2024-129 Bijlage 4 Blokhoeve Blok West_Toelichting
Tekst van het document
Uitsnede uit Kaartbijlage 5 bij het rapport Cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Nieuwegein: Waardering van historisch cultuurlandschap en prestedelijk landschap. Het oranje gebied heeft een hoge waarde.
29
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
Uitsnede uit Kaartbijlage 6 bij het rapport Cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Nieuwegein: Waardering van historische bouwkunst en stedenbouw. De boerderij heeft een gele kleur wat overeenkomt met categorie K3: positieve/beeldondersteunende kwaliteit.
Conclusie Binnen het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig. De beoogde ontwikkelingen geven dan ook geen onevenredige belemmering voor de aanwezige historische stedenbouwkundige of geografische karakteristieken in het plangebied en omgeving. 4.2.6
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit is in lijn met het Europese Verdrag van Malta. Eind 2012 is een Beleidsnota archeologie opgesteld voor de gemeente Nieuwegein. Binnen deze nota is een beleidsadvieskaart opgenomen. Onderzoeken Op basis van eerder uitgevoerd bureauonderzoek en twee booronderzoeken geldt in twee deelgebieden in het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de perioden Bronstijd tot Nieuwe tijd. Daarom is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 16. Na dit onderzoek is de situatie in de bodem niet veranderd. Het onderzoek is valide. Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten.
30
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
In het onderzoeksgebied zijn 10 proefsleuven aangelegd (in totaal 850 m²; 8% van het onderzoeksgebied). Tijdens het proefsleuvenonderzoek is in het noordwestelijk deel gebied een verkavelingssysteem uit de Romeinse tijd aangetroffen en in het zuidelijke deel gebied een restgeul aanwezig is. De aangetroffen greppels uit de Romeinse tijd diende waarschijnlijk voor de ontwatering van het gebied. De greppels ontwaterde waarschijnlijk in de restgeul die door het plangebied liep en waarvan waarschijnlijk een aftakking in het zuidelijke deelgebied is aangetroffen. De grondsporen (greppels en paalsporen) zijn aangetroffen in de top van de oeverafzettingen en komafzettingen op circa 80-120 cm - Mv (0,5 - 0,0 m + NAP). Daarnaast zijn vondsten gedaan van keramiek en keramisch bouwmateriaal uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd en handgevormd en gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd. De sporen en vondsten uit de Romeinse tijd zijn samen als vindplaats gewaardeerd. Op basis van deze waardestelling is de vindplaats niet behoudenswaardig bevonden omdat onze verwachting is dat vervolgonderzoek in het plangebied geen kenniswinst gaat opleveren. Selectieadvies Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardestelling is de aangetroffen vindplaats van een verkavelingssysteem uit de Romeinse tijd niet behoudenswaardig bevonden.
Er wordt geadviseerd het onderzoeksgebied daarom vrij te geven voor de verder ontwikkelingen. Dit is een selectieadvies. Op basis van dit selectieadvies neemt de gemeente Nieuwegein een selectiebesluit. Conclusie In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische waarden (het noordwestelijk deel gebied een verkavelingssysteem) beschermd door middel van een dubbelbestemming.
4.3
Milieu
4.3.1
Geluid (weg- en tramverkeer)
Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van woningen. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als geluidgevoelige gebouwen. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. De nieuwe woningen worden gebouwd op een geluidbelaste locatie. Voor het bepalen van de geluidbelasting zijn de volgende geluidbronnen relevant: Wegverkeer: Symfonielaan, A.C. Verhoefweg, Vlierhoeve, Middelhoeve, Blokhoeve. Railverkeer: trambaan Utrecht – IJsselstein / Nieuwegein. De nieuwbouw ligt binnen de van toepassing zijnde geluidzones. Daarom moet de geluidbelasting onderzocht worden. Uit akoestisch onderzoek (zie bijlage 14) blijkt dat vanwege zowel de Symfonielaan als de A.C. Verhoefweg de voorkeurswaarde niet wordt overschreden. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting maximaal 48 en 45 dB is vanwege respectievelijk de Symfonielaan en de A.C. Verhoefweg. Voor de wegen zijn er vanuit de Wet geluidhinder geen bezwaren tegen de nieuwbouw. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de trambaan hoger is dan de voorkeurswaarde van 55 dB. De overschrijding vindt alleen plaats op de zuidgevel van het zuidelijke woongebouw (4 bouwlagen, 4 woningen per bouwlaag). De geluidbelasting is maximaal 58 dB. De overschrijding van de voorkeurgrenswaarde bedraagt maximaal 3 dB.
