2022-392 Bijlage 2 Wijzigingen WABO in Legesverordening 2023.pdf
Tekst van het document
2022-392 Bijlage 2 Wijzigingen tarieven in legesverordening 2023
In het bijgevoegde bestand ‘Legesverordening 2023 met wijzigingen verwerkt’ zijn de wijzigingen opgenomen van de Wabo onderwerpen die in deze toelichting aan bod komen. Het betreft onderwerpen die op de lijst ‘wenselijke aanpassingen’ stonden om direct mee te nemen in de grootschalige wijziging die gepland staat bij invoering van de Omgevingswet (Ogw) en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Die ingrijpende wetswijziging vraagt namelijk om een totale herbeschouwing van producten en tarieven in de ruimtelijke omgeving. De wetswijziging kent een geschiedenis van veelvuldig uitstel maar eind 2021 leek de invoeringsd atum van 1 juli 2022 zeer concreet en daarmee het wachten waard. Vervolgens zijn de Ogw en Wkb toch weer uitgesteld tot 1 januari 2023 en tijdens de voorbereiding van het raadsvoorstel ‘wijziging legesverordening Ogw’ heeft minister De Jonge besloten dat uitstel opnieuw noodzakelijk is, waarbij nu de datum 1 juli 2023 genoemd wordt. De nu voorgestelde wenselijke wijzigingen zijn niet direct afhankelijk van de Ogw en worden daarom nu toch meegenomen in de reguliere jaarlijkse vaststellingscyclus van de legesverordening. Onderwerp 1: Gewijzigde en aanvullende tarieven n.a.v. onderzoek naar de kostendekking van ruimtelijke accounts (2021).
In 2021 heeft het college besloten tot het verrichten van onderzoek naar de dekking van het kostenverhaal bij de exploitatie van particuliere locaties via anterieure overeenkomsten (aovk). Het betreft onderzoek als bedoeld in artikel 213a Gemeentewet. In raadsbrief 2021-516 heeft het college de raad geïnformeerd over de uitkomsten van dat onderzoek. Daaruit kwam ook naar voren dat het wenselijk is om wijzigingen door te voeren in de legesverordening. Het onderzoek naar kostenverhaal had betrekking op grotere particuliere locatie-ontwikkelingen waarbij sprake is van afwijken van de geldende planologische kaders (bestemmingsplan of beheersverordening). Binnen de Nieuwegeinse organisatie worden dergelijke initiatieven ook wel ‘ruimtelijke accounts’ genoemd. Aanleiding van het onderzoek was de groeiende kloof tussen gemaakte kosten (ambtelijke uren) en de doorrekening van deze kosten aan ontwikkelaars in de principefase die dergelijke initiatieven doorlopen. De principefase betreft een haalbaarheidsonderzoek dat vooraf gaat aan de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het kostenverhaal vindt in de principefase bij ca. 60% van de ruimtelijke accounts plaats via een aovk. Er is wettelijk bepaald bij welke categorieën activiteiten sprake is van verplicht kostenverhaal en dus van de noodzaak om een aovk te sluiten omdat in Nieuwegein geen exploitatieplannen worden vastgesteld.
Voor de ruimtelijke accounts die niet onder ‘wettelijk verplicht kostenverhaal’ vallen, gelden vaste legestarieven voor ‘planologisch afwijken’. Die tarieven zijn afhankelijk van de vereiste wettelijke procedure die op haar beurt weer afhankelijk is van de omvang en aard van de planologische afwijking. Tijdens het onderzoek zijn door de betrokken afdelingen urenramingen geactualiseerd en zijn reken- en analysemodellen opgesteld. Gelijktijdig is opdracht verstrekt aan Deloitte voor de overall analyse van de cijfers en processen en een benchmark van vergelijkbare gemeenten. Uit het uitgevoerde onderzoek komt naar voren dat de aovk-en pas laat in de principefase
worden gesloten en dat de hierin opgenomen bedragen niet dekkend zijn voor de ambtelijke kosten die worden gemaakt. Dit is aanleiding geweest om maatregelen door te voeren. Per 2022 is er een fasering ingevoerd in het kostenverhaal door aan het begin van de principefase een (ambtelijke) intentieovereenkomst met drempelbedrag te hanteren. Dat bedrag dekt de inzetkosten die sowieso gemaakt worden voorafgaand aan het nemen van een principebesluit en het op dat moment pas aangaan van een anterieure overeenkomst. Het drempelbedrag is een vast bedrag, afhankelijk van de wettelijk vereiste procedure. Een vast bedrag leent zich uitstekend voor toepassing van een legestarief. Het doel was dan ook om deze drempelbedragen mee te nemen bij de wijziging van de legesverordening die voor 1 juli 2022 gepland stond i.v.m. de invoering van de Ogw en Wkb. Kostenverhaal bestaat. net als de andere omgevingsproducten die worden aangevraagd, voor een groot deel uit vaste proces- en toetscomponenten die we zoveel als mogelijk in de vorm van vaste tarieven willen onderbrengen in de legesverordening met 100% kostendekking op het geheel als uitgangspunt. In de praktijk blijft daarnaast sowieso behoefte blijven bestaan aan het aangaan van anterieure overeenkomsten. Niet alle ambtelijke inzet op aangevraagde complexe producten is namelijk te vertalen in vaste kostencomponenten in de legesverordening.
