2022-314 Bijlage 4 BP Politiebureau te Nieuwegein_Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein vastgesteld 2022-314 Bijlage 4
bestemmingsplan Toelichting
Politiebureau te Nieuwegein vastgesteld
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Geldende planologische regelingen 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal en regionaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid
11 11 14 17
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Huidige situatie 3.2 Toekomstige situatie
19 19 20
Hoofdstuk 4 Onderzoek 4.1 Archeologie 4.2 Cultuurhistorie 4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.4 Bodem 4.5 Ecologie 4.6 Externe veiligheid 4.7 Geluid 4.8 Kabels en leidingen 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Verkeer & Parkeren 4.11 Water en klimaatadaptatie 4.12 Milieueffectrapportage
23 23 24 26 27 27 29 31 32 32 33 34 37
Hoofdstuk 5 Juridische opzet 5.1 Planomschrijving 5.2 Verbeelding 5.3 Regels
39 39 39 39
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41
3
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
4
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Toelichting
5
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
6
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Binnen de gemeente Nieuwegein wordt gezocht naar een nieuwe locatie voor Eenheidsbureau Nieuwegein van de Politie om verschillende diensten samen te huisvesten. De huidige locaties hebben ruime overmaat, maar zijn niet geschikt om alle diensten in één van deze locaties te plaatsen. Ook behoort revisie niet tot de mogelijkheden Een beoogde locatie voor dit Eenheidsbureau, bereikbaar voor alle diensten, is de kavel omsloten door afrit 10 van de rijksweg A2. Deze voldoet aan de locatie-eisen die de verschillende teams. Het voornemen is om op de nieuwe locatie naast de carpoolplaats een nieuw gebouw te realiseren wat aan de huidige eisen van huisvesting voldoet. De ter plaatse geldende beheersverordening '(Hoog)zandveld-Lekboulevard' voorziet niet in de mogelijkheid om dit gebouw ter plaatse te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader om de ontwikkeling van het politiebureau mogelijk te maken.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied ligt in de oksel van de afrit Nieuwegein, direct aan de rijksweg A2. De navolgende figuren geven de ligging en de begrenzing van het plangebied weer. De oppervlakte van de kavel is ongeveer 5.150 vierkante meter. De kavel ligt omsloten door wegen, waarbij een talud naar beneden loopt richting de kavel. Hierdoor ligt de kavel 2 meter lager dan de omsloten wegen. De kavel heeft een driehoekige vorm met een kromming langs de Zandveldseweg. Deze driehoek heeft twee zijden van circa 100 meter en een zijde van 90 meter. De omgeving van de planlocatie betreft de grenszone van de stad Nieuwegein. Aan de westzijde bevindt zich zoals reeds vermeld de rijksweg A2. Aan de noordzijde is een wandelpark gelegen en ten zuiden is het natuurgebied Uiterwaarden van de Lek. Aan de overkant van de Zandveldseweg in het oosten ligt een woonwijk met een appartementencomplex langs de weg van 5 lagen hoog.
Figuur. Ligging plangebied (rood omlijnd).
7
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Figuur. Begrenzing plangebied (rood omlijnd).
1.3
Geldende planologische regelingen
1.3.1
Beheersverordening 'Binnenstad Nieuwegein'
Voor het plangebied geldt onder andere de beheersverordening '(Hoog)zandveld-Lekboulevard' (vastgesteld 25 januari 2018). De beheersverordening is een voortzetting van de bouw- en gebruiksmogelijkheden zoals opgenomen in het bestemmingsplan '(Hoog)zandveld-Lekboulevard', dat is vastgesteld op 3 juli 2008. De gronden zijn onder andere bestemd voor 'groenvoorzieningen' en gedeeltelijk ook een leidingstrook. Die bestemmingen voorzien echter niet in de gewenste maatschappelijk functie: de realisatie van een politiebureau. Ook zijn de bouwmogelijkheden zeer beperkte. Op de verbeelding, waarvan hierna een uitsnede, zijn de bestemmingen weergegeven.
Figuur. Uitsnede verbeelding beheersverordening '(Hoog)zandveld-Lekboulevard' (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Omdat zoals hierboven aangegeven het bouwplan niet past in de geldende beheersverordening, moet worden voorzien in een nieuw plan. Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin.
