan op een aantal belangrijke onderwerpen. Achtereenvolgens gaat het om de volgende onderwerpen.

KRAPTE OP DE ARBEIDSMARKT .................................................................................................. 3 MATCHINGSTEAM .......................................................................................................................... 4 UTRECHTSE WERKTAFEL ............................................................................................................. 8 HANDHAVING ................................................................................................................................ 11 OPENSTAANDE DEBITEUREN WIL .............................................................................................. 14 BUSINESSCASE BEWINDVOERING ............................................................................................ 16 VOORGENOMEN WIJZIGINGEN PARTICIPATIEWET .................................................................. 19 ICT.................................................................................................................................................. 22 PERSONEEL .................................................................................................................................. 24 IMPLEMENTATIE INNOVATIEAGENDA ........................................................................................ 26

2

FACTSHEET KRAPTE OP DE ARBEIDSMARKT 1. Context/aanleiding/vraagstelling De arbeidsmarkt wordt steeds krapper met stevige consequenties soms. Er is meer dan genoeg werk voorhanden; dat zal de komende jaren ook zo blijven ook schatten wij in. Tegelijk neemt het bijstandsvolume in de Lekstroom nauwelijks af. Laten we kansen liggen? Is er meer mogelijk? En wat is daarvoor nodig? 2. Stand van zaken De bijstandsdichtheid in de Lekstroom is laag. Het werkloosheidspercentage in de Lekstroom ligt op gemiddeld niveau, dan wel daar onder. Het % bijstandsklanten van WIL dat als ‘A’ getypeerd kan worden, is bijzonder klein. Grofweg zou je kunnen zeggen dat wie in de Lekstroom kan werken, al werkt. Tegelijk laten ervaringen elders in den lande zien dat ook met het huidige bestand onder voorwaarden nog meer uitstroom mogelijk is. Grofweg zijn er drie knoppen waaraan dan gedraaid kan worden: • Focus: vooral op de klanten die net werkloos worden, parttime werken en in categorie ‘B’ zitten. Hier is de kans op economische participatie en schadelastbeperking het grootst. Dat vraagt mogelijk wel een herprioritering van de inzet van het lokale werkteam. • Geld: de groep die nu nog werkloos is, kan -grofweg gesteld- alleen met meer aandacht en begeleiding gericht vooruit geholpen worden. Met een hogere investering per plaatsing dus.

Dat betekent bijvoorbeeld een kleinere caseload en meer begeleidingskosten. Ook dit vraagt een mogelijke herprioritering van de organisatie van het lokale werkteam. • ‘Doelgroepenregister’: werkgevers zijn in deze arbeidsmarkt meer genegen klanten met een ‘formeel stempeltje’ een kans te geven, dan anderen. En in de Lekstroom staan nog genoeg mensen met een (potentieel) stempeltje langs de kant. Met een combinatie van focus en geld is dus een slag vooruit te slaan. Een lastig vraagstuk in deze is de armoedeval. Voor veel mensen met een bijstandsuitkering is (meer uren) werken namelijk niet altijd lonend. Met de recente energietoeslag en de beoogde ophoging van de bijstandsuitkering zal dit niet ten positieve veranderen, denken wij. Wat mogen wij van mensen vragen en verwachten is de vraag in deze, redenerend vanuit de Participatiewet en redenerend vanuit de leefwereld van mensen?

3

3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling Alles bij elkaar denken wij dat het niet realistisch is dat veel van de huidige klanten van WIL zonder stapje extra/extra hulp aan het werk zullen raken. Tegelijk zijn er wel kansen om meer (duurzame en) substantiële uitstroom uit de uitkering te realiseren; dit vraagt wel om slimme keuzes/meer focus en grofweg een hogere investering per plaatsing dan voorheen. Maar ook helderheid hoe ver u wilt gaan als gemeente om deze kansen te pakken; ook qua inzet van uw inwoners. De lokale werkteams hebben hierin een sleutelrol. Voor de inzet en begroting van WIL is daarmee de impact in deze beperkt. Wat van WIL in deze gevraagd wordt kunnen we, zo is onze inschatting nu, binnen de begroting en onze vigerende opdracht oppakken. 4. Wat verder? Zoals u weet gaat u zelf over de inzet van de lokale werkteams, zowel qua focus als qua middelen. WIL volgt en faciliteert in deze, als ook sluiten we aan op wat u wilt met onze inzet vanuit het WSP.

4

FACTSHEET MATCHINGSTEAM 1. Context/aanleiding/vraagstelling Als gevolg van de coronacrisis kreeg WIL begin 2020 te maken met een toenemende aantal meldingen bij de Poort. Dit was vooral bij klantgroep A te zien; klanten die relatief snel en eenvoudig weer kunnen participeren in het arbeidsproces. WIL heeft toen snel een Matchingsteam opgezet; dit team zet met een gecombineerde inzet van een poortmedewerker en een accountmanager op het weer (direct) laten participeren van genoemde groep. Hiermee werd een beroep op de uitkering voorkomen of zo kort mogelijk gehouden. Deze aanpak werkte de afgelopen periode goed en rond de 70% van de inwoners die instroomden vond zo weer snel een plek op de arbeidsmarkt. De inzet in het Matchingsteam bestond in aanvang uit 2 fte, gezamenlijk geleverd vanuit de poort en het Werkgeverservicepunt. In 2020 en 2021 is deels aanvullende inzet van 2 fte mogelijk gemaakt via tijdelijke financiering. In de Begrotingswijziging 2022 is een bedrag van 150K beschikbaar gesteld om ook in 2022, indien nodig, extra te kunnen inzetten op het Matchingsteam. Deze extra middelen zijn alleen voor 2022 beschikbaar gesteld. Hierbij is toegezegd in de tweede helft van 2022, bij het Kaderstellend Raadsdebat, de wenselijkheid en noodzakelijkheid van extra inzet in het Matchingsteam in 2023 te beoordelen. 2.

Stand van zaken In het eerste kwartaal van 2022 is gebleken dat extra inzet (nog) niet nodig was omdat het aantal aanmeldingen bij het Matchingsteam terugliep en dat dit zeker voor klantgroep A en B1 gold. Hierdoor nam de instroom in het Matchingsteam substantieel af. Deze ontwikkeling heeft zich in het tweede kwartaal van 2022 voortgezet. Deze ontwikkelingen zien we terug in de cijfers van het Matchingsteam zoals deze ook als bijlage bij de WIL Kwartaalrapportage Q2 2022 zijn gedeeld. Kwartaal Q2 2022 Q1 2022 2021

Overloop uit vorige kwartaal 21 9 28

Nieuwe meldingen 33 22 168

Aan het werk

Slagingspercentage

14 5 131

42% 22% 78%

Opvallend is dat inderdaad het aantal meldingen is teruggelopen en dat ook in het tweede kwartaal 2022 de instroom beduidend lager ligt dan in 2021. Daarnaast is het slagingspercentage als gevolg van de veranderde samenstelling van de instroom gedaald. Omdat het beroep op het Matchingsteam in het eerste kwartaal van 2022 afnam heeft WIL reeds begin 2022 besloten de extra middelen nog niet direct in te zetten. De caseload paste op dat moment bij de reguliere inzet van 2 fte. Het tweede kwartaal geeft hetzelfde beeld en maakt extra inzet (nog steeds) niet nodig.

