CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-394 Bijlage 3_Bodemenergieplan City West Nieuwegein 2022.pdf

Raadsvergadering 19 december 2022, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Verordening interferentiegebieden gesloten bodemenergiesystemen City Nieuwegein9.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2022-394 Bijlage 3

City West Nieuwegein Bodemenergieplan City West & Stationsgebied

© KAISER VR

Datum Referentie Betreft

18 februari 2022 70362/SV/20220218 Bodemenergieplan City West Nieuwegein

Behandeld door

Bastiaan Rus, Roy Schleedoorn

Gecontroleerd door

Henk de Jonge, Stijn Verplak

Versienummer

Definitief

OPDRACHTGEVER Gemeente Nieuwegein Postbus 1 3430 AA Nieuwegein Contactpersoon: Marco van Hedel

ADVISEUR BODEMENERGIE IF Technology BV Postbus 605 6800 AP Arnhem Contactpersoon: dhr. S. Verplak

Bron foto voorzijde: KaiserVR

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 3/29

INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding 1.1 Kader 1.2 Aanleiding bodemenergieplan 1.3 Doel van een bodemenergieplan 2 Gebruiksregels 2.1 Gebruiksregels open bodemenergiesystemen eerste watervoerende pakket 2.2 Gebruiksregels open bodemenergiesystemen tweede watervoerende pakket 2.3 Gebruiksregels open bodemenergiesystemen derde watervoerende pakket 2.4 Gebruiksregel gesloten bodemenergiesystemen 3 Algemene toelichting 3.1 Principe bodemenergie 3.1.1 Open en gesloten systemen 3.1.2 Indeling open systemen 4 Bodemopbouw en belangen 4.1 Bodemeigenschappen 4.1.1 Bodemgeschiktheid open systemen 4.2 Bodembelangen 5 Juridische kader bodemenergie 5.1 Open systemen 5.2 Gesloten systemen 5.3 Lozingen 6 Inventarisatie vraag en aanbod 6.1 Ontwikkelingen 6.2 Warmte- en koudevraag 6.3 Match vraag/aanbod 7 Toelichting gebruiksregels 7.1 Gebruiksregels open bodemenergiesystemen eerste watervoerende pakket 7.2 Gebruiksregels open bodemenergiesystemen tweede watervoerende pakket 7.3 Gebruiksregels open bodemenergiesystemen derde watervoerende pakket 7.4 Gebruiksregel gesloten systemen Bijlage 1 – Plankaart Bijlage 2 - Bouwprogramma en energievraag Bijlage 3 - Maximale waterverplaatsing per ontwikkeling Bijlage 4 – Kentallen en uitgangspunten

4 4 4 5 6 6 6 7 7 8 8 8 9 10 10 10 13 18 18 19 20 22 22 22 24 25 25 25 28 29 30 31 32 33

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 4/29

1

Inleiding

1.1

KADER Nabij de binnenstad van Nieuwegein in het gebied City West en het Stationsgebied worden momenteel voorbereidingen getroffen voor de realisatie van een aantal nieuwe ontwikkellocaties (Figuur 1.1). De betrokken ontwikkelaars en de gemeente Nieuwegein zijn voornemens om gebruik te maken van open bodemenergiesystemen. Uit een eerder uitgevoerde potentieelstudie1 blijkt dat het beschikbare potentieel aan bodemenergie voldoende is om in de gevraagde (opslag)capaciteit te voorzien. Daarbij is het van belang om het beschikbare potentieel optimaal te benutten. 1 City Nieuwegein, Inventarisatie en juridische haalbaarheid open bodemenergie, IF Technology,

70362/DW/20201120

Figuur 1.1 | Projectgebied ontwikkelingen City West.

1.2

AANLEIDING BODEMENERGIEPLAN Bij grootschalige toepassing van bodemenergie neemt de drukte in de ondergrond sterk toe. Voorkomen moet worden dat bij een toename van het aantal bodemenergiesystemen of negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of nadelige beïnvloeding van andere ondergrondse functies (zoals een Urban Waterbuffer) optreedt (Figuur 1.2). Regie is gewenst om een optimaal en duurzaam gebruik van de ondergrond te borgen, zodat zoveel mogelijk partijen die zich vestigen in de deelgebieden City West en Stationsgebied gebruik kunnen maken van duurzame bodemenergie. Regie zorgt ervoor dat ongewenste interferentie (negatieve interactie) tussen bodemenergiesystemen onderling of met andere ondergrondse functies wordt

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 5/29

voorkomen. Zonder regie is het waarschijnlijk dat er niet optimaal gebruik wordt gemaakt van het beschikbare potentieel aan bodemenergie. Met als gevolg dat niet alle bekende ontwikkelingen binnen City West gebruik kunnen maken van bodemenergie.

Figuur 1.2 | Overzicht ondergrondse functies.

1.3

DOEL VAN EEN BODEMENERGIEPLAN Een bodemenergieplan geeft de gemeente Nieuwegein de mogelijkheid om de ondergrondse inrichting van de deelgebieden City West en Stationsgebied met betrekking tot bodemenergiesystemen te regisseren met als doel optimaal gebruik te maken van de ondergrond voor bodemenergie. De gemeente zet hierbij in op de toepassing van (collectieve) open bodemenergiesystemen. Uitwerking van het bodemenergieplan vindt plaats door inventarisatie van de voornaamste (inrichting bepalende) randvoorwaarden: - bovengrondse inrichting projectgebied (beschikbare ruimte voor bronpositionering) - energievraag bouwontwikkelingen - bestaande en toekomstige overige ondergrondse functies/belangen - bodemopbouw en capaciteit Afweging van deze randvoorwaarden leidt tot een bodemenergieplan waarbij kansen voor combinatie van functies worden benut en negatieve interactie tussen verschillende gebruikers wordt geminimaliseerd.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 6/29

2 Gebruiksregels Onderstaande gebruiksregels stellen de voorwaarden voor toepassing van de verschillende vormen van bodemenergie in City West en het Stationsgebied. De gebruiksregels gelden binnen het plangebied zoals weergegeven op de plankaart opgenomen in Bijlage 1. De gebruiksregels zijn aanvullend op de wettelijke regels die worden gesteld aan bodemenergie. Ontwikkelende partijen die in het gebied een bodemenergiesysteem willen realiseren, dienen zich te allen tijde te houden aan de wettelijke kaders voor bodemenergie. In Hoofdstuk 5 is een samenvatting van de algemene wettelijke kaders voor bodemenergie opgenomen. Daarnaast dienen bodemenergiesystemen binnen de hieronder beschreven gebruiksregels te worden ontworpen, gerealiseerd en geëxploiteerd. Bij de gebruiksregels wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen. Nadere toelichting op de onderstaande gebruikersregels staat beschreven in hoofdstuk 7.

2.1

GEBRUIKSREGELS OPEN BODEMENERGIESYSTEMEN EERSTE WATERVOERENDE PAKKET 1. Binnen het eerste watervoerende pakket zijn open bodemenergiesystemen niet toegestaan.

