CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-174 Bijlage 7 Quickscan natuurtoets.pdf

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Bestemmingsplan Buizerdlaan-Kauwenhof8.436 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2023-174 Bijlage 7

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein Inventarisatie en toetsing in het kader van het natuurbeschermingsrecht

BPD bouwfonds gebiedsontwikkeling

Definitief

(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein Inventarisatie en toetsing in het kader van het natuurbeschermingsrecht

23-092

23 maart 2023

Definitief

F.A. (Floris) Jansen & A. (Arjan) Van Vuuren

K. (Kenny) Noorlander

BPD bouwfonds gebiedsontwikkeling

© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Jansen, F.A. & Van Vuuren, A. (2023). Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein. Inventarisatie en toetsing in het kader van het natuurbeschermingsrecht. Rapport 23-092. Ecogroen bv

Inhoud Samenvatting

1

1.

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling

4 4 4

2.

Wettelijk kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.2 Onderzoeksmethode

7 7 9

3.

Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.2 Natuurnetwerk Nederland

10 10 11

4.

Soortbescherming 4.1 Zoogdieren 4.2 Vogels 4.3 Reptielen 4.4 Amfibieën 4.5 Ongewervelden 4.6 Overige soortgroepen

13 13 15 16 17 23 23

5.

Geraadpleegde bronnen

24

Samenvatting Aanleiding en doelstelling BPD bouwfonds gebiedsontwikkeling heeft het voornemen om een terrein aan de Buizerdlaan in Nieuwegein te ontwikkelen, waarbij woningen en een supermarkt worden gerealiseerd. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging aan de orde. Omdat de uitvoering van dit plan negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden heeft Ecogroen het initiatief middels een quickscan getoetst aan het natuurbeschermingsrecht. Indien van toepassing is bepaald of er bij het vaststellen van het bestemmingsplan zicht is op het verlenen van toestemmingen in het kader van het natuurbeschermingsrecht, zoals een ontheffing van de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming • Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Uiterwaarden Lek op ruim 6,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Op ongeveer 8 kilometer van het plangebied bevindt zich Natura 2000-gebied Zouweboezem. In beide voorgenoemde Natura 2000gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. Gezien de afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden bij de uitvoering van het plan directe negatieve gevolgen voor instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Er is bijvoorbeeld geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering of verstoring door licht of geluid. • Mogelijk treden er door de uitvoering van het plan indirect negatieve gevolgen op in Natura 2000-gebieden door een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie. Een stikstofberekening kan hierover uitsluitsel geven. • Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde terrein dat deel uitmaakt van het NNN ligt ter plaatse van het IJsselbos op een afstand van ruim 800 meter ten zuiden van het plangebied. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van effecten die kunnen leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vervolgstappen in verband met de bescherming van het NNN zijn niet aan de orde.

Soortbescherming • In en rond het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen of te verwachten. Wel kunnen er migrerende of foeragerende vleermuizen aanwezig zijn. Er gaan bij de uitvoering van het plan geen voor vleermuizen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied verloren. Wel kan verstoring optreden door (bouw)verlichting. Verstoring van veermuizen is verboden. Negatieve gevolgen door verstoring van foeragerende of migrerende vleermuizen dienen te worden voorkomen door een aangepaste werkwijze. • De bomen en struiken in en rond het plangebied vormen broedbiotoop voor diverse vogelsoorten (zoals Turkse tortel, merel, roodborst en heggenmus, allen zonder jaarrond beschermd nest). Bij het verwijderen van bomen en de bouwwerkzaamheden kun broedvogels worden verstoord of nesten verloren gaan. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

01

• Het plangebied is geschikt als landhabitat met mogelijk (winter-) verblijfplaatsen van rugstreeppad. Ook kunnen rugstreeppadden uit de omgeving het plangebied in gebruik nemen als voorplantingsbiotoop, wanneer er tijdens de werkzaamheden in de periode van half april tot en met juli plassen in het terrein blijven staan. Bij de uitvoering van het plan kan leefgebied met verblijfplaatsen van rugstreeppad verloren gaan of exemplaren worden gedood of geschaad. Dit is verboden. • Sporadisch kunnen in de periode half-maart tot en met half-oktober (zwervende) exemplaren van ringslang voorkomen in groenelementen in het plangebied. Negatieve gevolgen voor ringslang dienen te worden voorkomen door een aangepaste werkwijze. • In groenelementen in het plangebied kunnen grondgebonden zoogdieren (zoals bosmuis, bunzing, egel) en amfibieën (zoals bruine kikker en gewone pad) aanwezig zijn. Het betreft soorten waarvoor in de provincie Utrecht een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten de wettelijke zorgplicht. • Binnen de invloedssfeer van het plan zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten aangetroffen of te verwachten. Vervolgstappen ten aanzien van jaarrond beschermde nesten zijn niet aan de orde.

• De aanwezigheid van andere beschermde grondgebonden zoogdieren, reptielen- of amfibieënsoorten (waarvoor geen vrijstelling geldt) en beschermde vissen, ongewervelden en flora wordt op basis van verspreidingsgegevens en beoordeling van het plangebied tijdens het veldbezoek uitgesloten.

Advies • Geadviseerd wordt om de gevolgen van stikstofemissie in de aanleg- en gebruiksfase inzichtelijk te maken door middel van een enkelvoudige berekening met het rekenprogramma AERIUS. Aan de hand van de uitkomsten kunnen vervolgstappen worden bepaald. • Er is aanvullend onderzoek nodig naar de aanwezigheid van leefgebied (met mogelijke verblijfplaatsen) van rugstreeppadden in het plangebied. Dit moet worden uitgevoerd tussen half april en juli. Mocht hieruit blijken dat het plangebied leefgebied van rugstreeppad vormt, dan is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk. Er is zicht op ontheffing voor het initiatief wanneer er afdoende mitigerende en compenserende maatregelen voor rugstreeppad worden getroffen, er een wettelijk geldend belang is en er geen alternatieven mogelijk zijn. • Om eventuele lichtverstoring op zich verplaatsende en foeragerende vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de volgende voorzorgsmaatregelen te treffen: – In de uitvoeringsfase in de periode maart t/m oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst geenbouwverlichting op de omgeving laten uitstralen of de bouwverlichting dan uit te schakelen. – Bij de toekomstige ontwikkeling op vleermuizen aangepaste straatverlichting toepassen.

