CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-353 Bijlage 2 Servicedocument

Raadsvergadering 25 januari 2024, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Actualisatie Wijzigingsverordening Omgevingswet28.010 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

2023-353 Bijlage 2 Servicedocument Begeleidend schrijven bij raadsvoorstel tot wijziging van de gemeentelijke verordeningen in voorbereiding op de komst van de Omgevingswet

Overzicht van wijzigingen in volgende verordeningen: -

Algemene plaatselijke verordening

-

Afvalstoffenverordening Nieuwegein 2010

-

Bomenverordening Nieuwegein 2012

-

Bouwverordening Nieuwegein

-

Erfgoedverordening gemeente Nieuwegein 2020

-

Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023 Gemeente Nieuwegein

-

Riolering en drainageverordening Nieuwegein 2013

-

Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein

-

Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2017 gemeente Nieuwegein

-

Verordening speelautomatenhallen Nieuwegein 2019

-

Verordening winkeltijden Nieuwegein 2012

-

Verordening op de woning- en kamerverhuurbureaus

Overzicht van de verordeningen die worden ingetrokken: -

Schoonheidsverordening Nieuwegein 1983

De wijzigingen zijn als volgt inzichtelijk: -

Tekst in het rood is geschrapt en doorgehaald Dikgedrukte tekst is toegevoegd

De Algemene plaatselijke verordening wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.

openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek;

b.

weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

c.

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

d.

bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

e.

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

f.

bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening Nieuwegein;

g.

gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

h.

handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

i.

bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bestuursorgaan als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet;

j.

voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 16.64, lid 2, van de Omgevingswet van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, artikel 2:11 en 2:12. Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a.

het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

b.

het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

c.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

2.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van: a.

uitstallingen;

b.

bouwcontainers, bouwsteigers en andere bouwmaterialen, met dien verstande dat voorafgaand aan de plaatsing daarvan het aan het college wordt gemeld;

c.

reclameborden die gevestigd zijn aan openbare verlichting op of aan de weg;

d.

oplaadpalen voor elektrische voertuigen;

e.

andere objecten, met uitzondering van objecten zoals bloembakken, straatmeubilair die door de gemeente zijn geplaatst;

f.

over bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van bouwprojecten op door het college aangewezen plaatsen.

3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, met dien verstande dat in het geval dat het het plaatsen van gedenktekens betreft de Regeling gedenktekens gemeente Nieuwegein van toepassing is. 4.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als bedoeld in artikel 5.4 Omgevingswet in samenhang met artikel 4.1 Omgevingswet, tenzij het tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. 5.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

6.

a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

b.

terrassen als bedoeld in artikel 2:27, onder b;

c.

standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;

d.

spandoeken boven de weg, voor zover de plaatsing wordt gedaan in overleg met de gemeente;

e.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, de Wet Milieubeheer, de Woningwet of de Wegenverordening provincie Utrecht 2004. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, Omgevingswet en het Besluit Activiteiten Leefomgeving.

7.Op de aanvraag voor een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend a.

als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; als de

omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden door regels in het omgevingsplan; b.

door het college in de overige gevallen.

3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 4.Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Utrecht 2004, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein. 5.Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a.

een uitweg te maken naar de weg;

b.

van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c.

verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, lid 1, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.

als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c.

als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d.

als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

4.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de Wegenverordening provincie Utrecht 2004. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a.

te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

b.

terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

2.Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op of aan een openbare plaats achter te laten, anders dan op plaatsen die daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen. 3.Het is verboden zich met een winkelwagentje op of aan een openbare plaats te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft

gesteld, met dien verstande dat het plaatsen van een winkelwagentje bij een door de rechthebbende aangewezen verzamelplaats dat zich op meer dan 100 meter afstand van het bedrijf bevindt daarvan is uitgezonderd. 4.Onverminderd het eerste lid tot en met derde lid kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar of de door deze gemachtigde bedrijfsleider van een bedrijf als bedoeld in het eerste lid verplichten tot het op de winkelwagentjes aanbrengen van een muntslot tegen diefstal, indien zulks met het oog op het tegengaan van het laten staan en doen laten staan van winkelwagentjes op de openbare plaats, in samenhang met de situatie ter plaatse, noodzakelijk is. 5.Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer de Omgevingswet en het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.

Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900 of de Omgevingswet.