De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Bij dit project zijn geluidbeperkende maatregelen geen optie. De maatregelen zijn niet doeltreffend genoeg en kennen technische, financiële en stedenbouwkundige bezwaren. Voor het plan zijn voor 16 woningen hogere waarden nodig voor het geluid door de trambaan. Bij het vaststellen van hogere waarden past de gemeente Nieuwegein het door haar vastgestelde hogere waarden beleid Wet geluidhinder toe. Dat heeft onder ander betrekking op de aanwezigheid van geluidluwe
31
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
gevels en de indeling van woningen. Al deze woningen hebben voor het geluid door verkeer een geluidluwe gevel aan de west-, noord- en/of oostzijde. 4.3.2
Bedrijven en milieuzonering
Milieuaspecten worden weliswaar geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan met name om de situering ten opzichte van milieuhinderlijke inrichtingen. Om te bepalen welke afstanden dienen te worden aangehouden, is de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geraadpleegd. In deze brochure staan richtafstanden van bedrijven tot bebouwing aangegeven. Bezien moet worden of de nieuwe ontwikkelingen in het plangebied worden beperkt door bedrijvigheid in de omgeving (en omgekeerd). Voor wat betreft de bepalende inrichtingen gelden de volgende richtafstanden voor (onder meer) geluid: NBC, SBI code 9004, categorie 2: 30 meter van de grens van de inrichting. Bowling Franky's, SBI code 931B, categorie 2: 30 meter van de grens van de inrichting. (Te realiseren) fitness, SBI code 9313, categorie 2: 30 meter van de grens van de inrichting. (Te realiseren) supermarkt, SBI code 471, categorie 1: 10 meter van de grens van de inrichting. NBC De westzijde van het plangebied wordt belast door het geluid van het congrescentrum NBC. Uit onderzoek (zie bijlage 14) is gebleken dat maatregelen aan de gebouwen van het NBC (bronmaatregelen) niet haalbaar zijn.
Het geluid op de 50 grondgebonden woningen kan alleen kan worden beperkt tot de voorkeurswaarde van 50 dB(A) door het plaatsen van hoge gebouwen langs de Blokhoeve, tussen NBC en de woningen in het middengebied. Deze gebouwen zijn daarom onderdeel van het bouwplan. De 50 studio's hebben aan de zijde van de Blokhoeve een hoge geluidbelasting van 68 dB(A) (inclusief 10 dB toeslag voor muziekgeluid) door muziekgeluid van het NBC. De geluidbelasting is overeenkomstig de wettelijke regels berekend inclusief een toeslag van 10 dB voor muziekgeluid en zonder correctief voor bedrijfsduur. Vanwege deze hoge geluidbelasting wordt het hele gebouw aan de westzijde, de galerijzijde, voorzien van een glazen vliesgevel die het geluid op de bouwkundige gevel verminderd. Wanneer een geluidswerende voorziening wordt gerealiseerd, dan is het wel mogelijk om woningen te realiseren, zonder dat het bedrijf in de bedrijfsvoering wordt beperkt. In de regels is daarom een bepaling opgenomen dat woningen (en andere geluidgevoelige functies) alleen in gebruik mogen worden genomen wanneer ofwel wordt voorzien in een afschermend gebouw of bouwwerk, ofwel gevoelige functies (de 50 studio's) worden gerealiseerd met een dove gevel. Bowling De zuidoostzijde van het plangebied wordt belast door het geluid van bowlingcentrum Franky's (voorheen Chandra Bowling).
Uit onderzoek (zie bijlage 14) blijkt dat maatregelen nodig zijn om tot een aanvaardbare situatie te komen. Verschillende maatregelen zijn onderzocht om het geluid op de appartementen te verminderen, zoals het aanbrengen van geluidisolatie in en op de bowlinghal, het geheel overkappen van het bowlingcentrum en maatregelen aan de zijde van het bouwplan. Uiteindelijk is gekozen voor een combinatie van twee maatregelen. 1.
2.
Het verplaatsen van de vijf basspeakers (die boven de bowlingbanen hangen) naar de zitjes aan het begin de bowlingbanen. Hierdoor zal het voor het geluid in de omgeving bepalende basgeluid in de bowlinghal minder worden zonder afbreuk te doen aan de muzikale beleving. Vervanging van de bestaande speakers (bas en plafond) door nieuwe speakers boven de zitjes is ook een optie. Het afschermen van het geluid door het bouwen van een geluidscherm op de erfgrens. Om het geluid op de vierde bouwlaag te beperken tot de grenswaarde van 55 dB(A) is een scherm van 10 meter hoog nodig. Het scherm sluit aan op het appartementengebouw.
Uit de berekeningen blijkt dat het geluid op de derde bouwlaag niet hoger is dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). Bij de appartementen achter het bowlingcentrum is het geluid op de vierde bouwlaag wel hoger dan 50 dB(A) maar (afgerond) nergens hoger dan de grenswaarde van 55 dB(A).
32
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
Op kopse gevel van het appartementengebouw naast het bowlingcentrum is de geluidbelasting op de derde en vierde bouwlaag 57 dB(A) wel hoger dan 55 dB(A). De gevel moet aan deze zijde doof (zonder ramen) worden uitgevoerd. Vensters en geluidgedempte ventilatievoorzieningen zijn wel toegestaan.
