2024-048 Bijlage 4 Bestemmingsplan Erfstede - toelichting
Tekst van het document
Duurzaamheid
De ambitie is om van City Nieuwegein de meest duurzaamste binnenstad van Nederland te maken. Dat is een stevige ambitie, maar wel een ambitie die gerechtvaardigd is gelet op de omvang van de opgave. Met het realiseren van een groot aantal woningen in City ontstaat namelijk volume om duurzaamheidsmaatregelen rendabel te implementeren. Het voorop blijven lopen als duurzame binnenstad vergt een langlopende inspanning, waarbij nu nog niet exact aan te geven is welke maatregelen nodig zijn en op langere termijn het meest effectief zijn. Gelet op de snel opeenvolgende ontwikkelingen op het terrein van verduurzaming en transitie blijft het nodig om voortdurend maatregelen af te wegen op effectiviteit en toekomstbestendigheid. Die maatregelen die op zichzelf bij de start (nog) niet rendabel zijn moeten wellicht gestimuleerd worden met een financiële bijdrage (vanwege bijvoorbeeld onrendabele toppen, risicoprofiel, onderzoek voor innovatie). Om deze reden is voor City een krediet van 2 miljoen euro beschikbaar voor het instellen van een Fonds Duurzaamheid City (FDC). Het Q-team adviseert het college over de inzet van het fonds.
22
bestemmingsplan Erfstede
Ook de verduurzaming van City wordt in co-creatie opgepakt. Alle stakeholders worden nadrukkelijk uitgenodigd en uitgedaagd om in Nieuwegein City de duurzaamste binnenstad van Nederland te realiseren en met voorstellen daarvoor te komen. Om de duurzaamste binnenstad te worden is een samenhangend en integraal pakket van (duurzaamheids)maatregelen nodig. Voor een aantal thema's zijn, op basis van de ambities uit het Koersdocument, passende maatregelen voor City onderzocht. Het gaat hierbij om de volgende thema's: Klimaatadaptatie en natuur-inclusiviteit, Water, Energie, Mobiliteit, Circulariteit. De komende periode wordt (via co-creatie en onderzoek) nader onderzocht hoe de meeste synergie tussen maatregelen kan worden bereikt in relatie tot de beschikbare ruimte in gebouwen en openbaar gebied. In principe gaat het daarbij om: Het matchen van ruimtevraag van maatregelen in relatie tot de beschikbaarheid van de totale ruimte; Het prioriteren van maatregelen, teneinde de meest effectieve oplossingen te selecteren; Het maken van een keuze tussen maatregelen indien die elkaar uitsluiten c.q. te weinig synergie opleveren. Doel is een samenhangend pakket van maatregelen te definiëren dat ruimtelijk inpasbaar is. Op basis daarvan wordt per bouwblok een Ontwikkelkader opgesteld.
Hoofdstuk 4
Onderzoek
In dit hoofdstuk worden de (onderzoeks)aspecten behandeld die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. Per aspect is aangegeven wat het wettelijk kader is en wat de consequenties zijn voor het bestemmingsplan.
4.1
Cultuurhistorie en archeologie
De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, stelden de lidstaten zich tot doel het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze regelgeving is opgenomen in de Monumentenwet, en geldt sinds de invoering van de Erfgoedwet in 2016 via overgangsrecht totdat de regels in de Omgevingswet geborgd worden. De kern van de Erfgoedwet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook te worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Voor de ligging van cultuurhistorische en archeologisch waardevolle plekken in het plangebied zijn de Archeologische beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Nieuwegein geraadpleegd. Gebiedskarakteristiek In vergelijking met de omliggende woonwijken is relatief laat begonnen met de realisatie van het binnenstadsgebied. Als basis voor het centrumplan is uitgegaan van een zogenaamde megastructuur met meerdere maaiveldniveaus voor verkeer, winkelen en wonen, een sterk stedelijke en compacte bebouwing met veelal een sterk sculpuraal karakter. Er is sprake van een een grootschalige clustering van zakelijke, openbare en culturele functies. Langs de randen staan grootschalige kantoorpanden en woongebouwen. De binnenstad is hét winkelcentrum van Nieuwegein, men vindt er het stadshuis, het ziekenhuis en tal van kantoren en andere voorzieningen, maar ook woningen: etagewoningen en grondgebonden