5

Op dit moment is de arbeidsmarkt nog steeds krap, waardoor de kansen van werkzoekenden relatief goed zijn. De economie is in de eerste kwartalen van 2022 gegroeid, de verwachting is dat dit in de tweede helft van 2022 eveneens niet ongunstig. Tegelijk is het niet onwaarschijnlijk dat in de tweede helft van 2022 de gevolgen van de afbouw van de coronamaatregelen zich zullen effectueren. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het aantal faillissementen dat zal toenemen en het hervatten van de betalingsverplichtingen aan de Belastingdienst. Wat de gevolgen voor het beroep op de Participatiewet zal zijn, is op dit moment niet reëel in te schatten omdat er nog teveel onzekerheden zijn. 3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling Voor 2022 schatten wij in dat de inzet vanuit de reguliere dienstverlening voldoende is om de dienstverlening op peil te houden. Mits in kwartaal 3 en 4 de instroom op het huidige peil blijft, worden de extra middelen voor het Matchingsteam niet ingezet. Dit past bij de gedachte van de nullijn: de dienstverlening blijft op niveau en er worden geen (extra) middelen ingezet als dat niet nodig is. Voor 2023 is er geen harde onderbouwing om aanvullende inzet op het Matchingsteam noodzakelijk te maken.

De scenario’s waarin een toename van het aantal aanvragen wordt voorspeld kunnen zich wel degelijk voordoen, maar dit is te onzeker om op voorhand extra inzet noodzakelijk te achten. We vragen dus niet om extra middelen voor 2023 voor extra inzet op het Matchingsteam. Tegelijk is het wel degelijk mogelijk dat de economische ontwikkelingen er toe leiden dat extra inzet op het Matchingsteam alsnog noodzakelijk is. Ons advies is dan ook om WIL de ruimte en mogelijkheid te geven snel te kunnen schakelen als deze ontwikkelingen zich doorzetten. Het kan bijvoorbeeld wenselijk zijn om niet te hoeven wachten op de tweede begrotingswijzing naar aanleiding van de Turap om (potentiële) klanten snel te laten participeren en instroom te voorkomen.

4. Wat verder? Het Matchingsteam is opgezet om klantgroep A bij de binnenkomst van WIL direct te ondersteunen om weer op korte termijn aan het arbeidsproces te gaan deelnemen. Met de huidige ontwikkelingen ontstaat voor een deel van klantgroep B1 in het lokale werkteam de behoefte om ook gebruik te maken van de instrumenten en dienstverlening van het Matchingsteam. Dat is een goede zaak. Ceteris paribus gaan we dus in de loop van 2023 experimenteren met deze samenwerkingsmogelijkheid tussen lokaal werkteam en matchingsteam.

6

Bijlage Matchingsteam Resultaten 3e kwartaal 2022 tot en met 20-09-2022

Woonplaats

Overloop vanuit 2022-Q2

Nieuwe meldingen deze periode 7 6 2 18 33

Houten IJsselstein Lopik Nieuwegein Totaal

Totaal

1 11 0 6 18

In deze periode aan het werk gegaan 8 17 2 24 51

In deze periode uitgevallen *

7 10 0 6 23

Einde periode nog in behandeling 0 1 1 2 4

1 6 1 16 24

Resultaten 2e kwartaal 2022

Woonplaats

Overloop vanuit 2022-Q1

Nieuwe meldingen deze periode 2 3 1 15 21

Houten IJsselstein Lopik Nieuwegein Totaal

Totaal

6 8 1 18 33

In deze periode aan het werk gegaan 8 11 2 33 54

In deze periode uitgevallen *

Einde periode nog in behandeling

1 5 8 14

7 6 2 18 33

7 7

Resultaten 1e kwartaal 2022

Woonplaats Houten IJsselstein Lopik Nieuwegein Totaal

Overloop vanuit 2021-Q4

Nieuwe meldingen deze periode 2 0 0 7 9

0 4 1 17 22

Totaal

In deze periode aan het werk gegaan 2 4 1 24 31

In deze periode uitgevallen *

Einde periode nog in behandeling

1 4 5

5 5

2 3 1 15 21

* Redenen van uitval zijn onder andere: verhuizing van de klant naar elders, klant is niet komen opdagen.

7

FACTSHEET UTRECHTSE WERKTAFEL 1. Context/aanleiding/vraagstelling De Utrechtse Werktafel (UWT) is het bovenregionale werkbedrijf van het UWV, de sociale partners en de 15 gemeenten in de arbeidsmarktregio Utrecht-Midden. Houten, Nieuwegein, IJsselstein en Lopik zijn dus mede eigenaar van de UWT. In de praktijk functioneert de UWT matig. Het bestuur van de UWT heeft daarom recentelijk, mede in het licht van de wet SUWI, gepleit voor een interventieslag om tot een echt effectief werkbedrijf te komen; een alliantie van partners die echt willen, hun verantwoordelijkheid nemen en hiervoor gaan. Hiervoor is een bestuurlijke opdracht verstrekt, geaccordeerd en ondertekend door onder andere de colleges van de Lekstroom gemeenten. Deze bestuurlijke opdracht moet leiden tot een uitvoeringsplan ‘hoe verder’, met waarschijnlijk inhoudelijke, organisatorische en financiële consequenties voor de huidige werkgeversdienstverlening. Dit uitvoeringsplan komt uiteraard nog ter besluitvorming op tafel bij alle betrokkenen. De logica voor meer bovenregionale en betere bovenregionale inzet is helder. Om meer werkgevers aan personeel te helpen en meer inwoners in de Lekstroom aan (een kans op) werk, is het zaak niet alleen lokaal en regionaal te acteren (het WIL niveau dus), maar ook op het niveau van de arbeidsmarktregio Midden-Utrecht.

Het aantal plaatsingen van inwoners in de Lekstroom buiten de Lekstroom laat het belang van deze bovenregionale inzet zien: meer dan 1/3 van alle plaatsingen wordt niet in de Lekstroom zelf gerealiseerd. De Utrechtse Werktafel is dus geen keuze, maar een onlosmakelijk verbonden onderdeel van de werkgeversdienstverlening die WIL namens en samen met de Lekstroomgemeenten te organiseren heeft. 2. Stand van zaken De uitvoering van de bestuursopdracht loopt momenteel, zij het met enige vertraging. Het is de verwachting dat een eerste versie van de businesscase eind oktober wordt opgeleverd; de consultatieronde voor besluitvorming volgt daarna. Het ligt in de lijn der verwachting dat de businesscase de volgende insteek heeft: a. Een verdere harmonisatie van instrumenten en daarmee minder ‘eigen coleur locale’. Met als doel een effectievere dienstverlening aan werkgevers en meer kansen op plaatsing van onze doelgroep. b. Een verdere centralisering van de werkgeversdienstverlening met ruimte voor lokaal maatwerk, zij het meer centraal aangestuurd en onder 1 dak (dus geen 5 wsp’en meer). Een belangrijk aspect in deze is het matchen van werklozen en andere werkzoekenden op de openstaande vacatures in tekort- en kanssectoren (o.a. via scholingstrajecten, e.d.). Schaalgrootte als ook betrokkenheid van werkgevers, O&O fondsen en onderwijs zijn hierbij essentieel. 8

c. Het continueren van de bovenregionale dienstverlening als het gaat om het voorkomen van werkloosheid; het van werk naar werk helpen van mensen. Dit vraagstuk wordt momenteel o.a. door het RMT (Regionaal Mobiliteitsteam) opgepakt. Voor WIL en de Lekstroomgemeenten is dit een vorm van preventie. d. De werkdienstverlening (=re-integratie) blijft lokaal/regionaal georganiseerd en -voor zover het lokale werkteams betreft- aan de gemeenten/WIL. We hebben het dan ook over nieuw beschut, de pro-vso aanpak en het matchen van kandidaten uit het doelgroepenregister op werk in de regio. Het Rijk zet o.a. via de wet SUWI ondertussen zeer sterk in op centralisering van de werkgeversdienstverlening en delen van de werkdienstverlening. Het Rijk is voornemens hierin ver te gaan en als het nodig is zaken dwingend op te leggen; vanuit de teleurstelling dat vraagstukken als garantiebanen, beschut werk en werkloosheid i.r.t. een oplopend overschot aan vacatures niet goed geregeld worden. De arbeidsmarktregio zou hierin de lead moeten krijgen. Voor het UWV en de gemeente Utrecht is dit in lijn met de eigen wens, voor gemeenten als die van ons schuurt dit deels met de eigen wens een aantal zaken decentraal op te willen pakken. Het is aannemelijk dat het Rijk hierin zal doorpakken, wat een positief antwoord op de businesscase die wordt opgeleverd wenselijk maakt.

