2023-396 Bijlage 4 Herstelbesluit bp Binnenstad (City) Nieuwegein_Regels
Tekst van het document
46
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 18 18.1 a.
b.
Waarde - Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
18.2
Bouwregels
18.2.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en waarvoor graaf- en/of heiwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 30 cm beneden maaiveld, een rapport te overleggen waarin: a. b.
de aanwezigheid van archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld; en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
18.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in sublid 18.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
18.2.3
Uitzonderingen
Het bepaalde in sublid 18.2.1 en 18.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij: a. b.
de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Behoudens het bepaalde in sublid 18.3.2, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 18.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c.
grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m en met een oppervlakte van meer dan 500 m², waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het ophogen van de bodem; het verlagen en verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
47
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
18.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het in sublid 18.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden: a. b. c.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen vergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende vergunning.
18.3.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 18.3.1 kan pas worden verleend: a. b.
c.
indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden; nadat door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; nadat ter beoordeling van het archeologisch rapport advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
18.3.4
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Indien uit het in lid 18.3.3 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
18.4
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door: a.
b.
De bestemming 'Waarde - Archeologie 4' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; De bestemming 'Waarde - Archeologie 4' aan gronden, grenzend aan deze bestemming, toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van bedoelde medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
48
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 19 19.1 a.
b.
Waarde - Archeologie 5
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
19.2
Bouwregels
19.2.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en waarvoor graaf- en/of heiwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 150 cm beneden maaiveld, een rapport te overleggen waarin: a. b.
de aanwezigheid van archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld; en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
19.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in sublid 19.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
19.2.3
Uitzonderingen
Het bepaalde in sublid 19.2.1 en 19.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij: a. b.
de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
19.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.3.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Behoudens het bepaalde in sublid 19.3.2, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 19.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c.
grondwerkzaamheden dieper dan 1,5 m en met een oppervlakte van meer dan 2.500 m², waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het ophogen van de bodem; het verlagen en verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
49
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
19.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het in sublid 19.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden: a. b. c.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen vergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende vergunning.
19.3.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.3.1 kan pas worden verleend: a. b.
c.
indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden; nadat door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; nadat ter beoordeling van het archeologisch rapport advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
19.3.4
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Indien uit het in lid 19.3.3 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
19.4
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door: a.
b.
De bestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; De bestemming 'Waarde - Archeologie 5' aan gronden, grenzend aan deze bestemming, toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van bedoelde medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
50
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 20 20.1 a.
b.
Waarde - Archeologie 6
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
20.2
Bouwregels
20.2.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en waarvoor graaf- en/of heiwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 300 cm beneden maaiveld, een rapport te overleggen waarin: a. b.
de aanwezigheid van archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld; en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
20.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in sublid 20.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
20.2.3
Uitzonderingen
Het bepaalde in sublid 20.2.1 en 20.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij: a. b.
de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
20.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.3.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Behoudens het bepaalde in sublid 20.3.2, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 20.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c.
grondwerkzaamheden dieper dan 3 m en met een oppervlakte van meer dan 2.500 m², waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het ophogen van de bodem; het verlagen en verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
51
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
20.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het in sublid 20.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden: a. b. c.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen vergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende vergunning.
20.3.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 20.3.1 kan pas worden verleend: a. b.
c.
indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden; nadat door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; nadat ter beoordeling van het archeologisch rapport advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
20.3.4
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Indien uit het in lid 20.3.3 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
20.4
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door: a.
b.
De bestemming 'Waarde - Archeologie 6' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; De bestemming 'Waarde - Archeologie 6' aan gronden, grenzend aan deze bestemming, toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van bedoelde medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
52
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 21 21.1 a.
b.
Waarde - Archeologie 8
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 8' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
21.2
Bouwregels
21.2.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en waarvoor graaf- en/of heiwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 150 cm beneden maaiveld, een rapport te overleggen waarin: a. b.
de aanwezigheid van archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld; en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
21.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in sublid 21.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
21.2.3
Uitzonderingen
Het bepaalde in sublid 21.2.1 en 21.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij: a. b.
de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; en wordt gebruikgemaakt van de bestaande fundering.
21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.3.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Behoudens het bepaalde in sublid 21.3.2, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 21.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c.
grondwerkzaamheden dieper dan 1,5 m en met een oppervlakte van meer dan 10.000 m², waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het ophogen van de bodem; het verlagen en verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
53
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
d.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
21.3.2
Uitzondering op het aanlegverbod
Het in sublid 21.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden: a. b. c.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen vergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende vergunning.