23
bestemmingsplan Erfstede
eengezinswoningen, vooral in de noordwesthoek van het gebied. Het is ook een heel nieuw gebied, zonder nog in het oog springende relicten uit de prestedelijke periode, zoals in de meeste andere wijken nog wel het geval is. De bebouwing in de binnenstad is massaal en stedelijk van karakter. Snel- en langzaam verkeer zijn er deels gescheiden, waarbij het langzaam verkeer via een brug of tunnel de brede Zuidstedeweg kan oversteken. Midden in het centrumgebied bevindt zich het aan het winkelcentrum gekoppelde station voor de sneltram tussen Utrecht en Nieuwegein. In de afgelopen jaren is de binnenstad grootschalig op de schop gegaan. Dit heeft geleid tot de sloop van veel complexen en de herinvulling met onder meer een nieuw stadshuis, een theater en nieuwe winkelgebouwen. Veel bijzondere gebouwen uit de beginperiode van Nieuwegeins binnenstad zijn er niet meer. Vermeldenswaardig zijn het massale Weverstedehof 1-81 uit 1979-1980, een groot kantoor- en winkelcomplex met daarboven woonappartementen, onder invloed van het structuralisme. Aan de zuidrand van de binnenstad ligt het grote complex van het St. Antoniusziekenhuis (1977 en verder), dat inmiddels ook al veel wijzigingen heeft ondergaan.
Een zeer bijzonder en in zijn soort in Nieuwegein uniek gebouw is de Hulp Warmtecentrale voor de Stadsverwarming (1979-1980), een ontwerp van het Ingenieurbureau voor Architectuur en Stedebouw Hoekstra-Roosenburg-Van Buul, dat in 1980 de Nationale Staalprijs ontving. De hoge schoorsteen is een markant oriëntatiepunt in de omgeving. Aan de zuidzijde wordt de binnenstad voor het langzaam verkeer ontsloten door de markante Weverbrug. De betonnen brug uit circa 1980 heeft deels met baksteen beklede betonnen rondboogportalen, forse bordestrappen op de uiteinden, stalen, fel blauw geschilderde balustrades en een stalen pergola met rood geschilderde rondbogen. 4.1.1
Cultuurhistorie
Om adequaat invulling te kunnen geven aan de taak van de gemeente om rekening te houden met binnen het bestemmingsplan aanwezige cultuurhistorische waarden, heeft de gemeente een cultuurhistorisch onderzoek laten uitvoeren (RAAP-rapport 2538 Jonge stad, oude kwaliteiten). Het betreft een interdisciplinaire studie naar het aardkundig, historisch-geografisch, historisch-bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein. Cultuurlandschap In het plangebied is het historische landschap van cope ontginningen nauwelijks herkenbaar en heeft zodoende geen waarde. Een zeer waardevolle landschappelijke structuur is de Doorslag. Dit twaalfde-eeuwse kanaal begrenst de oostkant van het plangebied. Het kanaal verbond de stad Utrecht met de IJssel. Het historische karakter van het kanaal is nog goed aanwezig, doordat het nooit verbreed is. Bouwhistorie In het plangebied staan geen monumenten. Wel zijn er in de omgeving van het plangebied een aantal cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken aanwezig op basis van het rapport Jonge stad, oude kwaliteiten. Zeer hoge waarde: 1. 2.
De warmtecentrale van de stadsverwarming, gelegen op Koekoekslaan 1 Doorslagbrug over de Doorslag, verbindt de Noordstedeweg met de Vreeswijksestraatweg
Hoge waarde: 3. 4. 5.
Zuidstedebrug, voetgangersbrug over de Zuidstedeweg Weverstedehof 1-81 Karosbrug, voetgangersbrug over de A.C. Verhoefweg
Enige waarde: 6.
Kolfstedetunnel, langzaam verkeertunnel onder de Zuidstedeweg
24
bestemmingsplan Erfstede
Historische bouwkunst en stedenbouw
Cultuurhistorisch erfgoed - Historisch- geografische elementen
Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn diverse cultuurhistorische elementen aanwezig, die behouden moeten blijven en opgenomen moeten worden in nieuwe stedenbouwkundige ontwerpen. De beoogde ontwikkeling van de Erfstede geeft geen onevenredige belemmering voor de aanwezige historische stedenbouwkundige of geografische karakteristieken in de omgeving van het plangebied. Het is niet mogelijk om bij ontwikkeling de historisch-ruimtelijke kwaliteiten van Nieuwegein te herstellen in het gebied en/of relatie met deze kwaliteiten buiten het gebied te versterken.
