2023-353 Bijlage 2 Servicedocument
Tekst van het document
l.
De Adviseur A&RK woont altijd de vergaderingen van de CRK bij. Als de Adviseur A&RK verhinderd is, zorgt hij voor een waardige vervanger.
m. De Adviseur A&RK zorgt voor de voorbereiding van de verslaglegging als bedoeld in artikel 9.13. Artikel 9.12.2 Adviseur Architectuur en Omgevingskwaliteit (beoordelingsniveau B volgens figuur 1.1) a. De Adviseur Architectuur en Omgevingskwaliteit (Adviseur A&Ok) is een functie in dienst van de gemeentelijke organisatie. Deze functie wordt ingevuld door iemand met een afgeronde studie architectuur en/of veel ervaring op het vakgebied van architectuur en stedenbouw. Voor de Adviseur A&Ok gelden qua opleiding en ervaring dus dezelfde eisen als voor een externe deskundige van de COk. b. De Adviseur A&Ok beoordeelt de bouwplannen die volgens figuur 1.1 als instap beoordelingsniveau B hebben. Daarnaast beoordeelt de Adviseur A&Ok bouwplannen die volgens figuur 1.1 beoordelingsniveau A hebben maar door de Casemanager Omgevingswet zijn opgeschaald naar beoordelingsniveau B.
c.
Bij de bouwtypen ‘verbouw, kleine bouwplannen’ en ‘reclame’ vormen de objectieve richtlijnen uit hoofdstuk 5 de basis van de beoordeling. Als het plan voldoet aan die richtlijnen, is de welstandsbeoordeling afgerond en luidt de uitkomst positief. Als het plan niet voldoet aan de richtlijnen uit hoofdstuk 5 van de Nota RK, beoordeelt de Adviseur A&Ok of op basis van de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK toch een positief advies gegeven kan worden.
d. Bij de bouwtypen ‘verbouw, overige bouwplannen’ en ‘nieuwbouw (+ verbouw te vergelijken met nieuwbouw)’ vormen de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK de basis van de beoordeling. e. Als voor het gebied waarin het betreffende bouwplan ligt een Beeldkwaliteitsplan (BKP) van toepassing is, vormt dat het beoordelingskader i.p.v. de algemene richtlijnen uit hoofdstuk 2 van de Nota RK. f.
Bij twijfel over de uitkomst van de beoordeling of bij een negatieve uitkomst, schaalt de Adviseur A&Ok het plan op naar beoordelingsniveau C.
g. Als de Adviseur A&Ok het bouwplan zelf beoordeelt, waarmerkt hij de ingediende stukken op basis waarvan de beoordeling van het bouwplan heeft plaatsgevonden met een datum en de uitkomst van de beoordeling. Bij een uitkomst die objectief uit de Nota RK te herleiden is, kan een nadere motivatie van het advies achterwege blijven. In de andere gevallen motiveert de Adviseur A&Ok het advies schriftelijk. h. De Adviseur A&Ok ontvangt van de Casemanager Omgevingswet de bouwplannen met als instap beoordelingsniveau C. Daarnaast bepaalt de Adviseur A&Ok welke bouwplannen hij opschaalt van beoordelingsniveau B naar C. Van dit geheel aan bouwplannen, bepaalt de Adviseur A&Ok welke bouwplannen direct (digitaal) doorgezet kunnen worden voor advies naar de AOk, en welke bouwplannen geagendeerd worden voor de voorbespreking met de AOk. De Adviseur A&Ok woont altijd de voorbesprekingen bij of zorgt hij voor een waardige vervanger. i.
De Adviseur A&Ok vormt samen met collega’s op het gebied van Stedenbouw, Archeologie, Cultuurhistorie en Landschapsarchitectuur de Vakgroep Omgevingswaliteit. De vakgroep zorgt voor een afgestemd, gebundeld advies over alle aspecten die vallen onder de noemer “Omgevingskwaliteit”.
j.
De Adviseur A&Ok bepaalt welke bouwplannen die hij voorgelegd krijgt (beoordelingsniveau B en C) tevens behandeld moeten worden door de Vakgroep Omgevingskwaliteit. Die worden veelal aangeleverd door de Casemanager Omgevingswet maar kunnen ook worden aangedragen door een projectleider of een accounthouder bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen. Als een plan in aanmerking komt voor de Vakgroep, dan zal de Adviseur A&Ok eerst zorgen voor een gebundeld en afgestemd advies vanuit de Vakgroep Omgevingskwaliteit, alvorens hij het plan voorlegt aan de AOk.
k. De Adviseur A&Ok stelt de agenda op van de voorbespreking met de AOk. Indieners van aanvragen voor bouwplannen die tijdig te kennen hebben gegeven bij de voorbespreking aanwezig te willen zijn, worden hiervoor uitgenodigd. De Adviseur A&Ok kan in overleg met de Casemanager Omgevingswet ook besluiten om aanvragers op eigen initiatief uit te nodigen als daartoe aanleiding bestaat. l.
De Adviseur A&Ok woont altijd de vergaderingen van de COk bij. Als de Adviseur A&Ok verhinderd is, zorgt hij voor een waardige vervanger.
m. De Adviseur A&Ok zorgt voor de voorbereiding van de verslaglegging als bedoeld in artikel 9.13. Artikel 9.13 Verslaglegging door B&W Het college van Burgemeester en Wethouders legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de welstandsbeoordeling. Daarin komen de volgende aspecten gebundeld aan de orde. a.