In anterieure overeenkomsten blijft ruimte voor dossier-specifiek maatwerk om financiële risico’s af te dekken die niet in vaste componenten gevat kunnen worden. Ook aspecten zoals planschade & kosten voor aanpassingen in de openbare ruimte blijven sowieso onderdeel van een anterieure overeenkomst. De wijzigingen die doorgevoerd worden betreffen de tarieven voor ‘planologisch afwijken’ en de tarieven voor de beoordeling van enkele veel voorkomende onderzoeksrapporten. In beide gevallen geldt dat deze tarieven in rekening worden gebracht in de fase waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd. Dat kan dus in de principefase of in de vergunningsfase zijn. Daarmee vormen de tarieven voor planologisch afwijken ‘drempelbedragen’ omdat zij op basis van de legesverordening gelden vanaf het moment dat een principeaanvraag in behandeling genomen wordt. Dat is nadat het initiatief de loketfase positief heeft doorlopen en daarmee de drempel van ‘sowieso onmogelijk initiatief’ is gepasseerd. 1a) Gewijzigde tarieven voor de activiteit ‘planologisch afwijken’
In de huidige legesverordening zijn de tarieven voor planologisch afwijken opgenomen in de onderdelen 2.3.3 (wanneer aangevraagd gecombineerd met een bouwactiviteit) en 2.3.4 (wanneer aangevraagd zonder bouwactiviteit). Het verschil tussen de tarieven in de beide onderdelen is klein en bestaat uit de kosten voor algemene taken zoals registratie en publicatie die al verrekend zitten in het bouwtarief wanneer tevens sprake is van een bouwactiviteit. Omdat aanvragen voor planologisch afwijken nagenoeg altijd samenvallen met bouwactiviteiten, en het verschil in tarief klein is, vervalt artikel 2.3.4 ten behoeve van de eenvoud en overzichtelijkheid van de verordening. De nieuwe tarieven zijn gebaseerd op de categorisering en de urenbesteding uit het onderzoek naar kostendekking dat in 2021 is uitgevoerd. Het gaat om de gemiddelde, algemene urenbesteding. Wanneer bijzondere onderzoeksrapporten beoordeeld moeten worden gelden aanvullende tarieven uit onderdeel 2.3.16. De bestaande tarieven kennen bij de reguliere procedures een onderscheid in ‘activiteiten op individuele woonpercelen tot 50 m 2’ en ‘overige activiteiten’. Dat doet recht aan het feit dat de ruimtelijke afweging bij kleinere aanpassingen/uitbreidingen veelal beduidend minder tijd vergt.
De ervaring leert dat het daarbij niet veel uitmaakt of die kleinere aanpassingen bij een woonperceel of elders plaatsheeft, daarom vervalt de toevoeging ‘individuele woonpercelen’. De
ervaring leert ook dat de urenbesteding niet wezenlijk hoger is als een uitbouw/bijbehorende bouwwerk groter is dan 50 m 2. De kans is dan wel groter dat er bepaalde onderzoeken vereist zijn, maar voor de beoordeling van die onderzoeken zijn separate tarieven van toepassing. Daarom verruimen we de 50 m 2 naar 150 m2. Daarmee voorkomen we ook dat dergelijke ‘middelgrote uitbreidingen’ vallen in de tarief voor ‘grote kruimels’ dat we flink verhogen. De huidige tarieven stammen uit 2012/2013 en zijn oorspronkelijk afgestemd op planologische afwijkingen met beperkte impact omdat dat toen de reikwijdte van de betreffende ‘kruimelgevallenregeling’ was. Door wijzigingen in de wetgeving zijn sindsdien steeds grotere planologische afwijkingen (zoals kantoortransformaties en grote bedrijfsuitbreidingen) onder deze reguliere ‘kruimelprocedure‘ komen te vallen. Voor die grotere afwijkingen bleek uit het onderzoek dat de tarieven die we hanteren veel te laag zijn. Die worden nu dus flink omhoog bijgesteld. Daarbij geldt een apart, wezenlijk hoger tarief wanneer een initiatief valt onder de categorieën waarbij kostenverhaal wettelijke verplicht is. Dat heeft te maken met de extra kosten die in dat geval gemoeid zijn met de voorbereiding van een anterieure overeenkomst en een principebesluit van het college (i.p.v. een ambtelijk principebesluit).
