2024-233 Bijlage 2- Protocol bij (vermoedens van) integriteitsschendingen raadsleden
Tekst van het document
2024-233 Bijlage 2 Bijlage 2 Protocol bij (vermoedens van) integriteitsschendingen raadsleden Artikel 1 Algemeen 1. Dit protocol beschrijft hoe om te gaan met (vermoedens van) integriteitsschendingen door de raadsleden. Dit protocol is vastgesteld door de raad en maakt onderdeel uit van de Gedragscode integriteit raadsleden gemeente Nieuwegein 2024. 2. In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, vindt bespreking plaats in het presidium van de raad. 3. Het protocol is openbaar en via de gemeentelijke website te raadplegen. Raadsleden ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van het protocol. Artikel 2 Het bespreken van integriteitskwesties 1. Als een raadslid twijfelt of een handeling die hij wil verrichten of nalaten een overtreding van de gedragscode zou kunnen zijn, wint hij advies in bij de griffier en/of de burgemeester. 2. Bij twijfel over het handelen van een ander is het uitgangspunt dat een raadslid eerst betrokkene daarop aanspreekt. Daar wordt alleen van afgeweken als het om een vermoeden van een ernstige schending gaat en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als het betreffende raadslid op de hoogte gesteld wordt. 3.
Wanneer de ander na het aanspreken zijn handelen niet feitelijk corrigeert of het vermoeden blijft bestaan dat de gedragscode wordt overtreden, is melding van het vermoeden van schending de vervolgstap. Artikel 3 Melding en vooronderzoek bij vermoedens van schendingen door een raadslid 1. Als een raadslid vermoedt dat een regel van de gedragscode wordt overtreden door een andere raadslid, dan meldt hij dat, door tussenkomst van de griffier, bij het presidium. Het presidium neemt de melding in behandeling. 2. Als het presidium vermoedt dat een regel van de gedragscode wordt overtreden door een raadslid, dan verricht hij hiernaar vooronderzoek. Hij kan hierbij te rade gaan bij de burgemeester, de griffie en/of een externe adviseur. 3. Het presidium meldt het voornemen tot een vooronderzoek bij de melder en de fractievoorzitters van de raad. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid. 4. Ook het betreffende raadslid wordt op de hoogte gesteld van het vooronderzoek naar een vermeende schending. Daar wordt alleen van afgeweken als het om een vermoeden van een ernstige schending gaat en eventueel vervolgonderzoek in gevaar komt als de verdachte ambtsdrager op de hoogte gesteld wordt. 5. Van de bevindingen uit het vooronderzoek wordt een rapport gemaakt. 6.
De melder, de betrokkene en de fractievoorzitters worden op hoofdlijnen geïnformeerd over de uitkomsten van het vooronderzoek.
Artikel 4 Feitenonderzoek bij vermoedelijke schendingen door een raadslid 1. In het geval er een concreet vermoeden is dat er een regel van de gedragscode is overtreden door een raadslid, geeft het presidium opdracht hiernaar onderzoek te verrichten. 2. Het presidium meldt het voornemen tot een feitenonderzoek bij de melder, de betrokkene, de fractievoorzitters van de raad. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid. 3. De opdracht wordt gegeven aan een interne of externe onderzoekscommissie. 4. Een interne onderzoekscommissie bestaat minimaal uit de burgemeester en de griffier. Ter ondersteuning kunnen zij ambtenaren en/of raadsleden aanwijzen. Aan de commissie kunnen externe deskundigen worden toegevoegd. 5. Als de afstand tussen de interne onderzoekers en de betrokkene te klein is om voldoende objectief onderzoek te garanderen, wordt een externe onderzoekscommissie ingesteld. 6. Een externe onderzoekscommissie bestaat uit personen buiten de organisatie. Artikel 5 Kennisgeving aan betrokkene 1. Het betrokken raadslid wordt over het instellen van een feitenonderzoek op tijd per brief geïnformeerd. 2. In de brief is in ieder geval opgenomen: a. een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot instelling van het onderzoek; b. de melding dat betrokkenen en getuigen kunnen worden gehoord; c.
de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsbreuk, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden. Artikel 6 Horen van betrokkene en getuigen 1. Het betrokken raadslid en getuigen kunnen worden gehoord. 2. De gesprekken worden gehouden door minimaal twee personen. 3. Er wordt een gespreksverslag opgemaakt en ondertekend door de onderzoekers en de getuige/betrokkene. 4. De gehoorde krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het verslag. 5. Als de gehoorde weigert te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het verslag. Als de gehoorde dat wil, wordt er een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gehoorde bij het verslag gedaan. Artikel 7 Aangifte 1. Als er vermoeden is van een misdrijf door een raadslid, doet het presidium in overleg met de fractievoorzitters (door tussenkomst van de vicevoorzitter van de raad) aangifte bij de politie. 2. Vanaf dat moment wordt alle informatie voorgelegd aan de politie eventueel na overleg met de officier van justitie.
Artikel 8 Onderzoeksrapportage bij schendingen door een raadslid 1. De onderzoeksrapportage wordt door het presidium aangeboden aan de fractievoorzitters, zodat zij als eerste kennis kunnen nemen van de rapportage. Allen betrachten discretie en prudentie ten aanzien van deze informatie en treden hiermee niet in openbaarheid. 2. Daarna wordt het rapport (binnen de mogelijkheden van de wetgeving ten aanzien van openbaarheid van bestuur en privacybescherming) toegezonden aan de raad. De rapportage bevat alle informatie die nodig is om een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van integriteitsschending. 3. De raad beoordeelt of het rapport aanleiding geeft om aangifte te doen of een motie in te dienen. Artikel 9 Communicatie en openbaarheid 1. De burgemeester zorgt voor de interne en externe communicatie. Hierbij wordt afhankelijk van de situatie afgestemd met fractievoorzitters en/of het Openbaar Ministerie. 2. In de communicatie geldt de wetgeving ten aanzien van openbaarheid van bestuur en privacybescherming als juridisch kader.