Indien voorgenoemde maatregelen worden getroffen dan zijn er geen andere vervolgstappen ten aanzien van vleermuizen noodzakelijk zoals het aanvragen van een ontheffing. • Om het overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb met betrekking tot ringslang te voorkomen, adviseren we om de volgende voorzorgsmaatregelen te treffen: – Het verwijderen van groenelementen uitvoeren in de periode half oktober tot half maart, buiten de actieve periode van ringslang; – Bij het verwijderen van groenelementen in de periode half maart – half oktober, de begroeiing vooraf handmatig kort af te snoeien, zodat de dekking verdwijnt. Vervolgens dient enkele dagen te worden

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

02

gewacht met het verwijderen van de restanten. Hierbij dient stapvoets te worden gewerkt zodat mogelijk nog aanwezige exemplaren de kans hebben om te vluchten. Indien voorgenoemde maatregelen worden getroffen dan zijn er geen andere vervolgstappen ten aanzien van ringslang noodzakelijk zoals het aanvragen van een ontheffing. • Wanneer er werkzaamheden in de periode februari t/m oktober worden gestart, adviseren we om vlak voor aanvang een broedvogelcontrole uit te laten voeren door een ecologisch deskundige. Tijdens de broedvogelcontrole wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van broedgevallen van vogels wordt in overleg met de ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd. • In het kader van de wettelijke zorgplicht wordt geadviseerd om groenelementen te verwijderen in de periode september – medio november (na broedvogelcontrole, zie vorige bullet). Daarnaast dient zo veel mogelijk stapvoets één kant op te worden gewerkt -richting te handhaven groen- zodat eventueel nog aanwezige fauna de kans krijgt om te vluchten.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

03

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling BPD bouwfonds gebiedsontwikkeling heeft het voornemen om een terrein aan de Buizerdlaan in Nieuwegein te ontwikkelen tot een woonlocatie met supermarkt. Voor deze ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging aan de orde. Omdat de uitvoering van dit plan negatieve gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden dient het initiatief te worden getoetst aan het natuurbeschermingsrecht. Op verzoek van BPD heeft Ecogroen op het niveau van een quickscan natuurtoets beoordeeld of uitvoering van het plan kan conflicteren met de wettelijke bescherming van natuurwaarden. Er is getoetst aan de gebieds- en soortbescherming van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daar waar nodig is er bepaald of er bij het vaststellen van het bestemmingsplan zicht is op het verlenen van toestemmingen in het kader van de Wnb (vergunning en/of ontheffing). Voorliggend rapport geeft de resultaten van het onderzoek weer en gaat in op de eventueel noodzakelijke vervolgstappen.

Leeswijzer Eerst wordt ingegaan op de ligging en karakteristiek van het plangebied en de beoogde ontwikkeling (§1.2). In hoofdstuk 2 worden het wettelijk kader en de onderzoeksmethodiek beschreven. De resultaten van het onderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 3 (beschermde gebieden), hoofdstuk 4 (beschermde soorten). Hierbij is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn om het plan binnen de kaders van de Wet natuurbescherming uit te kunnen voeren en of er -wanneer van toepassing- zicht is op een vergunning danwel ontheffing. Aan het eind van het rapport (hoofdstuk 5) is een lijst met geraadpleegde bronnen opgenomen.

1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied ligt aan de Buizerdlaan in Nieuwegein, ten oosten van de A2, ter hoogte van afrit 9 (figuur 1.1). Op het terrein is recent een kantorencomplex gesloopt, het ligt nu tijdelijk braak. Er bevinden zich gazons met enkele solitaire bomen, stroken met ruigte en kruiden en aan de randen jonge opslag van wilg. Het terrein wordt omzoomd door opgaande bomen. Direct ten westen van het plangebied ligt een waterpartij. Ten zuiden van het plangebied ligt een groenstrook die niet bebouwd wordt bij de voorgenomen ontwikkeling. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een hotel met infrastructuur en parkeerplaatsen, oostelijk van het plangebied ligt de Buizerdlaan, een tweebaansweg met fietsstroken en bermen met een voetpad aan weerszijden (figuur 1.2)

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

04

Figuur 1.1 Topografische kaart van het plangebied (indicatief, rood omlijnd) in Nieuwegein ten oosten van afrit 9 en uitsnede met ligging. Bron achtergrond: TopoRD/ESRI.

Figuur 1.2 Luchtfoto met indicatie van de huidige situatie in het plangebied en omgeving. Bron: PDOK.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

05

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt in het noordelijke deel van het plangebied een supermarkt gebouwd met parkeerplaatsen. In het zuidelijke deel worden circa 45 woningen met tuinen en schuurtjes gebouwd. Het terrein wordt voorafgaand aan de bouw bouwrijp gemaakt. Er komen kabels- en leidingen en infrastructuur met straatverhardingen. Rond de gebouwen worden groenelementen ingericht. De aanwezige bomen -met name aan de randen van het plangebied- worden hierbij zo veel mogelijk ingepast. Voor enkele bomen geldt dat kap noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. In figuur 1.3 is de beoogde inrichting van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.3 Beoogde inrichting plangebied met woningen aan de zuidkant, een supermarkt aan de noordkant en bomen die zo veel mogelijk worden ingepast. Bron: BPD bouwfonds gebiedsontwikkeling.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

06

2. Wettelijk kader en methode 2.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. In voorliggende rapportage wordt getoetst op gebieds- en soortbescherming. In kader 2.1 wordt een samenvatting van de relevante wetteksten met betrekking tot gebieds- en soortbescherming gegeven. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom houtopstanden van Nieuwegein en valt buiten het toepassingsgebied voor onder de Wnb beschermde houtopstanden.1 Daarom zijn vervolgstappen ten aanzien van het onderdeel ‘houtopstanden’ van de Wnb voor de (eventuele) kap van bomen niet aan de orde. Het onderdeel houtopstanden van de Wnb blijft verder buiten beschouwing. Er gelden naar verwachting wel gemeentelijke regels voor de kap van bomen. We adviseren om voorafgaand aan het kappen van bomen contact op te nemen met de afdeling binnen de gemeente die hierover gaat. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen. Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van (een maatregelen in het kader van) zorgplicht is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig.

Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in:

________________________________________________________________________________ 1 Atlas provincie Utrecht, geraadpleegd 6-2-2023.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

07

– Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk.

Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt.

Toetsingskader bestemmingsplannen Ten behoeve van vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan dient (conform jurisprudentie 2) ten aanzien van Natura 2000 de Wet natuurbeschermingstoets uitgevoerd te worden. Deze is vastgelegd in artikel 2.7 lid 1 Wnb & artikel 2.8 lid 1 Wnb. Dit houdt kortweg in dat voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidige feitelijke, planologisch legale situatie en de toekomstige maximale plansituatie. Ten aanzien van soortbescherming (Hoofdstuk 3, Wnb) is in de Wet natuurbescherming geen toetsingskader opgenomen ten aanzien van plannen. Voor soortbescherming wordt in het kader van plannen de uitvoerbaarheidstoets uitgevoerd, die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er een ontheffing nodig is en zo ja, of er zicht is op het verkrijgen van een Wnb-ontheffing voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en uitgewerkt in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen. De bescherming van het NNN staat geheel los van de Wnb. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij in bepaalde gevallen wordt afgeweken van het bestemmingsplan. ________________________________________________________________________________ 2 ECLI:NL:RVS:2020:2318

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

08

Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij in bepaalde gevallen wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee-tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen en verankerd in de bestemmingsplannen.

2.2 Onderzoeksmethode Een quickscan natuurtoets bestaat uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voorafgaand aan het veldbezoek is literatuuronderzoek uitgevoerd, waarbij is nagegaan of het projectgebied in of nabij beschermde gebieden ligt. Daarnaast is op basis van bekende verspreidingsgegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), nagegaan of er beschermde soorten in en om het projectgebied te verwachten zijn. Er is gekeken naar waarnemingen van de afgelopen 10 jaar. Bij het literatuuronderzoek is ook onderzoek dat eerder op locatie is uitgevoerd geraadpleegd. De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormde de basis voor het veldbezoek dat op 15 februari 2023 (droog, helder, windstil, 4 °C) is uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldbezoek is het plangebied en de nabije omgeving in een straal van circa 75 meter (het onderzoeksgebied) geïnspecteerd op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Het plangebied is onder andere geïnspecteerd op: • Bomen met (mogelijk jaarrond beschermde) nesten, holten en scheuren (potentie voor vleermuizen) door visuele inspectie; • Aanwezigheid van (vaste voortplantings- en rustplaatsen van) beschermde fauna; • Habitat voor grondgebonden zoogdieren als egel en marterachtigen door beoordeling van het terrein (habitatkenmerken), aanwezigheid van blad-, takken- en steenhopen, geschikte holtes; • Habitat waarin zich (beschermde) amfibieën kunnen bevinden door visuele inspectie en beoordeling van terreinkenmerken; • Beschermde flora (winterkenmerken). Aan de hand van de informatie uit het literatuuronderzoek en veldbezoek is beoordeeld welke gevolgen en effecten er bij de uitvoering van het plan kunnen optreden op beschermde gebieden en soorten. Vervolgens is advies uitgebracht over benodigde vervolgstappen zoals het treffen van mitigerende maatregelen het aanvragen van een ontheffing of vervolgonderzoek om kennisleemten op te vullen. Daar waar mogelijk een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is, is beoordeeld of er zicht op het verlenen van een ontheffing.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

09

3. Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Uiterwaarden Lek op ruim 6,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied (figuur 3.1). Uiterwaarden Lek is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Op grotere afstand van het plangebied (ongeveer 8 kilometer) bevindt zich Natura 2000-gebied Zouweboezem. Zouweboezem is aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. In beide voorgenoemde Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen (RIVM, 2023).

Figuur 3.1 Ligging plangebied (marker) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving (geel is Habitatrichtlijngebied, groen is Vogel- en habitatrichtlijngebied). Bron: AERIUS calculator.

Bij de uitvoering van het plan worden, gezien de afstand tot omliggend Natura 2000-gebied, directe negatieve gevolgen voor instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Er is bijvoorbeeld geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering of verstoring door licht of geluid in Natura 2000gebieden. Mogelijk zijn bij de uitvoering van het plan wel indirecte negatieve gevolgen voor Natura 2000gebieden aan de orde door een toename van stikstofdepositie. Stikstof De uitstoot van stikstof in de aanleg- en gebruiksfase van het plan kan leiden tot meer stikstofdepositie in

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

10

stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Toegenomen stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van de bodem met (significant) negatieve gevolgen voor planten- en diersoorten die hier kwetsbaar voor zijn. De mate van stikstofuitstoot hangt echter af van het type ontwikkeling. Het rekenmodel AERIUS Calculator wordt op grond van de Wet natuurbescherming voorgeschreven om te bepalen of er al dan niet sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Indien de uitvoering van het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (>0,00 mol/ha/jaar), treedt geen negatief gevolg voor de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden op en is plan niet strijdig met de Wet natuurbescherming (onderdeel stikstof). Geadviseerd wordt om de gevolgen van stikstofemissie in de aanleg- en gebruiksfase inzichtelijk te maken door middel van een enkelvoudige berekening met het rekenprogramma AERIUS. Aan de hand van de uitkomsten kunnen vervolgstappen worden bepaald.

3.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde terrein dat deel uitmaakt van het NNN ligt ter plaatse van het IJsselbos op een afstand van ruim 800 meter ten zuiden van het plangebied (figuur 3.2).