Het verslag dat de CRK van de door haar verrichte werkzaamheden (art. 9.11).
b.
Het verslag van hoe het college is omgegaan met haar mandaat voor de benoeming en het ontslag van de voorzitter en deskundige leden van de CRK en hun plaatsvervangers (artikel 9.4, lid 1)
c.
Het verslag over de wijze waarop het college is omgegaan met de adviezen van de CRK en in welke gevallen zij is overgegaan tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op basis van de richtlijnen uit de Nota RK (art. 12c Woningwet).
d.
Een actualisatie van (het kaartmateriaal behorende bij) de Nota RK indien er in het betreffende jaar projectgebonden besluiten (omgevingsvergunningen of beeldkwaliteitsplannen) zijn genomen die beleidsmatige gevolgen hebben voor de Nota RK.
Artikel 9.13 Verslaglegging door B&W Het college van Burgemeester en Wethouders legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de welstandsbeoordeling. Daarin komen de volgende aspecten gebundeld aan de orde. a. Het verslag dat de COk van de door haar verrichte werkzaamheden (art. 9.11). b. Het verslag van hoe het college is omgegaan met haar mandaat voor de benoeming en het ontslag van de voorzitter en deskundige leden van de COk en hun plaatsvervangers (artikel 9.4, lid 1) c.
Het verslag over de wijze waarop het college is omgegaan met de adviezen van de COk en in welke gevallen zij is overgegaan tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op basis van de richtlijnen uit de Nota RK (artikel 4.19 Omgevingswet jo. 4.114 Invoeringswet Omgevingswet.
d. Een actualisatie van (het kaartmateriaal behorende bij) de Nota RK indien er in het betreffende jaar projectgebonden besluiten (omgevingsvergunningen of beeldkwaliteitsplannen) zijn genomen die beleidsmatige gevolgen hebben voor de Nota RK. Artikel 10.4 Overdragen mededeling Binnen de in artikel 42, tiende lid, van de Woningwet bedoelde termijn van dertien weken geldt de mededeling op een melding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder b, van de Woningwet zowel voor degene die de melding heeft gedaan, als voor zijn rechtverkrijgenden. Artikel 10.4 Overdragen mededeling Binnen de in artikel 5.37 tweede lid van de Omgevingswet bedoelde termijn van vier weken geldt de mededeling op een melding als bedoeld in artikel 5.37 tweede lid van de Omgevingswet zowel voor degene die de melding heeft gedaan, als voor zijn rechtverkrijgenden.
De Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020 wordt als volgt gewijzigd: Intitulé Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Nieuwegein houdende regels omtrent het erfgoed (Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020) De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 juli 2020; gelet op de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; gelet op artikel 2.1 lid 3 sub f jo. 5.1 lid 1 sub b jo. 5.2 lid 2 Omgevingswet jo. artikel 5.130 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving jo. artikel 9.1 Erfgoedwet
gezien het advies van de gemeentelijke monumentencommissie; besluit vast te stellen de volgende verordening: Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: a.
gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
b.
archeologisch monument: een Archeologisch Waardevol Gebied (AWG) zoals is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart;
c.
archeologisch verwachtingsgebied: een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) zoals weergegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;
d.
waardevolle gemeentelijke cultuurgoederen en waardevolle gemeentelijke verzamelingen: roerende zaken die deel uitmaken van cultureel erfgoed en aangewezen zijn op grond van deze erfgoedverordening;
e.
stads - en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken en/of landschapselementen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.
f.
minister : Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;g. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 sub f jo. artikel 2.4 van de Omgevingswet jo. 5.130 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving;
g.
monumentencommissie : de overeenkomstig art.15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college en de raad op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet 2016, de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, deze verordening en het erfgoedbeleid; Monumentencommissie : de overeenkomstig art. 16.15 jo. 17.9 Omgevingswet ingestelde commissie met als taak het college en de raad op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van Omgevingswet, deze verordening en het erfgoedbeleid;
h.
erfgoedplan : beleidskaart van het gemeentelijke grondgebied met daarop ten minste aangegeven het landschappelijk en gebouwde erfgoed;
i.
cultuurhistorische waardenkaarten: topografische kaarten van het gemeentelijke grondgebied waarop zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, cultuurhistorische waardevolle objecten, beschermde dorpsgezichten, cultuurhistorisch waardevolle stedenbouwkundige, landschappelijke en groenstructuren, cultuurhistorische wegen en waterlopen met de daarbij behorende gegevensbestanden;
j.
gemeentelijke archeologische beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, met daarop de archeologische monumenten en gebieden met archeologische verwachting en het daarbij horende beleid;
k.
gemeentelijke archeologische waardenkaarten: topografische kaarten van het gemeentelijke grondgebied, met daarop de archeologische monumenten en gebieden met archeologische verwachting met de daarbij behorende gegevensbestanden;
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister
1.
Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed en overige conform het gemeentelijk erfgoedbeleid relevante waarden (gemeentelijk erfgoedregister).