21.3.3
Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.3.1 kan pas worden verleend: a. b.
c.
indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden; nadat door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; nadat ter beoordeling van het archeologisch rapport advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige.
21.3.4
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Indien uit het in lid 21.3.3 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
21.4
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door: a.
b.
De bestemming 'Waarde - Archeologie 8' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; De bestemming 'Waarde - Archeologie 8' aan gronden, grenzend aan deze bestemming, toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van bedoelde medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
54
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 22 22.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, naast voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor: a.
het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.
Ten dienste van en in verband met de primaire bestemming zijn toegelaten: b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
22.2
Bouwregels
22.2.1
Algemeen
Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen: a. b.
in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming; op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
22.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 3,5 m. 22.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 22.2, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en: a. b.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterstaatsbelangen; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterstaatsvoorziening.
22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.4.1
Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waterstaat - Waterkering zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f. g.
het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; diepploegen; het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies; het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
22.4.2
Uitzondering op het uitvoeringsverbod
Het verbod als bedoeld in lid 22.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b.
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
55
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
22.4.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 22.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende beheerder van de betreffende waterkering.
56
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Hoofdstuk 3 Artikel 23
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
57
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
58
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 24 24.1
Algemene bouwregels
Bestaande maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. b. c.
24.2
de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als maximaal toelaatbaar worden aangehouden; de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden; in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. Overschrijdingen bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a. b. c. 24.3
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda’s en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. Voorwaardelijke verplichting geluid
Een omgevingsvergunning voor het bouwen zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ten behoeve van het bouwen van geluidsgevoelig gebouw, kan uitsluitend worden verleend indien is aangetoond dat: a. b.
24.4
de geluidsbelasting op een geluidsgevoelig object en/of een geluidsgevoelige functie voldoet aan de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde eisen; de gecumuleerde geluidsbelasting afkomstig van het totale wegverkeer op een geluidsgevoelig object en/of een geluidsgevoelige functie niet hoger is dan 65 dB. Voorwaardelijke verplichting water
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het bouwen van een gebouw kan slechts worden verleend indien vaststaat dat het hemelwater is afgekoppeld van de riolering en dat van een hevige bui minimaal 20 mm hemelwater, gerekend over het bestaande en nieuw te realiseren verharde oppervlak, wordt verwerkt en geïnfiltreerd in de ondergronden bij het desbetreffende gebouw. 24.5
Nadere eisen windcomfort
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats, de hoogte en de bouwwijze van gebouwen met een bouwhoogte van meer dan 15 m voor zover dit noodzakelijk is om onaanvaardbare gevolgen te voorkomen voor het windcomfort in de verblijfsgebieden in de onmiddellijke nabijheid van de gebouwen, mede gelet op het karakter van de desbetreffende verblijfsgebieden, waarbij geldt dat: a.
b.
voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met een hoogte van 15 m of meer verleend kan worden, dient door de aanvrager een windhinderonderzoek te worden overgelegd. Dit onderzoek moet inzicht bieden in de mogelijke gevolgen van windhinder in de omgeving van het gebouw en de eventueel daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen en/of aan te leggen voorzieningen; het bevoegd gezag kan ter voorkoming van onevenredige windhinder en/of windgevaar nadere eisen stellen met betrekking tot de plaatsing en vormgeving van gebouwen met een hoogte vanaf 15 m ter voorkoming of beperking van windhinder indien het in het vorige lid bedoelde onderzoek daartoe aanleiding geeft.
59
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
24.6
Nadere eisen schaduwwerking
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan bouwplannen met een bouwhoogte van meer dan 15 meter met betrekking tot de plaatsing en vormgeving van bouwwerken ter voorkoming of beperking van schaduwwerking, waarbij geldt dat: a.
b.
24.7
voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met een hoogte van 15 m of meer verleend kan worden, dient door de aanvrager een bezonningsstudie te worden overgelegd. Dit onderzoek moet inzicht bieden in de mogelijke gevolgen van schaduwwerking in de omgeving van het gebouw en de eventueel daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen en/of aan te leggen voorzieningen; het bevoegd gezag kan ter voorkoming van onevenredige schaduwwerking nadere eisen stellen met betrekking tot de plaatsing en vormgeving van gebouwen met een hoogte vanaf 15 m ter voorkoming of beperking van schaduwwerking indien het in het vorige lid bedoelde onderzoek daartoe aanleiding geeft. Nadere eisen omgevingskwaliteit
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van het behouden en beschermen van een optimale omgevingskwaliteit bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarbij voor de vereiste mate van aanvaardbaarheid de normen van toepassing zijn uit de set beleidsregels 'Omgevingskwaliteitsplan Binnenstad (City) Nieuwegein' van de gemeente Nieuwegein, dan wel in het geval deze set beleidsregels tussentijds worden gewijzigd of vervangen door een andere set beleidsregels, deze gewijzigde, respectievelijk vervangende set beleidsregels. 24.8
Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Ten aanzien van parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen gelden de volgende bepalingen: a.
b.