We kunnen beter zelf de regie nemen op de centralisering die nodig is. Onderstaande figuur geeft aan wat bovenregionaal wordt opgepakt cq speelt op dit moment.

3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling De huidige arbeidsmarkt vraagt meer samenwerking en een meer effectievere organisatie van de werkgeversdienstverlening dan voorheen, met meer harmonisatie van beleid en uitvoering op diverse onderdelen. Dit is geen vrijblijvende opgave en vraagt dus van alle gemeenten over de eigen schaduw heen te stappen. Op dit moment is nog niet te zeggen wat het ‘eindplaatje’ wordt of wat de contouren worden van de Utrechtse Werktafel 3.0 en wat de consequenties hiervan zullen zijn. WIL participeert ten volle in dit proces. Wordt vervolgd dus.

9

4. Wat verder? In hoeverre willen de Lekstroom-gemeenten dat de interventieslag die op de UWT nodig is binnen de begroting van WIL en die van de gemeenten wordt uitgevoerd (=Nullijn 2023 en verder) met als eventuele consequentie minder lokale inzet vanuit WIL en het WGSP en een noodzakelijke herprioritering van beleidsinzet tot gevolg? Of is -mocht dit nodig zijnvoor de implementatie een tijdelijk budget denkbaar dan wel structurele uitbreiding van de uitvoeringscapaciteit? In hoeverre zien de Lekstroomgemeenten preventie (=inzetten op van werk naar werk) als ook een lokale/gedeelde verantwoordelijkheid?

10

FACTSHEET HANDHAVING 1. Context/aanleiding/vraagstelling Er zijn in 2022 structurele extra middelen voor handhaving beschikbaar gesteld door de gemeenteraden als reactie op het voorstel van WIL om niet alleen ‘aan de voorkant’ goed in te kunnen zetten op handhaving (preventie in het poortproces), maar ook ‘aan de achterkant’ via het oppakken van alle signalen en het jaarlijks uitvoeren van een themacontrole. In 2021 waren voor dat laatste onvoldoende middelen voorhanden. Conform afspraak zouden we in dit KRD een toelichting geven op wat de stand van zaken is. Handhaving is een belangrijk onderdeel in de dienstverlening van WIL om rechtmatig een uitkering te kunnen verstrekken met een menselijke maat. Dat zorgt ervoor dat het draagvlak voor de sociale zekerheid en in het bijzonder de Participatiewet behouden blijft. Maar ook dat mensen niet op een later moment met een terugvordering en financiële stress geconfronteerd worden. Een andere tijdgeest vraagt om een gewijzigde koers, met meer aandacht voor de leefwereld van de klant. Binnen WIL geldt dan ook al langer het basisprincipe “In vertrouwen handhaven:” klanten krijgen het vertrouwen, totdat het tegendeel is bewezen. Het dagelijks bestuur heeft deze insteek in februari 2022 met het beleidsplan “In vertrouwen handhaven” vastgesteld.

Doel van het plan is klanten met een menselijke maat te benaderen, goed onderzoek te doen met respect voor de klant en pas na een goed onderzoek te komen tot een zorgvuldig besluit. Notabene. Dit plan wordt momenteel in het verlengde van de discussie over de DPS-matrix op onderdelen bijgesteld. Handhaving is de afgelopen jaren in meerdere Kaderstellende raadsdebatten besproken. In de jaren 2020 en 2021 was de wens ‘een tandje meer’ voor schuldhulpverlening en de preventie; t.a.v. handhaving werd aangeven dat het ‘een tandje minder’ kon. Aan dat verzoek heeft WIL gehoor gegeven. Als consequentie daarvan, in samenhang met de krappe arbeidsmarkt voor handhavers, zijn er veel handhavingssignalen die tijdens de uitkeringsperiode zijn ontvangen deels blijven liggen bij gebrek aan capaciteit. Dit was ongeveer 50% en dat was niet wenselijk. Feitelijk waren we door het ijs gezakt. Bij het KRD in 2021 is daarom gevraagd deze balans te mogen herstellen, met een positieve respons. Dat heeft ertoe geleid dat bij de begrotingswijziging van WIL in april 2022 door de raden een structureel budget van € 150.000,- extra beschikbaar is gesteld (bij vaste formatie voldoende voor 2 fte). 2. Wat zijn de feiten Handhaving is effectief. In vastgestelde beleidsplan “In vertrouwen handhaven” geven wij aan wat de effecten handhavingsonderzoeken zijn over de jaren 2017 t/m 2021.

Hieruit blijkt dat: • Na een intensief onderzoek bij de poort bij het aanvragen van een uitkering 46% van de aanvragen wordt toegekend en 54% wordt afgewezen.

11

•

Na onderzoek van handhavingssignalen die tijdens de uitkeringsperiode worden ontvangen, leidt dit in gemiddeld 45% van de situaties tot een beëindiging van de uitkering.

Door een zorgvuldig onderzoek bespaart WIL over 18 maanden ongeveer € 21.000,- per uitkering (Divosa-norm). Tegelijk voorkomen we dat mensen niet op een later moment met een terugvordering en financiële stress geconfronteerd worden. Misschien is het idee dat WIL veel onderzoeken doet. Dat beeld dient genuanceerd te worden. In 5% van alle aanvragen om een uitkering levensonderhoud vindt een intensief onderzoek plaats. De overige 95% wordt op vereenvoudigde wijze afgehandeld. Dat is minder belastend voor de klant. De huidige arbeidsmarkt voor handhavers is bijzonder gespannen. Naast externe mobiliteit (recentelijk zijn 2 handhavers vertrokken bij WIL), is het werven van nieuwe handhavers zeer lastig. Met inhuur kunnen we gaten enigszins vullen, zij het tegen hoge kosten en een lagere productiviteit. Al met al hebben we onze afspraak om de ‘achterkant’ in balans te brengen nog niet volledig kunnen nakomen. De helft van het structureel beschikbaar gestelde budget van € 150.000,- in 2022 is nog niet ingezet. Dat we aan de ‘achterkant’ nog steeds achterstanden hebben heeft ook te maken met het feit dat WIL vanwege coronamaatregelen pas vanaf eind januari 2022 weer fysiek klantcontact kan hebben, waardoor wij pas vanaf dan weer gesprekken op kantoor kunnen voeren en huisbezoeken kunnen afleggen. De lopende onderzoeken die door Corona zijn stil gelegd, zijn we nu dus aan het afronden.

Pas daarna kunnen we door met de signalen, en dergelijke. Voor de resultaten van 1 januari tot 6 september 2022 verwijzen wij naar de bijlage. 3. Conclusie/advies/antwoord op de vraagstelling We zijn nog niet daar we willen zijn. We zijn wel op de goede weg. We werken vanuit de leefwereld en hebben oog voor de kwetsbare burger. We doen zorgvuldig onderzoek met respect voor de klant als onderdeel van het herstel van vertrouwen van de burger in de overheid. Het leveren van maatwerk en de menselijke maat en leefwereld betrekken betekent wel meer tijdsinvestering waardoor onderzoeken langer duren/meer tijd kosten. Maar is inherent aan de opdracht die WIL qua handhaving heeft. De schaarste aan handhavers speelt ons wel parten. En dat zal nog wel even zo blijven, met productieverlies tot gevolg. We gaan dus langzamer vooruit dan gewenst. Als structurele oplossing voor de krapte aan handhavers zien we ons genoodzaakt om handhavers zelf op te gaan leiden. Deze investering heeft wel als gevolg dat de resultaten op korte termijn nog steeds minder zullen zijn als gevolg van productie- en capaciteitsverlies. Maar op de lange termijn levert het besparingen op en een meer stabiele en robuuste bezetting.