Figuur 3.2 Ligging van het plangebied (binnen rode cirkel) ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN (groene markering). Bron: Webkaart provincie Utrecht.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

11

Omdat het plangebied buiten NNN ligt is er bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van directe aantasting van het NNN, zoals oppervlakteverlies of aantasting van de samenhang. Gezien de ruime afstand tot het NNN en tussenliggende woonwijken en infrastructuur worden effecten die kunnen leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN -zoals verstoring door licht, geluid van (hei-)machines of toegenomen menselijke aanwezigheid- ook uitgesloten. Vervolgstappen in verband met de bescherming van het NNN zijn niet aan de orde.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

12

4. Soortbescherming 4.1 Zoogdieren Zoogdieren van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn tientallen recente waarnemingen (< 5 jaar oud) van vleermuizen bekend. Waargenomen soorten zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF, 2023). Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In onderstaand kader (kader 4.1) worden deze onderdelen nader beschreven en op welke wijze ze beschermd zijn. Kader 4.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven/ zomerverblijven, baltslocaties/ paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute.

Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Verblijfplaatsen In het plangebied bevindt zich geen bebouwing die een verblijfplaats voor vleermuizen kan vormen. In de bomen binnen en rond het projectgebied zijn geen geschikte holten aangetroffen die als verblijfplaats kunnen dienen. Centraal in het plangebied staan weliswaar enkele oudere bomen met inrottingsgaten. Uit visuele inspectie blijkt dat deze gaten oppervlakkig zijn en onder invloed staan van het weer. Deze bomen worden niet geschikt geacht als verblijfplaats voor vleermuizen. Tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde (mogelijk) geschikte bebouwing aan de oostkant staan meerdere bomenrijen waardoor ook verstoring van verblijfplaatsen door licht is uitgesloten. Op basis van de beoordeling tijdens het veldbezoek worden verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedssfeer van het plan uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde. Vliegroutes en foerageergebieden Binnen en rond het plangebied bevindt zich geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Het betreft met name de luwe plekken langs bomen aan de randen van het plangebied en het terrein boven/ rond de waterpartij ten westen van het plangebied. Ook zijn rond het plangebied lijnvormige elementen zoals bomenrijen aanwezig die een geleidend element voor zich verplaatsende vleermuizen kunnen vormen.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

13

Omdat de bomenrijen rond het plangebied en de waterpartij met groenelementen intact blijven is er bij de uitvoering van het initiatief geen sprake van het verlies van (al dan niet essentiële) vliegroutes. Ook blijft het terrein grotendeels geschikt als foerageergebied. Door de voorgenomen ontwikkeling gaat mogelijk wel een beperkte hoeveelheid foerageergebied centraal in het plangebied (tijdelijk) verloren. Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling in de omgeving voldoende foerageergebied voor vleermuizen behouden blijft is er geen sprake van het verlies van onmisbaar foerageergebied. Tijdens de uitvoering van het plan en in de toekomstige situatie kan er wel sprake zijn van verstoring van zich verplaatsende of foeragerende vleermuizen als gevolg van (bouw- en straat-) verlichting die uitstraalt op de omgeving. Het verstoren van vleermuizen is niet toegestaan. Om eventuele lichtverstoring op zich verplaatsende en foeragerende vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de volgende mitigerende maatregelen te treffen: • In de uitvoeringsfase in de periode maart t/m oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst geen bouwverlichting op de omgeving te laten uitstralen of de bouwverlichting dan uit te schakelen. • Bij de toekomstige ontwikkeling op vleermuizen aangepaste verlichting toepassen als straatverlichting.

De verlichting dient naar beneden gericht te zijn met een passende lichtkleur: UV-vrije verlichting, amberkleurig.3 Door het treffen van deze maatregelen wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden. Indien deze maatregelen worden getroffen zijn geen andere vervolgstappen ten aanzien van foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk. Overige zoogdieren van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn Op basis van het veldbezoek, bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) en terreinkenmerken, worden in en rond het projectgebied geen (vaste rust- en voortplantingsplaatsen van) overige zoogdieren van de Habitatrichtlijn en verdragen van Bern en Bonn zoals bever en otter verwacht. Vervolgstappen met betrekking tot deze soorten zijn niet aan de orde.

Zoogdieren nationaal beschermd zonder vrijstelling provincie Op basis van het veldbezoek, bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) en terreinkenmerken, worden binnen de invloedssfeer van het plan geen (vaste rust- en voortplantingsplaatsen van) nationaal beschermde zoogdieren, waarvoor in de provincie Utrecht geen vrijstelling van verbodsbepalingen van de Wnb geldt bij ruimtelijke ingrepen, (zoals eekhoorn en boommarter) verwacht. Vervolgstappen met betrekking tot zoogdieren uit deze beschermingscategorie zijn niet aan de orde.

Zoogdieren nationaal beschermd met provinciale vrijstelling De groenelementen in en rond het plangebied vormen geschikt leefgebied voor enkele grondgebonden zoogdiersoorten -zoals bosmuis, bunzing, egel en wezel- waarvoor in de provincie Utrecht een vrijstelling van verbodsbepalingen van de Wnb geldt bij ruimtelijke ingrepen. Met name de randen van het plangebied waar zich dicht braamstruweel en ruigtevegetaties bevinden zijn geschikt voor grondgebonden zoogdieren. Tijdens het veldbezoek zijn met name aan de zuidelijke rand van het plangebied diverse ________________________________________________________________________________ 3 Zie voor meer informatie: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/vleermuizen-algemeen.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

14

muizenholen aangetroffen. Ook kunnen grondgebonden zoogdieren met vrijstelling voorkomen in het centrale deel van het plangebied waar zich een dichte vegetatie van wilgen bevindt. Omdat de groenelementen langs de randen van het plangebied worden ingepast bij de toekomstige ontwikkeling blijft het leefgebied voor deze soorten grotendeels behouden. Wanneer er tijdens de uitvoering van het plan (lokaal) groenelementen worden verwijderd kunnen deze soorten echter wel worden geschaad of kunnen verblijfplaatsen verloren gaan. Omdat voor deze soorten in de provincie Utrecht een vrijstelling van verbodsbepalingen van de Wnb geldt bij ruimtelijke ingrepen, hoeft er voor deze soorten (vooralsnog) geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt te allen tijde de wettelijke zorgplicht. In het kader van de wettelijke zorgplicht wordt voor de genoemde soorten geadviseerd om groenelementen te verwijderen in de periode september – medio november; zo veel mogelijk buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en overwinteringsperiode van egel. Daarnaast dient zo veel mogelijk één kant op te worden gewerkt -zo mogelijk richting te handhaven groen- waarbij eventueel nog aanwezige dieren te kans krijgen om te vluchten.