2.2

GEBRUIKSREGELS OPEN BODEMENERGIESYSTEMEN TWEEDE WATERVOERENDE PAKKET 2. Het open bodemenergiesysteem moet worden uitgevoerd als een doubletsysteem in het tweede watervoerende pakket. 3. Open bodemenergiesystemen uitgevoerd als recirculatiesystemen of monobron zijn niet toegestaan. 4. De warme en koude bron(nen) van een open bodemenergiesysteem in het tweede watervoerende pakket dienen binnen de aangegeven warme (rode) en respectievelijk koude (blauwe) zones te worden gepositioneerd. 5. Het bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem aan de bodem is toegevoegd ten minste 100% en ten hoogste 115% bedraagt ten opzichte van de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt. 6. Voor de aanleg van een open bodemenergiesysteem moeten initiatiefnemers de voorwaarden in acht nemen zoals opgenomen in Bijlage 3. Het gaat hierbij specifiek om de maximaal toegestane gemiddelde en maximale waterverplaatsing per seizoen (zomer/winter) per ontwikkeling. 7. Nieuwe open bodemenergiesystemen in de bufferzone dienen aan te sluiten op de warme en koude zoekgebieden uit het bodemenergieplan.

Aangetoond dient te worden dat een nieuw bodemenergiesysteem geen nadelige invloed heeft op aanwezige of toekomstige bodemenergiesystemen in het projectgebied. 8. De bronnen en het leidingwerk moeten gerealiseerd worden op eigen terrein, gedeeld terrein of terrein van derden niet zijnde de gemeente, mits afstemming met de betreffende grondeigenaren heeft plaatsgevonden. 9. Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan alle gebruiksregels te voldoen, kan afgeweken worden van de gebruiksregels. Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 7/29

schriftelijke goedkeuring van de gemeente, bij de vergunningaanvraag Waterwet gevoegd worden en ter goedkeuring aan de provincie Utrecht worden voorgelegd.

2.3

GEBRUIKSREGELS OPEN BODEMENERGIESYSTEMEN DERDE WATERVOERENDE PAKKET 10. Het open bodemenergiesysteem moet worden uitgevoerd als een doubletsysteem in het derde watervoerende pakket. 11. Open bodemenergiesystemen uitgevoerd als recirculatiesystemen of monobron zijn niet toegestaan.

2.4

GEBRUIKSREGEL GESLOTEN BODEMENERGIESYSTEMEN Voor het realiseren en het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem binnen de grenzen van dit bodemenergieplan gelden voor City West en het Stationsgebied de volgende locatie specifieke regels: 1. 2.

3.

Gesloten bodemenergiesystemen mogen tot een maximale diepte van 55 m-mv gerealiseerd worden. De bodemlussen en het leidingwerk moeten gerealiseerd worden op eigen terrein, gedeeld terrein of terrein van derden niet zijnde de gemeente, mits er toestemming is van de betreffende grondeigenaren. Afwijkingen op deze gebruiksregels dienen met gedegen en voldoende onderbouwing ter goedkeuring aan de gemeente Nieuwegein te worden voorgelegd.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 8/29

3 Algemene toelichting 3.1

PRINCIPE BODEMENERGIE Bodemenergiesystemen maken gebruik van de bodem om warmte en/of koude op te slaan in het aanwezig grondwater. Deze duurzame warmte en/of koude wordt gebruikt voor de klimatisering van gebouwen of processen. Hiermee worden aanzienlijke energiebesparingen en emissiereducties ten opzichte van conventionele verwarmings- en koelinstallaties gerealiseerd. Onderstaand figuur 3.1 presenteert de verschillende typen bodemenergiesystemen. opslag doublet recirculatie open systeem bodemenergie

opslag monobron gesloten systeem

recirculatie

Figuur 3.1 | Overzicht typen bodemenergiesystemen.

Hieronder worden de verschillende typen bodemenergiesystemen nader toegelicht. 3.1.1

Open en gesloten systemen Open bodemenergiesystemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open bodemenergiesystemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. Een open bodemenergiesysteem is met name rendabel bij de grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitgebouwen. Gesloten bodemenergiesystemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten bodemenergiesystemen worden over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een gesloten bodemenergiesysteem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten bodemenergiesystemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementencomplexen.

Datum Referentie Pagina

3.1.2

18 februari 2022 70362/SV/20220218 9/29

Indeling open systemen De categorie van open bodemenergiesystemen kan nader onderscheiden worden in concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude. Doublet en monobron Open bodemenergiesystemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar. Opslagsystemen en recirculatiesystemen Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief bodemenergiesysteem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de onttrekkingsbron en geïnfiltreerd in de infiltratiebron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd. In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven. Open: doublet (opslag)

Open: monobron (opslag)

Open: doublet (recirculatie)

Gesloten: bodemwarmtewisselaars

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 10/29

4 Bodemopbouw en belangen 4.1

BODEMEIGENSCHAPPEN Het technisch functioneren van een bodemenergiesysteem is afhankelijk van een aantal bodemeigenschappen. De belangrijkste voorwaarde voor open bodemenergiesystemen is dat in de bodem een geschikte watervoerende zandlaag aanwezig is die voldoende capaciteit biedt voor de opslag van koude en warmte. Een ander aspect dat een rol speelt is grondwaterstroming. Voor open bodemenergiesystemen zijn de snelheid en de richting van de grondwaterstroming van belang bij het positioneren van de bronnen. Bij een hoge grondwaterstroming kan thermische interactie tussen de warme en koude bellen optreden, of kan de opgeslagen energie sneller afstromen. Dit dient in verband met rendementsverlies te worden voorkomen. Tenslotte zijn voor open bodemenergiesystemen de stijghoogten en de grondwaterkwaliteit, van belang. De chemische samenstelling en de temperatuur van het grondwater zijn van belang voor het goed functioneren van een open bodemenergiesysteem. Daarnaast mag een open bodemenergiesysteem geen verzilting veroorzaken, dus dient ook de invloed op het zoet-/brak-/zoutgrensvlak beschouwd te worden. Bovengenoemde aspecten zijn nader in dit hoofdstuk behandeld. Daarbij is aangegeven in hoeverre ze de haalbaarheid van open bodemenergiesystemen in het gebied van City West en Stationsgebied beïnvloeden.

Dit geeft een globaal beeld van de haalbaarheid, gebaseerd op een geohydrologisch vooronderzoek. Elke initiatiefnemer van bodemenergie binnen het projectgebied dient zelf de benodigde onderzoeken uit te voeren om de haalbaarheid van het beoogde bodemenergiesysteem te toetsen. Onderstaande informatie is daarom ter indicatie weergegeven. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.