8
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
1.3.2
'Inpassingsplan Ruimte voor de Lek'
Voor het plangebied geldt ten tweede ook het 'Inpassingsplan Ruimte voor de Lek' (vastgesteld op 2 juli 2012) van de provincie Utrecht. De regels van dit inpassingsplan bepalen dat op de gronden van het plan niet zonder meer mag worden gebouwd. Op de verbeelding, waarvan hierna een uitsnede, zijn de bestemmingen van het inpassingsplan weergegeven.
Figuur. Uitsnede verbeelding inpassingsplan 'Ruimte voor de Lek' (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Omdat zoals hierboven aangegeven het bouwplan niet past in de geldende inpassingsplan, moet worden voorzien in een nieuw plan. Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin.
1.4
Leeswijzer
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 beschrijft de relevante beleidsdocumenten. In Hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten van het plan en ontwikkelingen beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt het onderzoek besproken. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Ten slotte worden in Hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
9
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
10
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Hoofdstuk 2
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het integrale beleid en de regelgeving beschreven dat relevant is voor de locatie. De voornaamste beleidskaders worden gesteld door het Rijk, de provincie Utrecht en de gemeente zelf. Naast de hierna benoemde beleidsdocumenten zijn er in Nieuwegein verschillende sectorale beleidsdocumenten en uitvoeringsnota's vastgesteld. Deze beleidsdocumenten (zoals archeologie) komen, indien nodig, aan de orde bij de planbeschrijving en het onderzoek in respectievelijk hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4.
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het daarbij om 'omgevings-inclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en. Afwentelen wordt voorkomen.
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgeving-inclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI geeft dus weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten worden gesteld bij de inrichting van Nederland en hoe keuzes worden gemaakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de
11
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dit in samenhang plaatsvindt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en wordt gezorgd voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen er omheen. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland. Toetsing Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven. 2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens een provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met onderdelen per 1 oktober 2012 aangevuld. Het besluit is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. 2.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Sinds augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Hiervoor is een nieuwe handreiking opgesteld. De Ladder is geen op zichzelf staand instrument maar is onderdeel van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De betreffende minister zorgt ervoor dat decentrale overheden over de juiste instrumenten beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Onderdeel hiervan is het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. Toetsing De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
In het navolgende worden de hierboven genoemde aspecten beschreven en afgewogen. 1. Is er sprake van een nieuwe stedelijke functie?
12
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. In dit geval betreft het 'overige stedelijke functies'. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorgenomen planologische mogelijkheid betreft de bouw een politiebureau. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. In dit geval betreft het 'overige stedelijke functies'. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een politiebureau met bijbehorende voorzieningen. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling. De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In beginsel is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan vijfhonderd vierkante meter bedraagt of indien de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In onderhavig geval is sprake van de bouw van een politiebureau. De omvang van dit ruimtebeslag betreft circa 3.500 m2 . Voorliggend plan kan als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling (vraag 1) die ook nieuw is (vraag 2) moet de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de behoefte aan de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De behoefte bepaalt men binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Daarbij zijn aard en omvang van de betreffende ontwikkeling(gen) bepalend voor het schaalniveau waarop de behoefte moet worden afgewogen. Bij overige functies is het ruimtelijk verzorgingsgebied meestal de gemeente of een groter gebied. Het politiebureau verzorgt de gehele gemeente Nieuwegein en waar noodzakelijk ook gebieden buiten de gemeente Nieuwegein.
Het politiebureau voorziet in de invulling van een regionaal verzorgingsgebied. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De behoefte bepaalt men aan de hand van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is gerelateerd aan de aard en omvang van de ontwikkeling. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt: dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben; dat de ontwikkeling niet tot een onaanvaardbare situatie zal leiden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het huidige politiebureau in de binnenstad van Nieuwegein voldoet niet meer aan de huidige standaarden en wensen van de politie. Verbouw of herbouw van de bestaande locatie is geen realistische optie aangezien de percelen hiervoor niet groot genoeg zijn. De aanwezigheid van een goed geoutilleerde politiebureau voor Nieuwegein en omgeving is aan te duiden als een dwingend maatschappelijk belang. Om deze reden is er behoefte aan een nieuwe locatie voor een nieuw politiebureau, ook omdat de oude locaties van de politie worden opgeheven en herontwikkeld is er voor de stad Nieuwegein en omgeving behoefte aan een politiebureau. Het nieuwe politiebureau voorziet in de vervulling van deze behoefte.