12

4. Wat verder? Geef ons de tijd. Mochten we gaandeweg 2023 moeten constateren dat we onze bezetting en productie echt niet op niveau kunnen krijgen, dan komen we bij u terug met een mogelijk inhoudelijke koerswijziging.

Bijlage handhaving

13

FACTSHEET OPENSTAANDE DEBITEUREN WIL 1. Context/aanleiding/vraagstelling Bij de uitvoering van de Participatiewet voert WIL ook de terugvordering en incasso van de vorderingen uit. Deze vorderingen zijn juridisch en economisch eigendom van de individuele gemeenten. De post debiteuren wordt bij u als de gemeenten zelf begroot, staat bij u op de begroting, en daartegenover staat een grote debiteuren voorziening. Ambtelijk is de actie ingezet om het vorderingenbestand te inventariseren. Gemeenten en WIL zijn met elkaar in gesprek om te kijken of, mede gezien de ontwikkelingen rondom de leefwereld en de inbaarheid, een deel van de vorderingen afgeboekt of kwijtgescholden zou kunnen of moeten worden. Dit geldt vooral bij oude vorderingen of vorderingen waar de klant al jarenlang op aflost. Dit is een besluit dat aan de gemeenten is en waar WIL als uitvoerder adviseert. Tegelijkertijd is door de wethouder in Houten aan zijn raad de toezegging gedaan om dit onderwerp op de agenda voor het Kaderstellen Raadsdebat te zetten. Dit omdat de raad van Houten het percentage vorderingen dat als oninbaar is opgenomen op de eigen begroting hoog vindt. Bovendien heeft de raad het vermoeden dat een dergelijke vordering een bepaalde psychische druk voor de klant in stand houdt.

De raad wil kijken wat er voor stappen hierin gezet kunnen of moeten worden, zeker in verbinding met de landelijke ontwikkelingen. Deze behoefte sluit aan op de gesprekken die ambtelijk al gevoerd worden. 2. Stand van zaken Ambtelijk is het bestand van de vorderingen in beeld gebracht. De conclusie is dat een deel van de vorderingen al van voor de start of uit de begintijd (2013) van WIL dateren. Daarnaast is duidelijk dat een groot deel (circa 80%) van de vorderingen op korte termijn niet invorderbaar is. Op 31 december 2021 bedroegen de openstaande vorderingen: • Houten € 1.182.035 • IJsselstein € 691.341 • Lopik € 258.477 • Nieuwegein € 3.302.673 + • Totaal € 5.434.526 Ook is uitgezocht dat WIL jaarlijks maar een minimaal bedrag per jaar daadwerkelijk binnen krijgt. Hierdoor is het reëel te veronderstellen dat -ceteris paribus- de post debiteuren op de gemeentebegroting langdurig hoog zal blijven.

14

Recentelijk heeft ook de Rijksoverheid dit onderwerp op de agenda gezet. De ministers van sociale Zaken en Armoedebeleid hebben op 18 juli 2022 de Kamer geïnformeerd te werken aan een nieuw debiteurenbeleid in de sociale zekerheidswetgeving. Hierbij geven de ministers aan dat een terugbetalingsregeling in beginsel eindig moet zijn omdat mensen perspectief moeten hebben op het einde van een schuld. Aanleiding hiervoor zijn de voorgenomen wijzigingen in het kader van de herijking van het handhavingskader. Hierbij worden preventie en vertrouwen als uitgangspunt benoemd. Daarnaast is het voornemen de periode dat wordt teruggekeken naar de rechtmatigheid van de uitkering in te korten van 20 jaar naar 5 jaar. Deze lange terugvorderingstermijn is volgens de ministers niet wenselijk en kan leiden tot hardvochtige situaties. Dat is de reden dat de ministers werken aan een nieuw debiteurenbeleid: een betalingsregeling is in principe eindig en het debiteurenbeleid mag geen leed toevoegen. De eigen ambtelijke inventarisatie van het debiteurenbestand geeft eveneens aanleiding om te overwegen nieuwe kaders op te stellen over kwijtschelding en terugvordering. Dit past ook meer bij de ontwikkeling die gemeenten en WIL doormaken op het gebied handelen vanuit vertrouwen, maatwerk, voorkomen oplopen van problematische situaties, et cetera. 3.

Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling WIL adviseert de gemeenten de besluitvorming over eventuele nieuwe kaders voor het afboeken van vorderingen te laten aansluiten bij de voorgenomen regelgeving vanuit het Rijk. Dit voorkomt dat er eventueel binnen een jaar een inhaalslag gemaakt moet worden. Maar dat het goed en wenselijk is om nieuwe kaders op te stellen voor het kwijtschelden en terugvorderen van vorderingen wordt onderschreven. Dit voorkomt onnodig leed en onnodige kosten. 4. Wat verder? Voor de uitvoerbaarheid is het voor WIL wenselijk dat de gemeenten zoveel mogelijk een gelijkluidend kader hanteren. Op het moment dat helder is wat u als gemeenten in deze wil, kan WIL ook aangeven wat de eventuele uitvoeringskosten zijn die met deze wijziging samen hangen. Specifiek voor dit onderdeel geldt dat het niet aan het bestuur van WIL is om kaders op te stellen omdat de gemeenten financieel en juridisch eigenaar zijn van de vorderingen. In dat opzicht geven de raadsleden vooral de eigen wethouders of colleges kaderstellende noties mee. Op dit moment is dit onderwerp, voor zover WIL bekend, alleen in Houten op de raadsagenda besproken. Wij wijzen er op dat de financiële gevolgen van het afboeken van vorderingen voor de WILbegroting een neutraal effect hebben. Dit komt doordat de vorderingen financieel en juridisch eigendom zijn van de gemeenten.

Slechts de uitvoeringskosten die voortkomen van een afboekactie zullen wellicht in de begroting terug komen.

15

FACTSHEET BUSINESSCASE BEWINDVOERING 1. Context/aanleiding/vraagstelling We zien een jaarlijkse trend: veel uitgaven vanuit de bijzondere bijstand, voor de kosten van bewindvoering (beschermingsbewind). Deze kosten stijgen ook jaarlijks, van ruim onder de miljoen een aantal jaren terug, naar ruim 50% hoger anno nu. De kosten van (beschermings)bewindvoering blijven naar verwachting hoog. Alleen hierom is de vraag terecht: kan dit anders? Daarbij speelt ook een kwalitatief vraagstuk: de financiele zelfredzaamheid van inwoners onder bewindvoering. Deze is - grofweg gesteld- vaak niet hoog en neemt ook -wederom grofweg gesteld- niet nu onder bewindvoering. Een belangrijke reden hiervoor is dat bewindvoerders lange tijd geen financiële prikkel hebben gehad om hun klantenbestand te helpen weer financieel gezond te worden. Die prikkel is er nu wel, maar in zeer beperkte mate. Ook hierom blijven de genoemde uitgaven structureel hoog. De vraag is dan ook niet alleen of WIL en de gemeenten gezamenlijk de (oplopende) structurele kosten kunnen beperken, maar ook met elkaar een slag vooruit kunnen slaan op het versterken van de financiele zelfredzaamheid. 2. Stand van zaken Het wel of niet onder bewind stellen van een inwoner is aan de rechter, niet aan WIL of de gemeenten. De kosten hiervan hebben de gemeenten en WIL te dragen, op grond van de Participatiewet.