Bij uitgebreide projectprocedures is het verschil tussen het tarief met en zonder kostenverhaal een stuk kleiner omdat bij die procedure sowieso altijd sprake is van een principebesluit door het college. Aanvullend wordt in deze categorie onderscheid gemaakt tussen procedures die wel of niet vragen om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb)van de gemeenteraad. Bij besluit 2019-124 heeft de raad een categorieënlijst vastgesteld wanneer geen vvgb aan de raad gevraagd behoeft te worden. Vrijwel alle projectprocedures vallen onder deze lijst wat maakt dat een raadsbesluit niet nodig is en de ambtelijke urenbesteding en het tarief dus iets lager zijn. Omdat de vvgb al is verdisconteerd in de tarieven van onderdeel 2.3.3, dient onderdeel 2.3.18 iets gewijzigd te worden voor wat betreft den vvgb van de gemeenteraad. We werken in Nieuwegein sinds medio 2022 al met omgevingstafels. Dat is een integrale overlegstructuur t.b.v. de haalbaarheid van een planologische procedure die plaatsvindt in de principefase van een initiatief. Het is een vast onderdeel geworden van het werkproces maar mede door de pas op de plaats is er nog niet veel ervaring mee opgedaan. In de nieuwe tarieven is ingeschat bij welke categorieën het waarschijnlijk is dat 1 of meerdere omgevingstafels worden georganiseerd.
Op basis van de inmiddels opgedane beperkte ervaring is een prognose gemaakt van de extra ureninzet die dit vraagt en dat is meegenomen in het tarief. In onderdeel 2.3.3.4 was een Wabo artikel voor tijdelijk afwijken opgenomen dat al enige tijd niet meer bestaat omdat tijdelijk afwijken is geïntegreerd in de kruimelgevallenregeling (tot 10 jaar). De ruimtelijke impact van een dergelijke activiteit is doorgaans minder groot en beperkt tot de instandhoudingstermijn. Dat maakt dat de gemiddelde urenbesteding aan een dergelijke procedure ook lager is. Om daar recht aan te doen is een specifiek tarief opgenomen in onderdeel 2.3.3.2.2. Op de onderdelen 2.3.3.5 t/m 2.3.3.8 zijn sinds de invoering van de Wabo (oktober 2010) nooit tarieven gerekend en dat heeft ook nooit tot een dekkingsprobleem geleid. Die onderdelen komen daarom te vervallen. De wijzigingen in onderdelen 2.3.3 en 2.3.4 vragen eveneens om wijziging van hoofdstuk 2 ‘Principeaanvragen’ omdat daar een verwijzing is opgenomen naar die onderdelen.
In hoofdstuk 8 staan tarieven voor “bestemmingswijzigingen zonder activiteiten”. Die term is verwarrend omdat met een bestemmingswijziging uiteindelijk andere gebruiks- of bebouwingsmogelijkheden worden voorzien. De term ‘zonder activiteiten’ vervalt daarom. Ook voor de bestemmingsplanprocedure geldt dat die tarieven zijn onderzocht in 2011 en dat ze vragen om een flinke verhoging. Bij een bestemmingswijziging is sprake van een separaat ruimtelijk besluit door de gemeenteraad, waaraan geen concreet plan verbonden hoeft te zijn. De planologische besluiten in onderdeel 2.3.3 zijn plangebonden, wat wil zeggen dat ze een aangevraagd specifiek plan mogelijk maken. Een bestemmingswijziging stelt nieuwe kaders qua bouw- en gebruiksmogelijkheden waarbinnen vervolgens een planontwikkeling vormgegeven kan worden. Een bestemmingsplanprocedure vindt daarom altijd in de voorfase plaats. Omdat een bestemmingswijziging geen omgevingsvergunning is, staat deze bijzondere ruimtelijke procedure niet in onderdeel 2.3.3. De bestemmingsplanprocedure was ook onderdeel van het kostenverha al onderzoek in 2021. De uitkomst zijn verwerkt in de nieuwe tarieven. Er is onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin al dan niet sprake is van verplicht kostenverhaal i.v.m. de tijd die gemoeid is met het opstellen van een aovk.
Onder de huidige tarieven geldt een lager tarief voor een bestemmingswijziging van maximaal 100 m 2. Dat is oorspronkelijk ingesteld t.b.v. verkoop en bestemmingswijziging van snippergroen (bijvoorbeeld zodat er bouwmogelijkheden op ontstaan). In de praktijk wordt geen dure, uitgebreide procedure doorlopen voor dergelijke zaken. Daarom vervalt die bepaling.
Wijzigingen: a) In onderdeel 2.2.2: •
de titel “Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouwactiviteit” vervangen door “Planologisch strijdige activiteiten’.
•
De zinsnede “en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo” laten vervallen.
b) Onderdeel 2.2.3 in zijn geheel vervangen door de tekst die onder kopje 1b) onder wijziging a) is opgenomen. c)
In onderdeel 2.3.18.1: •
de zinsnede “in voorgaande onderdelen reeds genoemd” vervangen door “de gemeenteraad”.