4.1.1

Bodemgeschiktheid open systemen De bodemopbouw in de directe omgeving van City West en het Stationsgebied is beschreven op basis van de volgende gegevens: - Grondwaterkaart van Nederland; - Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS); - Boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket; - Boorbeschrijvingen van omliggende bodemenergiesystemen. Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in een aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 4.1 geeft de globale bodemopbouw in het plangebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor elk individueel systeem nader te worden beschouwd.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 11/29

Tabel 4.1 | Schematisatie van de bodem. diepte

lithologie

geohydrologische benaming

0–8

klei, leem en matig grof zand

deklaag

8 – 55

matig grof tot zeer grof zand

1e watervoerende pakket

55 – 75 a

fijn zand, klei en leem

1e scheidende laag

75 – 110

overwegend zeer grof zand

2e watervoerende pakket

110 – 120a

fijn zand en klei

lokale scheidende laag

120 – 155

matig fijn tot matig grof zand en kleilagen

2e watervoerende pakket

155 – 165a

klei

2e scheidende laag

165 – 270

zeer fijn tot matig grof zand

3e watervoerende pakket

> 270

klei en fijn zand

hydrologische basis

[m-mv]*

* m-mv = meter minus maaiveld; het maaiveld bevindt zich op circa 1 tot 1,5 m+NAP a exacte dieptes scheidende lagen variëren binnen het projectgebied

Bodemgeschiktheid De bodem is geschematiseerd in drie watervoerende pakketten. Zowel het eerste als het tweede watervoerende pakket zijn technisch en juridisch geschikt voor toepassing van een open bodemenergiesysteem. De haalbare broncapaciteit in het tweede watervoerende pakket is hoger dan in het eerste watervoerende pakket. Het eerste watervoerende pakket is geschikt voor een open bodemenergiesysteem met een broncapaciteit van circa 80 – 100 m3/uur. Het tweede watervoerende pakket is geschikt voor een systeem met een broncapaciteit van circa 125 – 175 m3/uur. Het derde watervoerende pakket is ook geschikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen. Op basis van de huidig beschikbare informatie is het onbekend wat de te verwachten broncapaciteit van dit pakket is. Overige geohydrologische eigenschappen open systemen De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 4.2.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 12/29

Tabel 4.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een openbodemenergiesysteem in het tweede watervoerende pakket. parameter

toelichting

grondwaterstand

1,5 m-mv (2,0 – 1,0 m-mv) (bron: peilbuis B38F0557)

stijghoogte 1e watervoerend pakket

1,8 m-mv (2,0 – 1,5 m-mv) (bron: peilbuis B38F0557)

stijghoogte 2e watervoerend pakket

2,0 m-mv (2,2 – 1,7 m-mv) (bron: peilbuis B38F0557)

stijghoogte 3e watervoerend pakket

onbekend

artesisch grondwater

geen artesisch water

grondwaterstroming

1e watervoerende pakket: 5 – 10 m/jaar In noordwestelijke richting 2e watervoerende pakket: 5 - 10 m/jaar in zuidelijke richting 3e watervoerende pakket onbekend

zoet/brak/zout-overgangen

zoet-/brakgrensvlak: circa 200 m-mv, brak-/zoutgrensvlak: >200 m-mv, geen beïnvloeding verwacht

gas

geen afwijkende gasdruk verwacht

deeltjes

geen verhoogd risico op deeltjes

redox

1

mogelijk redoxovergang bovenin het eerste watervoerende pakket

temperatuur opslagpakket

eerste watervoerende pakket: 11 °C tweede watervoerende pakket: 12 °C

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

1. Redox Een redoxovergang is een overgang van zuurstofrijk naar ijzerrijk grondwater. Menging van beide waterkwaliteiten kan leiden tot bronverstopping. Op basis van uitgevoerd onderzoek ten behoeve van het bodemenergiesysteem van Stadshart Nieuwegein wordt geconcludeerd dat helemaal bovenin het eerste watervoerende pakket zuurstofhoudend grondwater kan voorkomen (tot maximaal circa 8 m-mv). Bij het toepassen van een open bodemenergiesysteem in het eerste watervoerende pakket moet hier rekening mee gehouden worden, door de bronfilters voldoende diep te plaatsen (vanaf circa 20 m-mv). Dit is ook afhankelijk van het gewenste debiet en met name van het aantal vollasturen. Daarbij is het belangrijk dat het bodemenergiesysteem met een waterbalans functioneert, wat inhoudt dat voor verwarming evenveel water wordt verplaatst als voor koeling. In dit plan is het eerste watervoerende pakket uitgesloten voor de toepassing van open bodemenergiesystemen. Dit komt door de toepassing van een hemelwaterinfiltratiesysteem in het eerste watervoerende pakket, waardoor de kans op bronverstopping groter is. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.2. Bij het toepassen van een open bodemenergiesysteem in het tweede watervoerende pakket vormt de redoxgrens geen aandachtspunt.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 13/29

4.2

BODEMBELANGEN In Tabel 4.3 zijn de relevante belangen opgenomen die van invloed kunnen zijn op de werking van een open bodemenergiesysteem in het projectgebied City West en Stationsgebied. Het gaat om zowel technische als juridische aspecten. Tabel 4.3 | Technische en juridische aspecten bodemenergiesysteem. belangen tijdelijke grondwateronttrekkingen binnen het plangebied (einddatum 29

grondwateronttrekkingen

oktober 2021) 1

open bodemenergiesystemen

nabij het plangebied zijn twee andere bodemenergiesystemen bekend geen andere gesloten bodemenergiesystemen binnen of nabij het plange-

gesloten bodemenergiesystemen

bied

zettingen

ontoelaatbare zetting wordt niet verwacht 2

opbarsten bron

risico in het eerste watervoerende pakket in verband met diepteligging pakket, geen risico op opbarsten in het tweede watervoerende pakket

3

milieubeschermingsgebied voor

niet gelegen in een boringsvrije zone, afstand projectgebied tot borings-

grondwater

vrije zone (drinkwaterbescherming) circa 55 meter

natuurbelangen

geen beschermde natuur aanwezig

archeologie

niet aangemerkt als archeologisch waardevol gebied

aardkundig waardevol gebied

niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied 4

verontreinigingen

op basis van Bodemloket.nl worden geen diepe grondwaterverontreinigingen verwacht, deklaag is diffuus verontreinigd, aandachtspunt realisatie

waterkering

5

regionale waterkering aanwezig ten oosten van het plangebied

spoor

6

tramspoor in het plangebied aanwezig

begraafplaats

geen begraafplaats aanwezig binnen het plangebied

waterglas ondergrondse infrastructuur

7

geen aandachtspunt bronnen in 2e watervoerende pakket

8

bij de inpassing van bronnen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige kabels en leidingen

9

hemelwaterinfiltratiesysteem

systeem beoogd in het eerste watervoerende pakket, risico bronverstopping

lozingen

Lozingsroute zoet water via oppervlaktewater of riool, locatie afhankelijk

geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

aandachtspunt of risico

hoog risico of belemmering

1. Open bodemenergiesystemen Uit het overzicht van de Provincie Utrecht blijkt dat binnen een afstand van circa 500 meter van het projectgebied twee open bodemenergiesystemen zijn vergund. De kenmerken van deze systemen zijn in Tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 | Open bodemenergiesystemen binnen een afstand van 500 m van City Nieuwegein. bedrijfsnaam

afstand en richting t.o.v.

debiet

vergunde waterhoeveelheid

watervoerend

project

[m³/uur]

[m³/jaar]

pakket

Antonius Ziekenhuis

100 m ten zuidoosten

500

1.480.000

1

Stadshart Nieuwegein

170 m ten oosten

350

1.012.000

1

De bronfilters van deze systemen zijn in het eerste watervoerende pakket gerealiseerd. Bij toepassing van het bodemenergiesystemen binnen de deelgebieden van City West en Stationsgebied

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 14/29

Nieuwegein in het tweede watervoerende pakket, vormen de bestaande bodemenergiesystemen geen aandachtspunt. 2. Opbarsten bron Opbarsting van een bron kan optreden wanneer de injectiedruk de gronddruk overschrijdt. Hierbij barst de bron op en wordt daarmee onbruikbaar. Dit vormt een risico in het eerste watervoerende pakket, vanwege de ondiepe ligging van het pakket. Met name bij grootschalige toepassing van open bodemenergiesystemen dient hier in het ontwerp rekening mee gehouden te worden door de bronfilters voldoende diep te plaatsen en niet te veel bronnen te clusteren. Vanwege de diepe ligging van het tweede watervoerende pakket, vormt opbarsting van de bron hier geen risico. 3. Milieubeschermingsgebied voor grondwater De Provincie Utrecht is voornemens haar beleid te wijzigen, waardoor het niet is toegestaan dat het thermische invloedsgebied van een bodemenergiesysteem overlap heeft met de boringsvrije zone van een drinkwaterwinning (Bodem- waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027, 3.7.1, uitgewerkt in Annex 3 Voorwaarden ondiepe bodemenergie). Dit beleid is ten tijde van schrijven nog niet gepubliceerd: voor meer informatie dient een aanvrager contact op te nemen met de provincie Utrecht. Onder de huidige beleidsregels is het ook niet toegestaan om thermische overlap te hebben met de boringsvrije zone, echter is dit in het nieuwe beleid aangescherpt.