Rechtbanken verplichten bewindvoerders nu ook toe te werken naar financiële zelfredzaamheid, maar het toezicht daarop is beperkt. Gemeenten hebben daardoor nauwelijks invloed op het proces, maar betalen wel de kosten. In de praktijk blijven veel inwoners vaak heel lang onder bewind, zonder een duidelijk vooruitzicht op financiële zelfstandigheid. Duidelijk is wel dat bewindvoerders vaak openstaan voor de mogelijkheid om klanten te laten uitstromen. Duidelijk is ook dat -door beperkte tijd en middelen- bewindvoerders vaak ook moeilijk kunnen toewerken naar financiële zelfredzaamheid, waardoor bewindvoerder en onderbewindgestelde langdurig aan elkaar verbonden zijn. Tegelijk zijn er ook kansen om de kosten te beperken en de financiele zelfredzaamheid van inwoners te begroten; bijvoorbeeld door als gemeenten, WIL en ketenpartners samen te investeren in instroombeperking (door bijvoorbeeld te beoordelen welke alternatieven er zijn voor klanten, voordat bewindvoering wordt aangevraagd). Het spreekt voor zich dat dit niet altijd kan; onderbewindstelling is vaak goed doordacht en onderbouwd. Ook kan geinvesteerd worden aan de uitstroomkant (nazorg bijvoorbeeld). WIL kan hierin een rol van betekenis spelen, gericht op financiële zelfredzaamheid en dus gericht op uitstroom. Op beide punten heeft WIL eerder (2019) een businesscase geschetst.

De tijd bleek toen niet rijp voor een investeringsslag. 16

Notabene Het spreekt voor zich dat daar waar mogelijk en nodig WIL ook (individuele) bewindvoerders aanspreekt op hun verantwoordelijkheid om inwoners snel en duurzaam ondersteunen naar financiële zelfstandigheid. Dat kan en lukt evenwel niet altijd. 3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling Het is vanuit financieel perspectief en vanuit de leefwereld van de kant goed om de bakens te verzetten. WIL legt daartoe een aantal varianten voor. Deze verschillende varianten hebben ook verschillende uitkomsten. Scenario 1: meer uitstroom door extra inzet op zelfredzaamheid WIL zet 1 fte in om actief onderbewindgestelden te begeleiden naar financiële zelfredzaamheid. Concreet komt het neer op klanten die voldoende leerbaar zijn te coachen inzake hun financiën. Dit vraagt om financiële expertise, maar ook om coachingsvaardigheden. Gezien de huidige arbeidsmarkt is het te verwachten dat zulke professionals niet makkelijk gevonden worden. Door de hogere financiële zelfredzaamheid heeft iemand geen bewindvoering meer nodig en kan dus eerder uitstromen. Scenario 1 gaat uit van 1 jaar inzet, waarbij we streven naar 25 succesvol afgeronde dossiers. De investering is € 100k personele inzet. De opbrengst is als volgt te schetsen: 25 dossiers x € 150 bijzondere bijstand per maand = € 45.000 besparing voor het eerste jaar.

Klanten zijn evenwel meestal langdurig onder bewind en vragen daarvoor jaarlijks bijzondere bijstand aan. Deze besparing werkt daarom ook voor meerdere jaren door. Gaan we uit van 3 jaar minder bewindvoering, dan is de overall besparing € 135.000. Scenario 2: verdubbeling inzet scenario 1 Dit scenario is identiek aan het eerste scenario, maar dan met dubbele capaciteit. We gaan uit van 2 fte en komen daarmee op een investering van € 200k. Doordat er meer samenwerking mogelijk is, zien we ook een efficiëntieslag. We schatten in dat we via dit scenario 60 dossiers succesvol kunnen afronden. De besparing laat zich daarmee als volgt berekenen: 60 dossiers x € 150 bijzondere bijstand per maand = € 108.000 in het eerste jaar. Over de genoemde 3 jaar gerekend is de besparing derhalve € 324.000. Scenario 3: inzet van het Huishoudboekje Er is veel ontwikkeling gaande, op het gebied van schuldhulpverlening. De gemeenten kunnen kiezen meer in te zetten op innovatieve ontwikkelingen. Eén van deze mogelijke ontwikkelingen is het inzetten van het Huishoudboekje. Het Huishoudboekje is een voorziening die inwoners helpt het eigen budget te beheren in een moment van hun leven dat ze dit zelf niet kunnen zonder hulp. Dit instrument is een uitbreiding van het pakket aan dienstverlening.

Een mogelijkheid voor inwoners om gebruik te maken van een laagdrempelige voorziening als steun in de rug om overzicht te houden op hun financiële administratie. Inzet aan de voorkant (preventie) Deelname aan het Huishoudboekje kan worden ingezet bij inwoner die “te weinig” problemen hebben voor schuldhulpverlening, maar wel ondersteuning kunnen gebruiken. Dit bespaart uiteindelijke de kosten op de lange termijn (voorkomen van problematische schulden) en verbetert de kwaliteit van leven voor de deelnemers.

17

Inzet aan de achterkant Het kan ervoor zorgen dat een duurder ingezet product zoals budgetbeheer en bewindvoering eerder kan worden afgeschaald. In het Huishoudboekje is bijvoorbeeld een stappenplan opgenomen waarin in fases afgeschaald wordt. Er ontstaat doorstroom vanuit zwaardere hulpverlening, zodat er meer ruimte is om nieuwe inwoners te ondersteunen. Daarnaast is het Huishoudboekje een voorziening die breder ingezet kan worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de klantgroep statushouders. Het inzetten van het Huishoudboekje aan de preventieve kant resulteert niet direct in het besparen van kosten van bijzondere bijstand voor bewindvoering. Het beoogde effect is dat mensen financieel fit blijven, door middel van laagdrempelige hulpmiddelen en daardoor niet in grotere problemen terechtkomen. Op de langere termijn is te verwachten dat er minder mensen bij een bewindvoerder terechtkomen. Dit levert besparing op. Het levert ook veel maatschappelijk effect op, zoals stressreductie, voorkomen van de armoedeval, kosten van advocaat en procedures. Voor klanten levert het meer kwaliteit van leven op, meer eigenwaarde, zelfredzaamheid. De maatschappelijke effecten zijn niet eenvoudig in financiën uit te drukken. Ook de besparing op de bijzondere bijstand is moeilijk in cijfers uit te drukken.

Maar het Huishoudboekje werkt preventief, helpt bij de zelfstandigheid, eigenwaarde en voorkomt dat financiële problemen zo groot worden dat langdurige hulpstructuren nodig zijn. Dit effect is terug te zien bij o.a. de gemeente Utrecht. Wanneer het Huishoudboekje wordt ingezet aan de achterkant, is een directe besparing wel te verwachten. Het gaat dan om klanten die nu begeleid worden door een bewindvoerder. Het Huishoudboekje kan worden ingezet als uitstroominstrument. Wanneer in het eerste jaar 25 klanten gebruik maken van het Huishoudboekje is te voorzien dat de besparing uitkomt 25 x € 150 per maand = € 45.000 in het eerste jaar. Over de eerder genoemde 3 jaar gerekend betekent dit € 135.000. De implementatie van het Huishoudboekje als instrument kost € 25.000,- eenmalig, jaarlijks zijn de kosten € 17.500,-. Daarnaast zal inzet vanuit WIL nodig zijn, om ook daadwerkelijk persoonlijke begeleiding te bieden. Wanneer we uitgaan van een halve (specialistische) fte schatten we € 50.000 aan (jaarlijkse) kosten in.* 4. Wat verder? WIL is voorstander van een combinatie van variant 1 (als startmodel) en variant 3 (als structurele voorziening). Uw opvatting in deze horen we evenwel graag, alvorens tot een besluit te komen. Een eventueel positief besluit zal verwerkt worden in de 1ste Begrotingswijziging 2023.