•
Na de dubbele punt toevoegen “het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld.”
d) In onderdeel 2.3.18.2 de verwijzing naar onderdeel 2.3.18.1.2 vervangen door 2.3.18.1. e) Onderdelen 2.3.18.1.1 en 2.3.18.1.2 laten vervallen. f)
In de titel van hoofdstuk 8 de term ‘zonder activiteiten’ verwijderen.
g) Onderdelen 2.8.1 en 2.8.2 vervangen door het onderstaande:
2.8.1 2.8.2
in verband met activiteiten waarbij geen sprake is van verplicht kostenverhaal: in verband met activiteiten waarbij wel sprake is van verplicht kostenverhaal:
14.433,60 15.112,60
h) Onderdeel 2.3.4 in zijn geheel laten vervallen. i)
Onderdeel 2.3.3 wijzigen in het onderstaande:
2.3.3
Planologisch strijdige activiteiten Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning of een principeaanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:
2.3.3.1
indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo wordt toegepast (binnenplanse afwijking):
2.3.3.1.1
in verband met activiteiten m.b.t. ten hoogste 50 m 2 (vloer)oppervlak:
131,00
2.3.3.1.2
in verband met overige activiteiten:
252,20
2.3.3.2 2.3.3.2.1 2.3.3.2.2 2.3.3.2.3 2.3.3.2.4
indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse afwijking ‘kruimelgevallenregeling’): in verband met activiteiten m.b.t. ten hoogste 150 m2 (vloer)oppervlak: in verband met overige activiteiten met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar: in verband met overige activiteiten waarbij geen sprake is van verplicht kostenverhaal: in verband met overige activiteiten waarbij wel sprake is van verplicht kostenverhaal:
397,70 1.181,70 3.593,90 8.346,90
indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo wordt 2.3.3.3
toegepast (buitenplanse afwijking ‘project’) zonder dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is:
2.3.3.3.1 2.3.3.3.2
in verband met activiteiten waarbij geen sprake is van verplicht kostenverhaal: in verband met overige activiteiten waarbij wel sprake is van verplicht kostenverhaal:
12.251,10 12.930,10
indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo wordt 2.3.3.4
toegepast (buitenplanse afwijking ‘project’) waarbij een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is:
2.3.3.4.1
in verband met activiteiten waarbij geen sprake is van verplicht kostenverhaal:
2.3.3.4.2
13.027,10
in verband met overige activiteiten waarbij wel sprake is van verplicht kostenverhaal:
1b) Gewijzigde tarieven voor beoordeling onderzoeksrapporten
Uit het onderzoek in 2021 is gebleken dat de ambtelijk inzet bij ruimtelijke accounts o.a. sterk afhankelijk is van: a) de vereiste wettelijke procedure, b) de (beoordeling van) de benodigde onderzoeksrapporten, c) de aard en omvang van aanpassingen in de openbare ruimte, en: d) de maatschappelijke en bestuurlijke gevoeligheden. Aspect a) heeft zijn beslag gekregen in onderdeel 2.3.3. Aspect c) is in alle gevallen maatwerk dat zijn beslag krijgt in een anterieure overeenkomst en/of een andere vorm van een kostenopgave. Aspect d) betreft ook altijd maatwerk dat bij accounts in de anterieure
13.706,10
overeenkomst kan worden geprognosticeerd op basis van de participatie en bestuurlijke afstemming in de principefase. Voor wat betreft aspect c) zijn in de huidige legesverordening in onderdeel 2.3.16 reeds enkele tarieven opgenomen voor de ambtelijke beoordeling van veel voorkomende onderzoeken in het kader van een ruimtelijke (bouw)ontwikkeling. Uit interviews met de betrokken adviseurs is gebleken dat er nog meer onderzoeksonderwerpen zich lenen voor een vast legestarief (gebaseerd op de gemiddelde tijdsbesteding). Daarnaast bleek dat met enige regelmaat uit het eerste/verkennende onderzoek een vervolgrapportage voortkomt bijvoorbeeld wanneer aanvullend of nader onderzoek vereist is, of wanneer een Programma van Eisen, een Plan van Aanpak en/of een uitvoeringsplan wordt opgesteld. De noodzaak van dergelijke rapporten is vaak nog niet in beeld wanneer een anterieure overeenkomst wordt gesloten. Ook zijn de legestarieven daar niet op berekend. Door hiervoor legestarieven te hanteren, is er meer financiële zekerheid over de dekking wanneer dergelijke zaken zich voordoen. Al met al vraagt het voorgaande om een ingrijpende wijzigingen van onderdeel 2.3.16. Daarnaast willen we dergelijke kosten in rekening brengen in de fase waarin de betreffende werkzaamheden worden uitgevoerd. Dat kan ook al in de principefase het geval zijn.
Daarom wordt onderdeel 2.2.3 (waarvan onder kopje 1a al is aangegeven dat deze in de huidige vorm kan vervallen) geheel aangepast t.b.v. de ‘beoordeling onderzoeksrapporten’.
