CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-236 Bijlage 3 - Was-wordt document ASV 2026

Raadsvergadering 9 oktober 2025, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Algemene subsidieverordening Nieuwegein 20266.440 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2025-236 Bijlage 3

Was-wordt document Algemene Subsidieverordening Nieuwegein (ASV) Datum: 18 augustus 2025

Tekst per artikel huidige verordening 2015

Nieuwe verordening 2026

WAS

WORDT

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Definities

a. Aanvrager: een (rechts-)persoon die op de voorgeschreven wijze een verzoek indient om subsidie te verkrijgen;

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvrager: een rechtspersoon of een natuurlijk persoon die op de voorgeschreven wijze een aanvraag indient om subsidie te ontvangen; b. Awb: Algemene wet bestuursrecht; c. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein; d. De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van, inclusief eventuele wijzigingen: • Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1); • Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2); e. egalisatiereserve: een buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar;

b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. De-minimisverordening: verordening vastgesteld door de Europese commissie d.d. 18 december 2013; d. Egalisatiereserve: reserve gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen, zoals is bepaald in art. 4:72 van de Awb; e. Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 en 109 van het Verdrag heeft vastgesteld; f. Garantie: een subsidieverlening onder de opschortende voorwaarde dat zich een onzekere gebeurtenis voordoet; g.

1

Onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; h. Subsidie: zoals is bepaald in artikel 4:21 van de Awb; i. Subsidieontvanger: een (rechts-)persoon waaraan, al dan niet onder voorwaarden en verplichtingen, een subsidie is verleend; j. Subsidieplafond: zoals is bepaald in artikel 4:22 van de Awb; k. Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

Artikel 2 Reikwijdte 1.Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college met uitzondering van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag vereist is, als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag vereist is, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

f.

Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, waaronder, inclusief eventuele wijzigingen: • Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1); g. garanties: subsidieverleningen onder de opschortende voorwaarde dat zich een onzekere gebeurtenis voordoet; h. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; i. subsidieontvanger: een rechtspersoon of natuurlijk persoon waaraan, al dan niet onder voorwaarden en verplichtingen, een subsidie is verleend; j. subsidieplafond: een subsidiegrens zoals is bepaald in artikel 4:22 van de Awb; k. Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47). Artikel 2. Reikwijdte 1.

Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies en garanties door het college met uitzondering van subsidies en garanties waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb. Dit zijn subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is. 2. Ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

2

Artikel 3 Bevoegdheden, subsidieplafonds en begrotingsvoorbehoud 1.Het college is belast met de uitvoering van deze verordening. 2.Het college stelt bij nadere regeling (hierna te noemen: de subsidieregeling) onder meer vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

Artikel 3. Bevoegdheden 1. Het college is belast met de uitvoering van deze verordening. 2. Het college kan bij nadere regeling (subsidieregeling) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing wordt hierin tevens bepaald: a. Welke doelgroepen in aanmerking komen voor subsidie; b. Hoe de subsidie wordt berekend; c. Hoe de subsidie wordt uitbetaald; 3. Het college is bevoegd om van rijkswege aan de gemeente ter beschikking gestelde uitkeringen voor specifiek aangewezen activiteiten, als subsidie te verstrekken.

3.Met inachtneming van de gemeentebegroting stelt het college in de subsidieregeling subsidieplafonds vast, bepaalt de wijze van verdeling van de beschikbare bedragen en regelt de verstrekking van voorschotten. 4.Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld. Bij verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepaalt zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie. 2. Het college kan een subsidieplafond verlagen als: a. het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd. 3. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

3

06:53 Artikel 4 Europees steunkader 1.Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2.Bij subsidieregeling kan bepaald worden dat toepassing wordt gegeven aan een Europees steunkader. In dat geval, verwijst de subsidieregeling naar het toepasselijke steunkader. 3.Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4.Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. 5.Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidies die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening. Hoofdstuk II Subsidieverstrekking Artikel 5 Aanvraag 1.Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college met gebruikmaking van een aanvraagformulier.

Artikel 5. Staatssteunregels 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. 6. Bij subsidies waarop de De-minimissteun van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidies die voldoen aan de voorwaarden van de De-minimisverordening.

Hoofdstuk II Aanvraag Artikel 6. Aanvraag 1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk, al dan niet digitaal, ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt dit met gebruikmaking daarvan.

2.Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over: a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; b. de doelen en resultaten die met deze activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; c.

2. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over: a. een beschrijving van de activiteiten en het tijdvak waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; b. de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; c. een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen

4

een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d. de balans van de aanvrager op 31 december voorafgaand aan het jaar van aanvraag;

aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d. de balans van de aanvrager op 31 december voorafgaand aan het jaar van aanvraag;

e. de onder d. genoemde gegevens zijn niet vereist wanneer de aanvrager in het kader van de verantwoording van eerder verstrekte subsidies, deze gegevens al verstrekt heeft of wanneer de aanvrager een natuurlijk persoon is;

e. als de aanvrager een onderneming is en het Europees steunkader of de De-minimissteun van toepassing is: 1°. bij Europees steunkader: een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; 2°. bij De-minimissteun: een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);

3.Het college kan als de aanvrager een onderneming is, bepalen dat gegevens en verklaringen worden overgelegd, die nodig zijn voor het bepalen van de toelaatbaarheid van de subsidie in verband met de Europese regels over staatssteun.

3. Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans op 31 december van het voorgaande jaar.

4.Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, alsmede van het jaarverslag en de jaarrekening van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

4.Bij subsidies van € 125.000 of meer per kalenderjaar is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing. 5. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

5.Bij subsidies van € 100.000 of meer per kalenderjaar is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing. 6.Bij subsidieregeling kunnen andere gegevens dan vermeld in lid 2 en lid 4 worden verlangd. Artikel 7 Meerjarige subsidies 1. Het college kan besluiten om een meerjarige beschikking af te geven tot maximaal 4 boekjaren. 2. Een meerjarige subsidie wordt verleend onder het voorbehoud dat jaarlijks voldoende financiële middelen ter beschikking worden gesteld. 3. In een meerjarige beschikking wordt vermeld op grond waarvan tussentijds eventueel de beschikking tot subsidieverlening kan worden

5

bijgesteld, alsmede welke gegevens periodiek dienen te worden overlegd. 4. Bij meerjarige beschikkingen kan het college besluiten om, voorafgaand aan een nieuw boekjaar, de beschikking te wijzigen indien het door de raad vastgestelde financiële kader daartoe aanleiding geeft. 5. Vaststelling van de subsidie vindt plaats in het jaar volgend op het laatste boekjaar waarop de subsidie betrekking heeft. 6. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

Artikel 6 Aanvraagtermijn 1.Een aanvraag om subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 8. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.Andere aanvragen om subsidie worden ingediend tussen 12 en 24 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

2. Andere aanvragen om subsidie worden ingediend tussen 12 en 24 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

3.Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. Artikel 7 Beslistermijn 1.Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, binnen 12 weken na de uiterste datum van indiening, op voorwaarde dat de volledige aanvraag is ingediend.

3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. Artikel 9. Beslistermijn 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen 12 weken na de uiterste datum van indiening, op voorwaarde dat de volledige aanvraag is ingediend.

2.Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

3.Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie, wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

3. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

4.Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

4. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. Hoofdstuk III Weigeringsgronden 6

Artikel 8 Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden 1.Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval indien: a. de subsidieverstrekking in strijd is met het Europees steunkader; b. de subsidieverstrekking in strijd is met een wettelijk voorschrift.

Artikel 10. Weigerings- en intrekkingsgronden 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

2.Onverminderd het vorige lid kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren als:

3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

a. de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

a.

b. de aanvrager zonder subsidieverstrekking over voldoende eigen middelen of middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te kunnen dekken;

b. als de aanvrager zonder de subsidie over voldoende eigen middelen of middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te kunnen dekken; c.

c. de activiteit niet of onvoldoende bijdraagt aan de realisering van het met de subsidie beoogde doel; d.

als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

als de activiteit niet of onvoldoende bijdraagt aan de realisering van het met de subsidie beoogde doel;

d. als de subsidieverstrekking niet past binnen het voor het betreffende beleidsterrein vastgestelde beleid of daarin onvoldoende prioriteit heeft;

7

het met de subsidie beoogde doel in voldoende mate op andere wijze dan wel voor een vergelijkbare activiteit wordt nagestreefd en bereikt kan worden;

e.

als de organisatorische dan wel financiële continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

f.

