2022-316 Bijlage 1 Bestemmingsplan Deventerschans.pdf
Tekst van het document
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie Provinciale Ruimtelijke Verordening Waterschapsbeleid Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijnvisie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel 'Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving'. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
34
Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we ook, volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is in 2015 vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst. Gemeentelijk beleid Het jaarplan 2021 en de Watervisie uit 2004 vormen samen het Waterplan van de gemeente Nieuwegein.
De gemeente Nieuwegein beschikt ook over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan waarin het beleid voor de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn opgenomen. Het klimaat verandert. We krijgen te maken met meer en heftigere regenbuien, langere droge periodes en meer hete zomerse dagen en nachten. Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen moeten we nu al stap voor stap investeren in een klimaat bestendige inrichting van de stad. De gemeente heeft eind 2014 zowel de landelijke als de regionale Intentieverklaring Ruimtelijke Adaptatie ondertekend. Eind 2018 is de visie klimaatadaptatie vastgesteld en het uitvoeringsprogramma 2019-2022. Beleid van de gemeente is om bij herstructurering, renovatie en nieuwbouw inrichtingsmaatregelen mee te nemen die het plan klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Maatregelen die de gevolgen van klimaatverandering verzachten (de zogenaamde klimaatadaptieve maatregelen) zorgen ook voor een groenere wijk met ruimte voor water. Hierdoor dragen deze maatregelen tevens bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving. Voorbeelden van maatregelen zijn groene pleinen, gevels en daken, voorzieningen voor (tijdelijke) waterberging, schaduwwerking, gebruik koele bouwmaterialen. Huidige situatie Het plangebied bestond voorheen uit bebouwing en had een enkelbestemming maatschappelijke doeleinden.
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een onverharde speeltuin met aan de randen bosschages en enkele bomen. Door de ligging in de kern Nieuwegein is de bodem in het plangebied niet gekarteerd. In de omgeving zijn kalkloze en kalkhoudende poldervaaggronden aanwezig en sprake van een grondwatertrap III. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwatertrap varieert tussen de 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. Het plangebied ligt gemiddeld 0,5 meter boven NAP. Waterkwantiteit Op basis van de legger zijn binnen het plangebied en in de omgeving geen watergangen aanwezig en ligt het plangebied niet binnen een beschermingszone van een watergang. Het plangebied bestaat in de feitelijk huidige situatie uit een onverharde speeltuin. Het plangebied heeft in de huidige situatie een oppervlakte van circa 4.900 m2 en is volledig onverhard. Op basis van de mogelijke stedenbouwkundige invulling wordt ook uitgegaan van maximaal 55% verharding in de toekomstige situatie voor het gehele plangebied. Dit komt neer op circa 2.695 m2.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
35
In de stedenbouwkundige randvoorwaarden is verder opgenomen dat minimaal 30% van de bestemming 'Wonen' onverhard en onbebouwd dient te blijven. Deze gronden betreffen een oppervlakte van ca. 2.400 m2. De maximale verharding die mogelijk is binnen het gebied is dan ca. 1.680 m2. Worst case is voor de watercompensatie uitgegaan van 2.695 m2 verharding. In de handreiking klimaatadaptief bouwen zijn aanvullende prestatie-eisen voor het bergen en infiltreren van water binnen het plangebied. Zie hiervoor de paragraaf klimaat adaptatie. Tabel 5.2 Overzicht toename verhard oppervlak plangebied Onderdeel Huidige situatie Toekomstige situatie Verhard Onverhard (Groen) Totaal
0 m2 4.900 m2
Toename verhard oppervlak
2.695 m2 2.205 m2 2.695 m2