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd, dat op het bouwperceel waarvoor vergunning wordt verleend of in de omgeving daarvan, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake indien deze is aangelegd en in stand wordt gehouden overeenkomstig de in het Koersdocument Parkeren 2020- 2025, of de opvolger daarvan, opgenomen parkeernormen. In afwijking van het bepaalde in de tweede volzin van lid a geldt voor de functie wonen in de bestemmingen 'Centrum - B3', 'Gemengd - A2', 'Gemengd - A4', 'Gemengd - C' dat: 1. van voldoende parkeergelegenheid sprake is indien deze is aangelegd en in stand worden gehouden overeenkomstig in onderstaande tabel opgenomen parkeernormen. De onderstaande parkeernormen zijn gebaseerd op de maatwerk mogelijkheden uit het Koersdocument Parkeren 2020- 2025, of de opvolger daarvan, en de daarin opgenomen standaard parkeernormen voor zover afwijkend van onderstaande tabel, zijn niet van toepassing; Norm bewonersdeel (excl. bezoekersparkeren)
Norm bezoekersparkeren
Sociaal huurappartement tot 80 m2 GO
0,3
0,1
Goedkoop/middelduur huurappartement tot 80 m2 GO
0,3
0,1
Duur huurappartement groter dan 80 m2 GO
0,6
0,1
60
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Goedkoop koopappartement tot 50 m2 GO
0,5
0,1
Middelduur koopappartement 50 tot 80 m2 GO
0,6
0,1
Duur koop appartement groter dan 80 m2 GO
0,7
0,1
Tabel: Parkeernormen functie wonen in de bestemmingen 'Centrum - B3', 'Gemengd - A2', Gemengd - A4', 'Gemengd - C. 2.
c.
d. e.
f.
in aanvulling op het bepaalde in lid b onder 1 bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, meerdere parkeergelegenheden kunnen worden vervangen van het bewonersdeel van de parkeergelegenheid voor deelauto's met een verhouding van 5:1 (reguliere parkeerplaats : deelauto) met een maximum van 20% van de binnen de bestemmingen 'Centrum - B3', 'Gemengd A2', 'Gemengd - A4', 'Gemengd – C te realiseren parkeergelegenheid. Indien in de in de leden a en b bedoelde parkeergelegenheid wordt voorzien op eigen terrein, moet de stallingsruimte per auto een afmeting hebben van minimaal 1,80 meter bij 5 meter met daarnaast voldoende in- en uitstapruimte. Gebouwde parkeervoorzieningen zijn uitsluitend overdekt toegestaan. Een bouwwerk waarvan een behoefte aan ruimte voor laden of lossen van goederen wordt verwacht, is slechts toegestaan onder de voorwaarde dat op het bouwperceel of in de omgeving daarvan aan voldoende ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt voorzien en in stand wordt gelaten. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in de leden a, b en d en toestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits: 1. dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie of op andere wijze in de nodige parkeergelegenheid; 2.
of in laad- of losruimte wordt voorzien.
61
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
62
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 25 25.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Onder een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. b. c. d. 25.2
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een coffeeshop; de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk; het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een risicovolle inrichting, tenzij bestaand. Detailhandel
Op gronden met de bestemming: a. b. c.
Centrum - 1; Centrum - B3; Gemengd - 1;
mogen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de daar voorkomende bestemmingen en bijbehorende planregels met inachtneming van de volgende regels: d. 25.3
de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte ten behoeve detailhandel bedraagt niet meer dan 46.000 m2 . Kantoren
Op gronden met de bestemming: a.
Gemengd - C,
mogen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de daar voorkomende bestemmingen en bijbehorende planregels met inachtneming van de volgende regels: a. de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte ten behoeve van nieuwvestiging van zelfstandige kantoren bedraagt maximaal 21.000 m2 , inclusief verleende omgevingsvergunningen voor zelfstandige kantoren die niet zijn ingetrokken. 25.4
Aan huis verbonden beroep en bedrijf
Ten aanzien van een aan huis verbonden beroep of -bedrijf in een woning gelden de volgende voorwaarden: a. b. c.
d. e. f. g. 25.5 a.
b.