18

FACTSHEET VOORGENOMEN WIJZIGINGEN PARTICIPATIEWET 1. Context/aanleiding/vraagstelling De Participatiewet is in 2015 ingevoerd. Gedurende de afgelopen jaren is gebleken dat de wet en de uitvoering voor een deel van de mensen tot problemen kunnen leiden. De uitwerking van de wet wordt door de maatschappij vaak als “hard” omschreven, dit is een landelijk beeld. Het gevoel overheerst dan dat de overheid vooral op de regels let en weinig oog heeft voor de menselijke maat of de complexe problemen waarmee mensen in de bijstand mee kampen.1 In het coalitieakkoord is opgenomen dat wetten beoordeeld zullen worden op eenvoud, menselijke maat en eenvoudigheid. Professionals moeten waar nodig meer beslisruimte krijgen in de uitvoering. In het rapport “Participatiewet in balans” is een uitgebreide beleidsanalyse beschreven. De conclusie van de beleidsanalyse is helder: de Participatiewet is momenteel uit balans. Door verschillende ontwikkelingen is er op dit moment sprake van een ongelijke verhouding tussen (a) de als beperkt ervaren ondersteuning, (b) het strenge sanctieregime en (c) de complexe inrichting van de bestaanszekerheid.” 2 De minister wil de balans terugbrengen in de Participatiewet en toewerken naar een Participatiewet: 1. Die eenvoudiger is en een toereikend bestaansminimum biedt; 2. Die mensen passende ondersteuning biedt om mee te doen in de samenleving; 3.

Met rechten en verplichtingen die zinvol zijn en begrijpelijk zijn en nageleefd kunnen worden De minister is voornemens om via 2 sporen aan een oplossing te werken. Het eerste spoor (=Spoor 1) heeft als doel ruimte te genereren om in de uitvoering de ondersteuning vanuit de wet meer toe te kunnen spitsen op de situatie van de bijstandsgerechtigde. Dit betreft de kortere termijn (2023 en daarna). Spoor 2 richt zich op de langere termijn en heeft een bredere scope dan alleen de Participatiewet. Hierbij zal gestart worden met een nadere verkenning. De ontwikkelingen en behoeften aan aanpassing van de Participatiewet passen bij de landelijke ontwikkelingen. Dit mede als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire, boodschappencasus Wijdemeren, meer handelen vanuit vertrouwen et cetera. Dit past bovendien bij de ontwikkelingen binnen WIL de afgelopen periode: handelen vanuit de leefwereld, leveren van maatwerk, vanuit vertrouwen handhaven, de omgekeerde toets, et cetera.

1 Kamerbrief De Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, 21 juni 2022,

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2 Rapport “Participatiewet in balans | Uitkomsten beleidsanalyse”, 21 juni 2022, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

19

De minister geeft bij Spoor 1 een aantal beleidsvoornemens te gaan verwerken tot een wetsvoorstel. Voor WIL is relevant welke consequenties (dienstverlening en financieel) de wijzigingen in 2023 gaan hebben; dat beeld is nu nog niet helder. 2. Stand van zaken De minister stelt zich ten doel de wijzigingen per 1 januari 2023 door te voeren. De verwachting is echter een latere inwerkingtreding door de krappe tijdsplanning. Op dit moment zijn de beleidsvoornemens slechts globaal en algemeen omschreven in de Kamerbrief van juni 2022. Er ligt nog geen wetsvoorstel bij de Tweede Kamer zodat er nog geen zicht is op beleidsmatige invulling en de gevolgen voor financiering vanuit het Rijk. De minister heeft toegezegd in het najaar de Kamer nader te informeren over het in te zetten wetstraject voor Spoor 1. Tot nu toe is de status dus dat het gaat om beleidsvoornemens of -opties. De verwachting is dat besluitvorming en consequenties eind 2022 bekend zullen zijn. Voor het grootste deel van de voorgenomen wijzigingen geldt dat er een wetswijziging nodig is om ze te effectueren. Gemeenten kunnen op een beperkt aantal onderdelen vooruitlopen heeft de minister aangegeven (4-weken zoektijd, beleid voor giften, ondersteuning richting maatschappelijke participatie, eenvoudiger verrekenen inkomsten).

Tegelijkertijd is een belangrijke doelstelling van de minister om de menselijke maat terug te brengen in de bijstand. In de dagelijkse praktijk streeft WIL samen met de gemeenten en lokale werkteams al naar maatwerk door vanuit de leefwereld te denken en dat past dus bij de ontwikkeling die de minister wil inzetten. Dit zien we terug bij het bepalen van de aanvraagdatum, de zoektermijn, ondersteuning als er geen zicht is op arbeidsinschakeling, giften, et cetera. In de loop van 2023 zal de Participatiewet naar verwachting op een aantal onderdelen worden aangepast. Dit zal ook gevolgen hebben voor de dienstverlening en de financiën. Doordat de invulling nog niet concreet genoeg is en het hele wetstraject nog moet worden ingezet kunnen we de gevolgen onvoldoende concreet inschatten. Zodra het wetstraject is doorlopen zal binnen WIL een slag moeten maken met het aanpassen van een aantal verordeningen en beleidsregels. 3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling De voorgenomen richting die de minister wil inslaan past naadloos bij wat WIL voorstaat. Daar waar de minister heeft aangegeven dat gemeenten al stappen kunnen nemen, doen WIL en de gemeenten dit voor een belangrijk deel al door uit te gaan van de leefwereld en maatwerk te leveren.

Dit geldt bijvoorbeeld voor het (deels) loslaten van de 4-weken zoektijd voor jongeren, een aangepast beleid voor giften, het aanbieden van ondersteuning richting maatschappelijke participatie, et cetera. Deze insteek heeft relatief geringe consequenties op dit moment. Op een aantal onderdelen zal de wetswijziging evenwel echt noodzakelijk zijn om de impact nog verder te vergroten. Voor nu betekent dit wachten. Onze insteek is om de wetswijzigingen te gaan implementeren zodra het gehele wetswijzigingstraject is afgerond; uiteraard bereiden we ons hierop waar mogelijk al voor. Op het moment dat de wetwijziging in route gaat kunnen ook de precieze consequenties qua dienstverlening en financiën

20

inschatten. Op dit moment valt de impact die de wijzigingen heeft voor de brede dienstverlening van WIL als ook de begroting nog niet in te schatten. WIL adviseert daarom om de ruimte die nu al bestaat met het leveren van maatwerk vanuit de leefwereld qua dienstverlening voort te zetten. Dit vraagt geen wijziging van beleid of uitvoering, maar wel vertrouwen. 4. Wat verder? Wordt vervolgd.