2.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat in ieder geval: a.
gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder gemeentelijke monumenten, beschermde dorpsgezichten, waardevolle cultuurgoederen en waardevolle verzamelingen;
b.
gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet als bedoeld in artikel 10.36 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, alsmede gegevens over rijksbeschermde dorpsgezichten.
Artikel 3. Aanwijzing als waardevolle gemeentelijke cultuurgoederen of waardevolle gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve en op verzoek van een belanghebbende roerende goederen als waardevol cultuurgoed of waardevolle verzameling aanwijzen, wanneer dit goed of deze goederen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of schoonheid zijn en als onvervangbaar en onmisbaar worden beschouwd binnen de gemeente Nieuwegein. Tot dit cultuurgoed kan ook mobiel erfgoed, zoals varend-, rail-, rijdend- en vliegend erfgoed gerekend worden. 2.
De aanwijzing van een cultuurgoed of een verzameling is mogelijk wanneer de gemeente eigenaar is, wanneer het cultuurgoed of de verzameling aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd of wanneer de eigenaar toestemming geeft.
3.
Burgemeester en wethouders vragen advies aan een commissie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening in de volgende gevallen:
a.
Het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid;
b.
Het voornemen tot vervreemding van een waardevol gemeentelijk cultuurgoed of een waardevolle gemeentelijke verzameling in eigendom van de gemeente;
c.
Het voornemen tot het afstand doen van een cultuurgoed of verzameling waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op:
a.
beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. de Provinciale omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 sub f jo. 2.6 Omgevingswet. Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als waardevol gemeentelijke cultuurgoed of waardevolle gemeentelijke verzameling 1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:
3.
a.
beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of
b.
beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. de Provinciale omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 sub f jo. 2.6 Omgevingswet
Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 13. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.
Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn artikelen 14, 15, 16, 17 en 18 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is teniet gegaan.
3.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. in artikel 3.17, vierde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 19. Advies omgevingsvergunning rijksmonument 1. Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als bedoeld in artikel 5.1 eerste lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet jo. artikel 5.130 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8 en 17, eerste lid. Artikel 8 en 17, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 2.
Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat de aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch onderzoek.
Artikel 20 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 28 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.
Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
5.
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
6.
Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het
vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7.
Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.
8.
Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermend stads- of dorpsgezicht nog geen bestemmingsplan als bedoeld in dit artikel van kracht is, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder schriftelijke vergunning van het college.
9.
Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 20 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 28 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht regels vast in het omgevingsplan op grond van de Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre de geldende regels in het omgevingsplan voldoende beschermend zijn in de zin van het vorige lid, danwel dat de regels gewijzigd worden vastgesteld. 7.
Voor zover in een gebied dat is aangewezen als een beschermend stads- of dorpsgezicht nog geen regels in het omgevingsplan onherroepelijk zijn vastgesteld, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder schriftelijke vergunning van het college. 8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen in het omgevingsplan op grond van een instructieregel van het Rijk op grond van artikel 2.34 lid 4 Omgevingswet of in de provinciale omgevingsverordening door de provincie op grond van artikel 2.6 Omgevingswet. Artikel 21. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stadsen dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 31, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 31, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van
ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.
3.
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a.
beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet bedoeld in artikel 2.34 lid 4 van de Omgevingswet, of
b.
beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. de Provinciale Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 Omgevingswet.
Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 22. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.130 tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2 van het Besluit Kwaliteiten Leefomgeving, een bouwwerk te slopen. 2.
Het is daarnaast verboden om in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij zodanige omgevingsvergunning gestelde voorschriften: a.
bouwwerken te verstoren, te plaatsen, op te richten, te verplaatsen of in enig ander opzicht te wijzigen;
b.
bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
c.
onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, zoals straten, wegen, pleinen, wateren, bomen, erfafscheidingen- niet zijnde een bouwwerk- en straatmeubilair te realiseren, aan te leggen, planten of wijzigen.
3.
Het verbod en de vergunningplicht, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden niet bij normaal onderhoud en beheer en indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd, welke in dienst staan van de verbetering van de cultuurhistorische kwaliteit van het stads- en dorpsgezicht.
4.
Aan de omgevingsvergunning kunnen, ingeval van afbraak als bedoeld in het eerste lid, voorwaarden met betrekking tot archeologisch onderzoek worden verbonden.
5.
De omgevingsvergunning kan, ingeval van afbraak als bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd indien een bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk nieuw op te richten bouwwerk, doch deze nog niet is aangevraagd.
6.
De omgevingsvergunning kan, ingeval van afbraak als bedoeld in het eerste lid, worden aangehouden indien de bouwvergunning voor een in plaats van het te slopen bouwwerk nieuw op te richten bouwwerk is aangevraagd, doch op die aanvraag nog niet is beslist. De aanhouding duurt totdat onherroepelijk op die aanvraag is beslist.
7.
De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
8.
De artikelen 16, 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing.
9.
Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. als bedoeld in artikel 3.5 jo. 3.7 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving jo. Artikel 4.3 eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet.
Artikel 23. Erfgoedplan 1. De gemeenteraad stelt een erfgoedplan vast, waarin staat hoe toegezien wordt op instandhouding van op kaart aangeduide cultuurhistorische waarden en wanneer de monumentencommissie een adviesrol heeft. 2.
Het college is bevoegd het erfgoedplan te wijzigen.
3.