Veiligheid en waterkeringen Op basis van de legger ligt het plangebied niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. De riolering in de wijk bestaat uit drie verbeterd gescheiden rioolstelsels ten behoeve van vuil- en hemelwaterafvoer. Het verzamelde afvalwater wordt trapsgewijs via drie pompgemalen (ter plaatse van Vreeswijksestraatweg, Biltseveste en Graaf Ottolaan) via een persleiding naar het stamriool langs de 's-Gravenhoutseweg, Graaf Florisweg en Binnenwal gevoerd. Het stamriool mondt uit in het hoofdrioolgemaal van het hoogheemraadschap aan de Geindijk. Toekomstige situatie Binnen het plangebied worden 16 woningen mogelijk gemaakt. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de bodem of grondwater. Straatpeil en vloerpeil Het vloerpeil van panden moet minimaal 0,15 m boven straatpeil komen staan. Waterkwantiteit In de randvoorwaarden voor het uitwerkingsplan is opgenomen dat het plangebied zo min mogelijk verharding moet worden opgenomen (compacte parkeeroplossing). De ambitie van de gemeente en het waterschap is om minimaal 50 mm (circa 123 m3) waterberging te realiseren en hiervan minimaal 12 mm (circa 29 m3) vast te houden en te infiltreren binnen de planlocatie.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
36
Deze waterbergingsopgave kan worden behaald middels (de combinatie van) de volgende maatregelen: Een kansrijke maatregel is het plaatsen van een wadi; hiermee wordt ook voldaan aan de opgave van 12mm vasthouden en infiltratie. Groene daken bieden een kans voor retentie van het hemelwater. Daarbij biedt het een duurzame oplossing als isolatie van de huiselijke warmte. In het onverharde gedeelte kan een open water worden gerealiseerd. Dit water lichaam kan middels ecologische oevers ook de ecologische waarde binnen het plangebied versterken. Ten slotte kunnen de parkeerplaatsen onverhard worden ingericht ter bevordering van retentie en infiltratie.
In de handreiking klimaatadaptief bouwen zijn aanvullende prestatie-eisen voor het bergen en infiltreren van water binnen het plangebied. Zie hiervoor de paragraaf klimaat adaptatie. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet-uitloogbare materialen, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering De beoogde woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Conform de Leidraad Riolering en het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Overig afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Klimaatadaptatie Voor een klimaatbestendig Nieuwegein zet de gemeente in op een groene leefomgeving met veel aandacht voor water van een goede kwaliteit. Dit is verder uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie 2019–2022.
Op basis van de handreiking klimaatadaptief bouwen gelden er prestatie eisen voor de beoogde ontwikkeling op het gebied van wateroverlast, droogte en hitte. Hieronder zijn per thema de doelen en prestatie-eisen die gelden voor de beoogde ontwikkeling opgenomen:
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
37
Tabel 2 Prestatie-eisen voor de beoogde ontwikkeling op het gebied van klimaat adaptatie Thema Doel Prestatie eis Waterove Hevige neerslag leidt In het plangebied treedt bij extreem hevige rlast niet tot schade aan neerslag geen schade op (bij 70 mm in een gebouwen, uur) aan bebouwing, infrastructuur en aan infrastructuur en vitale voorzieningen en vitale voorzieningen voorzieningen. Vitale blijven functioneren (bij 90mm in een uur) functies en (hoofdwegen, drinkwater en energie) voorzieningen blijven Op privaat terrein wordt een groot deel van beschikbaar. de neerslag (50mm, met range tussen 4070mm) van een hevige bui (1/100 jaar, 70mm in een uur) verwerkt (geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen) in voorzieningen op privaat terrein of in daarvoor bestemde (extra) voorzieningen in het plangebied. De voorzieningen voeren de eerste 24 uur vertraagd (niet extra) af en zijn in maximaal 60 uur weer beschikbaar (range 48- 60 uur). De (her)ontwikkeling of (her)inrichting gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en hergebruikt in het plangebied. Het gebied dient zo ingericht te worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt.
Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat er schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater. Dit kan gerealiseerd worden middels het overtollig hemelwater aan te sluiten op het bestaande hemelwaterriool. Droogte Hevige neerslag leidt De inrichting van het plangebied is niet tot schade aan infiltratieneutraal bij uitbreidingslocaties en gebouwen, infiltratiepositief bij herontwikkeling of infrastructuur en herinrichting (minimaal 50 % van de voorzieningen. Vitale jaarneerslagsom, dit komt overeen met circa functies en 5 mm) voorzieningen blijven beschikbaar. Hitte Tijdens hitte biedt de Tenminste 40% schaduw in het plangebied op gebouwde omgeving de hoogste zonnestand (21 juni) voor een gezonde en verblijfsplekken en gebieden waar langzaam aantrekkelijke verkeer zich verplaatst en minimaal 30% op leefomgeving buurtniveau. Koele, schaduwrijke verblijfsplekken zijn op loopafstand (300 meter) aanwezig en openbaar toegankelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
38
40% van alle horizontale en verticale oppervlakten wordt warmtewerend of verkoelend ingericht. De koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimte in de directe omgeving. Conclusie Met de watercompensatie en prestatie-eisen op het gebied van klimaat adaptatie heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
39
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische regeling
Methodiek en uitleg planregels en verbeelding
Methodiek Het bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de toelichting, de regels en de verbeelding. De regels en de verbeelding hebben een juridisch bindende status en moeten in samenhang worden bezien. De toelichting geeft uitleg over hetgeen in de regels en de verbeelding is vastgelegd, en helpt bij de interpretatie hiervan. Toelichting bestemming Op de verbeelding zijn twee bestemmingen opgenomen: 'Groen' en 'Wonen'. Op de voor 'Wonen' bestemde gronden zijn maximaal 16 woningen mogelijk. Op de verbeelding zijn de maximum bouw- en goothoogtes opgenomen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het is gewenst om door het gebied een noord-zuidverbinding te realiseren. Deze is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bestemming. De bestemming 'Groen' is opgenomen om de aanwezige groenstructuur planologisch te beschermen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
40
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
41
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). De beoogde ontwikkeling betreft een gemeentelijk initiatief op gemeentelijke gronden. De gemeente geeft de gronden uit voor ontwikkeling. Het plan zal door een particuliere ontwikkelaar worden ontwikkeld. Het plan is daarom economisch uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Er zijn drie ontmoetingen geweest met bewoners. Op 13 juli 2021 is een digitale bewonersavond gehouden om de omwonenden te informeren over het project. Op 14 januari 2022 heeft een locatiebezoek plaatsgevonden in de wijk en bij de toekomstige bouwlocatie, waar omwonenden vragen konden stellen en zorgpunten konden bespreken. Op 8 maart 2022 is een inloopavond gehouden. Vooraf zijn er vragen ingestuurd en tijdens de avond was er ruimte om vragen te stellen. Verder is er van 8 tot 21 maart 2022 de mogelijkheid geboden om een inspraakreactie te doen. Hiervan is gebruik gemaakt door enkele omwonenden. Ook is er overleg geweest met de provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtste Rijnlanden. Om deze inspraakreacties en het reacties vanuit het overleg met de provincie en het hoogheemraadschap te beantwoorden is er een notitie beantwoording inspraak en overleg opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 6. Van 27 mei tot en met 7 juli 2022 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Een ieder kon een zienswijze indienen op het plan bij het college van burgemeester en wethouders. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend.
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
42
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Deventerschans 17-02-2022
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
17 februari 2022
17 februari 2022 20211238 Deventerschans ir. R.J.M.M. Schram Gemeente Nieuwegein W. Timmerman Concept
Rho adviseurs voor leefruimte
20210879
Inhoud
Rho adviseurs voor leefruimte
20210879
Rho adviseurs voor leefruimte
20210879
Nieuwegein heeft als onderdeel van de regio Utrecht samen met het Rijk en de provincie Utrecht een Woondeal voor de regio gesloten. Het doel hiervan is om de woningbouwproductie te versnellen. De locatie Deventerschans in de wijk Fokkesteeg is onderdeel van deze woondeal. Voor deze locatie wordt een bestemmingsplan opgesteld om ter plaatse maximaal 16 woningen mogelijk te maken. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat maximaal uit 16 woningen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in de bijlagen.
5/18
Het plangebied ligt in het midden van de wijk Fokkesteeg in de gemeente Nieuwegein, zie figuur 2.1. De Fokkesteeg ligt ingeklemd tussen het park Oudegein en het Merwedekanaal. De naastgelegen wijken zijn, vanaf het noorden en met de klok mee, de Merwestein, Plettenburg, De Wiers en Zandveld. Aan de noord-, oost-, en zuidkant van de planlocatie staan grondgebonden woningen. Aan de westzijde ligt een waterpartij. Kleinschalige voorzieningen in de wijk zijn voornamelijk te vinden aan de westzijde van de wijk aan de Rapenburgerschans en omliggende straten. Dit is ongeveer 200 meter vanaf het plangebied. Het plangebied betreft het veldje gelegen tussen de Deventerschans en de Zegveldseschans en Kootwijkerschans. Op het terrein stond een basisschoolgebouw dat in 2009 is gesloopt. Hierna is het plangebied een trapveld geworden en staan er enkele andere speelvoorzieningen. Vrijwel het gehele plangebied is omgeven met een haag, bomen en struiken. Er zijn twee ruime toegangen tot het veld vanaf de Deventerschans en de Zegveldseschans. Het groen aan de westzijde van het plangebied is dicht begroeid; hierachter ligt een voetpad en vijver met steiger. Aan de oostzijde staat een rij met beeldbepalende eikenbomen.