25
bestemmingsplan Erfstede
4.1.2
Archeologie
De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit is in lijn met het Europese Verdrag van Malta. Eind 2012 is een Beleidsnota archeologie opgesteld voor de gemeente Nieuwegein. Binnen deze nota is een beleidsadvieskaart opgenomen. Binnen het plangebied komt de volgende verwachtingswaarde voor op de beleidsadvieskaart, namelijk: Verwachtingswaarde 6 (lichtgroene zone): vroegtijdig inventariserend onderzoek bodemingrepen dieper dan 150 cm -mv en plangebieden groter dan 10.000 m2 .
nodig
bij
Archeologische beleidsadvieskaart
De gehanteerde vrijstellingsgrenzen zijn in een archeologische dubbelbestemming vertaald. Beneden de grens is geen archeologisch onderzoek vereist. Indien bij een concreet bouwplan de betreffende de grenzen voor bodemingrepen worden overschreden, kan nader onderzoek aan de orde zijn. Conclusie In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische waarden beschermd door middel van een dubbelbestemming. Indien voor een ontwikkeling de bij de verwachtingswaarde behorende vrijstellingsgrens overschreden wordt, dient de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek uit te voeren.
26
bestemmingsplan Erfstede
4.2
Ecologie
4.2.1
Inleiding
Om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te toetsen, is een ecologische inventarisatie van de natuurwaarden uitgevoerd (zie bijlage 3). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Soortenbescherming Uit het onderzoek komt naar voren dat in en om het plangebied beschermde soorten voorkomen of kunnen voorkomen. In het kader van mogelijke verbodsovertredingen van de Wnb is nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarter. Dit onderzoek wordt in uitvoering genomen indien sprake is van concreet zicht op de uitvoering c.q. sloop van bestaande bebouwing. Uit het nadere onderzoek naar beschermde soorten kan naar voren komen dat beschermde verblijf- of rustplaatsen van vleermuizen en/of steenmarter aanwezig zijn. In dat geval moet een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd en verkregen of moeten negatieve effecten op deze beschermde soorten worden voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte om hier op verschillende manieren invulling aan te kunnen geven, bijvoorbeeld door het plaatsen van tijdelijke en permanente vervangende verblijfplaatsen en het faseren in ruimte en tijd.
Hierdoor is in het kader van de ruimtelijke procedure het plan vanuit ecologisch oogpunt in redelijkheid uitvoerbaar te achten. Voor andere beschermde soorten is op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie, gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied of provinciaal beschermde natuur (NNN of Groenblauwe mantel). Voor provinciaal beschermde gebieden is van belang of directe aantasting van beschermd gebied optreedt, voor Natura-2000 worden ook indirecte effecten beoordeeld, zoals effect van stikstofdepositie. Om effect van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan te onderzoeken is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 4. De berekening met Aerius genereert een "leeg" rapport voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase, wat betekent dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie in het kader van Wnb beschermde gebieden (Natura 2000) zijn uit te sluiten. Gezien de afstand zijn andere effecten ook uit te sluiten.
Conclusie De plannen zijn ten aanzien van de soorten- en gebiedsbescherming niet in strijd met de Wnb en de Provinciale Ruimtelijk Verordening, Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016).
4.3
Bodem
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd.
27
bestemmingsplan Erfstede
Onderzoeken Voor het hele gebied van City, inclusief enkele aangrenzende locaties, is in 1999 een historisch onderzoek en in 2000 een verkennend bodemonderzoek verricht. Uit historische gegevens blijkt dat het gebied in de jaren '70 een meter is opgehoogd. Uit de resultaten blijkt dat de grond niet tot licht verontreinigd is met de geanalyseerde parameters. De strook langs de Hollandse IJssel is sterk verontreinigd met PAK. In het grondwater is plaatselijk een matig of sterk verhoogde concentratie arseen gemeten. Dergelijke gehalten aan arseen in het grondwater komen vaak voor in deze regio en andere regio's met vergelijkbare grondslag en vormen geen belemmering voor ontwikkelingen. GD-B2 (voormalig busstation/ Erfstede) In 1988 is op deze locatie een indicatief onderzoek verricht. Hierbij zijn geen bijzonderheden geconstateerd. De gegevens zijn echter sterk verouderd. Met het oog op herontwikkeling en nieuwbouw is voor een omgevingsvergunning daarom ter actualisatie een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 noodzakelijk. Conclusie Voor het plangebied geldt dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkelingen. Bij uitwerking is kan een actueel onderzoek volgens de NEN 5740 noodzakelijk zijn. In de grondexploitatie van City is hiervoor een post opgenomen.