Voor vaststelling of wijziging van het erfgoedplan wordt de monumentencommissie om advies gevraagd, met uitzondering van archeologische verwachtingsgebieden.
4.
Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan of een projectbesluit (artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wabo) nodig is waarvoor een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is en die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten dan wel cultuurhistorische waarden, die op de cultuurhistorische waardenkaart en/of het erfgoedplan zijn aangegeven, verleent de gemeenteraad of het college slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de voorgenomen ontwikkeling met de cultuurhistorische waarden en het beleid in overeenstemming is.
5.
Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning, dan wel een procedure als bedoeld in het 3e lid bepalen dat nader cultuurhistorisch onderzoek nodig is, zoals een bouwhistorisch, tuinhistorisch of archeologisch onderzoek.
a.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het te verrichten cultuurhistorisch onderzoek.
Artikel 24. Vangnet archeologie 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het college:
2.
a.
In een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingsgebied, de bodem onder de oppervlakte te verstoren, behoudens archeologisch onderzoek door een daartoe gekwalificeerd archeoloog. Het betreft archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zoals opgenomen op de archeologische waarderings- en beleidskaarten van de gemeente Nieuwegein. Dit geldt ook als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
b.
aanwezige (delen van) fundamenten of andere, met de archeologische structuren verband houdende zaken af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a.
het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt:
1 º in een gebied aangeduid als AWG 2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm;
2 º in een gebied aangeduid als AWV 1 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm maaiveld; 3 º in een gebied aangeduid als AWV 2 en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 4 º in een gebied aangeduid als AWV 3 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; 5 º in een gebied aangeduid als AWV 4 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 300 cm - maaiveld; 6 º in een gebied aangeduid als AWV 5 en het te verstoren gebied kleiner is dan 5000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 7 º in een gebied aangeduid als AWV 6 en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; met dien verstande dat er in gebieden met meerdere archeologische verwachtingsgebieden dan wel archeologische monumenten als uitgangspunt geldt de voorwaarden behorend bij het archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied met de strengste onderzoekseis; b.
In het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
c.
Er sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 en 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
d.
Het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart;
e.
Een rapport is overgelegd waarin de archeologische verwachtingen en waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en waaruit blijkt dat: •
Het behoud van de archeologische verwachtingen en waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
•
De archeologische verwachtingen en waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
•
In het geheel geen archeologische verwachtingen en waarden in het geding zijn.
Artikel 24. Vangnet archeologie 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het college: a. In een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingsgebied, de bodem onder de oppervlakte te verstoren, behoudens archeologisch onderzoek door een daartoe gekwalificeerd archeoloog. Het betreft archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zoals opgenomen op de archeologische waarderings- en beleidskaarten van de gemeente Nieuwegein. Dit geldt ook als op basis van het omgevingsplan geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist voor deze activiteit.
b. aanwezige (delen van) fundamenten of andere, met de archeologische structuren verband houdende zaken af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt: 1 º in een gebied aangeduid als AWG 2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm; 2 º in een gebied aangeduid als AWV 1 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm -maaiveld; 3 º in een gebied aangeduid als AWV 2 en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 4 º in een gebied aangeduid als AWV 3 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; 5 º in een gebied aangeduid als AWV 4 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 300 cm - maaiveld; 6 º in een gebied aangeduid als AWV 5 en het te verstoren gebied kleiner is dan 5000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 30 cm - maaiveld; 7 º in een gebied aangeduid als AWV 6 en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoring niet dieper gaat dan 150 cm - maaiveld; met dien verstande dat er in gebieden met meerdere archeologische
verwachtingsgebieden dan wel archeologische monumenten als uitgangspunt geldt de voorwaarden behorend bij het archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied met de strengste onderzoekseis; b. In het omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; c.
Er sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend en in de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
d. Het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; e. Een rapport is overgelegd waarin de archeologische verwachtingen en waarden van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld en waaruit blijkt dat: • Het behoud van de archeologische verwachtingen en waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of • De archeologische verwachtingen en waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
• In het geheel geen archeologische verwachtingen en waarden in het geding zijn.
De Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023 Gemeente Nieuwegein wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: -
aangepaste woonruimte: ingrijpend aangepaste woning, die naar zijn aard bestemd is voor bewoning door iemand met een fysieke beperking;
-
advertentiemedium: een uitgave per verhuurder of groep van verhuurders, waarin voor toewijzing beschikbare woonruimte wordt aangeboden;
-
beschermde woonruimte: een in artikel 63 aangewezen woonruimte waarvoor het verbod van artikel 41, eerste lid van de wet geldt;
-
bestaande woonruimte: een woonruimte die op dit moment bewoond wordt, of in het verleden bewoond is geweest.