In het beginsel dienen de bronnen dusdanig gepositioneerd te worden dat er geen thermische beïnvloeding gaat plaatsvinden met de boringsvrije zone (Figuur 4.1). Mocht de initiatiefnemer af willen wijken van dit beleid, dient hij een onderbouwing aan te leveren bij de vergunningaanvraag Waterwet. In deze onderbouwing dient aangegeven te worden waarom andere bronposities binnen de zoekgebieden van het bodemenergieplan niet mogelijk zijn en waarom het thermische invloedsgebied niet beperkt kan worden. Belangrijk hierbij is dat het effect van de grondwateronttrekking wordt mee genomen in de thermische berekeningen.

Figuur 4.1 | Boringsvrije zone ten zuiden van het projectgebied.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 15/29

4. Verontreinigingen Als gevolg van historische activiteiten is lokaal de deklaag verontreinigd binnen het deelgebied City West en het Stationsgebied. Verontreinigingssituatie in relatie tot een open bodemenergiesysteem Conform beschikbare bodeminformatie in Nieuwegein, komt naar voren dat het bovenste deel van de deklaag in het gebied lokaal is verontreinigd door de industriële activiteiten die in het verleden hebben plaatsgevonden. Het gaat met name om verontreinigingen met minerale olie en zware metalen die zich bevinden in de deklaag. Voor het boren van bronnen van een bodemenergiesysteem moet de booraannemer gecertificeerd zijn en moet hij werken conform de BRL-SIKB-2101, mechanisch boren. Hierin is opgenomen hoe de aannemer om moet gaan met eventuele verontreinigingen om verspreiding van verontreinigingen en veiligheidsrisico’s te voorkomen. Bij de realisatie van bronnen dient rekening gehouden te worden met de verontreinigingssituatie. Verontreinigde grond die tijdens het boren vrijkomt dient afgevoerd te worden. 5. Waterkering Ten oosten van het projectgebied bevindt zich een regionale waterkering parallel aan de Doorslag met beschermingszones, deze is in Figuur 4.2 weergegeven. Er moet tijdens de vergunningaanvraag Waterwet voor een open bodemenergiesysteem inzichtelijk gemaakt worden dat het bodemenergiesysteem geen negatieve invloed heeft op de waterkering.

Naast het waterstaatswerk bevinden zich diverse duikers (kunstwerken) binnen het plangebied. Voor de broninpassing dient hiermee rekening te worden gehouden voor met name de bronposities en de inpassing van leidingwerk.

Figuur 4.2 | Waterstaatswerken en duikers binnen het plangebied van City West en het Stationsgebied (bron: Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden). In rood zijn de duikers weergegeven en met blauw de beschermingszone van de watergang.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 16/29

6. Tramspoor Binnen het projectgebied van City West en Stationsgebied bevindt zich het tramspoor behorende bij de regiotram Utrecht (zie Bijlage 1). Wanneer de werkzaamheden binnen 5 meter van het hart van het spoor worden uitgevoerd dient een werkvergunning aangevraagd te worden voor het werken nabij het spoor (Kader werkzaamheden tramweg, Provincie Utrecht). Wanneer sprake kan zijn van het omvallen van de boorwagen op de trambaan, dient een WijT-vergunning aangevraagd te worden. Provincie Utrecht is beheerder van het tramsysteem in de provincie Utrecht. De trambaanbeheerder is gemandateerd namens Gedeputeerde Staten (GS) de vergunning te verlenen voor het uitvoeren van werkzaamheden en het hebben en houden van objecten op, in, boven, naast of onder het tramsysteem. Een dergelijke vergunning heet WijT-vergunning. Essentieel is dat het lokale spoor steeds veilig en doelmatig wordt en kan worden gebruikt. Bij de vergunningaanvraag Waterwet dienen de zettingseffecten op de trambaan inzichtelijk te worden gemaakt, ongeacht de afstand tot de spoorbaan. Voor het onttrekken van grondwater in de beschermingszone van de trambaan dient een aanvullende vergunning te worden aangevraagd conform artikel 4.39 van de Interim Omgevingsverordening.

Kanttekening: de invoeringsdatum van de Omgevingswet is op het moment van schrijven uitgesteld, waardoor de Interim Omgevingsverordening langer van kracht blijft. Bij ingang van de Omgevingswet zal het voorgaande (de aanvullende eisen trambaan) waarschijnlijk veranderen.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 17/29

7. Waterglas Ten behoeve van het drooghouden van bouwputten wordt soms waterglas toegepast. In opdracht van de gemeente Utrecht, de Jaarbeurs en G&S Vastgoed heeft een expertsessie plaatsgevonden om te beoordelen of er risico’s zijn op de werking en levensduur van bronnen nabij een bouwput waarbij waterglas wordt gebruikt. Conclusie is dat waterglas een negatieve invloed kan hebben op de werking van bronnen van een open bodemenergiesysteem. Dit speelt zowel tijdens de aanlegfase van het waterglas als jaren hierna. Daarbij zijn er risico’s op het aantrekken van silicaten en/of organisch koolstof, wat verstopping van de bronnen kan veroorzaken. Aangezien de bronnen in het tweede watervoerende pakket zijn beoogd, is er geen risico op bronverstopping door de toepassing van waterglas. 8. Ondergrondse infrastructuur en kabels en leidingen in de bodem Indien bronnen nabij bebouwing worden geplaatst (± binnen 8 meter van een fundatiepaal), zijn beschermende casings rondom de bronnen tot grotere dieptes (tot 5 meter onder einddiepte fundatiepalen) benodigd. Omdat het gehele gebied straks in ontwikkeling zal zijn (veel bouwactiviteiten), is het aan te bevelen om ondiepe casings (ca. 3-5 m) rondom de bronnen te plaatsen om beschadigingen te voorkomen.