4.4
Water
Voor het onderdeel water is het, in het kader van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan, nodig om het watertoetsproces te doorlopen. Dit proces omvat het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 4.4.1
Beleid
Gemeente Het jaarplan Water 2020 en de watervisie uit 2004 vormen samen het Waterplan van de gemeente Nieuwegein. De gemeente beschikt ook over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 met daarin het beleid voor de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook de ambities voor de waterkwaliteit en duurzaamheid van het (afval)watersysteem. Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaatbestendige inrichting van de stad en de samenleving hierop voorbereiden. Dit heet klimaatadaptatie en doet de gemeente niet alleen maar samen met de partners in de stad en de regio. De gemeente heeft in 2018 de visie klimaatadaptatie vastgesteld en het uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie 2019-2022. De ambities van de visie zijn in het Gebiedsdossier City 2019 vertaald naar uitgangspunten en leidende principes voor klimaatadaptatie de nieuwe bebouwing en ontwikkelingen. Daarnaast is voor City een TKI-project (Topsector Kennis & Innovatie) toegekend voor het ontwerp en de ontwikkeling van een Circulair (afval)watersysteem. In dit project wordt samengewerkt in een consortium met de stakeholders in het gebied, provincie, waterschap De Stichtse Rijnlanden, en marktpartijen.
Water en klimaatadaptatie zijn belangrijke thema's om City de meest duurzame binnenstad van Nederland te maken. Waterbeheerder Het
Hoogheemraadschap
de
Stichtse
Rijnlanden
28
(HDSR)
is
de
waterkwaliteit-
en
bestemmingsplan Erfstede
waterkwantiteitsbeheerder. Het concrete toetsingskader van HDSR voor de watertoets is gegeven in het Handboek Watertoets. De belangrijkste uitgangspunten zijn hierbij als volgt: het standstill-principe: voorkom negatieve effecten van ruimtelijke watersysteem; verbeteren: benut kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen.
ontwikkelingen op
het
De principes die bij het waterbeleid van belang zijn: Waterkwantiteit: de trits vasthouden - bergen - afvoeren; versnelde afvoer van regenwater naar oppervlaktewater moet worden voorkomen of worden gecompenseerd; 1. in verband met het voorkomen van versnelde afvoer adviseert het waterschap om wel een infiltratiesysteem aan te leggen. Voor een afname van verhard oppervlak in stedelijk gebied is geen compensatieplicht vanuit het waterschap; 2. om versnelde afvoer naar oppervlaktewater te voorkomen, adviseert het waterschap om een infiltratiesysteem aan te leggen met 45 mm berging per m2 afgekoppeld oppervlak. Indien infiltratie niet mogelijk is, zal automatisch moeten worden gecompenseerd. Voor een toename van verhard oppervlak van 500 m2 tot 10.000 m2 in stedelijk gebied moet berging worden gerealiseerd. Waterkwaliteit de trits schoon houden - scheiden - zuiveren. Voor bouwactiviteiten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan zorgvuldige materiaalkeuze. Verslechtering van de waterkwaliteit bij nieuwbouw en herstructurering kan worden voorkomen door geen uitlogende (bouw)materialen toe te passen; bij nieuwe ontwikkelingen adviseert het waterschap het regenwater gescheiden van het afvalwater te verwerken. 4.4.2
Waterberging
Het plangebied is reeds in de huidige situatie volledig bebouwd en/ of verhard. In het plangebied zal het verhard oppervlak dan ook niet verder toenemen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Bij uitwerking van de bouwplannen adviseert het waterschap om in elke situatie een infiltratiesysteem aan te leggen. Dit is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, gemiddeld hoogste grondwater en beschikbare ruimte. Het aanleggen van een infiltratiesysteem is niet verplicht. De gemeente hanteert bij nieuwe ontwikkelingen de eis dat hemelwater is afgekoppeld van de riolering en in het plangebied geen schade optreedt aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (bui van 90 mm/uur). Het plangebied wordt zodanig ingericht en ontworpen dat van een hevige bui minimaal 20 mm van het bestaande en het te realiseren oppervlak kan worden verwerkt en geïnfiltreerd in het plangebied zelf. Een groot gedeelte van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui op privaat terrein in de omgeving van het stationsgebied en City west wordt tijdelijk op dit terrein opgevangen en circulair ingezet. 4.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het watersysteem toereikend is om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. In het kader van het wettelijk overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan HDSR.