Figuur 2.1 Locatie van het plangebied, rood omcirkeld (bron: ArcGIS luchtfoto 2020)
6/18
Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu De planlocatie bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status (figuur 2.2-2.5).Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de ‘Uiterwaarden Lek’ en ‘Zouweboezem’. Deze gebieden bevinden zich op circa 7 en 8 kilometer afstand (figuur 2.2). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 1,2 kilometer van de beoogde bebouwing (figuur 2.3). De planlocatie en de omgeving maken geen onderdeel uit van door de provincie vastgestelde stilte gebieden, waterwingebieden, grondwaterbeschermingszone of boringvrije zone (figuur 2.4 en 2.5).
Figuur 2.2 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
7/18
Figuur 2.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Utrecht)
Figuur 2.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van stiltegebieden (bron: Provincie Utrecht)
8/18
Figuur 2.5 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van grondwaterbeschermingsgebieden (bron: Provincie Utrecht) Archeologie en cultuurhistorie Het plangebied valt in een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) 6. Hierbij geldt dat bij plangebieden groter dan 10.000 m2 en bodemingrepen dieper dan 150 cm, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente (RAAP rapport 'Jonge stad oude kwaliteiten') zijn er geen gebouwde of landschappelijke cultuurhistorische waarden in of nabij het plangebied aanwezig.
9/18
De beoogde ontwikkeling van het plangebied betreft de realisatie van maximaal 16 woningen. Dit is voor zowel koop als huur en verschillende prijsklassen. Er worden twee losse bouwblokken gerealiseerd. In het westelijke bouwblok worden patiowoningen beoogd. In het oostelijke blok worden op de hoeken patiowoningen met daartussen beneden bovenwoningen beoogd. De bebouwing wordt vormgegeven als een compacte eenheid in het groen. De relatief compacte privé buitenruimtes, gelegen aan de buitenzijde van de bebouwing, grenzen aan het openbare groen rondom. De begrenzing van de private buitenruimte met de openbare ruimte wordt zorgvuldig vormgegeven. Een impressie over de mogelijke stedenbouwkundige invulling is gegeven in figuur 2.6. De openbare ruimte van de Deventerschans zal in het kader van de "Betere Buurten" heringericht worden. Deze ontwikkeling sluit aan op deze herinrichting. In de opzet van de openbare ruimte is de bestaande lineaire structuur van de woonwijk behouden. De wandelpaden structuur wordt in het plangebied doorgezet. Tussen de woonblokken door komt een verbindingsstraat (noord-zuid) voor langzaam verkeer. Hiermee wordt de samenhang in de buurt behouden. Hiernaast is er tussen de woonblokken ruimte voor een groene hof, overig groen en parkeervoorzieningen.
De waterbergende capaciteit van de groenstructuur aan de oostzijde blijft zoveel mogelijk behouden en wordt zo mogelijk versterkt.
Figuur 2.6: Mogelijke stedenbouwkundige invulling (bron: gemeente Nieuwegein) Parkeren Parkeren wordt opgelost met twee 'parkeerkoffers' tussen de bouwblokken en naast het groene hof. Er wordt geen beroep gedaan op parkeerplaatsen in de omgeving. Er dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Dit zijn er op basis van het huidige plan 21. Hiermee wordt er rekening gehouden met de bestaande hoge parkeerdruk rondom het plangebied.
10/18
Verkeer Het plangebied wordt richting het oosten ontsloten via de Jutphasestraatweg naar de Graaf Florisweg en de Weg van de Binnenvaart. Vanaf deze gebiedsontsluitingswegen kunnen de A2 en de A27 worden bereikt.