Indien er nog geheid wordt nadat de bron reeds is gerealiseerd, dient er een minimale afstand van circa 25 – 30 meter tussen de bron en de heilocatie aangehouden te worden. Een casing om de bron beschermt onvoldoende tegen heiwerkzaamheden van buitenaf. Hierdoor kan de bron instabiel worden. Bij voorkeur dienen de heipalen van omliggende bebouwing trillingvrij te worden ingebracht om schade aan de reeds gerealiseerd WKO-bronnen te voorkomen. 9. Hemelwaterinfiltratiesysteem In het kader van de uitwerking van voorliggend bodemenergieplan heeft de gemeente aangegeven voornemens te zijn een hemelwaterinfiltratiesysteem aan te leggen binnen het plangebied van City West. In overleg met de gemeente is ervoor gekozen om de bodemenergiesystemen te verplaatsen richting het dieper gelegen tweede en derde watervoerende pakket. Hierdoor zal er geen overlap zijn tussen beide systemen waardoor bronverstoppingsrisico’s door de infiltratie van zuurstofrijk water door het hemelwaterinfiltratiesysteem uitgesloten is. De hemelwaterinfiltratie zorgt voor een betere buffering van de waterhuishouding binnen het plangebied City West, door in de natte wintermaanden regenwater op te slaan en deze in de zomer deze opgeslagen voorraden te gebruiken. Daarnaast kan het rioleringssysteem worden ontlast, door het water niet allemaal af te voeren maar vast te houden in de regio.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 18/29

5 Juridische kader bodemenergie De aanleg en bedrijfsvoering van bodemenergiesystemen raakt aan diverse belangen, zoals milieu, drinkwater, bodemkwaliteit, etc. Voor de aanleg ervan is daarom meestal een vergunning vereist. Ook gelden specifieke procedures. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de te volgen procedures en vergunningsplichten bij de aanleg van open en gesloten systemen. Daarna volgt ook een kort overzicht van de regels die gelden voor lozingsactiviteiten. Steeds is hierbij ook aangegeven welk orgaan het bevoegd gezag is.

5.1

OPEN SYSTEMEN Het onttrekken en infiltreren van grondwater bij een open bodemenergiesysteem is vergunningplichtig in het kader van de Waterwet. Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het systeem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet zijn samengevat in Tabel 5.1 en daaronder nader toegelicht. Tabel 5.1 | Belangrijkste aspecten vergunning open systemen. aspect

toelichting

bevoegd gezag

provincie Utrecht

vergunningplicht

alle open systemen

doorlooptijd

reguliere procedure is het uitgangspunt, daarbij is de doorlooptijd 8 weken tot publicatie definitieve beschikking. De provincie kan onder voorwaarden deze termijn verlengen tot 6 maanden door het volgen van een uitgebreide procedure.

leges/publicatiekosten

de provincie rekent geen leges voor open bodemenergiesystemen.

juridische voorwaarden

- de gemiddelde infiltratietemperatuur in de bronnen mag niet hoger zijn dan 25 °C en niet lager zijn dan 5 °C, de provincie heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan; - bodemenergiesystemen mogen geen ontoelaatbare negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving; - verontreinigingen mogen niet extra verplaatst worden door het toepassen van bodemenergie; - verzilting van het zoete grondwater dient te worden voorkomen; - een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de provincie heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken.

Een deel van deze (en andere) voorwaarden gesteld aan het installeren en het in werking hebben van een open systeem staan in meer detail in de artikelen 6.11a tot en met 6.11i van het Waterbesluit. Procedure Voor een vergunningaanvraag Waterwet geldt de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure duurt circa 8 weken. De provincie heeft de mogelijkheid om op de aanvraag te beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 19/29

van de Algemene wet bestuursrecht). Deze procedure duurt circa 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit uitkomt. Voor elke vergunningaanvraag voor een bodemenergiesysteem in het kader van de Waterwet dient een formele m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Voor systemen met een waterverplaatsing van minder dan 1.500.000 m³/jaar geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling en hoeft bij het indienen van de vergunningaanvraag Waterwet geen m.e.r.-beoordelingsbesluit toegevoegd te worden. De m.e.r.-beoordeling kan plaatsvinden parallel aan de procedure van de vergunningaanvraag Waterwet. Middels een korte notitie bij de vergunningaanvraag Waterwet wordt het initiatief aangemeld voor de m.e.r.-beoordeling. Nadat het bodemenergieplan door de provincie is verankerd in een provinciale beleidsregel, zal de provincie nieuwe vergunningaanvragen Waterwet voor open bodemenergiesystemen toetsen aan de gebruikersregels uit het bodemenergieplan.

5.2

GESLOTEN SYSTEMEN Gesloten systemen zijn meldings- en soms vergunningplichtig. Alle gesloten systemen moeten tenminste gemeld worden (conform het Besluit lozen buiten inrichting of Activiteitenbesluit milieubeheer). Voor gesloten systemen met een bodemzijdig vermogen groter dan of gelijk aan 70 kW, alsmede alle systemen die in een interferentiegebied worden gerealiseerd, moet ook een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (gemeente Nieuwegein). De belangrijkste aspecten voor de melding en vergunningverlening voor gesloten systemen zijn samengevat in Tabel 5.2 en daaronder nader toegelicht. Tabel 5.2 | Belangrijkste aspecten melding en vergunning gesloten systemen. aspect

toelichting

bevoegd gezag

gemeente Nieuwegein

melding

alle systemen

vergunningplicht

≥ 70 kW of ligging in interferentiegebied

doorlooptijd

melding: 4 weken voor start werkzaamheden vergunning: 8 weken tot publicatie definitieve beschikking (OBM)

belangrijkste algemene regels

- de temperatuur van de circulatievloeistof mag niet hoger zijn dan 30 °C en niet lager zijn dan -3 °C, de gemeente heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan; - bij vermoedelijke lekkage: onmiddellijk buiten werking stellen en circulatievloeistof verwijderen (tenzij de circulatievloeistof uit alleen water bestaat); - gesloten bodemenergiesystemen mogen geen ontoelaatbare negatieve invloed hebben op reeds aanwezige bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving; - een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de gemeente heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken.

Deze (en andere) voorschriften gesteld aan het installeren en het in werking hebben van gesloten bodemenergiesystemen zijn opgenomen in hoofdstuk 3a van het Besluit lozen buiten inrichting en paragraaf 3.2.8 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op het moment dat het plangebied van City West en het Stationsgebied is aangewezen als interferentiegebied via een gemeentelijke verordening, gaat voor alle gesloten bodemenergiesystemen een vergunningsplicht gelden. Door het vaststellen en verankeren van een gemeentelijke

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 20/29

beleidsregel kan de gemeente vastleggen op basis van welke regels een vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem wordt getoetst. Deze regels zijn gebaseerd op het voorkomen van interferentie tussen systemen en het bevorderen van doelmatig gebruik van de ondergrond voor zowel open als gesloten bodemenergiesystemen. Dit kan betekenen dat de gemeentelijke beleidsregel beperkingen oplegt aan de aanleg van gesloten systemen.

5.3

LOZINGEN Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn. Boren van de bronnen/lussen (boorspoelwater) Voor de aanleg van de bronnen van open systemen en de lussen van gesloten systemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei). Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater) Direct na het boren worden de bronnen van een open systeem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door deze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden.