4.2 Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (kader 4.1). Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Nestlocaties kunnen dan buiten het broedseizoen zonder overtreding van de Wet natuurbescherming verwijderd worden. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 4.2). Kader 4.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Op basis van de inspectie en biotoopbeoordeling tijdens het veldbezoek en bekende waarnemingen (NDFF, 2023) zijn in en rond het plangebied geen nesten van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest zoals beschreven in kader 4.2 aangetroffen of te verwachten. Er is wel een eksternest (beschermingscategorie 5, provincie Utrecht, 2023) in aanbouw aangetroffen direct ten zuiden van het plangebied. Er is echter geen sprake van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarronde bescherming van eksternesten rechtvaardigen. Er is in de omgeving van het plangebied namelijk in ruime mate broedbiotoop aanwezig zoals opgaande bomen, plantsoenen en struweel in het park aan de zuid- en westkant van het plangebied. Er zijn daardoor voldoende uitwijkmogelijkheden. Vervolgstappen ten aanzien van jaarrond beschermde nesten zijn niet aan de orde.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

15

Overige vogels De bomen en struiken in en rond het plangebied vormen broedbiotoop voor diverse vogelsoorten zoals houtduif, Turkse tortel, merel en roodborst. Bij het verwijderen van bomen en de bouwwerkzaamheden kunnen vogelnesten worden geschaad of kan verstoring van broedende vogels optreden door geluid van machines en aanwezigheid van mensen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is echter alleen verboden wanneer de storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor de te verwachten soorten kan verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Soorten als houtduif kunnen tot in oktober broedsels beginnen, maar ook al in februari starten met nestelen.

Daarom adviseren we – zeker wanneer werkzaamheden binnen de periode van februari t/m oktober worden gestart – om een broedvogelcontrole uit te voeren. Tijdens de broedvogel-controle wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd.

4.3 Reptielen Reptielen van de Habitatrichtlijn en Verdragen van Bern en Bonn Vaste verblijfplaatsen van reptielen die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn, zoals zandhagedis en gladde slang, zijn niet aangetroffen en worden op basis van terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) niet verwacht in het plangebied. Vervolgstappen ten aanzien van reptielen in deze beschermingscategorie zijn niet aan de orde.

Reptielen nationaal beschermd Ringslang In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van ringslang bekend. Deze waarnemingen zijn gedaan in de omgeving van het Merwedekanaal (2014 en 2015), ongeveer 2 kilometer ten oosten van het plangebied (NDFF, 2023). De ringslang komt voor in waterrijke habitats, veelal op zandgronden en overgangen van zandgrond naar veen- of kleigebied. De soort jaagt onder andere in structuurrijke oeverbegroeiingen van meren, plassen en watergangen. Eieren worden in de zomer afgezet in composthopen, bladhopen en mestvaalten: plaatsen waarin broei plaatsvindt. Overwintering vindt plaats op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder boomstammen en in dicht struweel (RAVON, 2023).

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

16

Tijdens het veldbezoek zijn geen ringslangen aangetroffen in het plangebied. Ook zijn er geen potentieel geschikte voortplantings- of overwinteringsplaatsen van ringslang zoals hopen blad of maaisel aangetroffen in het plangebied. Ten westen van het plangebied ligt een vijver met een redelijk ontwikkelde oevervegetatie. Mogelijk komen in groenelementen rond deze vijver (foeragerende) ringslangen voor. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat (zwervende) exemplaren van ringslang in de actieve periode -tussen half maart en half oktober- sporadisch voorkomen in groenelementen in het plangebied. Bij de voorgenomen werkzaamheden kunnen bij het verwijderen van groenelementen in de periode half maart- half oktober ringslangen worden gedood of geschaad. Dit is niet toegestaan. Schade aan ringslang dient te worden voorkomen door: • Het verwijderen van groenelementen uit te voeren in de periode half oktober tot half maart, buiten de actieve periode van ringslang; • Bij het verwijderen van groenelementen in de periode half maart – half oktober, de begroeiing vooraf handmatig kort af te snoeien, zodat de dekking verdwijnt. Vervolgens dient enkele dagen te worden gewacht met het verwijderen van de restanten. Hierbij dient stapvoets in één richting te worden gewerkt zodat mogelijk nog aanwezige exemplaren de kans hebben om te vluchten.

Indien voorgenoemde maatregelen worden getroffen dan is geen sprake van het overtreden van verbodsbepalingen van de Wnb en zijn er geen andere vervolgstappen ten aanzien van ringslang noodzakelijk, zoals aanvullend onderzoek en het aanvragen van een ontheffing. Overige nationaal beschermde reptielen Op basis van het veldbezoek, bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) en terreinkenmerken, worden binnen de invloedssfeer van het plan geen (vaste rust- en voortplantingsplaatsen van) nationaal beschermde reptielen (zoals hazelworm en levendbarende hagedis) verwacht. Vervolgstappen met betrekking tot reptielen uit deze beschermingscategorie zijn niet aan de orde.