Het woningtype staat nog niet vast, daarom is voor de verkeersgeneratie van woningen worst-case uitgegaan van koop, huis, twee onder 1 kap (CROW publicatie 381). Voor dit type woningen geldt een kencijfer van 7,7 mvt/etmaal per woning (sterk stedelijk, rest bebouwde kom). Voor 16 woningen komt dit uit op 124 mvt/etmaal op een weekdag. Voor een werkdag geldt een omrekenfactor van 1,11. Op een gemiddelde werkdag is de verkeersgeneratie daarom 137 mvt/etmaal. Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen slechts ontstaan tijdens de aanlegfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten Voor zover bekend zijn er geen redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.
11/18
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit het concept bestemmingsplan dat voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.
Zoals aangegeven in hoofdstuk 2 neemt de verkeersgeneratie toe met 137 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De capaciteit van de omliggende wegen is voldoende om deze toename aan verkeer op te vangen. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot knelpunten.
Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt in een gebied met wegen, waar een 30 km/u-regime geldt. Er is geen sprake van drukke 30 km/u-wegen maar enkel van wegen binnen een woonwijk wat geen sluipverkeer aantrekt. Verder liggen de woninggevels niet direct aan deze wegen. Ter plaatse van de woningen is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de oostzijde ligt de Jutphasestraatweg. Hier geldt een 50 km/u-regime. Daarbij hoort een geluidzone van 200 meter. Tussen de weg en het plangebied ligt echter de bebouwing aan de Diemerstand. Deze bebouwing vormt een geluidscherm. Daardoor kan ter plaatse van het plangebied in een goed akoestisch klimaat worden voorzien. Uitstralingseffect Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). Gezien de beperkte extra bijdrage van 137 mvt/etmaal (weekdag gemiddelde) zal de toename minder zijn dan 40% van de totale verkeersintensiteit over de wegen in de omgeving. Relevante negatieve uitstralingseffecten naar de omgeving zijn dan ook uitgesloten.
12/18
Bodem In het kader van het bestemmingsplan zal een bodemonderzoek uitgevoerd worden. Indien hieruit blijkt dat de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie wordt de grond zodanig gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie. Een effect op de gezondheid vanuit het aspect bodem als gevolg van de beoogde ontwikkeling kan hiermee uitgesloten worden. Met de ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Negatieve effecten kunnen vanuit het aspect bodem uitgesloten worden. Water Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied. Verder bevindt het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszone van een watergang of waterkering. Met het planvoornemen is sprake van een wijziging van het verhard oppervlak. Binnen het bestemmingsplan wordt een compensatie eis en een prestatie eis opgenomen op het gebied van bergen en infiltreren van water. Hiermee wordt de toename aan verhard oppervlak voldoende gecompenseerd. De riolering in de wijk bestaat uit drie verbeterd gescheiden rioolstelsels ten behoeve van vuil- en hemelwaterafvoer. Het verzamelde afvalwater wordt trapsgewijs via drie pompgemalen (ter plaatse van Vreeswijksestraatweg, Biltseveste en Graaf Ottolaan) via een persleiding naar het stamriool langs de 's-Gravenhoutseweg, Graaf Florisweg en Binnenwal gevoerd.
Het stamriool mondt uit in het hoofdrioolgemaal van het hoogheemraadschap aan de Geindijk. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt gedurende de bouwfase. Hiermee heeft de beoogde ontwikkeling derhalve geen negatieve effecten voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
Gebiedsbescherming De planlocatie bevindt zich niet in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de stedelijke ligging en de afstand tot Natura 2000-gebieden kunnen effecten als verontreiniging, effecten op waterhuishouding, verstoring en versnippering worden uitgesloten. Om de eventuele toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen. Een complete memo is opgenomen in bijlage 1. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk. Vanuit dit aspect worden geen negatieve effecten verwacht. Soortenbescherming Binnen het plangebied staat een haag om het plangebied, in het westen dicht struikgewas (voornamelijk bramenstruiken) en in het oosten een bomenrij van 18 zomereiken. Voor de planlocatie is een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 2. De groenstructuren in het plangebied kunnen worden gebruikt door algemene broedvogels als nestlocatie.