-
campuscontract: huurovereenkomst voor studenten zoals bedoeld in artikel 274d van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
-
datum van inschrijving in de openbare registers: de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van de woonruimte aan de nieuwe eigenaar;
-
dienstwoning: woonruimte die door een werknemer bewoond moet worden om zijn uit het dienstverband voortvloeiende taken goed te kunnen vervullen;
-
doorschuiver: doorstromer die binnen een doorschuifcomplex verhuist;
-
doorschuifcomplex: gebouw waarin woonruimte bij voorrang wordt aangeboden aan doorstromers die in hetzelfde complex wonen;
-
doorstromer: de woningzoekende die als hoofdhuurder daadwerkelijk en rechtmatig en niet op basis van de Leegstandwet een zelfstandige sociale huurwoning in de woningmarktregio bewoont, deze woning na verhuizing leeg achterlaat, en deze huurwoning is in eigendom van een verhuurder die via het in de regio gangbare platform verhuurt;
-
gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte wonen, als bedoeld in NEN 2580;
-
hospitaverhuur: de woonruimte wordt verhuurd aan maximaal twee personen, door iemand die voor minimaal vijftig procent juridisch eigenaar is van de woonruimte en die met zijn huishouden zelf in de woonruimte blijft wonen; partners die gezamenlijk een woonruimte in eigendom hebben, kunnen gezamenlijk maar aan maximaal twee personen verhuren.
-
huishouden: een of twee volwassen personen, plus eventuele inwonende kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren. Hierbij is er niet alleen sprake van het samen (willen) bewonen van een bepaalde woonruimte, maar ook van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling en de intentie om voor onbepaalde tijd met elkaar samen te wonen.
-
Kinderen ouder dan 18 jaar gelden als inwonend als zij volgens de Basisregistratie Personen niet langer dan zes maanden uitgeschreven zijn geweest of na een uitschrijving van langer dan zes maanden weer twee jaar te staan ingeschreven.
-
In geval van co-ouderschap kunnen kinderen worden meegeteld als zij bij elke co-ouder minstens drie hele nachten per week of om de week een hele week bij elke co-ouder verblijven. Het co-ouderschap moet worden aangetoond met een gerechtelijke uitspraak, een echtscheidingsconvenant of een ouderschapsplan.
-
ingezetene: degene die in de Basisregistratie Personen van één van de gemeenten in de woningmarktregio is opgenomen en daar tenminste één jaar feitelijk en rechtmatig hoofdverblijf heeft in een woonruimte, die volgens het bestemmingsplan het omgevingsplan is aangewezen of bestemd voor permanente bewoning;
-
jongere: iemand in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 29 jaar; 18 tot en met 22 jaar dan wel 18 tot en met 27 jaar
-
kamer: elke afzonderlijke ruimte in een woonruimte, die geschikt is voor wonen of slapen met een oppervlakte van tenminste vijf vierkante meter;
-
liberalisatiegrens: de maximale huur waarbij nog recht op huurtoeslag bestaat, zoals weergegeven in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag;
-
mantelzorg: hulp als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
-
onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft, dus geen deur heeft die direct toegang geeft tot de woning en bereikbaar is via de straatzijde of vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte. De woonruimte kan niet zelfstandig door een huishouden worden bewoond, omdat wezenlijke voorzieningen als keuken en sanitaire voorzieningen zich buiten de woonruimte bevinden;
-
particuliere verhuurders: verhuurders van woonruimte die geen toegelaten instelling zijn;
-
plankwoning: woning die op de nominatie staat om ingrijpend te worden verbeterd of te worden gesloopt, en voor tijdelijke bewoning in gebruik kan worden gegeven;
-
prijsgrens opkoopbescherming: de jaarlijks geïndexeerde grens die aangeeft welke woonruimten onder de opkoopbescherming vallen;
-
relatiebeëindiging: echtscheiding, verbreking geregistreerd partnerschap, verbreking samenlevingscontract en beëindiging samenwoning zonder overeenkomst;
-
senioren: iemand van 65 jaar of ouder;
-
seniorenwoning: woonruimte die geschikt is voor personen van 65 jaar en ouder;
-
sociale huurwoningen: woonruimte met een aanvangshuurprijs tot en met de liberalisatiegrens;
-
statushouder: vreemdeling die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000;
-
toegankelijke woonruimte: een gelijkvloerse, rollatortoegankelijke of rolstoeltoegankelijke woonruimte die, inclusief de wezenlijke voorzieningen, zonder trap bereikbaar is voor personen met een functiebeperking;
-
type woonruimte: seniorenwoonruimte, toegankelijke woonruimte, woonruimte met zorgvoorzieningen, aangepaste woonruimte, jongerenwoonruimte, wisselwoning, plankwoning, eengezinswoning, parterre-appartement, appartement vanaf eerste verdieping met lift, appartement vanaf eerste verdieping zonder lift, bovenwoning,
benedenwoning, ondermaisonnette (begane grond) en bovenmaisonnette (vanaf eerste verdieping). -
van groot-naar-beter-regel: voorrang bij woonruimten met maximaal drie kamers voor doorstromers die een woonruimte van minimaal 4 kamers achterlaten, waar zij minimaal een jaar gewoond hebben;
-
verhuurvergunning opkoopbescherming: vergunning als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet;
-
wet: Huisvestingswet 2014;
-
wisselwoning: woning die voor tijdelijke bewoning wordt aangeboden aan personen die door ingrijpende verbetering de huidige woning moeten verlaten, maar na afronding van de werkzaamheden in deze woning terugkeren;
-
woningmarktregio: gebied dat vanuit het oogpunt van het functioneren van de woningmarkt als een geheel wordt beschouwd, bestaande uit de gemeenten Lopik, Montfoort, Oudewater, De Ronde Venen, Woerden, De Bilt, Bunnik, Houten, IJsselstein, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en de kernen Vianen, Hagestein, Everdingen, Zijderveld en Hoef en Haag in de gemeente Vijfheerenlanden;
-
woningruil: Het door twee of meer huishoudens wederkerig in gebruik nemen van elkaars zelfstandige woonruimte met het oogmerk van daadwerkelijke permanente bewoning;
-
woningvorming: het verbouwen of in verbouwde staat houden van twee of meer woonruimten;
-
woningzoekende: huishouden dat staat ingeschreven in het inschrijfsysteem voor woningzoekenden;
-
woonadres: woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel o, onder 1°, van de Wet Basisregistratie Personen;
-
woongroep: door burgemeester en wethouders aangewezen groep van drie of meer huishoudens, die geen gemeenschappelijke huishouding voeren en geen onderlinge huurrelatie hebben, maar wel de intentie hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, samen te wonen in een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband in een of meer door burgemeester en wethouders daarvoor aangewezen woonruimten.