21

FACTSHEET ICT 1. Context/aanleiding/vraagstelling De ICT van WIL wordt vanaf de start verzorgd door de gemeente Houten. Met een tijdelijke hick-up is dit steeds goed gegaan. De afgelopen jaren is er evenwel veel veranderd: het privacy- en informatieveiligheidsvraagstuk is veel pregnanter geworden, we werken nu hybride en niet alleen meer op kantoor, digitalisering van dienstverlening is steeds meer van belang, steeds meer diensten worden aangeboden in de “Cloud”, et cetera. De gemeente Houten heeft ook steeds meer ICT beheertaken uitbesteed en is ondertussen gestart met het volledig uitbesteden van de eigen ICT naar een externe leverancier. Steeds vaker wordt namelijk gebruik gemaakt van “Cloud” diensten, et cetera. Onderdeel van deze uitbesteding is de ICT van WIL. WIL is en blijft in de eerste plaats een uitvoeringsorganisatie, wat betekent dat WIL ontzorgt wil worden qua ICT. Mede door de schaal, heeft WIL daarom geen eigen ICT’ers in dienst, maar maakt zij gebruik technische ICT dienstverlening. Wel heeft WIL een aantal functionele ICT’ers en een ingehuurde werkplekbeheerder in dienst. Door diverse redenen heeft WIL ondertussen ook naast Houten nog ICT partners aan zich gebonden. Houten en WIL zijn dus gaandeweg sterk vervlochten geraakt met elkaar. Het was dan ook logisch aan het eind van het vorige contract met elkaar verder te gaan.

Recent is de samenwerking dan ook verlengd tot en met 2024. Let op: dat was voordat Houten besloten had tot volledige uitbesteding over te gaan. Vooral in het licht van de herpositionering van Houten is het de vraag wat WIL moet doen. 2. Stand van zaken Voor WIL is het belangrijk om de eigen functionele ICT agenda onafhankelijk te kunnen bepalen en in deze goed de regie te kunnen voeren richting toekomst. Door de onderlinge vervlochtenheid kan dat nu niet goed, met als risico dat WIL in 2024 niet zelf kan kiezen wat goed is voor WIL, maar mee moet in de keuzes die Houten maakt (en die hoeven niet perse goed voor WIL te zijn, maar dat kan wel!). Daarbij komt dat de samenwerking met de gemeente Houten en achterliggende leveranciers ondertussen veel zakelijker is geworden dan bij de start van WIL, waar alle technische ICT aangelegenheden lumpsum door de gemeente Houten werden verzorgd. Het gebruik maken van externe leveranciers betekent vaak dat aan iedere verandering een prijskaartje hangt. De kostenkant heeft WIL dus ook minder goed in de hand dan wenselijk. Als antwoord op de geschetste ontwikkelingen heeft WIL een transitieproces gestart dat meerdere sporen kent: • Het optimaliseren van de bestaande samenwerking met Houten op alle niveaus om aan beide kanten mee te kunnen denken en zicht te krijgen op wat speelt/spelen gaat.

• Het optimaliseren van het changeproces binnen WIL en dat van Houten i.r.t. WIL. 22

• • • •

Het scherp stellen van wat WIL echt nodig heeft aan ICT en dat ook nu al inregelen (met o.a. het afbouwen van onnodige/dubbele contracten waar nodig, e.d.). Het maken van een pas op de plaats qua digitale doorontwikkeling e.d.; we moeten eerst de basis op orde krijgen. Uiteraard wordt niet alles stop gezet. Het waar mogelijk in eigen beheer organiseren van onze gebruikersondersteuning. Het meer verzakelijken van de relatie met onze leveranciers en Houten, waarbij WIL beter dan in de huidige situatie in staat is om regie te voeren over de eigen ICT dienstverlening.

3. Conclusie/advies/antwoord op vraagstelling WIL moet mee gaan in de veranderende situatie en inzetten op een sterke regierol, niet alleen richting Houten en leveranciers maar ook binnen de eigen organisatie. Dat vraagt een herijking en strategische en gedeeltelijke ontvlechting. Hiervoor trekken we 2-3 jaar uit. In de loop van 2024 kunnen we dan een onafhankelijke keuze maken of we met Houten door willen of ons anderszins willen laten ontzorgen. Een groot deel van de beoogde transitie denken we te kunnen realiseren door gebruik te maken van reeds aanwezige mensen en middelen. Echter, in ieder geval voor de periode 2023-2024, is een transitiebudget nodig om door te kunnen pakken (t.b.v. inhuur, tijdelijke personele uitbreiding op het changeproces en portfoliomanagement en de ingehuurde werkplekbeheerder in vaste dienst nemen). WIL staat daarna weer onafhankelijk en sterk In 2023 zal incidenteel kosten voor inhuur voor het inrichten van processen vragen. Het is wel realistisch dat er ook uiteindelijk meer formatie en middelen voor ICT nodig zijn dan nu. Als resultante van de transitie schatten we in dat door meer grip op projecten en contracten met leveranciers (en afschaling/afbouw waar mogelijk) er vanaf 2024 een structurele besparing op de ICT kosten mogelijk is, waardoor vanaf 2024 het totale financiele ICT plaatje gunstige wordt dan in de transitieperiode. Tot slot.

Door gestructureerde grip op Houten, andere ICT partners en de eigen omgeving is WIL beter in staat om efficiënter mee te kunnen gaan in toekomstige veranderingen in de dienstverlening die WIL biedt aan de deelnemende gemeenten. 4. Wat verder? Het DB zal een voorstel voor het gewenste transitiebudget aan het AB voorleggen met het verzoek dit op te nemen in de 1ste Begrotingswijziging 2023.

23

FACTSHEET PERSONEEL 1. Context/aanleiding/vraagstelling De arbeidsmarkt verandert de komende jaren steeds meer van een vraaggerichte markt naar een aanbodgerichte markt. Het vinden, binden en boeien van personeel wordt een sleutelfactor voor het succesvol zijn van organisaties. Dat geldt niet alleen voor de werkgevers die WIL bedient, maar ook voor WIL zelf: ‘de boze buitenwereld bereikt nu ook WIL zelf”. Dat zien we nu al, maar zal de komende jaren nog sterker opspelen. De arbeidsmarktpositie van WIL is nog steeds goed te noemen, maar staat onder druk. Het is niet onwaarschijnlijk dat knelpunten in de personeelsvoorziening tot discontinuïteit of verminderde dienstverlening kunnen leiden. Met u zouden we daarom graag willen verkennen welke inhoudelijke en financiële kaders WIL in deze mee krijgt richting 2023 en daarna. Ook HR WIL als interne dienstverlener heeft last van de krapte op de arbeidsmarkt. 2. Stand van zaken Overall lukt het WIL nog steeds vaste medewerkers aan zich te binden. Soms duurt dit evenwel wel veel langer dan normaal, vraagt de werving meer geld of moeten alternatieve oplossingen gezocht worden. Een goed voorbeeld van dit laatste is Handhaving, waar nu gekeken wordt naar een eigen opleidingspool. Zo’n pool lost het probleem waarschijnlijk wel op, maar kost tijdelijk extra geld en verminderde productiecapaciteit.

We zien tegelijk dat er meer dan voorheen ook aan onze medewerkers getrokken wordt. De externe mobiliteit loopt op. WIL is overall (nog steeds) een goede en aantrekkelijke werkgever voor haar 190 medewerkers en 50 inhuurkrachten waar medewerkers graag willen werken. Dat blijkt ook uit het recente MTO. De krapte op de arbeidsmarkt en de toenemende uitstroom, maken het noodzakelijk extra aandacht te hebben voor goed personeelsbeleid, gericht op behoud en duurzame inzetbaarheid. Dat vraagt in ieder geval een HR organisatieonderdeel dat staat als een huis. Dat huis heeft het zwaar; er zijn het afgelopen jaar twee medewerkers vertrokken en het werven van nieuwe collega’s kost veel moeite (op vrijwel alle takken van sport binnen bedrijfsvoering binnen WIL en heel Nederland speelt dit). Met inhuur vullen we de gaten; budgettair betekent dit evenwel dat we minder uren terug krijgen dan nodig. Ter illustratie: voor hetzelfde geld krijgen we nu ruim 0,4 fte minder aan productiecapaciteit). Voor 2023 is dit niet meer verantwoord gelet op de uitdagingen die er liggen. • Veerkracht en vitaliteit medewerkers. Ten tijde van de coronacrisis heeft WIL zich zeer flexibel getoond, doch deze periode heeft duidelijk een wissel getrokken op de veerkracht van de medewerkers.