Ten aanzien van broedvogels wordt aanbevolen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (globaal 15 maart tot 1 augustus). Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Op basis van de quickscan is een negatief effect op het essentieel leefgebied van de huismus niet uit te sluiten. Hier is daarom nader onderzoek naar benodigd. Maatregelen die volgen uit het onderzoek om een negatief effect op het essentieel leefgebied van de huismus te voorkomen zullen uitgevoerd worden.
13/18
Het voorgenomen plan zal geen negatief effect hebben op in de omgeving verblijvende vleermuizen, mits maatregelen, zoals vleermuisvriendelijke verlichting, worden genomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het kappen van het aanwezige groen, dit kan als schuilplaats dienen voor de bovenstaande soortgroepen.
De ontwikkeling betreft de bouw 16 woningen. Dit valt binnen de categorie van woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen uit het Besluit NIBM. Het plan draagt dan ook niet in betekende mate bij aan luchtverontreinigende stoffen in de lucht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Graaf Florisweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruim onder de grenswaarden liggen. De concentraties langs deze weg bedragen; 19,5 µg/m3 voor NO2, 17,0 µg/m3 voor PM10 en 9,4 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6 dagen. Aangezien direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Binnen het plangebied is sprake van een aanvaardbare luchtkwaliteit.
Externe veiligheid Overeenkomstig de risicokaart waarop relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking. Op een afstand van 1,8 kilometer ten westen ligt de A2 en 1,8 kilometer ten oosten ligt de A27 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze wegen. Het invloedsgebied van de A2 en A27 is 880 meter waar het plangebied buiten ligt. Verder ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van andere risicobronnen. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle bronnen mogelijk gemaakt. Hiermee worden geen significante negatieve effecten verwacht vanuit het aspect externe veiligheid. Risico’s op rampen door klimaatverandering Er is sprake van een toename in verharding, ter compensatie is een bestaande sloot vergroot. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico’s op rampen door klimaatverandering hiermee niet toe.
14/18
Risico’s voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
Zoals beschreven in hoofdstuk 2 valt het plangebied in een Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (AWV) 6. Hierbij geldt dat bij plangebieden groter dan 10.000 m2 en bodemingrepen dieper dan 150 cm, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Deze dubbelbestemming wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Hiermee worden de mogelijke archeologische waarden in de grond beschermd. Een negatief effect op de archeologische waarden in de grond wordt niet verwacht. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente (RAAP rapport 'Jonge stad oude kwaliteiten') zijn er geen gebouwde of landschappelijke cultuurhistorische waarden in of nabij het plangebied aanwezig. Een negatief effect op de cultuurhistorische waarden in de omgeving is daarmee uitgesloten.
Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.
De volgende mitigerende maatregelen worden genomen: In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (globaal 15 maart tot 1 augustus) of een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog laten uitvoeren om overtredingen te voorkomen. Maatregelen die volgen uit het nader ecologisch onderzoek om een negatief effect op het essentieel leefgebied van de huismus te voorkomen.
15/18
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, mits de genoemde mitigerende maatregelen uit paragraaf 3.9 worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
16/18
17/18
18/18
Bijlage 2 Stikstofberekening
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
Projectberekening
Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron
Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho adviseurs voor leefruimte -, -Deventerschans Gebruiksfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RkvoiiSSTGWq 26 januari 2022, 13:45 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2022
Situatie 1 - Beoogd
Resultaten
Emissie NH3 < 0,1 ton/j
Hoogste depositie Hexagon Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j
RkvoiiSSTGWq (26 januari 2022)
Emissie NOx < 0,1 ton/j Gebied
2/6
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen Verkeersnetwerk
RkvoiiSSTGWq (26 januari 2022)
Emissie NH3 < 0,1 ton/j
Emissie NOx < 0,1 ton/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RkvoiiSSTGWq (26 januari 2022)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal
RkvoiiSSTGWq (26 januari 2022)
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)
0,00
0,00
0,00
0,00
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)
0,00
0,00
5/6
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2022 Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021_20220120_17ff380b1e Database versie 2021_17ff380b1e Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RkvoiiSSTGWq (26 januari 2022)
6/6
Bijlage 3 Quickscan Ecologie
Rho adviseurs voor leefruimte
20211238