-
woonruimte met zorgvoorzieningen: zelfstandige woonruimte (aanleunwoning of beschutte woning) waarbij gebruik gemaakt wordt van faciliteiten van zorgverlenende instellingen;
-
WOZ-waarde: de waarde van de woonruimte, vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken;
-
zelfstandige woonruimte: woonruimte met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
-
zestigprocentmethode: De zestigprocentmethode verdeelt op basis van de WOZ-gegevens van dat jaar alle woningen van eigenaar-bewoners in de gemeente in vijf categorieën van elk twintig procent: goedkoop, middelduur (laag), middelduur, duur en zeer duur. De prijsgrens opkoopbescherming is het bedrag waarop of waaronder de categorieën goedkoop, middelduur (laag) en middelduur zich bevinden.
Artikel 49. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte, vrijstelling 1. Het verbod van artikel 21, eerste lid van de wet is van toepassing op alle woonruimte in de gemeente Nieuwegein. Deze woonruimte mag niet zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
2.
3.
4.
5.
a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken of onttrokken gehoudenaan de toegelaten activiteit op grond van het omgevingsplan “wonen” worden onttrokken of onttrokken gehouden; b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar geheel of gedeeltelijk met andere woonruimte worden samengevoegd of samengevoegd gehouden; c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte worden omgezet of omgezet gehouden; d. tot twee of meer woonruimten worden verbouwd of in die verbouwde staat worden gehouden. Van het verbod als bedoeld in het eerste lid onder a. is vrijgesteld: woonruimte die wordt onttrokken door een toegelaten instelling, als aan die onttrekking een besluit van burgemeester en wethouders ten grondslag ligt. Van het verbod als bedoeld in het eerste lid onder c. is vrijgesteld: a. Woonruimte die is of wordt omgezet voor de huisvesting van maximaal twee personen; b. Woonruimte waar sprake is van hospitaverhuur. Van het verbod als bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en d. zijn vrijgesteld situaties waarbij de eigenaar van de woonruimte: a.
naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het onttrekken, samenvoegen, omzetten of woningvormen sinds het ontstaan onafgebroken heeft plaatsgehad, naar aard en omvang niet is geïntensiveerd en dat deze situatie: i. al vóór 1 februari 2008 bestond of ii. in de periode 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2019 bestond of is ontstaan en de woonruimte in deze periode een WOZ-waarde had of kreeg van € 265.000,-- of meer of iii. Woningvorming die is ontstaan voor 1 juli 2015. b. een schriftelijke toestemming (niet zijnde een omgevingsvergunning) van burgemeester en wethouders heeft die het gebruik van die woonruimte als onzelfstandige woonruimte toestaat en mits het gebruik sindsdien onafgebroken heeft plaatsgehad en naar aard en omvang niet is geïntensiveerd. Een vergunning die is verleend voor het omzetten, samenvoegen, onttrekken of woningvormen, wordt geacht ook te zijn verleend voor het omgezet, samengevoegd, onttrokken of gevormd houden van die woonruimte.
Artikel 50. Aanvraag vergunning 1. De aanvraag wordt door de eigenaar ingediend bij burgemeester en wethouders, via een daartoe door hen beschikbaar te stellen formulier. 2. Bij de aanvraag worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: a. naam en adres van de eigenaar;
b. reden van de aanvraag; c. gegevens over de huidige situatie: adres van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft; huur- of koopprijs; aantal kamers; gebruiksoppervlakte en staat van onderhoud; d. gegevens over de beoogde situatie: bestemmingbeoogde activiteit, bouwtekening/omgevingsvergunning; geluidsisolatieplan of meetrapport, voorstel voor financiële compensatie; e. bij voorgenomen samenvoeging: verwachte huur- of koopprijs; naam van de toekomstige bewoner(s) en omvang van het huishouden van de toekomstige bewoners. 3. Als burgemeester en wethouders dat nodig vinden voor de beoordeling van de aanvraag, kunnen zij aanvullende gegevens vragen.
Artikel 51. Weigeringsgronden Behalve op grond van artikel 25 van de wet (bibob-toets) kan een vergunning ook worden geweigerd als: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming gediende belang en dit belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; b. niet wordt voldaan aan de leefbaarheidstoets, waardoor het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het desbetreffende pand; c. de aanvrager niet bereid is financiële compensatie te betalen of d. vergunningverlening zou leiden tot strijdigheid met het bestemmingsplan, de beheersverordening, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het bestemmingsplan of de beheersverordening het omgevingsplan, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het omgevingsplan.