als de activiteiten en/of beoogde doelen reeds voldoende worden uitgevoerd en nagestreefd door één of meerdere andere organisaties;

e. de subsidieverstrekking niet past binnen het voor het betreffende beleidsterrein vastgestelde beleid of daarin onvoldoende prioriteit heeft; f. de organisatorische dan wel financiële continuïteit van de aanvrager onvoldoende gegarandeerd is;

g. als de activiteiten van de aanvrager onvoldoende zijn afgestemd met die van relevante organisaties en er te weinig samenwerking wordt beoogd met die relevante organisaties; h. als de activiteiten gericht zijn op het maken van winst;

g. voor de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, onvoldoende middelen op de begroting zijn gereserveerd; h. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

i.

als de kosten onevenredig hoog zijn in verhouding tot de te leveren prestaties of de te bereiken doelgroep;

j.

als de activiteiten gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke of politieke opvattingen;

k.

wanneer de subsidieverstrekking in strijd is met een wettelijk voorschrift;

l.

als voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, onvoldoende middelen op de gemeentelijke begroting beschikbaar zijn gesteld;

i. in de bij de subsidieregeling bepaalde gevallen. 3.Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4.Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

m. in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; n. als de aanvraag niet tijdig is ingediend zoals opgenomen in artikel 8 van deze verordening en het college niet afwijkt van de termijn; o.

in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

4. Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

8

Hoofdstuk IV Verantwoording, verplichtingen en vaststelling Artikel 9 Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1.Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld aan het college.

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.

2.Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

a. Beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen nakomen;

d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

d. juridische of fiscale procedures en/of geschillen die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten; e. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

3.Indien de subsidieontvanger meer dan € 100.000 subsidie per jaar ontvangt, kan een egalisatiereserve verplicht worden. Bij subsidieregeling wordt bepaald voor welke organisaties en tot welke omvang de egalisatiereserve verplicht is.

9

4.Bij subsidies van € 100.000 of meer per kalenderjaar is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing.

3. Bij subsidies van € 125.000 of meer per kalenderjaar is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing.

5.Met inachtneming van lid 4 heeft de subsidieontvanger schriftelijke toestemming nodig van het college voor rechtshandelingen vermeld in art 4:71 van de Awb. Artikel 10 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1.Het college kan verplichtingen opleggen met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

4. Met inachtneming van lid 3 heeft de subsidieontvanger schriftelijke toestemming nodig van het college voor het uitvoeren van rechtshandelingen als vermeld in artikel 4:71 van de Awb. Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1. Het college kan bij subsidies die verleend zijn voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

2.Het college kan de subsidieontvanger verplichten het bij hem in dienst zijnde personeel gedurende de tijd dat deze voor hem werkzaam zijn te verzekeren tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid. 3.Het college kan verplichtingen stellen met betrekking tot het verwerven van eigen inkomsten door bijvoorbeeld deelnemersbijdragen, sponsoring, fondswerving. 4.Het college kan bij subsidieregeling andere bijzondere verplichtingen opleggen

Artikel 19 Vergoeding van met subsidie behaald vermogensvoordeel 1.In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb is de subsidieontvanger aan het college een vergoeding verschuldigd die bij afzonderlijke beschikking wordt vastgesteld. 2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding verschuldigd is, met dien verstande dat in geval van ontvangst van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat aan de subsidieontvanger daartoe wordt uitgekeerd. 3.Indien het onroerende zaken betreft, wordt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige verricht.

2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. 4. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. 5. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, zoals opgenomen in het vorige lid, wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding verschuldigd is, met dien verstande dat in geval van ontvangst van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat aan de subsidieontvanger daartoe wordt uitgekeerd.

Indien het onroerende zaken betreft, wordt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige verricht.

10

4.Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen waarin de activiteiten door een derde partij worden voortgezet en de activa en passiva van de subsidieontvanger met toestemming van het college tegen boekwaarde aan de derde partij worden overgedragen.

6. De leden vier en vijf zijn niet van toepassing in die gevallen waarin de activiteiten door een rechtsopvolger worden voortgezet en de activa en passiva van de subsidieontvanger met toestemming van het college tegen boekwaarde aan de rechtsopvolger worden overgedragen.