Locatie geluidscherm
In de regels is daarom een bepaling opgenomen dat woningen (en andere geluidgevoelige functies) alleen in gebruik mogen worden genomen wanneer ofwel wordt voorzien in een geluidscherm en een dove gevel gerealiseerd wordt bij een geluidbelasting hoger dan 55 dB(A). Het bowlingcentrum moet ook in de toekomstige situatie kunnen voldoen aan de algemene geluidregels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit de geluidberekeningen blijkt dat op enkele gevels de geluidbelasting hoger is dan 50 dB(A), de grenswaarde van het Activiteitenbesluit. Aan het bowlingcentrum moet een zogenoemd maatwerkvoorschrift worden opgelegd waarmee die hogere geluidbelasting wordt toegestaan. Met de maatwerkbeschikkingen kunnen ook de maatregelen aan de muziekinstallatie worden geborgd. Geluid door toekomstige bedrijven in het plangebied Uit onderzoek (zie bijlage 14) blijkt dat vanwege de drie te vestigen bedrijven er sprake kan zijn van een uitvoerbaar plan in relatie tot een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. Conclusie Uit voorgaande blijkt dat na het nemen van (geluid)maatregelen er geen belemmering is voor de planontwikkeling.
33
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
4.3.3
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op activiteiten die een risico voor de omgeving met zich mee kunnen brengen. Voorbeelden zijn de productie of transport van gevaarlijke stoffen. Om ongelukken te voorkomen worden bij externe veiligheidsrisico's minimum afstanden gehanteerd van wonen, werken en recreëren tot activiteiten die een gevaar kunnen opleveren. Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit), en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: Het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt.
Het groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting etc.) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied, en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Planbeschrijving In of nabij het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Het Shell tankstation AC Verhoef. De hoge druk gasleiding W-518-03. De vaarweg Merwedekanaal. De hoge drukgasleiding A-510. Het plangebied ligt buiten de toetsingsafstanden van de eerste vier risicobronnen. Deze zijn dus niet van invloed op het plangebied. Het invloedsgebied van de hoge druk gasleiding A-510 valt wel over de planlocatie. Op deze leidingen is het besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Zie hiervoor hieronder. Daarnaast is in Nieuwegein een route voor gevaarlijke stoffen aangewezen. Van deze route zijn ontheffingen verleend voor de Symfonielaan. Het betreft ca. 20 transportbewegingen voor LPG naar het LPG tankstation aan de AC Verhoefweg.
Volgens de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport is er in deze situatie geen plaatsgebonden risico en wordt de 10% van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet overschreden. Hogedruk aardgasleiding Ten zuiden van de locatie loopt evenwijdig een hoge druk aardgasleiding (A-510, 36 inch, 66 bar). De leiding is een zogenaamde hoofdtransportleiding (HTL-leiding) en levert geen aardgas aan Nieuwegein.
34
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico ligt op de leiding en de minimale bebouwingsafstand bedraagt 5 meter. Het plaatsgebonden risico is derhalve geen belemmering. Verantwoording van het groepsrisico In het buisleidingenbesluit is bepaald dat bij ruimtelijke besluiten het groepsrisico verantwoord moet worden. Hierbij dient minimaal aangegeven te worden de personendichtheid in het invloedsgebied, de hoogte van het groepsrisico, maatregelen ter beperking van het groepsrisico, andere mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico, mogelijkheden voorbereiding rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van personen. Invloedsgebied Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 430 meter aan weerszijden van de leiding. Het gebied van 100%-letaliteit 180 meter. Het bebouwde deel van het bestemmingsplan ligt op 50 tot 440 meter van de gasleiding. Risicoberekening en hoogte groepsrisico Eind 2021 is een risicoberekening uitgevoerd. De uitgangspunten van het onderzoek zijn nagenoeg ongewijzigd en daarmee is de berekening valide. Uit de risicoberekening van Arcadis (zie bijlage 17) blijkt dat zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie de fN-curve voor leiding A-510 onder de oriëntatiewaarde blijft.
In de huidige situatie is de maximale overschrijdingsfactor voor leiding A-510 gelijk aan 0.315 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 1940.00 en stationing 2940.00. In de toekomstige situatie is de maximale overschrijdingsfactor voor leiding A-510 gelijk aan 0.232 en correspondeert met die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 1960.00 en stationing 2960.00. Ten opzichte van in de huidige situatie neemt het hoogste groepsrisico per kilometer leiding A-510 in de toekomstige situatie af als gevolg van de sloop van de objecten Heidehal en Klimhal en de uitvoering van het ontwerp voor ontwikkellocatie Blok West. Ten opzichte van in de huidige situatie verschuift de kilometer leiding A-510 met het hoogste GR in de toekomstige situatie 20 meter richting het westen. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie ligt de kilometer leiding A-510 met het hoogste GR ter hoogte van ontwikkellocatie. Maatgevend scenario Grondroeren, het verrichten van grondwerkzaamheden door derden in de nabijheid van deze leiding, is de voornaamste risicofactor. Door breuk of beschadiging van de leiding vindt uitstroming van gas onder hoge druk plaats. Directe ontsteking van het ontsnapte gas bij een breuk resulteert in een vuurbal gevolgd door een brandende verticale fakkel (jet) van enkele honderden meters.