4.4 Amfibieën Amfibieën van de Habitatrichtlijn en Verdragen van Bern en Bonn Heikikker Waarnemingen van heikikker zijn bekend uit polders ten noorden en ten zuiden van IJsselstein, ten westen van A2. De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan op ruim 1 kilometer ten westen van het plangebied, aan de zuidkant van de Nedereindse plas (NDFF, 2023). Heikikker komt voor in kleine geïsoleerde wateren en in sloten en bij voorkeur in relatief voedselarm water. Het waterhabitat van de heikikker bestaat uit ondiep, zonbeschenen, voedselarm en vaak relatief zure wateren. In laagveengebieden maakt de heikikker vooral gebruik van diverse verlandingsstadia. Buiten de voortplantingsperiode houdt de heikikker zich op in vochtige plekken in schraal, ietwat ruig gebied. De soort overwintert op vorstvrije plekken op het land, buiten bereik van grondwater (RAVON, 2023; Creemer, 2009). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied geen kleine geïsoleerde wateren aangetroffen die mogelijk voortplantingsbiotoop van heikikker vormen. De vijver ten westen van het plangebied

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

17

is ruim (afmetingen circa 125 x 30 meter) en staat door middel van duikers in verbinding met nabijgelegen oppervlaktewater. Naar verwachting zit er derhalve (roof)vis in deze vijver. Daarnaast is heikikker een typische soort van laagveen en komgronden. Dit type leefgebied is in het plangebied niet aanwezig, de ondergrond is hier zandig. Aangenomen wordt dat het terrein in het verleden is opgehoogd met zand ten behoeve van bouwactiviteiten. Op basis van de beoordeling van het terrein tijdens het veldbezoek en verspreidingsgegevens worden binnen de invloedssfeer van het plan geen (voortplantings- of rustplaatsen van) heikikker verwacht. De uitvoering van het plan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor heikikker. Vervolgstappen ten aanzien van heikikker zijn niet noodzakelijk. Rugstreeppad In de omgeving van Nieuwegein en IJsselstein zijn verspreid waarnemingen van rugstreeppad bekend. De waarnemingen concentreren zich in polders ten westen van IJsselstein. De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2021 aan de zuidoever van de Nedereindse Plas, ten westen van de A2, op ongeveer 1 kilometer van het plangebied. Ook is een waarneming gedaan in de buurt Wijkersloot op een afstand van ongeveer 1,3 kilometer ten (noord)oosten van het plangebied (NDFF, 2023).

Rugstreeppad is een soort van zeer dynamische milieus, met name gebieden met vergraafbaar zand/rulle grond met een pionierskarakter, zoals (rivier)duinen, in uiterwaarden (nieuwe kleiputten, zandafgravingen, ondergelopen weilanden), afgravingen/groeves en bouwterreinen. In agrarisch gebied komt de soort voor in pas geschoonde sloten en andere wateren in grasland- en akkergebieden. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiep water dat snel opwarmt (o.a. plassen). Om geschikt leefgebied te vinden worden afstanden tot circa 5 kilometer afgelegd. Het foerageergebied bevindt zich in de omgeving (tot ca. 500 m) van de voortplantingsplaatsen en de zomerverblijfplaatsen op het land. De soort overwintert in (vergraafbare) bodem op vorstvrije plekken, bijvoorbeeld onder stronken, in muizenholletjes en in puindammen (BIJ12, 2017b). Tijdens het veldbezoek is in het plangebied geschikt landbiotoop van rugstreeppad aangetroffen. Het terrein is op veel plaatsen zandig en goed vergraafbaar (figuur 4.1), afgewisseld door verruigd grasland, struweel en wilgenopslag (centraal in het plangebied) dat foerageergebied voor rugstreeppad kan vormen. Ook zijn er in het terrein diverse muizenholen aangetroffen die mogelijkheden bieden om in weg te kruipen. Het plangebied is via groenelementen uit de omgeving (onder andere de groenstroken lands de A2) bereikbaar voor rugstreeppadden uit de omgeving.

De wateren in de omgeving van het plangebied zijn relatief groot (zie onder ‘heikikker’) en naar verwachting visrijk, waardoor de kans op predatie van amfibieëneieren groot is. Voortplanting wordt daar niet verwacht. Op basis van de biotoopbeoordeling tijdens het veldbezoek, waarnemingen uit de omgeving en gezien het mobiele karakter van rugstreeppadden, kan niet worden uitgesloten dat het plangebied leefgebied van rugstreeppad vormt, met mogelijk (overwinterings-)verblijfplaatsen. Wanneer tijdens de werkzaamheden plassen in het terrein blijven staan kunnen deze worden gekoloniseerd door rugstreeppad en in de voortplantingsperiode worden gebruikt als afzetplaats van eieren/ voortplantingsbiotoop. Hiervan zijn diverse voorbeelden bekend.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

18

Figuur 4.1 Zandige, goed vergraafbare, plekken in het plangebied met omringende graslanden en groenelementen vormen geschikt landhabitat van rugstreeppad. Foto: Ecogroen.

Tijdens de uitvoering van het plan kan leefgebied met verblijfplaatsen van rugstreeppad verloren gaan wanneer het terrein heringericht wordt. Ook kunnen door (graaf-)werkzaamheden en transportbewegingen rugstreeppadden worden gedood of geschaad. Dit is strijdig met verbodsbepalingen van de Wnb. Omdat de aanwezigheid van rugstreeppadden niet uit te sluiten is en het projectgebied optimaal landbiotoop vormt voor zomerverblijfplaatsen, foerageergebied en overwintering, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Aanvullend onderzoek rugstreeppad De aanwezigheid van rugstreeppadden kan worden aangetoond met zes avondveldbezoeken (BIJ12, 2017b). Tijdens het eerste veldbezoek van het aanvullend onderzoek worden matjes neergelegd waaronder rugstreeppadden kunnen schuilen. Bij elk daaropvolgend bezoek wordt onder de matjes gekeken of er rugstreeppadden zitten. Omdat de afwezigheid van deze soort moeilijk aan te tonen is, wordt deze methode aangevuld door het gehele projectgebied tijdens elk van de avondbezoeken met een zaklamp te doorzoeken. De eerste twee bezoeken vinden plaats tussen half april en mei. De laatste vier bezoeken worden eind juli uitgevoerd, na afloop van het voortplantingsseizoen. Bij het laatste veldbezoek worden de geplaatste matjes weer meegenomen.