Het vloeroppervlak ten behoeve van een aan huis verbonden beroep of -bedrijf mag niet meer dan 35% van het woonvloeroppervlak met een maximum van 75 m² bedragen; De activiteiten mogen zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten geen afbreuk doen aan het karakter van de woning en de woonomgeving; In geval van bedrijfsactiviteiten, zijn activiteiten toegestaan in een woning die door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, en voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit); De activiteiten mogen geen detailhandel, risicovolle inrichtingen, seksinrichting en/of horeca betreffen; Webwinkels zijn toegestaan; De activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaken; Er dient een relatie te zijn tussen ten minste 1 bewoner en de uitgeoefende activiteit(en). Voorwaardelijke verplichting geluid Het is niet toegestaan de gronden in gebruik te nemen of te hebben voor het doeleind 'wonen' indien: 1. de geluidsbelasting op een geluidsgevoelig object en/of een geluidsgevoelige functie niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde eisen; 2.
de gecumuleerde geluidsbelasting afkomstig van het totale wegverkeer op een geluidsgevoelig object en/of een geluidsgevoelige functie hoger is dan 65 dB; in afwijking van het bepaalde onder a sub 2 is het gebruik van gronden voor het doeleind 'wonen'
63
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
toegestaan indien is voorzien in de aanleg en instandhouding van dove gevels teneinde te komen tot een goed woon- en leefklimaat.
64
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 26 26.1 a.
b.
c.
Algemene aanduidingsregels
geluidzone - industrie ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn de gronden tevens bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van geluidsgevoelige gebouwen. ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mag een geluidsgevoelig gebouw worden gebouwd, mits de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde. het gebruik van niet-geluidsgevoelige gebouwen als geluidsgevoelige gebouwen is niet toegestaan, tenzij de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde.
26.2
vrijwaringszone - molenbiotoop
26.2.1
Functies
De gronden gelegen binnen een straal van 400 m rondom de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn bestemd voor het beschermen van de functie van de in de nabijheid van dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als beeldbepalend element. 26.2.2
Bouwregels
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden de volgende bepalingen: 1. 2. 3. 4.
26.2.3
Binnen een straal van 100 m, geen bebouwing mag worden opgericht hoger dan 5 m Binnen een straal van 100 tot 200 m, geen bebouwing mag worden opgericht hoger dan 6,25 m; Binnen een straal van 200 tot 300 m, geen bebouwing mag worden opgericht hoger dan 7,5 m; Binnen een straal van 300 tot 400 m, geen bebouwing mag worden opgericht hoger dan 10 m. Met dien verstande dat reeds bestaande bebouwing mag worden gehandhaafd. Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2, onder b voor het bouwen van gebouwen, met inachtneming van de bij de betreffende bestemming behorende voorschriften, indien is aangetoond dat het huidige en/of het toekomstige functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering en/of waarde van de molen als landschapsbepalend element niet onevenredig wordt of kan worden geschaad. Alvorens te beslissen over het verlenen van vrijstelling moeten Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar afgeven. 26.2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: 1. Het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande begroeiing hoger dan 0,5 m in het gebied als zodanig op de verbeelding aangegeven; 2. Het beplanten met bomen, heesters en ander opgaande begroeiing hoger dan 5 m in het gebied als zodanig op de verbeelding aangegeven. De werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 26.2, onder d zijn slechts toelaatbaar, indien door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan, hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, het huidige en/of het toekomstige functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering en/of waarde van de molen als landschapsbepalend element, niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht.
65
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
26.3
Karakteristiek bouwwerk
26.3.1 a.
b.
c. d.
e.
26.3.2 a.
b.