Het zoeken naar een nieuwe balans tussen thuis en op kantoor werken is iets waar we nog midden in zitten en ook iets van medewerkers vraagt. HR moet hier vol op kunnen inzetten/ondersteunen. • Vinden, binden en boeien personeel. Tot nu toe hebben we de dienstverlening op peil kunnen houden, maar ook WIL merkt nu langzaam maar zeker de effecten van de krapte op de arbeidsmarkt. Zie hiervoor. E.e.a. kost HR steeds meer tijd. 24

•

•

Werkdruk. Door langer openstaande vacatures en uitstroom van vaste medewerkers wordt de werkdruk in de organisatie steeds hoger (uiteraard in samenhang met de stevige opdracht waarvoor WIL staat) . Vanuit het Medewerkersonderzoek 2021 is dit nogmaals bevestigd. We kunnen niet meer vragen van onze medewerkers dan dat we al doen. Ook hier moet HR op kunnen meedenken en schakelen. Verzuim. Het verzuim binnen WIL is in absolute termen nog steeds aan de hoge kant, maar is echter gelijk gebleven ondanks de landelijke trend dat dit toeneemt na een periode van Corona, thuiswerken en de vitaliteit die dit heeft gevraagd van medewerkers. HR zal ook tijd moeten hebben om op verzuim te kunnen schakelen.

3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling De concurrentiepositie van WIL op de arbeidsmarkt staat onder druk en dat zal zo blijven ook. Een structureel hoger personeel frictiebudget lijkt wenselijk om eventuele tegenvallers op te kunnen vangen, tenzij u schommelingen in de omvang en kwaliteit van onze dienstverlening acceptabel vindt. Wij opteren voor een ‘tenzij, …’ in deze van minimaal € 150.000 per jaar voor in ieder geval de komende 3 jaar. Dat kan via een budget op voorhand of de speelruimte om te investeren met een afrekening bij de Jaarrekening 2023. Wij horen graag uw opvattingen hierover in deze. Wat betreft ons eigen HR team is waarschijnlijk een tijdelijke investering nodig. Mocht het ons lukken tijdig nieuwe vaste HR medewerkers aan ons te binden, dan kunnen we met de begroting uit, anders is een ‘tenzij, …’ aan de orde van snel € 75.000 voor in ieder geval 2023. Dat kan via een budget op voorhand of de speelruimte om te investeren met een afrekening bij de Jaarrekening 2023. Het DB WIL is hiervoor aan zet. 4. Wat verder? WIL is een van de ketenpartners van de Lekstroom-gemeenten op het sociale domein. Het is niet onwaarschijnlijk dat als WIL te maken krijgt met discontinuïteit in de dienstverlening dit op meerdere vlakken zijn doorwerking zal hebben. Dat geldt uiteraard ook andersom.

25

FACTSHEET IMPLEMENTATIE INNOVATIEAGENDA 1. Context/aanleiding/vraagstelling In 2019 zijn de Lekstroom-gemeenten en WIL gestart met de Innovatieagenda. Hierbij hebben partijen nieuwe afspraken gemaakt over het meer lokaal inrichten van de dienstverlening op het gebied van participatie. De Innovatieagenda is in 2021 geëvalueerd en dit heeft geleid tot besluitvorming waarbij de bestaande en experimentele werkwijze is geformaliseerd. Qua model is gekozen voor hoofdscenario D waarbij de gemeenten rechtstreeks – via de door hen aan te sturen teamleiding – sturing geven aan de werkzaamheden van het lokale werkteam. Lokale werkteams organiseren de werkdienstverlening met een sterke WIL aanvullend hierop (werkgeversdienstverlening, bedrijfsvoering, inkomstenondersteuning, e.d.). De facto en de jure is met scenario D gekozen voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Participatiewet. Om de beoogde uitvoering te formaliseren en in te regelen is een implementatieagenda opgesteld. Onderdeel hiervan zijn het verder uitwerken van afspraken over de bemensing van de lokale werkteams, de verdeling van de HRM verantwoordelijkheden, de financiële afspraken rondom de lokale werkteams, een nadere invulling van de facilitering door WIL, heldere afspraken over privacy in de lokale setting en aanpassing van de Gemeenschappelijke Regeling WIL. 2.

Stand van zaken De uitvoering van het implementatieplan verloopt volgens planning. De Lekstroomgemeenten en WIL hebben op alle onderdelen gezamenlijk de gemaakte afspraken verder uitgewerkt. De HRM afspraken gaan voor een belangrijk deel over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen teamleider lokaal werkteam (praktisch werkgeverschap) en de teamleider van WIL (formeel werkgeverschap). Voor de medewerkers is de helderheid over verantwoordelijkheden een belangrijke stap. Ook zijn de vigerende afspraken rondom financiën en de facilitering door WIL naar een hoger niveau gebracht. De nieuwe en aangescherpte afspraken over HRM, formatie, et cetera zijn ondertussen vastgelegd en worden voor eind 2022 middels vaststelling van een handboek geformaliseerd. Parallel hieraan wordt de aanpassing van de bestaande Gemeenschappelijke Regeling WIL voorbereid. Dit is noodzakelijk omdat met de gekozen uitvoering de opdracht van WIL verandert/is veranderd. Tevens is aanpassing van de bepalingen over de financiële afwikkeling op het onderdeel participatie nodig door de nieuwe werkafspraken. De aanpassing van de Gemeenschappelijke Regeling is opgepakt in een juridische werkgroep waarin WIL en (een afvaardiging) van de gemeenten samen de wijziging voorbereiden.

De planning is dat eind 2022 de voorgestelde wijziging in raden, colleges en bij de burgemeesters voor besluitvorming geagendeerd wordt.

26

Voor de implementatie van de Innovatieagenda is voor WIL een budget beschikbaar gesteld van € 330.000 in 2022. Dit budget is opgenomen in de eerste begrotingswijziging 2022. De implementatie binnen WIL vindt binnen de gestelde financiële kaders plaats. 3. Conclusie/advies/ antwoord op vraagstelling De uitvoering van de Implementatieagenda verloopt volgens de planning. Qua inhoud zijn er stappen gemaakt waarmee meer invulling is gegeven aan de gemaakte afspraken en de beoogde samenwerking op het gebied van Participatie. De aanpassing van de GR verloopt binnen de planning. Conclusie is dan ook dat de uitvoering van de implementatie op koers ligt. De verwachting is dat de uitvoering van de implementatie van de Innovatieagenda eind 2022 kan worden afgesloten. Hierdoor is er geen implementatiebudget voor 2023 meer nodig; eventuele vrijvallende middelen worden verrekend. 4. Wat verder? Deze update gaat over de uitvoering van de implementatieagenda. De verantwoording over de uitvoering in de lokale werkteams en bij WIL op het gebied van participatie (Pro-VSO, WGSP, etc.) zijn niet in deze update opgenomen. WIL en gemeenten leggen in de gebruikelijke cyclus verantwoording af over de resultaten van de werkwijze met lokale werkteams.

Daarnaast is goed om te vermelden dat bij de komende aanpassing van de Gemeenschappelijke Regeling alleen de wijzigingen als gevolg van de implementatie Innovatie verwerkt zullen worden (met een paar kleine andere aanpassingen incluis). De (mogelijke) aanpassing van de Gemeenschappelijke Regeling als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de Gemeenschappelijke Regelingen wordt via een separaat traject door gemeenten en WIL samen opgepakt. De planning hiervan is nog niet bekend.

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=65fcf4d2-11ca-45ad-9f5c-cdfd747c593a