Artikel 60. Weigeringsgronden Behalve op grond van artikel 25 van de wet (bibob-toets) kan een vergunning ook worden geweigerd als: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid groter is dan het met de kadastrale splitsing gediende belang; b. het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad met het oog op schaarste en leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning; c. Niet wordt voldaan aan de leefbaarheidstoets, waardoor het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu woon- en leefklimaat in de omgeving van het desbetreffende pand; d. de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet of
e. er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan of de beheersverordening, tenzij een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan of de beheersverordening het omgevingsplan, of met een omgevingsvergunning op grond waarvan afgeweken mag worden van het omgevingsplan is verleend. f. Er geen omgevingsvergunning is verleend voor een bouwkundige splitsing. De Riolering- en drainageverordening Nieuwegein 2013 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2 Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder een aansluitvergunning een particuliere afvoerleiding op het aansluitpunt of het openbaar riool tot stand te brengen, in stand te houden of te wijzigen. 2.
De aansluitvergunning is perceelsgebonden.
3.
Een aansluitvergunning wordt uitsluitend verleend voor het aanbrengen, in stand houden of wijzigen van een aansluiting tussen de particuliere afvoerleiding en de perceelaansluitleiding voor: a.
de afvoer van stedelijk afvalwater naar het openbaar riool;
b.
de afvoer van afvloeiend hemelwater dan wel drainagewater naar het daarvoor bedoelde leidingenstelsel;
c.
het afvoeren van bronneringswater;
d.
de afvoer van bedrijfsafvalwater, niet zijnde uit een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. uit een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
4.
Indien de rechthebbende een aansluitvergunning aanvraagt voor meer dan één particuliere afvoerleiding, wordt deze aanvraag in een aansluitvergunning verleend, waarin alle particuliere afvoerleidingen afzonderlijk worden vermeld.
5.
Aan een aansluitvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Aan de aansluitvergunning worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:
6.
7.
a.
de wijze van het tot stand brengen van de aansluitleiding;
b.
het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding;
c.
de sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende;
d.
de periode waarvoor de aansluitvergunning wordt verleend is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater en dit een tijdelijke aansluitleiding betreft;
e.
de mechanische voorziening in de vorm van een pomp wanneer het bouwwerk niet onder vrij verval kan aansluiten op het openbaar riool;
f.
de maximale hoeveelheid te lozen afvalwater per tijdseenheid.
Als de rechthebbende binnen een jaar na verlening van de aansluitvergunning geen verzoek, bedoeld in artikel 7 heeft gedaan om de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarop die aansluitvergunning betrekking heeft, uit te voeren, komt de
8.
aansluitvergunning van rechtswege te vervallen.
Artikel 3 Aanvraag 1. De aanvraag voor een aansluitvergunning wordt ingediend door een rechthebbende. 2.
Bij de aanvraag voor een aansluitvergunning worden de volgende gegevens verstrekt: a.
de naam en het adres van de rechthebbende;
b.
de dagtekening;
c.
de ligging van het aan te sluiten perceel:
1°.aan de hand van een straatnaam en huisnummer of 2°. bij het ontbreken van daarvan, het kadastraal nummer van het perceel; 3.° aangegeven op een situatieschets 1:1000 of grotere schaal. d.
indien het een lozing van stedelijk afvalwater betreft, of er daarnaast ook afvloeiend hemelwater dan wel grondwater zal worden afgevoerd.
e.
indien de rechthebbende afvloeiend hemelwater dan wel grondwater wil afvoeren middels een gemengd, gescheiden of verbeterd gescheiden stelsel, dan wordt aannemelijk gemaakt dat het redelijkerwijs van hem niet gevergd kan worden het afvloeiend hemelwater dan wel grondwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen;
f.
van de aan te sluiten of te wijzigen particuliere afvoerleiding in ieder geval:
1.° het leidingverloop en de dimensionering; 2.° de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt; 3.° een duidelijke aanduiding van de verschillende afvoerleidingen ten behoeve van stedelijk afvalwater en infiltratiestelsels; 4.° en de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van de particuliere afvoerleiding ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd g.
voor zover het lozing van bedrijfsafvalwater betreft dat niet vanuit een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt geloosd:
1.° de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen of koelwater, dan wel verontreinigd water, zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater, zal worden afgevoerd. 2.° een verklaring van geen bezwaar, verleend door het college Artikel 4 Weigeringsgronden
1.
Een aansluitvergunning kan geweigerd worden als een aansluiting van een particuliere afvoerleiding of een wijziging van die aansluiting op het openbaar riool, de uitvoering van de gemeentelijke watertaken op het gebied van stedelijk afvalwater belemmert.
2.
De aansluiting van de particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk als: a.
gedeputeerde staten een ontheffing heeft verleend aan het college op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer;(Vervallen)
b.
de aangevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor een omgevingsvergunning dan wel een vergunning op grond van de Waterwet is vereist, maar niet is verleend of niet toereikend is gelet op de lozingssituatie, of dat niet aan Bouwbesluit 2012 is voldaan de aangevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor een omgevingsvergunning dan wel een vergunning op grond van de Omgevingswet is vereist, maar niet is verleend of niet toereikend is gelet op de lozingssituatie, of dat niet aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving voldoet;
c.
de lozing van het afvalwater de doelmatige werking van het openbaar riool en de RWZI belemmert moet voldoen om voor vergunningverlening in aanmerking te komen.