Onderhoud van open bronnen (spuiwater) In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën. Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd. Regulering van lozingen en voorkeursroutes Met de inwerkingtreding van de AMvB Bodemenergie zijn voorkeursvolgordes voor lozingen gedefinieerd. Hierbij worden twee type lozingen onderscheiden: - lozen van boorspoelwater (open en gesloten systemen); - lozen van ontwikkel- en beheerwater (alleen open systemen). Door de specifieke kenmerken van deze stromen geldt er een voorkeursvolgorde voor de lozingsroute. Lokale omstandigheden kunnen aanleiding zijn om af te wijken van deze volgorde. Onderstaande tabel geeft de voorkeursvolgorde weer.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 21/29

Tabel 5.3 | Voorkeursvolgorde lozen vanuit AMvB Bodemenergie. type afvalwater

voorkeursvolgorde lozing (bevoegd gezag)

Boorspoelwater

1. vuilwaterriool (gemeente)

(open en gesloten systemen)

2. op de bodem (gemeente) 3. overige lozingsmethoden In de bodem en op het schoonwaterriool is niet toegestaan

Ontwikkel- en beheerwater

1. in de bodem (provincie)

(open systemen)

2. oppervlaktewater (Waterschap of Rijkswaterstaat) 3. schoonwaterriool (gemeente) 4. vuilwaterriool (gemeente) 5. externe verwerker

Het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat regels voor een groot aantal categorieën van lozingen die het gevolg zijn van activiteiten die plaatsvinden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Lozingen vanuit inrichtingen vallen onder het Activiteitenbesluit. Het besluit geldt voor alle lozingsroutes: zowel lozingen op oppervlaktewater, de bodem als de riolering. De lozingen van het water voor het ontwikkelen van open bronnen geeft de grootste lozingsvolumes. Conform de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater de voorkeur. Dit is echter een kostbare methode en door het beperken van het ontwikkeldebiet kunnen de bronnen niet optimaal ontwikkeld worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn, moet het grondwater geloosd worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken. Het beleid ten aanzien van het lozen op oppervlaktewater is beschreven in het Besluit lozen buiten inrichtingen. Dit beleid wordt in het geval van Nieuwegein gehanteerd en uitgevoerd door het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden.

Het beleid en het indienen van een vergunning of doen van een melding staat beschreven op de website van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden (https://www.hdsr.nl/regelen/vergunning-subsidies/melding-vergunning/).

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 22/29

6 Inventarisatie vraag en aanbod 6.1

ONTWIKKELINGEN De te onderzoeken gebieden betreffen bekende ontwikkelingen binnen de deelgebieden City West en het Stationsgebied te Nieuwegein. In Figuur 6.1 zijn de ontwikkelingen weergegeven met daarbij de bijbehorende namen. De verwachting is dat alle ontwikkelingen gebruik willen maken van bodemenergie.

Figuur 6.1 | Ontwikkelingen binnen City West en Stationsgebied Nieuwegein.

6.2

WARMTE- EN KOUDEVRAAG Op basis van de oppervlaktes van de ontwikkelingen zijn de gebouwzijdige energievraag en benodigde vermogens per ontwikkeling bepaald door Merosch (Berekeningen Nieuwegein update voor BEP.xls, d.d. 20-08-2021). In Bijlage 2 zijn deze gegevens weergegeven per ontwikkeling. Op basis van deze energievraag en vermogens is met behulp van kentallen, energetische uitganspunten en een jaarlijkse verdeling van vermogens de grondwaterzijdige vraag bepaald. In Figuur 6.2 zijn de resultaten van de berekeningen gevisualiseerd per ontwikkeling. Daarbij is er één warmte- en

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 23/29

koudevraag bepaald voor de ontwikkelingen C1 t/m C4. De gebruikte kentallen, energetische uitganspunten en jaarlijkse verdeling van de vermogens zijn ter informatie opgenomen in Bijlage 4. Voor ontwikkeling B1 is uitgegaan van een hybrideconcept, waarbij de koudevraag leidend is. Hier wordt een deel van de resterende warmtevraag aangevuld met het stadwarmtenet. Daardoor heeft deze ontwikkeling een gelijke bodemzijdige warmte- en koudevraag.

Figuur 6.2 | Berekende bodemzijdige warmtevraag (rood) en koudevraag (blauw) in MWh per ontwikkellocatie.

De bepaalde grondwaterzijdige warmte- en koudevraag is vervolgens vertaald naar de jaarlijkse grondwaterverplaatsing en benodigde grondwaterdebieten, die weergegeven zijn in Tabel 6.1. Hierbij is uitgegaan van een bodemzijdige energiebalans. Tabel 6.1 | Benodigde waterverplaatsing en debiet in City West en Stationsgebied Nieuwegein. gebieden

waterverplaatsing

waterverplaatsing

debiet warmtelevering

debiet koeling

warmtelevering

koeling [m³/jaar]

[m³/h]

[m³/h]

[m³/jaar] C1 t/m C4

246.000

246.000

160

120

C5

92.000

92.000

60

40

B1

76.000

76.000

50

50

B2

27.000

27.000

20

20

B3

80.000

80.000

60

40

521.000

521.000

350

270

Totaal

Om te borgen dat alle ontwikkelingen gebruik kunnen maken van een vorm van bodemenergie en daarmee hun potentiële warmte en koude vraag kunnen invullen, zijn er beperkingen gesteld aan de maximale waterverplaatsing per ontwikkeling. Deze zijn vastgelegd in gebruiksregel 5 waar per

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 24/29

ontwikkeling een maximale waterverplaatsing is vastgesteld. Door het vastleggen van een maximale waterverplaatsing per ontwikkeling kan geborgd worden dat er geen ongewenste negatieve interferentie gaat ontstaan tussen koude en warme bron(nen).

6.3

MATCH VRAAG/AANBOD Uit de inventarisatie (paragraaf 6.2) volgt een totale grondzijdige warmtevraag van ruim 3.000 MWh en een koudevraag van ruim 1.300 MWh. Het bodemzijdige aanbod kan berekend worden op basis van de verwachte dikte waarin de warmte en koude opgeslagen wordt, een gemiddelde delta T van 5°C tussen onttrekking en infiltratie en het oppervlakte van het projectgebied. Hieruit volgt dat in potentie circa 6.000 MWh aan warmte en koude geleverd kan worden uit het tweede watervoerende pakket. Hiermee overstijgt het aanbod vanuit de bodem de gebouwzijdige vraag. Op basis van de potentieelberekening kan de gewenste warmte- en koudevraag geleverd worden middels toepassing van open bodemenergiesystemen in het tweede watervoerende pakket binnen het plangebied City West en Stationsgebied. De mogelijkheden in het eerste watervoerende pakket worden beperkt door de toepassing van een hemelwaterinfiltratiesysteem. Door de risico’s op putverstopping is toch besloten om de bodemenergiesystemen te verplaatsen naar het dieper gelegen tweede watervoerende pakket Opgemerkt wordt dat het werkelijke potentieel in de praktijk lager kan uitvallen vanwege fysieke obstakels ten aanzien van de inpassing van bronnen. Aangezien het bodemzijdige aanbod de vraag overstijgt wordt verwacht dat ook bij een iets lager potentieel nog steeds de vraag gedekt kan worden.

Het is echter wel van belang om met de beschikbare gebieden voor de inpassing van bronnen het aanwezige potentieel optimaal te benutten.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 25/29

7 Toelichting gebruiksregels 7.1

GEBRUIKSREGELS OPEN BODEMENERGIESYSTEMEN EERSTE WATERVOERENDE PAKKET 1 Regel: Binnen het eerste watervoerende pakket zijn open bodemenergiesystemen niet toegestaan. Onderbouwing: Het eerste watervoerende pakket is juridisch geschikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen, echter is hier een hemelwaterinfiltratiesysteem beoogd. Door de risico’s op redox is er voor gekozen de toepassing van open bodemenergiesystemen te verplaatsen naar het dieper gelegen tweede watervoerende pakket. Er mag geen filter gesteld worden in zowel het eerste als het tweede watervoerende pakket (dus een scheefgesteld doublet). De te verwachte dieptes van de watervoerende pakketten zijn weergegeven in Tabel 4.1. Het eerste watervoerende pakket is gereserveerd voor het hemelwaterinfiltratiesysteem en de toepassing van gesloten bodemenergiesystemen voor kleinere ontwikkelingen binnen het plangebied.