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING DEVENTERSCHANS TE NIEUWEGEIN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Deventerschans te Nieuwegein Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Weena 505 3013 AL Rotterdam
Rapportnummer Versienummer
17859.001 D2
Status
Eindrapportage
Datum
25 april 2022
Vestiging
Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
De heer O. Streng, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer N. Zwartjes, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen ......................................................................................................................... 13 Amfibieën ........................................................................................................................ 14 Vissen ............................................................................................................................. 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 17 Rugstreeppad ................................................................................................................. 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 17859.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Deventerschans te Nieuwegein. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
R 17859.001 versie D2
Pagina 1 van 24
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 0,5 ha) ligt aan de Deventerschans, circa 1 kilometer ten zuiden van de kern van Nieuwegein. In figuur 1 is de topografisch ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een stadspark en is volledig onbebouwd. De kern van het park bestaat uit een intensief gemaaid grasveld met daarin verschillende speeltoestellen en twee voetbalgoals (figuur 3 en 4). Dit veld is omringd door een haag die voornamelijk bestaat uit haagbeuk (figuur 6). Verder waren er ten tijden van het veldbezoek bouwwerkzaamheden gaande in de kern van de onderzoekslocatie (figuur 7). De westkant van de onderzoekslocatie bestaat uit dicht struikgewas, hier bestaat de vegetatie voornamelijk uit bramenstruiken (figuur 5). Aan de oostkant van de onderzoekslocatie bevindt zich een bomenrij, bestaande uit 18 zomereiken. De stedelijk gelegen onderzoekslocatie is omgeven door een woonwijk, waarvan de woningen zijn opgetrokken uit baksteen (figuur 8). De daken betreffen zadeldaken met dakpannen. Aan de kopwoningen zijn daarnaast overhangende kantpannen aanwezig. Ten westen grenst de onderzoekslocatie aan een vergelijkbaar park, waarin zich een vijver bevindt met beschoeide oevers. Daarnaast lopen er diverse watergangen door de omliggende wijken. Op 100 meter afstand ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich het Merwedekanaal en 800 meter verder naar het oosten het Lekkanaal. Daarnaast stroomt 1600 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie de rivier de Lek. Zowel ten oosten als ten westen van de onderzoekslocatie is op onge-
R 17859.001 versie D2
Pagina 2 van 24
veer 1800 meter een snelweg aanwezig. Ten oosten van de onderzoekslocatie betreft dit de A27 en ten westen de A2. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving.
R 17859.001 versie D2
Pagina 3 van 24
Figuur 3. Foto van oostkant van de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Foto van het centrum van de onderzoeklocatie.
Figuur 5. Bramenstruiken aan de westkant van de onderzoekslocatie.
Figuur 6. Bomenrij in het oosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 7. Bouwwerkzaamheden in het centrum van de onderzoekslocatie.
Figuur 8. Foto van bebouwing ten noorden van de onderzoekslocatie.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om het park te herontwikkelen als woningbouw ten behoeve van de krappe woningmarkt in de regio Utrecht. De bosschage in het westen van de onderzoekslocatie zal hierbij definitief verdwijnen. De bomenrij ten oosten van de onderzoekslocatie zal binnen de voorlopige plannen echter behouden blijven.
Figuur 9. Voorlopig stedenbouwkundig beeld.
R 17859.001 versie D2
Pagina 4 van 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 5 januari 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
R 17859.001 versie D2
Pagina 5 van 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
R 17859.001 versie D2
Pagina 6 van 24
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
R 17859.001 versie D2
Pagina 7 van 24
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
R 17859.001 versie D2
Pagina 8 van 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: steenuil, gierzwaluw, huismus, roek, grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar, slechtvalk, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw. De gierzwaluw is een koloniebroeder die broedt onder daken van bebouwing. Ze hebben hun nest in gebouwen, onder dakgoot, achter regenpijp, dakkapel, dakpan, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig. Dit maakt dat de onderzoekslocatie niet geschikt is voor de gierzwaluw om tot broeden te komen. Nader onderzoek naar gierzwaluwen wordt dan ook redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht. De slechtvalk kan ook op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Deze zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen (sporen van) slechtvalken waargenomen. Op basis van deze gegevens kan de slechtvalk redelijkerwijs worden uitgesloten als broedvogel op de onderzoekslocatie.