Artikel 8 Uitvoering aanleg of wijziging aansluiting 1. De uitvoering van aanleg of wijziging van de particuliere afvoerleiding wordt uitsluitend door of namens de gemeente uitgevoerd. 2.
De rechthebbende voert zelf de aansluiting van de particuliere afvoerleiding uit, nadat de gemeente de perceelaansluitleiding inclusief het aansluitpunt heeft aangelegd.
3.
In overleg met de rechthebbende wordt in ieder geval door de gemeente bepaald: a.
op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor het maken van een aansluitleiding noodzakelijke particuliere afvoerleiding het aansluitpunt kruist;
b.
of voor de kwaliteit en de goede werking van de aansluitleiding voorzieningen in de particuliere afvoerleiding moeten worden aangebracht voor het verpompen van water of ter voorkoming van het terugvloeien van stedelijk afvalwater indien de particuliere afvoerleiding te laag is gelegen om onder vrij verval op het openbaar riool te lozen.
4.
Na controle door de gemeente dekt de rechthebbende de aansluitleiding af.
5.
Bij het toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in tweede lid, kan artikel 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overeenkomstig worden toegepast. (Vervallen)
De Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein wordt als volgt gewijzigd: Artikel 4 Gegevensverstrekking 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening, verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende gegevens: a.
naam, (e-mail)adres en telefoon- en faxnummer van degene die de kabel of het netwerk in eigendom heeft, beheert of exploiteert.
b.
een opgave van het aantal kabels en/of buizen dat direct met kabels wordt gevuld of ingeblazen en een opgave van het aantal buizen dat leeg wordt aangebracht;
c.
een opgave van belanghebbenden en instanties die vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de werkzaamheden;
d.
een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: 1e een opgave van het gewenste tracé met daarbij duidelijke (digitale) tekeningen en daarop aangegeven wat de te verbinden locaties zijn; 2e een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de gewenste situering daarvan; 3e een omschrijving van de opbrekingen van de verharding; 4e de doorsnede van de kabel en indien van toepassing de kabelgoot; 5e de opgave van ondergrondse (handholes en dergelijke) of bovengrondse kasten waarvoor geen bouwvergunning noodzakelijk is waarvoor geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist, alsmede de situering en afmetingen daarvan; 6e naam, (e-mail)adres, telefoon- en faxnummer van de contactpersoon, aannemers of onderaannemers die belast zijn met de werkzaamheden en van een door hen aangewezen contactpersoon die ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden vierentwintig uur per dag bereikbaar is in verband met mogelijke calamiteiten; 7e de maatregelen die de bereikbaarheid van de in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen waarborgen; 8e de bereikbaarheid van percelen en opstallen in de nabijheid van de uit te voeren werkzaamheden; 9e alle overige van belang zijnde feiten en omstandigheden gelet op de in artikel 5.4 leden 2 en 3 van de wet genoemde belangen;
2.
Het college kan nadere regels stellen aan de gegevens die bij de melding worden verstrekt alsook over de wijze waarop deze gegevens worden verstrekt.
Artikel 5 Beslistermijn en aanhouding 1. Een beslissing op een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening wordt genomen uiterlijk acht weken na ontvangst van de melding. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel houdt het college de beslissing aan, indien er in verband met werkzaamheden ten behoeve van het openbare elektronisch communicatienetwerk een vergunning als bedoeld in de Woningwet, de Wet milieubeheer of een kapvergunning is vereist. een omgevingsvergunning als bedoeld in de Woningwet, de Omgevingswet of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, het vellen van een houtopstand, op basis van het omgevingsplan is vereist.
3.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
De Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 wordt als volgt gewijzigd: Intitulé Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 gemeente Nieuwegein De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2016; gelet op; Artikel 5.4, eerste lid, en artikel 5.5van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 18.20
en 18.23 van de Omgevingswet en artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet; De toelichting bij de model Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 provincie Utrecht; Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -
betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;
-
kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;
-
wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -
betrokken wetten: De Omgevingswet inclusief de Algemene Maatregelen van Bestuurs, te weten het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit Bouwwerken Leefomgeving, het Besluit Activiteiten Leefomgeving en het Omgevingsbesluit.
-
kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast;
-
wet: De Omgevingswet
Artikel 4. Kwaliteitsdoelen 1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen, krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht artikel 13.5 en 13.6 van het Omgevingsbesluit, gestelde doelen. 2.
De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval betrekking op: a.
de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;
b.
de dienstverlening;
c.
de financiën.
De Verordening speelautomatenhallen Nieuwegein 2019 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 7 Weigeringsgronden 1. De vergunning speelautomatenhal wordt geweigerd, indien; a.
het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;
b.
de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;
c.
de aanvrager(s)/leidinggevende(n) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;
d.
indien de aanvrager(s)/leidinggevende(n) niet beschikken over een geldig Certificaat Bewijsstuk Verslavingszorg voor Amusementscentra van GGZ Nederland;
e.
door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving het goede woon- en leefklimaat in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;