4.5
Geluid
Wet geluidhinder Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van woningen. De Wet geluidhinder beschouwt dergelijke gebouwen als zogenaamd geluidsgevoelige gebouwen. Onderzocht dient derhalve te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Zones
29
bestemmingsplan Erfstede
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg, gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 200 m. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Onderzoek Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor de ontwikkellocaties (zie bijlage 4), waaronder Erfstede. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de planlocatie geen hoge geluidbelastingen ondervindt vanwege omliggende wegen. De geluidbelasting ten gevolge van de sneltram is ten hoogste 64 dB Lden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden wordt bij een aantal woningen overschreden aan de zijde van de tram en er zijn hogere grenswaarden nodig. Voor woningen met een buitengevel die alleen grenst aan de zijde(n) van de gebouwen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, moeten aanvullende (bouwkundige) maatregelen wordt getroffen om een geluidluwe zijde en buitenruimte te realiseren.
Aan de hand van een voorwaardelijke verplichting in de algemene bouw- en gebruiksregels is zeker gesteld dat in de eindsituatie wordt voldaan aan de eisen voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting. Op grond van deze bepaling dienen afhankelijk van de concrete situatie geluidwerende voorzieningen te worden aangebracht. Conclusie De Wet geluidhinder verzet zich derhalve niet tegen de komst van deze woningen. Ook is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefmilieu.
4.6
Luchtkwaliteit
In het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip nibm. Sinds verlening van derogatie door de EU is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwalteit (NSL) in werking getreden en is nibm gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. De wijze van salderen in relatie tot het begrip nibm is uitgewerkt in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. Voor het OOB 2013 is een Mobiliteitstoets opgesteld. Er is verkend wat het effect van het aangepaste programma is voor de verkeersproductie en daarmee ook voor de luchtkwaliteit. De herziening van het programma leidt niet tot een significante toename van het verkeer en daarmee ook tot een verwaarloosbaar effect op de luchtkwaliteit. Uitgaande de gegeven rekenmethode beschreven in bijlage 3A en 3B van het Besluit NIBM, valt de verkeerstoename ruimschoots onder het 3%-criterium van 1,2 microgram/m3 voor zowel NO2 als PM10 . Het project draagt derhalve niet in betekenende mate (nibm) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien blijkt uit de NSL-monitoringsviewer dat in 2015 de jaargemiddelde PM10 en NO2 concentraties in het plangebied lager zijn dan 35 µg/m3 . Het aantal overschrijdingsdagen van PM10 ligt onder de 35 dagen.
Er wordt in de bestaande situatie voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan vormt geen belemmeringen ten aanzien het aspect luchtkwaliteit.
4.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op activiteiten die een risico voor de omgeving met zich kunnen meebrengen. Voorbeelden zijn de productie of transport van gevaarlijke stoffen. Om ongelukken te voorkomen, worden bij externe veiligheidsrisico's minimum afstanden gehanteerd van wonen, werken en recreëren tot activiteiten die een gevaar kunnen opleveren.
30
bestemmingsplan Erfstede
Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit), en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: het plaatsgebonden risico het groepsrisico Plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft, aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt. Groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen.
Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting et cetera) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Beleidsvisie externe veiligheid Naast het feit dat vanuit de Rijksoverheid risiconormen zijn gesteld, laat de wet- en regelgeving ook ruimte aan gemeenten (en provincies) om eigen veiligheidsambities te formuleren. In de Beleidsvisie externe veiligheid (raadsbesluit 2007-403) is aangegeven hoe Nieuwegein met deze beleidsvrijheid omgaat. Zo is onder nadere in de visie aangegeven dat de gemeente zich het recht houdt voor om bij nieuwe situaties af te zien van het zogenaamde “stand still"-beginsel voor het groepsrisico, zolang aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan. Toetsing In of nabij het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Conclusie Uit voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor vaststelling van het plan.