Wijzigingen: a) Onderdeel 2.2.3 vervangen door:
Beoordeling onderzoeksrapporten 2.2.3 Indien de principeaanvraag betrekking heeft op onderzoeksrapporten als bedoeld in onderdeel 2.3.16, het tarief zoals bepaald in dat onderdeel
b) Onderdeel 2.3.16 wijzigen in het onderstaande:
2.3.16
Beoordeling onderzoeksrapporten Onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, als krachtens wettelijk voorschrift voor een aanvraag een rapport wordt beoordeeld: voor de beoordeling van een verkennend milieukundig bodemrapport, een
2.3.16.1
aanvullend of nader onderzoeksrapport en/of een saneringsplan, per
392,00
rapport of plan voor de beoordeling van een vroegtijdig inventariserend archeologisch 2.3.16.2
onderzoek, een verkennend booronderzoek, een karterend booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek en/of een evaluatie- of eindrapport, per
392,00
rapport 2.3.16.3
voor de beoordeling van een rapport aangaande luchtkwaliteit en/of een aanvullend of nader onderzoeksrapport, per rapport:
392,00
voor de beoordeling van een rapport aangaande de geluidbelasting, een 2.3.16.4.1
akoestisch rapport betreffende de interne en externe geluidwering en/of
392,00
nagalm van een bouwwerk, per rapport: 2.3.16.4.2 2.3.16.5
voor een besluit hogere waarden (Wet geluidhinder) wanneer dit voortvloeit uit de onderzoeksrapporten als genoemd in 2.3.16.4.1 voor de beoordeling van een rapport aangaande bouwhistorisch en/of cultuurhistorisch onderzoek, per rapport
588,00 392,00
voor de beoordeling van een rapport aangaande een balansberekening, 2.3.16.6
parkeerdrukonderzoek en /of draagvlakonderzoek m.b.t. parkeren, per
392,00
rapport 2.3.16.7.1
voor de beoordeling van een vormvrije milieueffect beoordeling
196,00
2.3.16.7.2
voor de beoordeling van een milieueffectrapportage (MER)
784,00
2.3.16.8
voor de beoordeling van een rapport aangaande windklimaat, radarverstoring, straling door hoogspanning en/of lichthinder, per rapport
196,00
voor de beoordeling van een rapport aangaande ecologisch onderzoek, een 2.3.16.9
quickscan, nader of aanvullend onderzoek en/of een mitigatieplan, per
392,00
rapport of plan: 2.3.16.10 2.3.16.11
voor de beoordeling van een rapport en/of berekening aangaande stikstofdepositie, per rapport of berekening: voor de beoordeling van een rapport aangaande een watertoets:
392,00 196,00
voor de beoordeling van een rapport aangaande duurzaamheid (BENG, 2.3.16.12
MPG, GPR, BREEAM of daarmee gelijk te stellen methodiek),
294,00
natuurinclusief en/of klimaatadaptief bouwen, per rapport 2.3.16.13 2.3.16.14
voor de beoordeling van een rapport en/of plan aangaande communicatie en/of participatie, per rapport of plan: voor de beoordeling van een rapport aangaande distributie planologisch onderzoek (of daarmee gelijk te stellen onderzoek), per rapport
196,00 490,00
Onderwerp 2: BLVC beleid (2021). Sinds 20 september 2021 is de BLVC-regeling Nieuwegein van kracht die inhoudt dat bouwen/of sloopwerkzaamheden pas mogen aanvangen nadat de gemeente akkoord heeft gegeven op een door de aanvrager in te dienen BLVC plan. De afkorting staat voor Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie. Alleen als de initiatiefnemer kan aantonen dat de bouw- of sloopwerkzaamheden geen noemenswaardige overlast veroorzaken, is geen BLVC plan vereist. In de BLVC-regeling staat welke onderwerpen aan de orde moeten komen in het BLVC plan. Ook is geregeld dat de gemeente werkzaamheden stil kan leggen als niet volgens de BLVC regeling wordt gehandeld. Het indienen van BLVC gegevens is verplicht. De invoering van de BLVC regeling heeft nieuwe taken tot gevolg ten opzichte van het reguliere bouwtoezicht dat reeds plaatsvindt tijdens de uitvoering van bouw- en sloopactiviteiten. De reikwijdte van de BLVC regeling is namelijk ruimer dan de bestaande regeling (Bouwbesluit) voor bouw- en sloopveiligheidsplannen en het toezicht daarop. Heel in het algemeen kan gesteld worden dat die extra reikwijdte vooral ligt op het gebied van communicatie en omgevingsmanagement.
De behoefte aan een BLVC regeling vindt zijn grondslag het meest nadrukkelijk in City waar gelijktijdig meerdere (zeer) grote bouwontwikkelingen in voorbereiding en/of uitvoering zijn wat vraagt om afstemming op zowel locatie- als gebiedsniveau. In City is een omgevingsmanager aangesteld bij wie ook de BLVC coördinatie is belegd. In Rijnhuizen wordt deze taak op een andere wijze door de betrokkenen ingevuld. Zo is het omgevingsmanagement belegd bij een wijk-coördinator. Daarnaast is in 2022 een BLVC coördinator aangesteld die enerzijds de taak heeft om BLVC in te bedden in werkprocessen en anderzijds belast is met de beoordeling van BLVC plannen bij bouw- en sloopaanvragen. De inzet van omgevingsmanagement City en Rijnhuizen komt op dit moment ten laste van de grondexploitatie c.q. projectbudget. Bij de invoering van de BLVC regeling is reeds het voornemen uitgesproken om de extra tijdsbesteding die specifiek voortvloeit uit de BLVC regeling, middels leges in rekening te gaan brengen bij de aanvragers in die gevallen waarin die inzet voortvloeit uit een vergunde bouwactiviteit. Sloopactiviteiten zijn namelijk in een meldingsstelsel opgenomen waarvoor geen leges geheven mogen worden. De BLVC werkprocessen zijn nog in ontwikkeling en er wordt ondertussen ook praktijkervaring opgedaan met de BLVC beoordeling.