Artikel 9 lid 3 in de oude regeling

Artikel 13. Egalisatiereserve 1. Bij subsidieregeling of subsidieverlening kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalenderjaar verstrekte subsidie die meer dan € 125.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de Awb vormt. Het college bepaalt de omvang van de egalisatiereserve. 2. Bij (meer)jaarlijkse subsidies die meer dan € 125.000 bedragen kan het college bij de vaststelling van de subsidie toestemming verlenen aan de subsidieontvanger om het positieve verschil tussen de verleende subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten toe te voegen aan de egalisatiereserve. Dit kan slechts wanneer de subsidieontvanger alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend heeft verricht en aan alle verplichtingen opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening heeft voldaan. 3. Aanwending van bedragen vanuit de egalisatiereserve voor andere doeleinden is enkel toegestaan na vooraf verkregen toestemming van het college. 4. De besteding van de egalisatiereserve wordt jaarlijks verantwoord met het activiteitenverslag en het financieel verslag van het jaar waarop de subsidievaststelling betrekking heeft. De egalisatiereserve wordt als een aparte reserve in de boekhouding van de instelling opgenomen en beheerd.

Artikel 11 Verantwoording

5. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Artikel 14. Verantwoording

11

Voor zover dit niet is bepaald in deze verordening en bij subsidieregeling, wordt bij verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

1. Voor zover dit niet is bepaald bij deze verordening en/of een subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden. 2. Als een subsidieontvanger meerdere subsidies van het college ontvangt, dan kan het college de verantwoordingsregels toepassen die gelden voor het totaalbedrag van alle subsidies.

Artikel 12 Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000 1.Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college direct vastgesteld. 2.Bij vaststellingsbeschikking kan de aanvrager worden verplicht om aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 13 Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 100.000 1.Bij subsidies van meer dan € 5.000 doch ten hoogste € 100.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a. in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b. in andere gevallen uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

Artikel 15. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000 1. Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college direct vastgesteld of verleend. Bij subsidieregeling wordt hier nadere invulling aan gegeven. 2. Als bij verleningsbeschikking de aanvrager wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen 12 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt. 3. In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 5.000 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie. Artikel 16. Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 125.000 1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 125.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a. in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b. in andere gevallen uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

2.De aanvraag tot vaststelling bevat: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;

a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

12

b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden baten en lasten door middel van een financieel verslag met toelichting of een jaarrekening, conform het bepaalde in de verleningsbeschikking. 3.Bij subsidieregeling dan wel bij verleningsbeschikking kunnen andere gegevens worden verlangd. Artikel 14 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 100.000 1.Bij subsidies van meer dan € 100.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a.in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b.in andere gevallen uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. Bij subsidies van € 100.000 of meer per kalenderjaar is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing. 3. Overeenkomstig afdeling 4.2.8 van de Awb bevat de aanvraag tot vaststelling:

b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden baten en lasten door middel van een financieel verslag met toelichting of een jaarrekening, conform het bepaalde in de verleningsbeschikking. 3. Bij subsidieregeling of bij verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden gesteld of kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Artikel 17. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 125.000 1. Bij subsidies van meer dan € 125.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a. in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b. in andere gevallen uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. Overeenkomstig afdeling 4.2.8 van de Awb bevat de aanvraag tot vaststelling: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

a.een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;

b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden baten en lasten door middel van een financieel verslag met toelichting of een jaarrekening, conform het bepaalde in de verleningsbeschikking;

b.een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden baten en lasten door middel van een financieel verslag met toelichting of een jaarrekening, conform het bepaalde in de verleningsbeschikking;

c. de balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

c.een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant en overeenkomstig de artikelen 4:78 en 4:79 van de Awb. 4.

d. een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant, overeenkomstig de artikelen 4:78 en 4:79 van de Awb. 3. Het college kan bepalen dat in plaats van een controleverklaring, zoals opgenomen in lid 2 onder d, kan worden volstaan met een samenstellingsverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant. 13

Bij subsidieregeling dan wel bij verleningsbeschikking kunnen andere gegevens worden verlangd. 5. Bij subsidieregeling kan het college een controleprotocol vaststellen voor subsidies van meer dan € 100.000 per kalenderjaar.

4. Bij subsidieregeling of bij verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden gesteld of kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 5. Bij subsidieregeling kan het college een controleprotocol vaststellen voor (meerjarige) subsidies van meer dan € 125.000 per kalenderjaar.

Artikel 16 Subsidievaststelling 1.Het college stelt de subsidie vast binnen 12 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

Artikel 18. Subsidievaststelling 1. Het college stelt een subsidie binnen 12 weken na de ontvangst van een volledige aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

2.Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid en 14, eerste lid, is gedaan, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen.

2. De termijn als bedoeld in het vorige lid kan eenmaal voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd.

3.Indien de subsidieontvanger de aanvraag tot vaststelling niet of niet volledig binnen de hiervoor bepaalde termijn indient, kan het college overgaan tot lagere vaststelling.