Sloopverbod zonder omgevingsvergunning
ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een karakteristiek bouwwerk geheel of gedeeltelijk te slopen; de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.3.1 onder a kan pas worden verleend: 1. als het bevoegd gezag een advies over de aanvraag heeft ontvangen van de gemeentelijke monumentencommissie; 2. nadat door de aanvrager een cultuurhistorisch onderzoek is overgelegd, tenzij het bevoegd gezag heeft bepaald dat een dergelijk onderzoek voor de betreffende aanvraag niet noodzakelijk is; 3. en vaststaat dat: met de aangevraagde sloop geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk of cultuurhistorische elementen aan de buitenzijde van het bouwwerk; of na sloop, nieuwbouw plaatsvindt conform de oorspronkelijke karakteristieke hoofdvorm; in afwijking van het bepaalde in artikel 26.3.1 onder b, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning ook verlenen als naar haar oordeel de vergunning in alle redelijkheid niet geweigerd kan worden; het in artikel 26.3.1 onder a gestelde verbod geldt niet voor: 1. normaal beheer en onderhoud; 2. activiteiten die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werken treden van het plan;a 3. activiteiten die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
het bevoegd gezag kan ten behoeve van de instandhouding en versterking van de cultuurhistorische waarde in de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26.3.1 onder a nadere eisen stellen aan: 1. de situering, afmetingen, de vormgeving, kaprichting, de kaphelling en de kapvorm van het hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken; 2. de gevelindeling van bouwwerken. Geheel of gedeeltelijk wijzigen zonder omgevingsvergunning
ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een karakteristiek bouwwerk aan de buitenzijde geheel of gedeeltelijk te wijzigen; van een wijziging als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake wanneer één of meerdere van de volgende onderdelen worden gewijzigd: 1. bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen; 2. dakvorm, nokrichting, dakhelling, dakoverstekken, goot- en daklijsten en schoorstenen; gevelindelingen door ramen, deuropeningen en erkers.
26.3.3
Afwijken voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een karakteristiek bouwwerk
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.3.2 onder a voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een karakteristiek bouwwerk aan de buitenzijde mits: a. b. c.
het bevoegd gezag een advies over de aanvraag heeft ontvangen van de gemeentelijke monumentencommissie; nadat door de aanvrager een cultuurhistorisch onderzoek is overgelegd, tenzij het bevoegd gezag heeft bepaald dat een dergelijk onderzoek voor de betreffende aanvraag niet noodzakelijk is; en vaststaat dat: 1. het een wijziging van delen van het bouwwerk zijn die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken; of 2. met de aangevraagde wijziging geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk of cultuurhistorische elementen aan de buitenzijde van het bouwwerk.
66
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
26.3.4
Uitzonderingen op het verbod tot geheel of gedeeltelijk wijzigen zonder omgevingsvergunning
Het in artikel 26.3.2 onder a gestelde verbod geldt niet voor: a. b. c.
normaal beheer en onderhoud; activiteiten die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werken treden van het plan; activiteiten die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
67
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
68
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 27
Algemene afwijkingsregels
27.1
Afwijking van de bouwregels
27.1.1
Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van: a. b.
c. d.
e. f.
g. h.
de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot maximaal 10% van die maten, afmetingen, percentages en aantallen; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits de inhoud per gebouwtje maximaal 50 m3 bedraagt; de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m; het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.
het bepaalde in lid 24.8 en parkeren op daken van gebouwen toestaan, mits het desbetreffende gebouw een bouwhoogte heeft van ten minste 10 m gemeten vanaf maaiveld; het bepaalde in lid 5.2.2 onder c, 7.2.1 onder b, 8.2.1 onder b en 9.2.1 onder b, om een lagere eerste bouwlaag toe te staan.
27.1.2
Voorwaarden
Een vergunning voor een afwijking wordt niet verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. 27.2
Afwijking van de gebruiksregels
27.2.1
Ambachtelijke bedrijven
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in afwijking van lid 4.1, onder c een omgevingsvergunning te verlenen en met inachtneming van de milieusituatie toestaan dat tevens bedrijven worden gevestigd die: a. b.
c.
zijn genoemd in de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten in categorie 3; naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de van deze voorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten in categorie 1 of 2, voor zover het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen betreft; niet zijn genoemd in de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits: 1. de betrokken bedrijven naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten in categorie 1 of 2; 2. het geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen betreffen.
69
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
27.2.2
Aan-huis-verbonden beroep
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in afwijking van lid 25.4 onder g een omgevingsvergunning te verlenen zonder dat er een relatie bestaat tussen ten minste 1 bewoner en de uitgeoefende activiteiten, voorzover het medische beroepen betreft.
70
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 28 28.1
Algemene wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a.
b.
overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of - intensiteit daartoe aanleiding geeft.
De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
71
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
72
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Hoofdstuk 4 Artikel 29 29.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a.
b. c.
29.2
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Overgangsrecht gebruik
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. b.
c.
d.
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
73
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
74
bestemmingsplan Binnenstad (City) Nieuwegein
Artikel 30
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Binnenstad (City) Nieuwegein'
75