Die praktijkervaring is nog niet toereikend om kengetallen te kunnen ontwikkelen t.b.v. specifieke legestarieven. Daarnaast hebben de BLVC werkzaamheden zoals gezegd veel overlap met de bestaande ‘reguliere’ toezichtstaken van afdeling TVL. Daarom is gekozen voor een globale, pragmatische benadering van de kostendekking door leges. Momenteel wordt de specifieke BLVC inzet/behoefte op aangevraagde bouwactiviteiten geraamd op 0,75 fte in City, 0,5 fte in Rijnhuizen en 0,75 fte op de overige bouwdossiers. Dat betekent een dekkingsopgave van €98 x 1360 uur x 2 wat neerkomt op ca. €266.000. De huidige behoefte aan BLVC inzet vloeit voort uit de bouwactiviteiten die de afgelopen jaren zijn vergund. We hebben op basis van het jaargemiddelde aan verleende vergunningen voor bouwactiviteiten in de periode 2019-2021 (311 stuks, ca. €2,5 MLN bouwleges) bekeken in hoeverre de degressieve bouwtarieven uit onderdeel 2.3.1. verhoogd moeten worden om ca.
€266.000 extra bouwleges per jaar te innen in die categorieën van (grotere) bouwprojecten waarbij de BLVC regeling doorgaans van toepassing is. Dat leidt tot de volgende wijzigingen in de tarieven voor bouwactiviteiten. Wijzigingen In onderdelen 2.3.1 de waarden in kolom ‘was’ vervangen door de waarden in kolom ‘wordt’. 2.3.1
Bouwactiviteiten
was
wordt
Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in 2.3.1.1
artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:
2.3.1.1.1
indien de bouwkosten minder dan € 10.000 bedragen:
225,00
225,00
2.3.1.1.2
indien de bouwkosten € 10.000 tot € 225.000 bedragen:
225,00
225,00
vermeerderd met:
3,70%
3,70%
8.180,00
8.180,00
2,89%
3,00%
66.702,50
68.930,00
1,89%
2,30%
213.177,50
247.180,00
1,10%
1,50%
378.177,50
472.180,00
0,63%
0,63%
van de bouwkosten die uitgaan boven € 10.000; 2.3.1.1.3
indien de bouwkosten € 225.000 tot € 2.250.000 bedragen: vermeerderd met: van de bouwkosten die uitgaan boven € 225.000;
2.3.1.1.4
indien de bouwkosten € 2.250.000 tot € 10.000.000 bedragen: vermeerderd met: van de bouwkosten die uitgaan boven € 2.250.000;
2.3.1.1.5
indien de bouwkosten € 10.000.000 tot € 25.000.000 bedragen: vermeerderd met: van de bouwkosten die uitgaan boven € 10.000.000;
2.3.1.1.6
indien de bouwkosten € 25.000.000 of meer bedragen: vermeerderd met: van de bouwkosten die uitgaan boven € 25.000.000.
Onderwerp 3: Tarief voor ‘nasporen’ archiefstukken Onder titel 1 van de tarieventabel zijn in onderdeel 1.16.3 tarieven opgenomen voor afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken voor zover daarvoor niet elders in deze tarieventabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen. Onder dat onderdeel vallen ook de stukken uit het bouwarchief en’/of archiefstukken m.b.t. ruimtelijke ordening of milieu. De huidige tarieven gelden per afdruk per A4, A3 of groter formaat. Het ‘oude’ gemeentelijke bouwarchief is echter in 2010 vooruitlopend op de Wabo reeds volledig gedigitaliseerd en sinds de Wabo is sprake van digitale dossieropbouw tijdens het proces. De stukken uit het bouwarchief zijn dus digitaal beschikbaar maar in de eerste jaren kwam het soms nog voor dat op aanvraag afdrukken werden verstrekt. Dat is inmiddels hooguit nog zeer zelden het geval. De gegevens uit het bouwarchief worden nagenoeg altijd digitaal verstrekt. De tarieven uit onderdeel 1.16.3 zijn dus niet toepasbaar omdat er geen afdrukkosten meer zijn. Wel wordt er een behoorlijk grote inzet gepleegd op het afhandelen van de diverse verzoeken om archiefgegevens op het gebied van bouwen, ruimtelijke ordening en milieu.