Artikel 2:25 Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 3.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a.

het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen tegelijkertijd;

b.

het evenement tussen 08.00 en 23.00 uur plaatsvindt, met dien verstande dat op vrijdag en zaterdag het evenement plaatsvindt tussen 08.00 en 24.00 uur en op zondagen tussen 13.00 en 23.00 uur;

c.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement of na 23.00 uur;

d.

overmatige geluidsoverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen;

e.

het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

f.

slechts kleine bouwsels worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per bouwsel, springkussens alleen voor zo ver wordt voldaan aan het Besluit attracties speeltoestellen;

g.

er een organisator is;

h.

de buurt wordt geïnformeerd over het eendaagse evenement;

i.

direct na het eendaagse evenement dient opgeruimd te worden. De kosten voor het ophalen van achtergebleven vuil, worden verhaald op de organisator;

j.

bij gebruik van een barbecue:

·

dient een goedgekeurde brandblusser van minimaal zes kg te worden geplaatst of twee emmers water.

·

bij een gasgestookte barbecue mag de oranje slang niet ouder zijn dan twee jaar en het drukventiel niet ouder dan vijf jaar.

·

de gasfles mag niet binnen een afstand van drie meter van een straatkolk staan.

k.

de organisator tenminste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

4.Onverminderd het derde lid kan de burgemeester aanvullende voorschriften verbinden aan een klein evenement. 5.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 7.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf of openbare inrichting 1.Het is verboden een horecabedrijf of een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf of de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit of een beheersverordening omgevingsplan. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a.

indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt hierbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf of de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf of de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

b.

indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

c.

indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

d.

in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

e.

de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

4.Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit; 5.Voor het horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6.Voorts geldt het eerste lid niet voor een horecabedrijf in: a.

zorginstellingen en ziekenhuizen;

b.

musea, theaters, bioscopen en andere inrichtingen voor vermaak, waarvan de horeca alleen tijdens reguliere openingstijden of rondom voorstellingen geëxploiteerd wordt;

c.

kantines bij kerken, stichtingen, dorpshuizen etc. waarvan de horeca in eigen beheer is en niet verpacht;

d.

stationsrestauraties en benzinepompen;

e.

bedrijfsrestaurants en schoolkantines;

f.

slijterijen;

g.

koffiehuizen, ijssalons, tearooms of lunchrooms etc. voor zover deze behoren bij een (banket)bakkerij of broodjeszaak, dan wel inpandig of behorend bij een inrichting van andere aard, alwaar geen alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt.

7.Voor het verkrijgen van een horeca-exploitatievergunning of een exploitatievergunning openbare inrichting moeten leidinggevenden aan de volgende eisen voldoen: a.

zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet zijn;

b.

zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

c.

zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt.

8.Het bepaalde in het zevende lid geldt niet ten aanzien van horecabedrijven waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Drank- en Horecawet. 9.De burgemeester stelt beleidsregels vast voor het beoordelen van aanvragen voor een horeca exploitatievergunning of een exploitatievergunning openbare inrichting. 10.Op de aanvraag om een horeca-exploitatievergunning en de exploitatievergunning openbare inrichting of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a.

speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

b.

speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

c.

speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

3.De burgemeester weigert de vergunning: a.

indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

b.

indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan omgevingplan.

4.Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a.

aanwezig te hebben,of

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of

c.

aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Artikel 2:73a Verbod op het carbidschieten 1.Het is verboden: a.

acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid, oftewel calciumcarbide (CaC2) en water of

b.

waterstof (H2) afkomstig van een reactie tussen natronloog (NaOH) en water of

c.

gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen of

d.

al dan niet vernevelde, vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen

in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden of te bewerken. 2.Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats achter te laten of voorhanden te hebben op een zodanige wijze dat derden onbedoeld met die stof in contact kunnen komen. 3.Het is verboden carbid af te leveren en ter aflevering voorhanden te hebben wetende of vermoedende dat daarmee een gebruik wordt gemaakt als omschreven in het eerste lid. 4.Het tweede en derde lid gelden niet indien aannemelijk is, dat het carbid niet gebezigd wordt of bestemd is voor handelingen die op grond van het eerste lid verboden zijn. 5.Het verbod als bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, is niet van toepassing op het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren. 6.Dit artikel geldt niet voor zover door in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel geldt niet voor zover door in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of het Wetboek van Strafrecht. Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a.

de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan het geldende omgevingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of – veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e). Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

Activiteitenbesluit: Activiteitenbesluit milieubeheer Omgevingswet;

b.

inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit; milieubelastende activiteit: als bedoeld in bijlage 1 bij art. 1 Omgevingswet;

c.

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; exploitant van een milieubelastende activiteit: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een milieubelastende activiteit uitvoert;

d.

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen aantal locaties waar milieubelastende activiteiten plaatsvinden;

e.

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen aantal locaties waar milieubelastende activiteiten plaatsvinden;

f.