4.8
Bedrijven milieuzonering
De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken, is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed worden gesitueerd, zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Regelgeving Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de
31
bestemmingsplan Erfstede
in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Tabel: richtafstanden volgens VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009'
De milieucategorie leidt in combinatie met een omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied) tot een bijbehorende richtafstand. Uitgangspunten milieucategorisering Het centrumgebied zelf kan bij uitstek gekarakteriseerd worden als een gemengd gebied, waar een veelheid aan functies aanwezig is (detailhandel, bedrijvigheid, kantoren, woonfunctie, maatschappelijke dienstverlening). Dit betekent dat kan worden aangesloten bij de richtafstanden tot 'gemengd gebied'. In het plangebied De bestemming van gronden die de hiervoor genoemde bedrijvigheid mogelijk maken, veranderen met onderhavig bestemmingsplan niet. Verder onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In de omgeving van het plangebied In de directe omgeving van het plangebied komen geen functies voor die hinder kunnen veroorzaken op de toegelaten functies in het bestemmingsplan. Conclusie In dit bestemmingsplan wordt zorg gedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande en nieuwe woningen en worden de bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.
4.9
Hoogbouw
4.9.1
Windhinder
Windhinder treedt op rondom hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kunnen maken. Voor een goede ruimtelijke ordening is aandacht voor het windklimaat bij met name stedelijke hoogbouw noodzakelijk. Een windhinderonderzoek heeft tot doel om in kaart te brengen wat mogelijke knelpunten zijn en waar deze kunnen ontstaan op verblijfsniveau. Windhinder hangt voor een groot deel af van de architectonische uitwerking van bebouwing (vorm, volume en breedte). Bij de ontwikkeling van hoge gebouwen (> 15 m) kan er bij het uiteindelijke gebouwontwerp om een aanvullend windhinderonderzoek worden gevraagd. Voor de ontwikkellocaties is op voorhand echter geen onevenredige windhinder te verwachten, aangezien het bouwvolume per saldo niet toeneemt ten opzichte van de geldende planologische situatie.
32
bestemmingsplan Erfstede
Conclusie Ontwikkelingen die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, vormen geen directe belemmeringen ten aanzien van een goed windklimaat. Echter dient er bij gebouwontwerp in geval van hoogbouw rekening te worden gehouden met dit aspect en wordt er om een aanvullend windonderzoek gevraagd. Dit is opgenomen in de planregels. 4.9.2
Schaduwhinder
Een bezonningsonderzoek geeft inzicht in de mogelijke schaduwwerking van de potentiële bouwvolumes op de omgeving. Van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en (openbare) buitenruimte is een goede bezonning/lichttoetreding. Er dient zoveel mogelijk bezonning op straatniveau en binnen de bouwblokken mogelijk te worden gemaakt door te zoeken naar een goede geleding in de bouwblokken in hoogte en vorm. Het uitgevoerde bezonningsonderzoek voor de Binnenstad (zie bijlage 8) en specifiek Erfstede geeft een indruk van de schaduwwerking van de bebouwing in de verschillende seizoenen en op verschillende momenten van de dag. Bij de ontwikkeling van hoge gebouwen (> 15 m) wordt bij het uiteindelijke gebouwontwerp om een aanvullend bezonningsonderzoek gevraagd. Voor de ontwikkellocaties is op voorhand echter geen onevenredige hinder te verwachten, aangezien het bouwvolume per saldo niet toeneemt ten opzichte van de geldende planologische situatie.
4.10 Kabels en leidingen Binnen het plangebied, dan wel in de nabij omgeving zijn geen kabels of leidingen aanwezig die aanwezige functies en ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied belemmeren.
4.11 Radarverstoring Er dient rekening te worden gehouden met de verstoringen van radarstations voor vliegverkeer vanwege radarstation Herwijnen. De verstoring is bij een bouwhoogte van meer dan 90 m een aandachtspunt. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk met een dergelijke bouwhoogte. Radarverstoring is dan ook niet aan de orde, waardoor dit aspect geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.12 Milieueffectrapportage 4.12.1
Wettelijk kader
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. 4.12.2
Onderzoek
Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. In bijlage 9 is de mer-beoordeling opgenomen. 4.12.3
Conclusie
Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu.