Deze kan zoveel warmtestraling afgeven dat tot een effectafstand van 180 meter (1e ring) onherstelbare schade optreedt en branden veroorzaakt. Tot 430 meter kunnen secundaire branden optreden (2e ring), tot 810 m is er geen of lichte schade. De geplande woningen in het plangebied vallen hiermee binnen de 1e en 2de ring waardoor bij een incident met de hogedruk aardgasleiding gewonden te verwachten zijn met (zware) brandwonden en mogelijk dodelijke slachtoffers. Rampenbestrijding Het aardgas dat door het transportleidingennet getransporteerd wordt is geurloos, al zijn eventuele kleine verontreinigingen meestal wel te ruiken. Daardoor kan bij een klein gat (ponsgat tot ca. 20 mm) het enige tijd duren voordat de lekkage ontdekt wordt. Bij een dergelijke lekkage zal de druk in het buisleidingensysteem niet noemenswaardig veranderen waardoor zowel de leidingbeheerder als afnemer niets significants opmerken. Wanneer lekkage ontdekt wordt en de melding binnenkomt bij de brandweer, politie of leidingbeheerder (Gasunie) zullen deze de relevante instanties alarmeren en zich naar de plaats van het incident begeven. Als de veiligheid in het geding is zal de Gasunie starten met het inblokken van de leiding. De Gasunie beschikt over een 24-uurs wachtdienst, waarvan de deskundige zich zo snel mogelijk ter
35
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
plaatse begeeft om de situatie te beoordelen. De opkomsttijd kan 0,5 tot 2,5 uur bedragen, maar tijdens het aanrijden is deze wel telefonisch beschikbaar. Ook heeft de Gasunie een “SOS-contract” met een gespecialiseerde firma voor het leveren van specialistisch materieel en deskundigheid tijdens een incident. Dit bronbestrijdingsteam heeft onder andere als taak het lek te beheersen. In geval een incident is geëscaleerd tot een fakkelbrand kan als gevolg van de hittestraling de brandweer niet optreden in de 1e ring en nauwelijks optreden in de 2de ring. In de 2de ring zal de brandweer zich beperken tot een eventueel redden van slachtoffers zover dit mogelijk is, brandbestrijding is nauwelijks mogelijk. Hoofdzakelijk zal de brandweer zich, tot de gastoevoer is afgesloten door de Gasunie, richten op verdere uitbreiding voorkomen van branden vanaf de 3de ring. Pas na het afsluiten van de gastoevoer kan de brandweer de 1ste en 2de ring goed betreden om aanwezige branden te blussen en eventuele slachtoffers te redden. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire (brandkranen) als ook secundaire (geboorde put) of tertiaire (open water), om branden te kunnen bestrijden. In afstemming met de Veiligheidsregio zal de gemeente voor voldoende voorzieningen zorgen.
Zelfredzaamheid Onder zelfredzaamheid wordt de mogelijkheid verstaan om zichzelf in geval van een incident tijdig in veiligheid te kunnen brengen. Dat wil zeggen dat omwonenden en ook medewerkers zonder hulp van hulpdiensten op een plaats weten te komen waar zij de schadelijke effecten niet ondervinden. Aard en aantal van de ontsluitingswegen in het plangebied is voldoende te noemen. In het plangebied komen geen objecten met verminderde zelfredzaamheid voor (zoals bejaardentehuizen of kinderdagverblijven). In geval van een lekkage is het mogelijk het plangebied te ontvluchten indien het falen van de leiding tijdig herkend wordt. Op het moment dat een lekkage of breuk van de leiding resulteert in een fakkelbrand hebben de aanwezigen binnen de 1ste ring echter nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling, personen die buiten zijn hebben geen overlevingskans. Personen die binnen verblijven hebben de grootste overlevingskans wanneer zij binnen blijven en zich zoveel mogelijk beschermen tegen hittestraling. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico De beste beheersmaatregel om de risico's van de hogedruk aardgasleiding voor de burgers te beheersen is om ervoor te zorgen dat een incident als gevolg van schade aan de leiding zoveel mogelijk wordt uitgesloten.
Ter bescherming van hogedruk aardgasleidingen zijn speciale kunststof beschermingsplaten ontwikkeld waarop een waarschuwingstekst staat. De Gasunie heeft in 2015 en 2016 over de hele lengte van de leiding in plangebied Blokhoeve kunststof beschermingsplaten boven de gasleiding aangebracht. Het groepsrisico is hierdoor afgenomen tot ruim onder de oriëntatiewaarde. Voor de meldingen en aanvragen voor vergunningen voor de openbare ruimte beschikt Nieuwegein over een geautomatiseerd systeem. Dit systeem is in samenwerking met de Gasunie zodanig ingericht dat deze maximaal ingezet kan worden om tijdig werkzaamheden nabij de gasleiding te signaleren. Met deze beheersmaatregelen wordt het risico op een incident dusdanig laag dat overige beheersmaatregelen niet verder noodzakelijk zijn. Dit is ook het advies van de Veiligheidsregio. Voor- en nadelen van andere ruimtelijke ontwikkelingen met lager risico Door de ontwikkeling neemt het groepsrisico af. Een alternatieve ruimtelijke ontwikkeling is derhalve niet aan de orde. Conclusie Uit voorgaande blijkt dat na het nemen van maatregelen het groepsrisico niet toeneemt als gevolg van de planontwikkeling.