Nieuwegein-noord: het gebied ten noorden van de wegen: Weg naar de Poort, Wijkerslootweg, Zuidstedeweg, Plettenburgerbaan, Laagravenseweg en Houtenseweg, met uitzondering van het Stadscentrum als genoemd onder h;

g.

Nieuwegein-Zuid: het gebied ten zuiden van de wegen als genoemd onder f;

h.

Stadscentrum: het gebied tussen de wegen: Zuidstedeweg, Plettenburgerbaan, Vreeswijkestraatweg, Noordstedeweg en Batauweg

i.

geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder artikel 3.21 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

j.

geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals deze wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

k.

onversterkte muziek: muziek uit akoestische instrument (ook de menselijke stem), die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De artikelen 2.17, 2.20 en 6.16 van het Activiteitenbesluit Artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60 en 5.64 tot en met 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gelden niet voor de door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.Artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. (Vervallen). 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen van de gemeente: Nieuwegeinnoord, Nieuwegein-zuid en Stadscentrum. Het in het eerste lid bedoelde aantal dagen of dagdelen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk. 4.Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het college kan voorwaarden stellen bij de aan te wijzen collectieve festiviteiten met betrekking tot de geluidsnormen en tijdstippen.

Artikel 4:3 Ontheffing of kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 2.17, 2.20 en 6.16 van het Activiteitenbesluit artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60 en 5.64 tot en met 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing zijn. Hierbij worden meegerekend de ontheffingen die worden aangevraagd en de meldingen die worden gedaan op grond van artikel 4:5. Een aanvraag om ontheffing op grond van dit artikel en artikel 4:5, waarbij onversterkte en versterkte muziek ten gehore wordt gebracht, wordt als één aanvraag beschouwd. 2.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. (Vervallen). 3.De houder van een inrichting die voornemens is een incidentele festiviteit als bedoeld in het eerste en/of tweede lid te houden is verplicht ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvoor een aanvraag voor een ontheffing in te dienen bij het college onder vermelding van tijdstip en tijdsduur en de activiteiten waarvoor en de reden waarom de ontheffing wordt aangevraagd. In bijzondere gevallen kan van deze termijn worden afgeweken.

4.Het college kan een ontheffing weigeren indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijzen worden beïnvloed. 5.Geen ontheffing als bedoeld in het derde lid is benodigd, als: a.

de incidentele festiviteit tot uiterlijk 24.00 uur plaatsvindt of

b.

het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) na 24.00 uur op de gevels van de dichtstbijzijnde woning/gevoelig gebouw of in een in- of aanpandige woning/gevoelig gebouw niet meer dan 10 dB(A) meer bedraagt dan het geluidsniveau zoals voorgeschreven in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64 tot en met 5.70 en 5.72 Besluit kwaliteit leefomgeving of

c.

het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door een inrichting op een gezoneerd industrieterrein na 24.00 uur op 50 m afstand niet meer dan 10 dB(A) meer bedraagt dan het geluidsniveau zoals voorgeschreven in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64 tot en met 5.70 en 5.72 Besluit kwaliteit leefomgeving. Lid b geldt indien er binnen een afstand van 50 m een woning/gevoelig gebouw buiten het gezoneerd industrieterrein ligt, en

d.

de gemeente tenminste twee weken voor aanvang van de festiviteit schriftelijk in kennis wordt gesteld.

6.(vervallen). 7.(vervallen). Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1.Het is verboden om onversterkte muziek in een inrichting ten gehore te brengen indien niet wordt voldaan aan de geluidsvoorschriften zoals genoemd in artikel 2.17 en 6.16 van het Activiteitenbesluit artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64 tot en met 5.70 en 5.72 Besluit kwaliteit leefomgeving. Onder inrichting wordt ook begrepen een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van de inrichting. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten zoals bedoeld in artikel 4:2. 3.Van het verbod in het eerste lid kunnen per kalenderjaar maximaal twaalf ontheffingen worden verleend. De ontheffingen die worden aangevraagd op grond van artikel 4:3 worden hierbij meegerekend. Een aanvraag om ontheffing en/of de meldingen van dit artikel en artikel 4:3, waarbij versterkte en onversterkte muziek ten gehore wordt gebracht, wordt als één aanvraag beschouwd. 4.Een ontheffing van het eerste lid moet tenminste twee weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de ontheffing nodig heeft, worden aangevraagd bij het college onder vermelding van tijdstip en tijdsduur en de activiteiten waarvoor en de reden waarom de ontheffing wordt aangevraagd. In bijzondere gevallen kan van deze termijn worden afgeweken.