3. Bij subsidieregeling kunnen bepaalde activiteiten of categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. 4. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 15, tweede lid, 16, eerste lid en 17, eerste lid, is ingediend of volledig is, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan zij overgaan tot ambtshalve vaststelling. Hoofdstuk V Overig en slotbepalingen

Artikel 15 Onderzoek 1.Het college controleert de getrouwheid van de in artikel 12, 13 en 14 bedoelde gegevens en kan aanvullend onderzoek (laten) verrichten om een oordeel te krijgen de rechtmatigheid van besteding van de toegekende subsidie en de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 19. Onderzoek 1. Het college controleert de getrouwheid van de in hoofdstuk IV van deze verordening bedoelde gegevens en kan aanvullend onderzoek (laten) verrichten om een oordeel te krijgen de rechtmatigheid van besteding van de toegekende subsidie en de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde voorwaarden en verplichtingen.

2.De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan een controle zoals bedoeld in dit artikel en verleent inzage in de boekhouding. Hoofdstuk III Overig Artikel 17 Garantie

2. De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan een controle zoals bedoeld in dit artikel en verleent inzage in de boekhouding. Opgenomen in artikel 2 14

Indien een subsidie verstrekt wordt in de vorm van een garantie, is deze verordening van toepassing. Artikel 18 Reserves 1.Voor subsidieontvangers is het niet toegestaan om te beschikken over reserves dan wel met subsidiemiddelen reserves te vormen, met uitzondering van reserves die noodzakelijk zijn voor een bestendige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 20. Reserves 1.Voor subsidieontvangers is het niet toegestaan om te beschikken over reserves dan wel met subsidiemiddelen reserves te vormen, met uitzondering van reserves die noodzakelijk zijn voor een bestendige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

2.Bij subsidieregeling dan wel bij verleningsbeschikking bepaalt het college de omvang van de reserves als bedoeld in het vorige lid.

2.Bij subsidieregeling dan wel bij beschikking bepaalt het college de omvang van de reserves als bedoeld in het vorige lid.

Artikel 19 Vergoeding van met subsidie behaald vermogensvoordeel 1.In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb is de subsidieontvanger aan het college een vergoeding verschuldigd die bij afzonderlijke beschikking wordt vastgesteld.

3. Dit artikel is niet van toepassing op de egalisatiereserve, zoals bedoeld in artikel 13. Toegevoegd aan artikel 12 bijzondere verplichtingen

2.Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding verschuldigd is, met dien verstande dat in geval van ontvangst van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat aan de subsidieontvanger daartoe wordt uitgekeerd. 3.Indien het onroerende zaken betreft, wordt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige verricht. 4.Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen waarin de activiteiten door een derde partij worden voortgezet en de activa en passiva van de subsidieontvanger met toestemming van het college tegen boekwaarde aan de derde partij worden overgedragen. Artikel 20 Tarieven en kostenbegrippen Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 21. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de aanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze.

15

Artikel 21 Hardheidsclausule 1.Het college kan deze verordening, met uitzondering van de artikelen 2, 3 en 4, in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen. 2.Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.

2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities. 3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. Artikel 22. Hardheidsclausule 1. Als een bij of krachtens verordening gestelde termijn voor een aanvrager of ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de te dienen belangen, kan het college hiervan in het voordeel van de aanvrager of ontvanger afwijken. 2. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een aanvrager of ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen. 3. Toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 22 Intrekking en inwerkingtreding 1.De Algemene Subsidie Verordening Nieuwegein wordt ingetrokken. 2.Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Artikel 23 Overgangsrecht 1.Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om subsidieverlening is ingediend, maar waarop nog niet tot subsidieverlening of afwijzing is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

Artikel 23. Slotbepalingen 1. De Algemene Subsidieverordening Nieuwegein 2015 wordt ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3. Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 1 januari 2026 zijn de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Nieuwegein 2015 van toepassing. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2026. Zie artikel 23

2.Ten aanzien van aanvragen waarbij voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening is beslist en de subsidie is verleend, blijven de bepalingen van de verordening of de regeling op grond waarvan die subsidie is verleend, van toepassing.

16

3.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Algemene Subsidie Verordening Nieuwegein wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 24 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Nieuwegein 2015

Zie artikel 23

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=e32d79fb-fc9f-44e6-a12c-124c49c7cf00