Gezien de hoogte van het groepsrisico, de zeer kleine kans dat een incident met dodelijke slachtoffers zich voordoet, en de genomen maatregelen acht de gemeente het groepsrisico als gevolg van de planontwikkeling acceptabel en het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de planontwikkeling
36
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
4.3.4
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het Besluit Nibm.
In het Besluit Nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In het bestemmingsplan Blokhoeve 2012 is reeds bepaald dat voor de totale ontwikkeling sprake is van NIBM. 4.3.5
Bodem
Bij nieuwe ruimtelijke plannen dient te worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt daarbij is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en de bodemkwaliteit niet verslechterd door grondverzet. In 2019 is verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is na te lezen in Bijlage 15, onderstaand de conclusies uit het rapport. Het gebruik van de bodem is niet veranderd, ook hebben er geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Het bodemonderzoek is daarmee nog valide. Zintuiglijke waarnemingen Ter plaatse van boorpunt 05 en 11 zijn in de bovengrond vanaf het maaiveld tot circa 0,5 m-mv zwak tot matige bijmengingen aan baksteen aangetroffen. Boorpunten 21, 22, 23, 24 en 25 betreffen de tennisbanen, bestaande uit een toplaag van gravel, met daaronder lavalith, zand en een doek. Ter plaatse van boorpunt 26 en 27 zijn in de bovengrond vanaf het maaiveld tot maximaal 1,0 m-mv zwak tot matige bijmengingen met gravel aangetroffen. Deze boringen zijn gelegen naast de tennisbanen, wat de aanwezigheid van de gravel in de bodem verklaart. In de resterende boringen zijn in de boven- en ondergrond geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen.
Tevens zijn op het maaiveld of in de opgeboorde grond zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Grond In de grondmengmonsters van de zintuigelijk onverdachte boven- en ondergrond zijn ten hoogste enkele licht verhoogde gehalte aan metalen gemeten. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarde (AW2000-waarden) en geven geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek. De licht verhoogde gehalten hangen waarschijnlijk samen met lokaal verhoogde achtergrondwaarden in het gebied. In het grondmonster met daarin bijmengingen aan baksteen zijn geen van de onderzochte stoffen in verhoogde gehalten gemeten. Er zijn derhalve geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bodemverontreinigingen in de vaste grond van de onderzoekslocatie uit het uitgevoerde onderzoek naar voren gekomen. Aangezien in het bebouwde deel niet in het bodemonderzoek is meegenomen, zal het betreffende terreindeel na sloop alsnog worden onderzocht conform de NEN 5740. De nieuwe stoffengroep PFAS wordt
37
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
in de bodem van Nieuwegein in lage concentraties (achtergrondbelasting) gemeten. Dit geldt overigens voor diverse locatie in heel Nederland. Er moet bij grondverzet rekening worden gehouden dat ten aanzien van PFAS strenge kwaliteitseisen gelden, waardoor afzetmogelijkheden van grond zeer beperkt zijn. Lokale overheden werken aan mogelijkheden voor de afzet van grond, zodat dit ruimtelijke ontwikkelingen niet in de weg staat. Grondwater In de grondwatermonsters van alle peilbuizen zijn licht verhoogde concentraties aan barium gemeten. De verhoogde concentraties aan barium hangen waarschijnlijk samen met lokaal verhoogde achtergrondwaarden. In het grondwatermonster uit peilbuis 15 zijn daarnaast ook licht verhoogde concentraties aan zink en naftaleen gemeten. De aangetoonde concentraties overschrijden de betreffende streefwaarden en geven geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek. Waterbodem In de waterbodem aan zuidzijde van het onderzoeksgebied (MM-SLIB-VAK1) zijn verhoogde gehaltes aan zink en minerale olie aangetroffen. De aangetoonde gehaltes overschrijden de betreffende achtergrondwaarde (AW2000-waarden) maar geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek. De sliblaag wordt beoordeeld als klasse industrie (bij toepassing op of in de bodem), klasse A (bij toepassing in oppervlaktewater) en is verspreidbaar op aangrenzende percelen.