5.Het college kan een ontheffing weigeren indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. 6.Geen ontheffing als bedoeld in het derde lid is nodig, als: a.

het ten gehore brengen van de onversterkte muziek tot uiterlijk 24.00 uur plaatsvindt of

b.

het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau na 24.00 uur op de gevels van de dichtstbijzijnde woning, gevoelig gebouw of in een in- of aanpandige woning of gevoelig gebouw niet meer dan 10 dB(A) meer bedraagt dan het geluidsniveau zoals voorgeschreven in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64 tot en met 5.70 en 5.72 Besluit kwaliteit leefomgeving of

c.

het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door een inrichting op een gezoneerd industrieterrein na 24.00 uur op 50 m afstand niet meer dan 10 dB(A)meer bedraagt dan het geluidsniveau zoals voorgeschreven in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. artikel 2.24 van de Omgevingswet en de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64 tot en met 5.70 en 5.72 Besluit kwaliteit leefomgeving.

d.

lid b geldt alleen, indien er binnen een afstand van 50 m een woning of gevoelig gebouw buiten het gezoneerde industrieterrein ligt, en

e.

de gemeente tenminste twee weken voor aanvang van de festiviteit schriftelijk in kennis wordt gesteld.

7.(vervallen). 8.(vervallen). Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht 1.Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht bij bouwprojecten als bedoeld in artikel 2:10, tweede lid, onder f, een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een

zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a.

het maximale geluidsniveau;

b.

de situering van geluidsbronnen;

c.

de frequentie en tijden van gebruik.

5.Het college kan nadere regels stellen over de voorschriften bedoeld in het derde lid. 6.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013. door de Omgevingswet, de Zondagswet, het Besluit Bouwwerken Leefomgeving of de Provinciale omgevingsverordening. Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet: a.

voor werkzaamheden op of aan de openbare weg die plaatsvinden van maandag t/m zaterdag, tussen 07.00 en 19.00 uur;

b.

voor zover in het daarin geregelde ontwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gabaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1994, het Vuurwerkbesluit of de Wet milieugevaarlijke stoffen; voor zover in het daarin geregelde ontwerp wordt voorzien door de op de Omgevingswet of besluit activiteiten leefomgeving gebaseerde voorschriften, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1994 of het Vuurwerkbesluit;

c.

voor geluidswagens die ten behoeve van de aankondiging van evenementen tijdelijk rondrijden van maandag tot en met zaterdag tussen 9.00 en 21.00 uur;

d.

voor onderhoudswerkzaamheden aan de trambaan mits dit om verkeerstechnische redenen noodzakelijk is. De opdrachtgever van deze werkzaamheden stelt de omwonenden die vanuit hun woning zicht hebben op de trambaan en/of binnen een afstand van 50 m tot de trambaan wonen van tevoren op de hoogte van de werkzaamheden.

e.

voor noodreparaties aan de openbare weg. De opdrachtgever van deze werkzaamheden stelt direct omwonenden van tevoren hiervan op de hoogte.

4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing

Artikel 4:6a (Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:22 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

d.

mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of een provinciale verordening. de Omgevingswet of de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022. Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de zin van artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanige in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. activiteit is aangewezen in het omgevingsplan. 2.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

5.

a.

de bescherming van natuur en landschap;

b.

de bescherming van een stadsgezicht.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet

bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.

Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.vervallen 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. de Omgevingsverordening provincie Utrecht. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit het omgevingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; 4.Op een aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingswet of de Provinciale omgevingsverordening. 2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2.Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3.De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. het omgevingsplan. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a.

nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b.

beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht 1992 of de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingswet en de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022. Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats 1.Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht 1992 of de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht 1992. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022. Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de de Scheepvaartwegenverordening provincie Utrecht 1992. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022.

Artikel 5:32 Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

b.

in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c.

in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of de Zondagswet. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren de omgevinswet en het besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

a.

in het belang van het voorkomen van overlast;

b.

in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

c.

in het belang van de veiligheid van het publiek.

3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a.

ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

b.

die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

c.

die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

d.

van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

e.

voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a.

op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

b.

binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening binnen de bij of krachtens de Provinciale omgevingsverordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Het verbod geldt niet voorzover het betreft: a.

verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.

sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

c.

vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert;

d.

een oefening van de brandweer Nieuwegein.

3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening de Omgevingsverordening provincie Utrecht.

De Afvalstoffenverordening Nieuwegein 2010 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 16 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op: a.

het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;

b.

het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval;

c.

voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg.

4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit Bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu. voor zover de

Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit kwaliteit leefomgeving voorziet in de bescherming van het milieu. Artikel 19 Afvalbakken in inrichtingen voor het gebruik van eet- en drinkwaren De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: a.

een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten;

b.

zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd;

c.

zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.