Mogelijke vervolgstappen Indien de aanwezigheid van rugstreeppadden wordt aangetoond, is voor uitvoering van het plan een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In een ontheffingsaanvraag worden ook maatregelen opgenomen die schade aan de soort voorkomen, beperken en compenseren. Sommige van deze maatregelen mogen alleen getroffen worden indien de ontheffing toegekend is. Een voorbeeld hiervan is het plaatsen

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

19

van een amfibieënscherm. Andere maatregelen, zoals het inpassen van leefgebied in het ontwerp kunnen wel eerder getroffen worden. Wanneer er geen rugstreeppadden worden gevonden, is voor uitvoering van het plan geen ontheffing noodzakelijk. Wel moet dan gezorgd worden dat ze zich niet alsnog vestigen in het projectgebied. Dit wordt gedaan door een amfibieënscherm rond het projectgebied te plaatsen en te voorkomen dat er geschikte voortplantingswateren op het bouwterrein ontstaan (bijvoorbeeld diepe rijsporen en laagten waar water in kan blijven staan). Dit kan door ontstane regenplassen dezelfde dag nog door te steken en het water weg te laten lopen naar plekken waar het water snel in de bodem trekt of waar niet wordt gewerkt. Toets zicht op ontheffing Voor de Habitatrichtlijnsoort rugstreeppad gelden voor het verkrijgen van een ontheffing de volgende voorwaarden (Wnb, artikel 3.8 lid 5): • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Door bij de voorgenomen ontwikkeling leefgebied voor rugstreeppad in te passen zoals plekken met vergraafbare ondergrond en groenelementen met (half natuurlijk) grasland kan worden ondervangen dat er geen andere bevredigende oplossing voor het initiatief aan te dragen is.

• Ontheffing is nodig voor een in de wet genoemd belang Een mogelijk belang dat bij toekomstige ontwikkeling kan worden aangevoerd is ‘het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’. Bij een ontheffingaanvraag dient dit belang nader te worden onderbouwd. De regionale behoefte aan woningen en economische motieven voor de bouw van een supermarkt kunnen hierbij worden aangevoerd. • Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van rugstreeppad in haar natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Door het treffen van mitigerende maatregelen om schade aan rugstreeppad te voorkomen zoals het plaatsen van amfibieënschermen, werken buiten kwetsbare perioden en ecologische begeleiding kan schade aan rugstreeppadden worden voorkomen. Daarnaast kan in te behouden groenelementen langs de randen van het plangebied landbiotoop voor rugstreeppad worden ingepast. Door mitigerende maatregelen en compensatie van biotoop kan worden aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van rugstreeppad in haar natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Gezien de bovenstaande bevindingen wordt verwacht dat er, als er aan de voorwaarden wordt voldaan, zicht is op het verlenen van een ontheffing voor rugstreeppad. De aanwezigheid van rugstreeppad in het plangebied staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg. Vroedmeesterpad In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van vroedmeesterpad bekend die zich concentreren nabij een watergang in de woonwijk Batau-Zuid en rond een woning in Wijkersloot (waarnemingen uit 2018 op een afstand van ruim 1 kilometer ten noorden van het plangebied). Daarnaast is één

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

20

waarneming bekend uit 2015 ter plaatse van een tuin van een woning in Doorslag, op 700 meter ten zuiden van het plangebied. De vroedmeesterpad komt van nature alleen voor in Zuid-Limburg, maar is door (illegaal) uitzetten of door ontsnapping ook bekend in andere delen van Nederland, vooral in stedelijk gebied. De soort komt voornamelijk voor op ruderaal terrein (zoals groeven), half-natuurlijke graslanden en in steden en dorpen. Het zomer- en winterbiotoop betreffen stenige, open hellingen, hellingbossen en graften met een stenige ondergrond, bij voorkeur op het zuiden georiënteerd. Vroedmeesterpadden hebben weinig eisen aan hun voortplantingswater, hiervoor worden pionierswateren in groeven maar ook betonnen drinkbakken gebruikt (RAVON, 2023). De vroedmeesterpadden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen bevonden zich geconcentreerd op drie locaties, allen in een woonwijk. Omdat Nieuwegein zich ver van het natuurlijke verspreidingsgebied van vroedmeesterpad (Zuid-Limburg) bevindt, wordt aangenomen dat de waargenomen exemplaren door bewoners zijn meegevoerd uit andere herkomstgebieden en uitgezet in waterpartijen of tuinen in de woonwijken. In de directe omgeving van het plangebied ontbreken waarnemingen van vroedmeesterpad.

Tussen de locaties in de omgeving waar vroedmeesterpad is waargenomen en het plangebied liggen bovendien diverse barrières zoals bebouwing van woonwijken en een intensief netwerk van infrastructuur. Door het ontbreken van waarnemingen in en rond het plangebied, de aanwezige barrières en de ligging van het plangebied, ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied, wordt de aanwezigheid van vroedmeesterpad in het plangebied niet verwacht. De uitvoering van het plan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor vroedmeesterpad. Vervolgstappen ten aanzien van vroedmeesterpad zijn niet aan de orde.

Amfibieën nationaal beschermd zonder vrijstelling provincie Alpenwatersalamander In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van Alpenwatersalamander bekend uit de periode 2017 – 2020, die zich concentreren in het westelijke deel van de woonwijk Batau-Zuid en in het noordelijke deel van de woonwijk Fokkesteeg. De dichtstbijzijnde waarnemingen zijn gedaan op ongeveer 900 meter ten noorden van het plangebied. Het zwaartepunt van de verspreiding van de Alpenwatersalamander ligt in Noord-Brabant en Limburg. Buiten deze is de soort bekend van Zeeuws-Vlaanderen, het Rijk van Nijmegen en Drenthe. Door uitzettingen komt de soort nu ook relatief algemeen voor op de Veluwe, Utrechtse Heuvelrug en Het Gooi. Ook duikt de soort vaak op in stedelijk gebied. De soort heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in de buurt van bos en/of houtwallen of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Op het land verblijven ze onder andere onder vermolmd hout en stenen of tussen boomwortels. Qua voortplantingswater is de Alpenwatersalamander niet kieskeurig, zolang het geen snelstromend water betreft en er weinig (roof)vis aanwezig is (RAVON, 2023). Voortplanting vindt plaats van april t/m juni. De groenelementen met ligusterhagen en braamstruweel aan de randen van het plangebied vormen in potentie geschikt landhabitat van Alpenwatersalamander.