33
bestemmingsplan Erfstede
4.12.4
M.e.r.-beoordelingsbeslissing
Op 5 december 2023 heeft het college van Nieuwegein besloten dat een project-m.e.r. in dit geval niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Planomschrijving
Het bestemmingsplan geeft een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van de binnenstad. Het bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde bestemmingen; weergegeven op de verbeelding en uit regels voor het gebruik van de gronden en de daarop te realiseren opstallen, voor zover die regels in verband met de bestemming nodig zijn. Tevens gaat het bestemmingsplan vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken, de uitkomsten van het overleg (ex artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening) en een rapportering van de inspraak zijn opgenomen. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridische status.
5.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Deze bestemmingen betreffen aanduidingen van de doeleinden waarvoor de gronden mogen worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling in de planregels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de planregels een juridische betekenis.
5.3
Regels
De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het navolgende worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. 5.3.1
Inleidende regels
In het hoofdstuk Inleidende regels wordt een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. 5.3.2
Bestemmingsregels
Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemmingen is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen de bestemmingsvlakken en bouwvlakken mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht met een maximale hoogte zoals aangegeven op de verbeelding. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), naast het bestemmingsplan, wel het een en ander vergunningsvrij mag worden gebouwd. Dit wordt in het bestemmingsplan niet expliciet benoemd. Hierna wordt per bestemming een korte toelichting gegeven.
34
bestemmingsplan Erfstede
Gemengd - B2 Deze bestemming maakt het mogelijk om de Erfstede te kunnen ontwikkelen. De bestemming laat verschillende functies toe, zoals beschreven in paragraaf 3.1. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is toegekend aan de erftoegangswegen en de verdere inrichting van de openbare ruimte. Waarde - Archeologie 8 Op grond van het gemeentelijk archeologisch beleid en archeologische onderzoeken zijn dubbelbestemmingen opgenomen om de archeologische waarden te beschermen. Dit wil zeggen dat voor bouwactiviteiten boven een bepaalde omvang nader onderzoek nodig is naar de aanwezige archeologische waarden. 5.3.3
Algemene regels
In het hoofdstuk Algemene regels wordt in de artikelen 'Antidubbeltelregel', 'Algemene bouwregels' en 'Algemene afwijkingsregels' een aantal algemene bepalingen verwoord die onder meer de flexibiliteit van het plan vergroten. De 'Anti-dubbeltelregel' bepaalt dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de 'Algemene bouwregels' worden regels vermeld omtrent bestaande maten, overschrijding van bouwgrenzen, geluid, windcomfort, schaduwwerking, ruimtelijke kwaliteit en parkeergelegenheid en laaden losmogelijkheden bij of in gebouwen. In de 'Algemene gebruiksregels' zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot de maximale oppervlakte detailhandel, overeenkomstig de geldende regeling. In de 'Algemene afwijkingsregels' worden enkele afwijkings- respectievelijk wijzigingsbevoegdheden aan burgemeester en wethouders toegekend die geringe afwijkingen mogelijk maken van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om het in geringe mate afwijken van het plan. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 tot slot worden de overgangs- en slotregels geformuleerd. In het artikel 'Overgangsrecht' worden regels bepaald omtrent bouwwerken, die in de bestaande situatie aanwezig zijn of mogen worden gebouwd. In de 'Slotregel' wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald. Tenslotte is aan de regels een bijlage toegevoegd. Hierin zijn de toegelaten bedrijfscategorieën aangegeven die in het plangebied toegelaten worden in de regeling van beroep en bedrijf aan huis.
35
bestemmingsplan Erfstede
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12, lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Voor de ontwikkeling van City is een grondexploitatie vastgesteld. De huidige ontwikkeling van de Erfstede is opgenomen in de grondexploitatie. Daarnaast is voor Erfstede een exploitatieplan opgesteld.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorontwerpbestemmingsplan Binnenstad Nieuwegein lag ter inzage van 19 juni 2017 t/m 3 juli 2017. Gedurende deze periode kon een ieder een inspraakreactie indienen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Ook in het kader van het verplichte vooroverleg heeft een aantal instanties op het voorontwerpbestemmingsplan gereageerd. In het Procesdocument bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein, zie bijlage 10, zijn de in 2017 ingediende reacties voorzien van een beantwoording. Het ontwerpbestemmingsplan Erfstede heeft ter inzage gelegen van 8 december tot en met 18 januari 2024. Gedurende deze periode kon een ieder een zienswijze indienen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. De ingediende zienswijzen zijn van een reactie voorzien in de Notitie beantwoording zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan Erfstede.
36