Concluderend is er een dwingende maatschappelijke behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling.
13
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Vervolgvraag is of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Als de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied een rol. Het plangebied bevindt zich in bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt voldaan aan de laatste vraag van de laddertoets. Conclusie Na toetsing van het project aan de Ladder voor duurzame verstedelijking kan worden geconstateerd dat de Laddertoets geen belemmering oplevert voor onderhavige ontwikkeling. Het plan kan wat betreft dit aspect als uitvoerbaar worden geacht.
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht
Toetsingskader Op 10 maart 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In deze Omgevingsvisie legt de provincie haar integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van onder andere de ruimtelijke structuurvisie, mobiliteitsvisie, natuurvisie en het bodem-, water- en milieuplan. De provincie wil dat de provincie Utrecht het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staat zij voor een flinke uitdaging: het aantal inwoners, woningen, banen en verplaatsingen groeit fors. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. De grootste opgave is daarmee de vraag hoe wij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren. Ook zal het nodig zijn om prioriteiten te stellen en keuzes te maken. Met zeven beleidsthema's geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van de gezonde en veilige leefomgeving.
In 2050 is er een inclusieve en circulaire provincie Utrecht: waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. Deze zeven thema's vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. Deze worden bezien vanuit het algemene belang, de integrale aanpak en de lange termijn. De zeven thema’s zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor de opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit bereiken we door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren,zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Al deze thema's zijn in verband te brengen met het streven naar een duurzame, circulaire en in alle opzichten gezonde en vitale provincie. Dit betekent dat herbruikbaarheid van grondstoffen en producten ontstaat en dat waardevernietiging en verlies aan biodiversiteit wordt voorkomen.
Kortom: met de ambities in deze Omgevingsvisie dragen wij bij aan het verbeteren van de brede welvaart waarbij wij onder brede welvaart zowel de kwaliteit van leven in het hier en nu verstaan, als die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld.
14
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Figuur. Visie provincie Utrecht 2050 (bron: provincie Utrecht). Toetsing De navolgende tekst bespreekt voor de projectlocatie en haar omgeving wat de relevante beleidsthema's zijn. Een aantal thema's wordt niet in deze subparagraaf besproken nu de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht hierover ook reeds regels bevat. Duurzame energie De energietransitie draagt door energiebesparing en duurzame energieopwekking bij aan het tegengaan van klimaatverandering en aan een duurzaam betaalbaar energiesysteem voor alle inwoners. In de provincie zijn er veel mogelijkheden voor energiebesparing en is er ruimte voor de realisatie van duurzame energiebronnen. De meest duurzame vorm van energie is bespaarde energie. De provincie wil het energiegebruik verminderen door besparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving. Het stimuleert onder andere besparingen op het gebied van mobiliteit door het gebruik van OV en fiets en door wandelen aan te moedigen en ondersteuning te bieden in de omslag naar schonere brandstoffen. Toepassing Voorliggend project voorziet in de ambitie van de provincie. Het projectvoornemen voorziet in de realisatie van een nieuw politiebureau. Hierbij bestaat gelijk de mogelijkheid om een nieuw, duurzaam gebouw te realiseren wat aan de laatste wettelijke eisen voldoet.
Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar Het energiegebruik van fossiele brandstoffen versnelt de klimaatverandering. De provincie wil samen met gemeenten, energieleveranciers, netwerkbeheerders en bedrijfsleven een forse impuls geven aan
15
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
(elektrisch) emissieloos personenvervoer. Ook het zo veel mogelijk bouwen rond knooppunten en het verschuiven van de focus naar OV en fiets kunnen het energiegebruik positief beïnvloeden. Het mobiliteitsnetwerk wordt zoveel mogelijk klimaatadaptief ingericht en mobiliteitsprojecten worden zoveel mogelijk duurzaam uitgevoerd. Hiervoor nemen we maatregelen ter voorkoming van effecten van overstromingen, wateroverlast, droogte en hitte bij calamiteiten en in ons beheer en onderhoud. Toepassing Dit projectvoornemen komt aan de bovenstaande provinciale doelstelling tegemoet. Het project wordt op een duurzame manier uitgevoerd. Tevens zijn bij de nieuwbouw van het politiebureau mogelijkheden om duurzame en klimaatbestendige maatregelen toe te passen. Conclusie Voorliggend project is in overeenstemming met de gestelde doelen en streefpunten, en wordt niet in strijd geacht met de belangen die voor de provincie Utrecht gelden. Zaken die provinciale belangen in het geding brengen zijn hier niet aan de orde. 2.2.2
Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht
Toetsingskader en toetsing Op 10 maart 2021 is, samen met de provinciale omgevingsvisie, de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsverordening legt de beleidsthema's zoals uitgewerkt in de provinciale omgevingsvisie vast in concrete regelgeving. Voor dit initiatief zijn de volgende artikelen uit de verordening van toepassing: Instructieregel overstroombaar gebied (artikel 2.10) Grote delen van de provincie liggen in overstroombare gebieden van Neder-Rijn, Lek en het Eemmeer. Het is belangrijk dat vitale en kwetsbare objecten, zoals elektriciteitscentrales, ziekenhuizen, woonwijken en bedrijventerreinen, bestand zijn tegen overstromingen. Voor buitendijkse gebieden geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Door een goeddoordachte locatiekeuze en inrichting kunnen de gevolgen van een overstroming flink beperkt worden. Artikel 2.10 bevat de volgende regels: 1.
2.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat bestemmingen en regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.
In dit bestemmingsplan zijn de vigerende dubbelbestemmingen ter plaatse met betrekking tot waterkeringen overgenomen. Ook overige regels met betrekking tot overstromingsrisico's zijn overgenomen. In paragraaf 4.11 wordt nader uitgewerkt hoe met overstromingsrisico wordt omgegaan. Instructieregel matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad (artikel 3.11) en Zorgplicht grondwater (artikel 3.12) Om de mogelijkheden voor de winning van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening in de toekomst te behouden heeft de provincie de strategische grondwatervoorraad aangewezen. Een deel daarvan is kwetsbaar voor activiteiten aan het maaiveld, een deel is matig kwetsbaar. Voor het matig kwetsbare deel van de strategische grondwatervoorraad is het van belang deze gebieden zo veel mogelijk te vrijwaren van nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het is vooral belangrijk om het risico op aantasting van de beschermende kleilagen boven het grondwater te voorkomen (onder meer bij bodemenergiesystemen). In deze zone worden geen verdere regels gesteld voor bestemmingsplannen van gemeenten. Wel wordt gemeenten gevraagd om bij nieuwe ontwikkelingen aandacht te hebben voor grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 4.11. In het kader van de zorgplicht is het verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen.
Wanneer verontreiniging van het grondwater onverhoopt optreedt,
16
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
dient gedeputeerde staten direct geïnformeerd te worden. Instructieregel verstedelijking (artikel 9.15) Dit artikel regelt dat bij ontwikkelingen sprake moet zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Stedelijke ontwikkelingen dienen daar waar mogelijk in bestaand stedelijk gebied plaats te vinden. Daarnaast dient getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 2.1.3 is de ladder voor duurzame verstedelijking uitgewerkt. Conclusie Het bestemmingsplan past in de regels van de Omgevingsverordening.
2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1
Omgevingsvisie Nieuwegein
De Omgevingsvisie Nieuwegein geeft de ruimtelijke ontwikkelingen in Nieuwegein op langere termijn op hoofdlijnen weer en beoogt daarmee een kader te bieden voor tussentijdse initiatieven. In de omgevingsvisie staat de ambitie centraal dat iedere ontwikkeling in Nieuwegein bijdraagt aan de volgende doelen: versterking van de ruimtelijke kwaliteit; verduurzamen van de stad; borgen van de veiligheid van inwoners; gezond stedelijk leven voor iedereen. Hiermee vervolgen we de koers die met onze toekomstvisie is ingezet. Daarnaast beschrijft de omgevingsvisie in vier punten welke concrete ambities Nieuwegein heeft en welke keuzes Nieuwegein maakt in de fysieke leefomgeving om bij te dragen aan een gezond, veilig en duurzaam Nieuwegein: 1. 2. 3. 4.
Verbonden met de stad, verbonden met elkaar; Fijne en groene stad met een levendig centrum; Een toekomstbestendige stad voor jong en oud; Een bedrijvige stad in een sterke regio.