Om recht te doen aan de tijd en kosten die in de praktijk gemoeid zijn met het nasporen en toezenden van gevraagde archiefstukken, voeren we een tarief in per besteed (deel van een) kwartier, gebaseerd op het begrotingsuurtarief van €98,00, dus €24,50 per kwartier. Die werkwijze en ook dat bedrag zijn in lijn met de regeling zoals die in andere gemeenten ook gehanteerd wordt, zoals bijvoorbeeld in Houten en Vijfheerenlanden. Deze regeling komt in onderdeel 1.16.4 dat in de huidige legesverordening op ‘vervallen’ staat. In de informatievoorzieningen over dit product (o.a. op de webpagina) zal worden verwerkt dat aan de aanvrager ervan uit moet gaan dat de dienstverlening normaliter minimaal 15 à 30 minuten vergt en dus minimaal €49,00 zal kosten. Als de dienstverlening naar verwachting meer dan een half uur in beslag zal nemen en dus meer dan €49,00 zal kosten, wordt de aanvrager vooraf hiervan in kennis gesteld. In het werkproces moet deze diensteverlening zo ingeregeld worden dat de dienst pas geleverd wordt wanneer de betaling is voldaan. De ervaring leert namelijk dat er anders te veel tijd gemoeid is met het sturen van herinneringen (en aanmaningen) zodat deze regeling tijd/geld kost dan dat ze oplevert. Wijzigingen Onderdelen 1.16.4 toevoegen als onderstaand: 1.16.4
Het tarief bedraagt voor het zoeken van (digitale) stukken in het gemeentelijke archief over bouw, ruimtelijke ordening en/of milieu, per (deel van een) kwartier:
24,50
Onderwerp 4: Tarief voor ‘oplaadinfrastructuur in de openbare ruimte’ Op het moment dat dit raadsvoorstel wordt geschreven, staan de “Beleidsregels openbare oplaadinfrastructuur elektrische voertuigen 2022” op het punt om in routing te gaan ter vaststelling door het college. Het doel is dat die beleidsregels per 1 januari 2023 in werking treden. Het doel van die beleidsregels is dat particulieren, bedrijven, netwerkbeheerders en aanbieders van oplaadinfrastructuur duidelijkheid krijgen over de criteria, voorwaarden en procedure die gelden als de gemeente overweegt om medewerking te verlenen aan het plaatsen van oplaadinfrastructuur in de openbare ruimte en het aanwijzen (dit worden dan oplaadplaatsen) van twee parkeerplaatsen per oplaadpaal voor het opladen van elektrische voertuigen. De meest voorkomende situatie is dat een bewoner een elektrisch oplaadbare auto aanschaft en vervolgens een oplaadvoorzieningen wenst bij een parkeerplaats in de openbare ruimte (wanneer er geen parkeerplaats op eigen terrein voorhanden is). De inwoner benadert dan een marktpartij om die voorziening te realiseren. We staan dus toe dat marktpartijen de openbare ruimte in Nieuwegein gebruiken om hun dienst aan te bieden en omzet te genereren. Dat is gerechtvaardigd, omdat deze partijen ook zelf verantwoordelijk zijn voor de investeringen en bedrijfsrisico lopen ten aanzien van de exploitatie.
Echter, de business case voor de laadpalen ontwikkelt zich positief. Het is dan ook opport uun om een bijdrage in de kosten voor vergunningverlening in rekening te gaan brengen bij de aanbieder van laadpalen. Voor het plaatsen van oplaadpalen of andere oplaadinfrastructuur op of aan de weg is geen omgevingsvergunning nodig. We zijn de volgende toestemmingen aan de orde: Ontheffing Apv artikel 2:10 Voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg is op grond van artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) een ontheffing nodig van het college van burgemeester en wethouders. Het plaatsen van oplaadpalen of andere oplaadinfrastructuur wordt niet geacht te vallen onder ‘het gebruik van een weg overeenkomstig de publieke functie van een weg’. In de voorschriften die aan de ontheffing worden gekoppeld kan de gemeente eisen stellen aan de aanvrager c.q. beheerder van de oplaadpaal. Vergunning Apv artikel 2:11 (objectvergunning) Voor het plaatsen van een oplaadpaal en het aansluiten op het openbare elektriciteitsnetwerk zal er in de weg worden gegraven. Dit zal ook moeten worden hersteld. Artikel 2:11 Apv verbiedt het beschadigen van de weg. Dit geldt niet voor de overheid bij het uitvoeren van haar publieke taak.
Wanneer een bewoner, bedrijf of aanbieder van oplaadinfrastructuur bij de gemeente een aanvraag indient voor het plaatsen van een oplaadpaal op of aan de weg in de buurt van zijn woning of bedrijf, dan is hiervoor dus een vergunning van de Apv nodig. In de voorschriften die aan de vergunning worden gekoppeld kan de gemeente eisen stellen aan de aanvrager van deze Apv-vergunning. Verkeersbesluit Wanneer de gemeente bereid is een ontheffing te verlenen voor het plaatsen van een oplaadpaal of andere oplaadinfrastructuur op of aan de weg, dan ligt het voor de hand dat de gemeente de parkeerplaats(en) bij de oplaadvoorziening ook aanwijst als oplaadplaats voor alléén het opladen
van elektrische voertuigen. Het college van burgemeester en wethouders kan hiertoe op grond van art. 18 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) jo. art. 12 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) een verkeersbesluit nemen. In zo’n verkeersbesluit wijst het college de betreffende oplaadplaats(en) aan door middel van het plaatsen van de verkeersborden E4 of E8 met onderbord ‘alleen opladen elektrische voertuigen’. Afwegingen tarief Voorzieningen voor de oplaadinfrastructuur nemen een vlucht. Er zijn momenteel ca. 300 oplaadpalen in de openbare ruimte aanwezig en de verwachting is dat er jaarlijks ca. 100 stuks bijkomen. De gemeente stimuleert de realisatie van deze voorzieningen maar wil gevoelsmatig een deel van de kosten verhalen op de aanvrager. Kosten worden gemaakt door de afdelingen Ruimtelijk Domein en vooral Openbaar Domein en bestaan uit de behandeling van de ontheffing, vergunning en het verkeersbesluit en het treffen van enkele voorzieningen in de openbare ruimte. Niet alle kosten die we maken worden in rekening gebracht, aangezien dit mogelijk de uitrolsnelheid frustreert en daarmee conflicteert met het doel laadzekerheid voor onze inwoners te bieden. Een te hoog tarief kan tot gevolg hebben dat een marktpartij de businesscase toch niet interessant genoeg vindt en bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan verzoeken in andere gemeenten.
