CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-025 Bijlage 4 Service document Overzicht van de tekstuele aanpassingen APV

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Wijziging Algemene plaatselijke verordening2.620 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2025-025 Bijlage 4 Service document: Overzicht van de tekstuele aanpassingen in de Algemene plaatstelijke verordening (was/wordt) Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een toezichthouder als bedoeld in artikel 6:2, lid 2 zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van: a. uitstallingen; b. bouwcontainers, bouwsteigers en andere bouwmaterialen, met dien verstande dat voorafgaand aan de plaatsing daarvan het aan het college wordt gemeld; 1

c. reclameborden die gevestigd zijn aan openbare verlichting op of aan de weg; d. oplaadpalen voor elektrische voertuigen; vervallen e. andere objecten, met uitzondering van objecten zoals bloembakken, straatmeubilair die door de gemeente zijn geplaatst; f. over bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van bouwprojecten op door het college aangewezen plaatsen. vervallen 3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, met dien verstande dat in het geval dat het het plaatsen van gedenktekens betreft de Regeling gedenktekens gemeente Nieuwegein van toepassing is. 4.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.4 Omgevingswet in samenhang met artikel 4.1 Omgevingswet, tenzij het tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. 5.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, onder b; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; d. spandoeken boven de weg, voor zover de plaatsing wordt gedaan in overleg met de gemeente; e. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.

Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, Omgevingswet en het Besluit Activiteiten Leefomgeving. 7.Op de aanvraag voor een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:10a Plaatsen van openbare laadinfrastructuur elektrische voertuigen 1. Het is verboden om laadpalen voor elektrische voertuigen te plaatsen op openbare plaatsen. 2. Het verbod, bedoeld in lid 1, is niet van toepassing op de partij aan wie het college op basis van een concessie toestemming heeft verleend om laadpalen te plaatsen dan wel te laten plaatsen.

2

3. Het college stelt nadere regels vast over het plaatsen van een laadpaal. 4. Het college kan gebieden aanwijzen waar meer dan twee laadpalen direct naast elkaar worden geplaatst.

Artikel 2:13 Het voorkomen van hinder ten aanzien van bereikbaarheid leefbaarheid, veiligheid en communicatie (BLVC) 1. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen over bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij: a. bouwprojecten en – werkzaamheden; b. het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; c. sloopwerkzaamheden; en d. het plaatsen van voorwerpen in de openbare ruimte. 2. De nadere regels als bedoeld in het eerste lid blijven buiten toepassing voor zover zij in strijd zijn met de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Wegenverkeerswet 1994 en de Provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

2.

Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

2.Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:28a Vergunning openbare inrichting De vergunningsplicht voor een openbare inrichting geldt, naast de in artikel 2.27 onder d genoemde bedrijven, voor openbare inrichtingen: a. die binnen een bibob-risicogebied en een bibob-risicobranche vallen; b. waartegen meermaals handhavend is opgetreden; c. die niet ingeschreven zijn in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; d. waartegen concrete vermoedens bestaan ten aanzien van ondermijnende activiteiten, de integriteit of indien er volgens de gemeente, de politie of het Openbaar Ministerie

3

anderszins concrete noodzakelijke redenen bestaan om over te gaan tot een vergunningsplicht; e. waarvan overlast wordt ervaren of overlast van ervaren kan worden.

Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het college kan nadere regels stellen voor: a. aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. b. plekken aanwijzen waar het aanbrengen van afbeeldingen met een kleur of verfstof is toegestaan. 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

Het college kan nadere regels stellen voor: a. het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. b. het aanbrengen van afbeeldingen met kleur of verfstof in de openbare ruimte. 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden :

4

a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan andere gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. zich op een openbare plaats zodanig op te houden of te gedragen dat aan andere gebruikers van de openbare plaats of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48a Messenverbod 1.

Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben.

2.

Het verbod geldt niet voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

3.

Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:51a Dienstverlening deelvoertuigen door derden 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college in de door het college aan te wijzen gebieden bedrijfsmatig voertuigen ten behoeve van het gebruik door derden op de weg te plaatsen. 2. Het verbod geldt niet voor zo ver een parkeervergunning voor een autodeelplaats is verleend op grond van de geldende Parkeerverordening.

Artikel 2:61 Verbod voeren van dieren op openbare plaats of openbaar water 1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren. 2. Dit verbod geldt niet: a. voor personen die dieren voeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

5

b. ten aanzien van door het college aan te wijzen categorieën van gevallen; c. in door het college aan te wijzen gebieden.

Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste vierentwintig uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

3.Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. (vervallen) 6

3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening provincie Utrecht. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. (vervallen)

Artikel 5.30a Bescherming waterbodem en magneetvissen 1. Het is verboden in of bij door het college aangewezen openbaar water te baggeren, te dreggen, of te steken in de waterbodem, alsmede te vissen naar voorwerpen dan wel stoffen met behulp van magneten of enige techniek met een vergelijkbare werking. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. archeologie dan wel de mogelijke aanwezigheid van archeologische voorwerpen; b. beschermde flora dan wel fauna al dan niet onder water, zoals bedoeld in de Omgevingswet. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 10 Detectie Artikel 5:38 Detectorverbod 1. Het is verboden zich te bevinden met een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van wapens, munitie, munten, explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke in een door het college aangewezen gebied. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet is verstrekt of degene die dit certificaat ingevolge de in artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet bedoelde algemene maatregel van bestuur niet nodig heeft. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een persoon of organisatie die in het bezit is van een procescertificaat opsporen conventionele explosieven dat is afgegeven door de bevoegde Minister of een certificerende instelling. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 7

5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 6:1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikel 2.6, 2.7 en 2.10, artikel 2:12 tot en met artikel 2:74a, artikel 2:78, hoofdstuk 3, artikel 4:2 tot en met 4:5b, afdeling 4:2, 4:4 tot en met 4:5b, afdeling 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.7 en 5.8. 2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: Afdeling 2.1, 2.2 2.3, artikel 2:9, 2:47, 2:48 en 2:50, 2:62, 2:65, 2:75, 2:76, 2:77, Artikel 4:6, afdeling 5.6 en afdeling 10. 3. In het geval van overtreding van artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, lid 1, van die wet.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=de71fd2f-8809-40aa-bed3-087d06477ce8