7.2

GEBRUIKSREGELS OPEN BODEMENERGIESYSTEMEN TWEEDE WATERVOERENDE PAKKET 2 Regel: Het open bodemenergiesysteem moet worden uitgevoerd als een doubletsysteem in het tweede watervoerende pakket. Onderbouwing: Gezien de beoogde omvang van de ontwikkelingen is de verwachting dat de toepassing van (collectieve) open bodemenergiesystemen veelal het beste aansluit bij de intensiteit van de warmte-/koudevraag. Daarnaast zal de praktische inpassing van gesloten systemen met bodemlussen in de meeste gevallen problematisch worden. Voor het grootschalig toepassen van open bodemenergiesystemen wordt gekozen voor het tweede watervoerende pakket. Het eerste watervoerende pakket is juridisch ook geschikt voor de toepassing van open bodemenergiesystemen, echter is hier een hemelwaterinfiltratiesysteem beoogd. Door de risico’s op redox is er voor gekozen de toepassing van open bodemenergiesystemen te verplaatsen naar het dieper gelegen tweede watervoerende pakket. Er mag geen filter gesteld worden in zowel het eerste als het tweede watervoerende pakket. De te verwachte dieptes van de watervoerende pakketten zijn weergegeven in Tabel 4.1. Iedere initiatiefnemer dient op basis van de meest recente en relevante informatie een inschatting te maken van de diepteligging en bodem technische eigenschappen van de scheidende en watervoerende lagen. 3

Regel: Open bodemenergiesystemen uitgevoerd als recirculatiesystemen of monobronnen zijn niet toegestaan. Onderbouwing: Het gebruik van recirculatiesystemen is niet toegestaan, omdat het rendement van deze systemen lager is dan bij een opslagsysteem en daarmee het beschikbare bodempotentieel niet optimaal benut wordt.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 26/29

Gezien de omvang van de nieuwbouwontwikkelingen en de dikte van het tweede watervoerende pakket bestaat de voorkeur voor het toepassen van doubletten boven monobronnen. Hierdoor kunnen relatief grote capaciteiten per bron gerealiseerd worden en kan het aanwezige bodempotentieel zo optimaal mogelijk gebruikt worden. 4

Regel: De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem in het tweede watervoerende pakket dienen binnen de aangegeven warme (rode) en koude (blauwe) zones te worden gepositioneerd. Onderbouwing: De ruimtelijke ordening van open systemen in het tweede watervoerende pakket vindt plaats op basis van een oriëntatiepatroon in zones. Deze zones zijn uitgewerkt in de plankaart die is opgenomen in Bijlage 1. Zonering van de bronnen biedt zowel sturing alsmede een stuk flexibiliteit wat betreft inpassing. Het is sturend in de ruimtelijke ondergrondse ordening door het regisseren van het specifiek opslaan van warmte of koude in een bepaalde zone. Dit zodat de opslag van warmte en koude niet gaat interfereren en daarmee de benutting van het beschikbare potentieel niet verhinderd wordt. Het biedt vrijheid in de praktische ruimtelijke inpassing in het terrein. Door het definiëren van een zone en geen vaste bronposities, blijft het mogelijk de ruimtelijke inpassing af te wegen met andere ordeningsbehoeftes voor gebouwen, inrichting openbare ruimte en aanwezige en toekomstige infrastructuur. Er is gekozen voor een zonering, omdat hiermee het ondergrondse potentieel optimaler wordt benut. Er is een conceptuele berekening uitgevoerd waarbij vier bronnen in cluster zijn geplaatst. Op basis van deze berekening vormen de te verwachten hydrologische effecten geen directe belemmering.

De oriëntatie van de zones is gebaseerd op het wegenpatroon en de ligging van de ontwikkellocaties, waarmee de mogelijkheden voor het plaatsen van bronnen wordt vergroot. Daarnaast is ook rekening gehouden met de mogelijkheid voor het plaatsen van bronnen op eigen terrein, echter is dit in niet alle gevallen mogelijk en zullen ook bronnen in de openbare ruimte gerealiseerd moeten worden. Uitgangspunt blijft dat bronnen in eerste instantie op eigen terrein gerealiseerd worden (regel 6). De afstanden tussen de stroken zijn bepaald op basis van de te verwachten waterverplaatsing per strook, gebaseerd op een eerste inventarisatie wat betreft de bovengrondse energievraag van de tot nu toe bekend ontwikkelingen. Het ordeningspatroon is niet van toepassing voor open bodemenergiesystemen in het eerste en derde watervoerende pakket. In het eerste pakket mogen geen open bodemenergiesystemen worden toegepast in verband met het geplande hemelwaterinfiltratiesysteem. In het derde pakket is geen ordening beoogd.

5

Regel: Het bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikname een moment waarop de hoeveelheid koude die door het systeem aan de bodem is toegevoegd ten minste 100% en ten hoogte 115% bedraagt ten opzichte van de hoeveelheid warmte, die vanaf die datum door het systeem aan de bodem is toegevoegd. Het systeem herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt. Onderbouwing: Het vraagprofiel van de meeste gebouwen binnen het plangebied tonen een grotere warmte- dan koudebehoefte. Dit impliceert dat voor de meerderheid van de systemen, vanuit het behalen van economisch voordeel, een koudeoverschot wenselijk is. Een accumulatie van systemen met een koudeoverschot staat het optimaal gebruik van de ondergrond in de

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 27/29

weg. Om toch een economisch voordeel te behalen zonder het in de weg staan van het optimaal gebruik van de ondergrond, is opgenomen dat systemen ten minste 100% en ten hoogste 115% koude mogen toevoegen in de bodem ten opzichte van de ingebrachte warmte. Op basis van ervaring bij soortgelijke locaties blijkt dat de invloed van een beperkt koudeoverschot (115%) slechts een kleine invloed heeft op de omvang van de thermische effecten. Daarom is in de gebruiksregels opgenomen dat een beperkt koudeoverschot tot maximaal 115% is toegestaan. Om het koudeoverschot te beperken moet mogelijk met aanvullende voorzieningen in de zomer extra warmte ingevangen worden. Hiervoor zijn voldoende opties in het gebied voor handen. Deze regel vormt daarom geen belemmering voor het toepassen van open bodemenergiesystemen in het plangebied City West en Stationsgebied. 6

Regel: Voor de aanleg van een open bodemenergiesysteem moeten initiatiefnemers de voorwaarden in acht nemen zoals opgenomen in Bijlage 3. Het gaat hierbij specifiek om de maximaal toegestane gemiddelde en maximale waterverplaatsing per seizoen (zomer/winter) per ontwikkeling. Onderbouwing: Voor dit bodemenergieplan is door Merosch een inschatting gemaakt van de gebouwzijdige energievraag en benodigde vermogens per ontwikkeling (Berekeningen Nieuwegein update voor BEP.xls, d.d. 20-08-2021). Deze zijn door IF vertaald naar bodemzijdige uitgangspunten in de vorm van maximale debieten en waterverplaatsingen. Het bodemenergieplan geeft ruimte voor alle ontwikkelingen voor het toepassen van een open bodemenergiesysteem. Bij het opstellen van het strokenpatroon is de te verwachte energievraag als randvoorwaarde mee genomen. Om te borgen dat er geen ontoelaatbare negatieve interferentie tussen systemen gaat optreden, wordt er een limiet gesteld aan de waterverplaatsing per ontwikkeling. De exacte getallen per ontwikkellocatie zijn vastgesteld in Bijlage 3.