In de waterbodem aan de noordzijde van het onderzoeksgebied (MM-SLIB-VAK2) zijn verhoogde gehaltes aan diverse metalen, PAK, en minerale olie aangetroffen. De aangetoonde gehaltes overschrijden de betreffende achtergrondwaarde (AW2000-waarden) maar geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek. De sliblaag wordt beoordeeld als klasse niet-toepasbaar (bij toepassing op of in de bodem), klasse B (bij toepassing in oppervlaktewater) en is verspreidbaar op aangrenzende percelen. Verharding tennisbanen Op basis van het indicatieve samenstellings- en uitloogonderzoek kan het lavalith dat als fundering van de tennisbanen aanwezig is op locatie in aanmerking komen voor hergebruik als niet vormgegeven bouwstof. Conclusie onderzoek Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. Gegeven de in dit rapport beschreven onderzoeksresultaten, is er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar voor de beoogde bestemmingswijzigingen. Aanvullende gegevens voor de locatie van de nog te slopen bebouwing volgen in een later stadium en zullen bij de aanvraag omgevingsvergunning(en) ter beoordeling worden bijgevoegd.
Bij aanvragen van een omgevingsvergunning kan aanvullend bodemonderzoek worden verlangd omdat daarvoor andere eisen worden gesteld dan bij het onderbouwen van een grootschalige gebiedsontwikkeling. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.6
Lichthinder
De kant van het klim- en bergsportcentrum heeft een licht doorlatende gevel naar de woningen. Om lichthinder op de woningen te voorkomen heeft de Nederlandse stichting voor Verlichtingskunde richtlijnen opgesteld voor lichtuitstraling (Richtlijn lichthinder 2020). In overeenstemming met de Richtlijn Lichthinder 2020 is voor het onderhavige project onderzocht voor het bergsportcentrum aan welke grenswaarden ten aanzien van de verticale verlichtingssterkte, de lichtsterkte per armatuur binnen het zichtveld, en de luminantie van de gevels moet worden voldaan, zie bijlage 18. De omgeving van het bergsportcentrum kan gekarakteriseerd worden als "Gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid. In het algemeen stedelijke (woon)gebieden" (omgevingszone E3). Voor dergelijke gebieden is in de Richtlijn Lichthinder een grenswaarde opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte Ev
38
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
op relevante geveldelen c.q. vensteropeningen van woningen van 10 lx in de dag- en avondperiode (tussen 07:00 en 23:00 uur) en van 2 lx in de nachtperiode (tussen 23:00 en 07:00 uur). Hoewel het de verwachting is dat deze waarden niet overschreden zullen worden omdat de binnen toegepaste armaturen recht naar beneden gericht zullen zijn wordt geadviseerd om lichtdichte raambekleding toe te passen zoals bijvoorbeeld (buiten- of binnen-) zonwering in de vorm van (witte) horizontale lamellen of een niet lichtdoorlatend doek, welke gekoppeld is aan een tijd- of schemerschakelaar zodat deze automatisch sluit als het donker wordt. Het gevolg hiervan is dat de lichtemissie vanuit het gebouw nagenoeg geheel uitgesloten wordt en ook de helderheid (L) van de gevels met ramen tot nihil gereduceerd wordt. Daarnaast geldt voor de lichtsterkte per armatuur(groep) in het zichtveld van omwonenden voor de dag- en avondperiode een richtwaarde grenzend tussen de 2.500 en 10.000 cd. Hierbij is de richtwaarde afhankelijk van de afstand van de omwonende tot het armatuur en van de schijnbare oppervlakte van het armatuur, gezien vanuit de omwonende. Voor de nachtperiode is een richtwaarde opgenomen tussen 600 en 1.000 cd. Op dit moment is er geen aanvullende buitenverlichting en lichtreclame in het project voorzien en ook zullen de gevels niet aangestraald worden met licht.
Derhalve hoeft aan dit criterium niet getoetst te worden. 4.3.7
Windklimaat
In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling noodzakelijk. In de in 2006 uitgekomen NEN 8100 wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter > windonderzoek nodig; beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 m > deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is; onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m > deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is. Gezien de geplande bouwhoogte van circa 19 meter is een windklimaatonderzoek uitgevoerd.