Er is gekeken naar de tarieven die andere gemeenten hanteren en op basis daarvan wordt in het collegevoorstel een tarief voorgesteld van €125,- dat gekoppeld wordt aan de objectvergunning artikel 2:11 Apv die door de marktpartij wordt aangevraagd. Het is een tarief voor het in behandeling nemen van de vergunningaanvraag. Er geldt (vanwege het beperkte bedrag) geen teruggaafregeling wanneer er geen gebruik gemaakt wordt van de vergunning. In de huidige legesverordening zijn in onderdeel 1.16.2.3 reeds tarieven opgenomen voor vergunningen op grond van 2:11 Apv voor ‘het aanleggen van leidingen’ en voor ‘overige gevallen’. In de praktijk zijn deze tarieven niet eerder geeffectueerd in relatie tot oplaadpalen. We voeren nu een specifiek tarief voor oplaadpalen in en zien erop toe dat dit ook in alle gevallen gehanteerd wordt. Wijzigingen In onderdeel 1.16.2.3: •
Een nieuw artikel 1.16.2.1 toevoegen “Ten behoeve van het plaatsen van een oplaadpaal en het aansluiten daarvan op het openbare elektriciteitsnetwerk” en daar een tarief aan koppelen van €125,-.
•
De daaropvolgende artikelen aangepast doornummeren.
•
Aan het nieuwe artikel 1.16.2.3.2 de zinsnede toevoegen “anders dan ten behoeve van het plaatsen van een oplaadpaal”.
Het onderdeel wordt dan als volgt: 1.16.2.3
ingevolge artikel 2:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening (aanleggen van een weg)
1.16.2.3.1
Ten behoeve van het plaatsen van een oplaadpaal en het aansluiten daarvan op het openbare elektriciteitsnetwerk
1.16.2.3.2
ten behoeve van het aanleggen van leidingen anders dan ten behoeve van het plaatsen van een oplaadpaal
1.16.2.3.3
in alle andere gevallen
125,00
346,90
115,50
Financiële gevolgen •
Onderwerp 1 komt voort uit het onderzoek naar kostendekking van ruimtelijke accounts dat in 2021 is uitgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat gedurende de onderzoeksperiode (2017-2020) de legestarieven voor ruimtelijke procedures jaarlijks een tekort van ca. €130.000 geven. Dat bedrag is gebaseerd op het daadwerkelijke aantal aanvragen in die periode van hoogconjunctuur. Het totaaleffect van een tariefwijziging is sowieso altijd afhankelijk van het aantal keer dat een betreffend(e) product of dienst wordt aangevraagd. Doel is een betere gemiddelde dekking van de kosten die we maken en die uiteraard ook afhankelijk zijn van de vraag. Hierbij dient beseft te worden dat grotere initiatieven ook nog bouwleges genereren die vaak (ruim) meer dan kostendekkend zijn en als zodanig de ‘kleinere producten’ kruis-subsidiëren. Dat gehele principe wordt nader geanalyseerd wanneer de Ogw en Wkb alsnog ingevoerd worden wat vraagt om een algehele herbeschouwing omdat de bouwleges wegvallen in die gevallen waar bouwactiviteiten vergunningsvrij worden, of gaan vallen onder gevolgklasse 1 waarbij een meldingstelsel met private kwaliteitsborgers gaat gelden.
•
Onderwerp 2 zal bij een vergelijkbaar werkaanbod als in de periode 2019-2021 ongeveer € 266.000 per jaar aan extra legesinkomsten genereren dat gelijk staat aan de geprognosticeerde kosten van extra inzet ten behoeve van de BLVC regeling bij dat werkaanbod.
•
Onderwerp 3 gaat over een dienstverlening die tot nu toe gratis was en naar inschatting gemiddeld 5 à 10 keer per week voorkomt. Bij een gemiddelde tijdsbesteding van ca. 3045 minuten, zou dat een totaal aan legesinkomsten genereren tussen €15.000 en €30.000. Deze dienstverlening wordt uitgevoerd door afdeling Ruimtelijke Domein (het Omgevingsloket) maar valt niet onder titel 2 (Wabo leges).
•
Onderwerp 4 genereert legesinkomsten van €125,- per objectvergunning voor een laadpaal in de openbare ruimte. Er wordt een vlucht verwacht in aantallen aanvragen wat neerkomt op ca. 100 stuks per jaar. De legesinkomsten zouden dan dus € 12.500,bedragen. Deze dienstverlening wordt grotendeels uitgevoerd door afdeling Openbaar Domein.