Artikel 22 Verbod opslag van afvalstoffen 1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op te slaan of opgeslagen te hebben. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 23 Afgifte van autowrakken afkomstig uit een huishouden Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken.

Artikel 24 Strafbepaling Artikel 19

Afvalbakken in inrichtingen afvalbakken in inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. voor het verbruiken van eet- en drinkwaren

Artikel 25 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 5.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de krachtens artikel 18.6 eerste lid van de Omgevingswet aangewezen ambtenaren.

De Bomenverordening Nieuwegein 2012 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1 Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: a.

boom: een levend, houtachtig, overblijvend gewas dat bestaat uit één of meerdere stammen die zich op zekere hoogte boven de grond vertakt respectievelijk vertakken;

b.

hakhout: één of meer bomen of boomvormers die, na te zijn geveld, opnieuw op stronk uitlopen;

c.

houtopstand: hakhout, houtwal of een of meer bomen;

d.

knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats;

e.

kandelaberen: het uitdunnen van de kroon van een boom, waarbij de resterende takken tot ongeveer de helft van hun lengte wordt teruggesnoeid,

f.

vellen: rooien, kappen met inbegrip van verplanten, snoeien van meer dan 20% van het kroonvolume, alsmede het handelen en nalaten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

g.

boomwaarde (financieel): het bedrag dat overeenkomstig de rekenmethode van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen wordt gevonden;

h.

boomwaarde (omgevingswaarde): de waarde van de houtopstand voor de omgeving. Deze waarde wordt bepaalt op basis van belevingswaarde, verschijningsvorm, zeldzaamheid, cultuurhistorie e.d.

i.

bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; artikel 11.111 tweede lid aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving jo. artikel 165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

j.

omgevingsvergunningplichtige houtopstand: houtopstand waarop artikel 2, eerste lid, van toepassing is;

k.

houtwal: lijnvormige beplanting met bomen of struiken;

l.

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning ( conform artikel 1.1 eerste lid Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). (conform artikel 5.8 Omgevingswet);

m. particuliere houtopstand: houtopstand die zich bevindt op grond waarvan de eigenaar een ander dan de gemeente is; n.

gemeentelijke houtopstand: houtopstand die zich bevindt op grond waarvan de gemeente eigenaar is;

o.

fruitboom: een boom waarvan de vertakking met gesteltakken begint op minimaal 160 cm hoogte;

p.

opschot en zaailingen: exemplaren van bomen die spontaan zijn gegroeid of ontstaan.

Artikel 2 Verbod voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen gebieden en bomen die behoren tot de omgevingsvergunningplichtige houtopstanden aanwijzen in een Bomenlijst. Deze Bomenlijst wordt iedere 5 jaar geactualiseerd. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.

een particuliere houtopstand, voor zover het bomen betreft met een stamomtrek tot maximaal 90 cm op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld, tenzij het particuliere houtopstand betreft die als herplant is aangeplant voor verwijderde, maar voorheen houtopstand betrof met een stamomtrek van meer dan 90 cm boven het maaiveld;

b.

een gemeentelijke houtopstand die niet is opgenomen op de Bomenlijst als bedoeld in lid 2, tenzij het gemeentelijke houtopstand betreft die als herplant is aangeplant voor verwijderde, maar voorheen opgenomen houtopstand;

c.

een gemeentelijke houtopstand die is opgenomen op de Bomenlijst en die bestaat uit opschot of zaailingen met een stamomtrek tot maximaal 90 cm op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld;

4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom, indien het betreft: a.

populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze vakkundig zijn geknot;

b.

fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

c.

fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

d.

kweekgoed;

e.

houtopstand, die deel uitmaakt van bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: 1°ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, 2°ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

5.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt verder niet voor: a.

houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet Plantengezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 8 van deze verordening;

b.

het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

c.

het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

D In artikel 3 komt het tweede lid te vervallen.

Artikel 3 Aanvraag omgevingsvergunning 1.Een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom moet schriftelijk of digitaal, gemotiveerd, onder bijvoeging van een situatieschets, worden aangevraagd door de eigenaar of diens gemachtigde van de particuliere of gemeentelijke houtopstand. 2.Wanneer namens de Minister van Economie, Landbouw en Innovatie aan burgemeester en wethouders een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwen zij dit afschrift mede als een aanvraag voor een omgevingsvergunning. (Vervallen). Artikel 4 Weigeringsgronden 1.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=8544e29c-e6f3-4215-bd80-ed8a8da25a6a