Het onderzoek richt zich op de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande bebouwing van het blok met 50 appartementen aan de westzijde van het plangebied. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 19. De normen en uitgangspunten zijn niet veranderd in de afgelopen periode. Het onderzoek is valide. Uit het windklimaatonderzoek blijkt dat rondom de geplande bebouwing op de meeste plaatsen een goed windklimaat te verwachten is. Indien het gebouw gerealiseerd wordt voordat de omringende gebouwen uitgevoerd worden, kan een tijdelijke situatie ontstaan waarbij er bij de hoeken van het gebouw een lokaal mogelijk matig windklimaat aanwezig is. Ter plaatse van de onderdoorgang, is het te verwachten windklimaat op een aantal punten lokaal matig voor doorlopen en daarmee slecht voor slenteren. De doorgang kan dan ook als tochtig ervaren worden. Ter plaatse van de entree in de noodgevel van de doorgang is het windklimaat matig voor slenteren (groen in de figuur). Er wordt geadviseerd het windklimaat bij deze entree te verbeteren door de entree wat verdiept in de gevel uit te voeren of het plaatsen van een scherm aan de westzijde van de entree. Er is geen overschrijding van het criterium voor windgevaar of een beperkt risico op windgevaar te verwachten. Conclusie Ontwikkelingen die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, vormen geen directe
39
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
belemmeringen ten aanzien van een goed windklimaat. Echter, de onderdoorgang aan de westzijde van het plangebied kan als tochtig worden ervaren. Bovendien wordt er bij het blok met 50 appartementen geadviseerd de entree wat verdiept uit te voeren of een scherm aan de westzijde van de entree te plaatsen. Ten slotte dient er bij gebouwontwerp in geval van hoogbouw rekening te worden gehouden met dit aspect en kan er om een aanvullend windonderzoek worden gevraagd. Dit is opgenomen in de planregels. 4.3.8
Radarverstoring
Er dient rekening te worden gehouden met de verstoringen van radarstations voor vliegverkeer. De verstoring is bij een bouwhoogte van meer dan 90 meter een aandachtspunt. Het project dat nu aan de orde is kent een maximale bouwhoogte van ca. 20 meter. Radarverstoring is dan ook niet aan de orde, waardoor dit aspect geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.9
Kabels en leidingen
Binnen het plangebied, dan wel in de nabij omgeving zijn geen kabels of leidingen aanwezig die aanwezige functies en ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied belemmeren. 4.3.10
Milieueffectrapportage
4.3.10.1 Wettelijk kader De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r. 1.
Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk).
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2.
Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b. De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden.
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3.
Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.
Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
40
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
4.3.10.2 Onderzoek Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. Daarbij is alleen naar de ontwikkeling van dit plan gekeken. In bijlage 20 is de vormvrije mer-beoordeling opgenomen. 4.3.10.3 Resultaten Het bestemmingsplan biedt geen ruimtelijk kader voor activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Milieugevolgen ten gevolgen van deze activiteit kunnen derhalve worden uitgesloten. 4.3.10.4 Conclusie Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu. 4.3.10.5 M.e.r.-beoordelingsbeslissing Het college van Nieuwegein heeft besloten dat een project-m.e.r. in dit geval niet noodzakelijk is.
41
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
42
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Planomschrijving
Het bestemmingsplan geeft een juridisch-planologisch kader voor de realisering van Blokhoeve Zuidwest. Het bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde bestemmingen; weergegeven op de verbeelding en uit regels voor het gebruik van de gronden en de daarop te realiseren opstallen, voor zover die regels in verband met de bestemming nodig zijn. Tevens gaat het bestemmingsplan vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken, de uitkomsten van het overleg (ex artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening) en een rapportering van de inspraak zijn opgenomen. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Deze bestemmingen betreffen aanduidingen van de doeleinden waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling in de planregels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de planregels een juridische betekenis.
5.3
Regels
De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 Algemene regels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Hieronder worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. 5.3.1
Inleidende regels
In het hoofdstuk “Inleidende regels” wordt een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. Dit om zoveel mogelijk uit te sluiten dat de regels 5.3.2
Bestemmingsregels
Het hoofdstuk “Bestemmingsregels” bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemmingen is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen de bestemmingsvlakken en bouwvlakken mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht met een maximale hoogte zoals aangegeven op de verbeelding. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), naast het bestemmingsplan, wel het een en ander vergunningsvrij mag worden gebouwd. Dit wordt in het bestemmingsplan niet expliciet benoemd. Hieronder wordt per bestemming een korte toelichting gegeven. Artikel 3 Gemengd Voor de vestiging van de supermarkt en fitness is een bestemming 'Gemengd' opgenomen. Voor de toegestane voorzieningen is een lijst opgenomen in de bijlagen. Op basis van de gemaakte afwegingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zoals onder andere besproken in Hoofdstuk 4 (Planbeschrijving) van deze toelichting, is voor de supermarkt en fitness een maximale oppervlaktemaat opgenomen Artikel 4 Groen
43
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
De bestemming 'Groen' geldt voor de groene gebieden in het plangebied. Binnen deze bestemming zijn slechts kleine gebouwen voor nutsvoorzieningen of waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Artikel 5 Sport Het bergsportcentrum is voorzien van een bestemming Sport. Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de bestemming te kunnen wijzigen in Wonen. Gelet op het (akoestisch) belang van het realiseren van het gebouw en gelet het mogelijk risico van leegstaand vastgoed, is deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De uitvoerbaarheid van de woonfunctie is op hoofdlijnen verantwoord. Op voorhand zijn geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten vanuit de verschillende onderzoeksaspecten (zoals geluid en Ladder voor duurzame verstedelijking) en kan een woonfunctie een passende functie vormen in het gebied. Bij de aanvraag om gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid zal het college op dat moment een belangenafweging maken, waarbij nieuwe beleidsafwegingen tevens een rol (kunnen) spelen. Het is daarmee geen vanzelfsprekendheid dat per definitie gebruik gemaakt kan worden van de wijzigingsbevoegdheid. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' geldt voor de straten, pleinen en parkeerterreinen in de wijk. Binnen deze bestemming zijn ook ondergeschikte groenstroken toegestaan.