7

Regel: Nieuwe open bodemenergiesystemen in de bufferzone dienen aan te sluiten op de warme en koude zoekgebieden uit het bodemenergieplan. Aangetoond dient te worden dat een nieuw bodemenergiesysteem geen nadelige invloed heeft op aanwezige of toekomstige bodemenergiesystemen in het projectgebied. Onderbouwing: Het opnemen van een bufferzone zorgt ervoor dat bodemenergiesystemen die buiten het projectgebied gerealiseerd worden, geen inbreuk maken op het strokenpatroon in het projectgebied. Hierdoor wordt de maximale ondergrondse capaciteit binnen het plangebied gewaarborgd. Bij de vergunningaanvraag voor bodemenergiesystemen in de bufferzone moet aangetoond worden dat er geen negatieve interferentie is met de vastgestelde zones. De bufferzone betreft een strook met een breedte van 100 m (gebaseerd op de thermische invloed van een open bodemenergiesysteem) waarbinnen andere initiatieven aan moeten sluiten op de warme en koude zoekgebieden. Onder de toekomstige systemen worden de systemen bedoeld welke redelijkerwijs door de initiatiefnemers voorzien kunnen worden. Het bouwprogramma en inventarisatie van de systemen in dit bodemenergieplan is hierbij in basis leidend. Daarnaast heeft de initiatiefnemer de inventarisatieplicht om hiervoor in overleg te treden met de gemeente en de meest actuele versie van het bouwprogramma te achterhalen.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 28/29

8

Regel: De bronnen en het leidingwerk moeten gerealiseerd worden op eigen terrein, gedeeld terrein of terrein van derden niet zijnde de gemeente, mits afstemming met de betreffende grondeigenaren heeft plaatsgevonden. Onderbouwing: Om de druk op de openbare ruimte te verminderen dient in het beginsel gezocht te worden naar bronposities buiten de openbare ruimte. Hetzelfde geldt voor het bijbehorende leidingwerk. Het zal lang niet altijd mogelijk zijn om met name al het leidingwerk op eigen terrein te realiseren. Wanneer er geen mogelijkheden zijn voor plaatsing op eigen kavel, zal in samenspraak met de gemeente gezocht moeten worden naar geschikte bronposities in de openbare ruimte. Daarbij ligt er een inspanningsplicht bij de aanvrager om aan te tonen dat bronnen niet op eigen terrein gerealiseerd kunnen worden. Wanneer de gemeente schriftelijk toestemming geeft voor plaatsing van bronnen in de openbare ruimte betreft dit geen afwijking op het bodemenergieplan.

9

Regel: Indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan alle gebruiksregels te voldoen, kan afgeweken worden van de gebruiksregels. Een onderbouwing van de afwijking moet, samen met een schriftelijke goedkeuring van de gemeente, bij de vergunningaanvraag Waterwet gevoegd worden en ter goedkeuring aan de provincie Utrecht worden voorgelegd. Onderbouwing: Om ruimte te bieden voor uitzonderlijke situaties, kan afgeweken worden van de gestelde regels. Dit kan echter alleen indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om aan alle gebruiksregels te voldoen. In dat geval moet in eerste instantie in overleg met de gemeente Nieuwegein bepaald worden of de afwijking is toegestaan. Pas nadat de gemeente een schriftelijke toestemming heeft gegeven kan de initiatiefnemer deze toestemming met een onderbouwing van de afwijking bij de vergunningaanvraag Waterwet toevoegen. Daarmee wordt de afwijking ter goedkeuring aan de provincie Utrecht voorgelegd.

7.3

GEBRUIKSREGELS OPEN BODEMENERGIESYSTEMEN DERDE WATERVOERENDE PAKKET 10 Regel: Het open bodemenergiesysteem moet worden uitgevoerd als een doubletsysteem in het derde watervoerende pakket. Onderbouwing: Het staat een initiatiefnemer vrij om gebruik te maken van het derde watervoerende pakket voor het toepassen van een open bodemenergiesysteem. Daarbij dient de initiatiefnemer een doubletsysteem te realiseren. Er zijn geen inpassingregels opgesteld voor het derde watervoerende pakket, hier gelden de standaard regels voor een aanvraag in het kader van de vergunning Waterwet. 11 Regel: Open bodemenergiesystemen uitgevoerd als recirculatiesystemen of monobron zijn niet toegestaan. Onderbouwing: Het gebruik van recirculatiesystemen is niet toegestaan, omdat het rendement van deze systemen lager is dan bij een opslagsysteem en daarmee het beschikbare bodempotentieel niet optimaal benut wordt.

Datum Referentie Pagina

18 februari 2022 70362/SV/20220218 29/29

Gezien de omvang van de nieuwbouwontwikkelingen en de dikte van het derde watervoerende pakket bestaat de voorkeur voor het toepassen van doubletten boven monobronnen. Hierdoor kunnen relatief grote capaciteiten per bron gerealiseerd worden en kan het aanwezige bodempotentieel zo optimaal mogelijk gebruikt worden.

7.4

GEBRUIKSREGEL GESLOTEN SYSTEMEN 1 Regel: Gesloten bodemenergiesystemen mogen tot een maximale diepte van 55 m-mv gerealiseerd worden. Onderbouwing: Om zowel de gesloten als de open bodemenergiesystemen in City West en het Stationsgebied optimaal te benutten is de bodem verticaal opgedeeld in zones. Gesloten bodemenergiesystemen mogen geplaatst worden tot 55 meter beneden maaiveld en open bodemenergiesystemen in het tweede watervoerende pakket vanaf 75 m-mv. Hiermee wordt een duidelijk kader geschetst en kunnen de twee type systemen fysiek gezien zeer dicht bij elkaar gepositioneerd worden zonder dat ze thermisch met elkaar interfereren. 2

Regel: De bodemlussen en het leidingwerk moeten gerealiseerd worden op eigen terrein, gedeeld terrein of terrein van derden niet zijnde de gemeente, mits er toestemming is van de betreffende grondeigenaren. Onderbouwing: Deze regel is opgesteld vanuit de behoefte om de schaars beschikbare openbare ruimte optimaal te gebruiken. Met een diversiteit aan in te passen functies creëert het inpassen van gesloten bodemenergiesystemen in openbare ruimte een ongewenste extra druk op de ondergrond.

3

Regel: Afwijkingen op deze gebruiksregels dienen met gedegen en voldoende onderbouwing ter goedkeuring aan de gemeente Nieuwegein te worden voorgelegd. Onderbouwing: Om ruimte te bieden voor uitzonderlijke situaties, kan afgeweken worden van de boven gestelde regels. Dit dient echter altijd in overleg en met voldoende onderbouwing aan de gemeente Nieuwegein te worden voorgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=0f2044e2-0993-4ff1-a690-204e84e25915