De vijver direct ten westen van het plangebied is mogelijk ook geschikt als voortplantingsbiotoop. In de directe omgeving van het plangebied ontbreken

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

21

echter waarnemingen van Alpenwatersalamander. Ook ligt Nieuwegein buiten de bekende (natuurlijke) verspreidingsgebieden van Alpenwatersalamander. De Alpenwatersalamanders die op grotere afstand van het plangebied zijn waargenomen bevonden zich geconcentreerd op twee locaties, allen in een woonwijk. Omdat Nieuwegein zich buiten de natuurlijke verspreidingsgebieden van Alpenwatersalamander bevindt, wordt aangenomen dat de waargenomen exemplaren door bewoners zijn meegevoerd uit andere herkomstgebieden en uitgezet in waterpartijen of tuinen in de woonwijken. Tussen de locaties in de omgeving waar Alpenwatersalamander is waargenomen en het plangebied liggen diverse barrières zoals bebouwing van woonwijken en een intensief netwerk van infrastructuur. Door het ontbreken van waarnemingen rond het plangebied, de aanwezige barrières en de ligging van het plangebied, buiten het natuurlijke verspreidingsgebied, wordt de aanwezigheid van Alpenwatersalamander in het plangebied niet verwacht. De uitvoering van het plan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor Alpenwatersalamander. Vervolgstappen ten aanzien van Alpenwatersalamander zijn niet noodzakelijk.

Amfibieën nationaal beschermd met provinciale vrijstelling De het grasveld, de groenelementen aan de randen van het plangebied en de wilgenopslag centraal in het plangebied zijn in potentie geschikt als landhabitat voor algemeen voorkomende amfibieënsoorten zoals gewone pad en bruine kikker. Muizenholen kunnen een verblijfplaats vormen. Tijdens het verwijderen van (delen van) groenelementen en het uitvoeren van grondwerk kunnen enkele exemplaren worden geschaad. Voor de amfibieënsoorten die in het plangebied kunnen voorkomen geldt in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Wel geldt de wettelijke zorgplicht. Effecten op amfibieën kunnen met het oog op de wettelijke zorgplicht (zie kader 2.1) geminimaliseerd worden door grondwerkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren buiten de periode november – maart (de overwinteringsperiode van amfibieën). Bij het verwijderen van groenelementen dient langzaam in één richting te worden gewerkt, zo mogelijk richting van te handhaven groen, zodat eventueel nog aanwezige dieren te kans krijgen om te vluchten. Andere vervolgstappen ten aanzien van vrijgestelde amfibieënsoorten zijn niet noodzakelijk.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

22

4.5 Ongewervelden Teunisbloempijlstaart Op ongeveer 250 ten noorden van het plangebied is een waarneming bekend van een rups van teunisbloempijlstaart. De waarneming is gedaan in een tuin van een woning in Batau-Zuid en stamt uit 2021. Teunisbloempijlstaart is een beschermde nachtvlindersoort (Habitatrichtlijn). Het is echter bekend dat deze soort zich de laatste jaren vanuit Zuid-Limburg zelfstandig uitbreidt naar het noorden. Wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart zijn waardplantsoorten waarop deze soort eitjes afzet. Het habitat bestaat uit open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen (Vlinderstichting, 2023). Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen (restanten van) waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen. Ook zijn van deze soorten geen waarnemingen bekend in het plangebied (NDFF, 2023). Door het ontbreken van waardplanten wordt teunisbloempijlstaart niet verwacht in het plangebied. De uitvoering van het plan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor teunisbloempijlstaart. Vervolgstappen ten aanzien van teunisbloempijlstaart zijn niet noodzakelijk. Overige ongewervelden Op basis van de veldinformatie, terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2023) worden in het plangebied geen andere beschermde soorten ongewervelden verwacht.

De Wet natuurbescherming vormt – ten aanzien van ongewervelden – geen belemmering voor wijziging van het bestemmingsplan.

4.6 Overige soortgroepen Door het ontbreken van open water komen in het plangebied geen vissen voor. Ook zijn er in het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF, 2023). Op basis van het veldbezoek en terreinkenmerken worden er geen beschermde plantensoorten verwacht. De Wet natuurbescherming vormt – ten aanzien van de overige soortgroepen – geen belemmering voor wijziging van het bestemmingsplan.

Quickscan natuurtoets ontwikkeling terrein Buizerdlaan Nieuwegein

23

5. Geraadpleegde bronnen Literatuur Bij12 (2017a). Kennisdocument Heikikker, Rana arvalis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Rugstreeppad, Bufo calamita. Versie 1.0, juli 2017. Creemer, R.C.M. en J.J.C.W. van Delft (RAVON) (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Van Vuuren, A.J. & S.E. Kraaijeveld (2019). Quickscan Natuurtoets Buizerdlaan 10, Nieuwegein. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving. Rapport 19-241. Ecogroen bv Zwolle.

Internet NDFF (2023). Verspreidingsgegevens flora en fauna (www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal). Laatste raadpleging 20 februari 2023. RAVON (2023). Soortinformatie over reptielen en amfibieën (https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie). Geraadpleegd februari 2023. RIVM (2023). AERIUS, rekeninstrument voor de leefomgeving, informatie Natura 2000-gebieden (https://www.aerius.nl/nl). Geraadpleegd februari 2023. Vlinderstichting (2023). Soortinformatie teunisbloempijlstaart (https://www.vlinderstichting.nl/). Geraadpleegd februari 2023. Webkaart provincie Utrecht (2023). Begrenzing Natuurnetwerk Nederland (https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app). Geraadpleegd februari 2023. Provincie Utrecht (2023). Informatie vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (https://www.provincieutrecht.nl/loket/vergunningen-ontheffingen/werkzaamheden-met-gevolgen-voor-beschermde-dieren-planten). Geraadpleegd februari 2023.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=919e931a-d553-46e5-8a20-4d4576f90be5