Artikel 7 Water De bestemming 'Water' geldt voor de singels, sloten en waterhuishoudkundige bouwwerken in het gebied. In sommige andere bestemmingen zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen als ondergeschikte elementen ook toegestaan. De gebieden met de bestemming 'Water' dienen elk geval als water te worden ingericht vanwege de waterhuishoudkundige en de ruimtelijk structurerende eigenschappen. Artikel 8 Wonen De woningen binnen het plan hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Binnen deze woonbestemming is het bestemmingsvlak tevens het bouwvlak. Hierbinnen mag de bebouwing worden gerealiseerd. De op de verbeelding aangegeven bouwregels bepalen de maximale bouwmogelijkheden in de bestemming Wonen. Vanwege geluid en parkeren zijn een aantal voorwaarden opgenomen, waaraan moet worden voldaan als er woningen worden gebouwd. Artikel 9 Waarde - Archeologie 2 Op grond van het gemeentelijk archeologisch beleid en archeologische onderzoeken is een dubbelbestemming opgenomen om de archeologische waarden te beschermen. Dit wil zeggen dat voor bouwactiviteiten boven een bepaalde omvang nader onderzoek nodig is naar de aanwezige archeologische waarden. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2.6. 5.3.3
Overige bepalingen
In het hoofdstuk 'Algemene regels' wordt in de artikelen 'Antidubbeltelregel', 'Algemene bouwregels' en 'Algemene afwijkingsregels' een aantal algemene bepalingen verwoord die onder meer de flexibiliteit van het plan vergroten. De 'Antidubbeltelregel' bepaalt dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de 'Algemene bouwregels' worden regels vermeld omtrent ondergronds bouwen. In de 'Algemene afwijkingsregels' worden enkele afwijkings- respectievelijk wijzigingsbevoegdheden aan burgemeester en wethouders toegekend die geringe afwijkingen mogelijk maken van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om het in geringe mate afwijken van het plan. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 tot slot worden de overgangs- en slotregels geformuleerd. In het artikel 'Overgangsrecht' worden regels bepaald omtrent bouwwerken, die in de bestaande situatie aanwezig zijn of mogen worden gebouwd. In de 'Slotregel' tenslotte wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald. Ten slotte is bij de regels een bijlage gevoegd. Hierin zijn de toegelaten bedrijfscategorieën aangegeven die in het plangebied toegelaten worden in de regeling van beroep en bedrijf aan huis.
44
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
45
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
46
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. De gemeente is erin geslaagd met de grondeigenaren in het plangebied een overeenkomst af te sluiten. Om die reden is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Het exploitatieplan zou een afdwingende werking van het kostenverhaal voor de grondeigenaren hebben gehad indien de gemeente er anterieur niet in was geslaagd met de grondeigenaren tot overeenstemming te komen. Op basis van de overeenstemming met de grondeigenaren kan het vaststellen van een exploitatieplan achterwege blijven en is het kostenverhaal geborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Aanwijzing ontwikkelingsgebied
Een deel van de wijk Blokhoeve, waaronder het plangebied, is aangewezen als Ontwikkelingsgebied in het kader van de Crisis- en herstelwet (Chw). Van deze aanwijzing wordt geen gebruik gemaakt, aangezien is gebleken dat de ontwikkeling kan voldoen aan de milieuvoorschriften en met een regulier bestemmingsplan mogelijk kan worden gemaakt. 6.2.2
Resultaten van inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het voorontwerpbestemmingsplan Blokhoeve Blok West heeft ter inzage gelegen van 8 maart 2022 tot en met 21 maart 2022. Gedurende deze periode kon eenieder een inspraakreactie indienen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Tevens is het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan de relevante overlegpartners. De ingediende inspraak- en vooroverlegreacties zijn in een afzonderlijke nota weergegeven en beantwoord. Deze nota is te vinden in bijlage 21. 6.2.3
Resultaten van zienswijze
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 12 december 2023 tot en met 22 januari 2024 ter inzage gelegen. Hierop zijn 17 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in een zienswijzennota beantwoord. De nota is bijgevoegd in bijlage 22. 6.2.4
Beroepsprocedure
De Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is onder meer van toepassing op besluiten ter verwezenlijking van aangewezen ruimtelijke en infrastructurele projecten (bijlage II bij de Chw) en op andere categorieën van projecten (bijlage I bij de Chw). De categorieën van projecten uit bijlage I bestaan bijvoorbeeld uit de bouw van meer dan 11 woningen, de aanleg of wijziging van hoofdwegen en de aanleg van installaties ten behoeve van duurzame energie. Gelet op het aantal woningen dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt is de Chw van toepassing. Voor de procedure die van toepassing is op de besluiten ter verwezenlijking van de genoemde projecten gelden de procedurele versnellingen die zijn opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw. Uit die afdeling volgt onder meer dat het niet mogelijk is om een pro forma beroepschrift in te dienen (wat wel gebruikelijk is in de praktijk), dat de beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen
47
bestemmingsplan Blokhoeve Blok West
worden aangevuld en dat de bestuursrechter binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak doet.
48