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuw politiebureau. Ter plaatse van het oude politiebureau en de nieuwe ontwikkeling worden hiermee kansen gecreëerd om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te verbeteren. Daarnaast is dit een goede gelegenheid om een duurzaam gebouw te realiseren, en de bestaande bebouwing op de oude locatie te verduurzamen. Bovendien draagt het politiebureau bij aan de veiligheid van de Nieuwegeinse inwoners. Per ambitie van de gemeente is een kaart opgenomen. Op de kaart onder punt 4 is het plangebied aangemerkt als ecologische hoofdstructuur. Het initiatief zal in dat kader bijdragen aan de versterking van de ecologische hoofdstructuur ter plaatse. Conclusie Het bestemmingsplan past binnen de Omgevingsvisie Nieuwegein.
17
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
2.3.2
Routekaart Energieneutraal Nieuwegein 2040
De gemeente Nieuwegein wil in 2040 een klimaatneutrale stad zijn (raadsbesluit 2017 'Routekaart Energieneutraal Nieuwegein 2040'). Dit sluit aan op het Klimaatverdrag van Parijs. Om klimaatneutraal te worden is het van belang om de energievoorziening volledig te verduurzamen. Dit betekent een aardgasloze gebouwde omgeving, waarbij elektrisch wordt gekookt en verwarmd wordt via een warmtenet, elektrische warmtepompen of andere duurzame technieken. Voor het bereiken van energieneutraliteit is nieuwbouwen of transformeren zonder aardgasaansluiting echter niet voldoende. De gemeente Nieuwegein wil dat er nu al volledig energieneutraal wordt gebouwd en verbouwd. Energieneutraal betekent momenteel: bouwen met een BENG3-prestatie van minimaal 100%, waarbij al het gebouwgebonden energieverbruik is verduurzaamd. Bouwers worden uitgedaagd om extra prestaties te leveren op energieneutraliteit. Liefst via een 'nul-op-de-meter' energieconcept, waarbij zowel gebouw- als gebruikersgebonden energieverbruik is verduurzaamd. De gemeente heeft een hoge ambitie op het terrein van duurzaamheid en ziet graag dat bouwinitiatiefnemers dit zoveel waar mogelijk overnemen en uitwerken in concrete maatregelen. Conclusie De routekaart Energieneutraal Nieuwegein 2040 dient meegenomen te worden in de bouwplannen. 2.3.3
Nota 'Bouwen voor de toekomst'
Het is van belang om te bouwen met gezonde materialen, het materiaalgebruik te reduceren, zoveel mogelijk te recyclen en grondstofkringlopen te sluiten ('Cradle tot cradle' en 'Circulair Bouwen'). Daarom heeft de gemeenteraad de nota 'Bouwen voor de toekomst; duurzaam bouwen beleid gemeente Nieuwegein' vastgesteld. Hierin is de ambitie geformuleerd om bij nieuwbouw en renovatie te streven naar een milieuprestatieverbetering van 15% of hoger ten opzichte van de op dat moment geldende gebruikelijke bouwstandaard in Nederland. Naast bovengenoemde prestatie-eis zijn de volgende basismaatregelen vastgesteld: Bij nieuwbouw een lagetemperatuurverwarming systeem toepassen. Bij renovaties een EPA-onderzoek uitvoeren. Geen uitlogende bouwmetalen toepassen. Alleen aantoonbaar duurzaam geproduceerd hout (conform criteria TPAC) toepassen. Een handleiding voor gebouwgebruikers opstellen. Bij nieuwbouw een duurzaam gezond binnenmilieu waarborgen. De milieuprestatie kan bij (ver)bouwplannen inzichtelijk worden gemaakt met het duurzaam bouwen instrument GPR-gebouw. Hiermee worden de prestaties beoordeeld en gewogen op de duurzaamheidsthema's: Gezondheid en Gebruikskwaliteit (People), Energie en Milieu (Planet) en Toekomstwaarde (Profit). GPR-gebouw geeft per thema een score op een schaal van 1 tot 10. In dit bestemmingsplan geldt als uitgangspunt een minimale gemiddelde GPR-score van 8,0.
Conclusie Bij de uitwerking van het initiatief in bouwplannen dient uitgegaan te worden van een minimale gemiddelde GPR-score van 8,0.
18
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
Dit hoofdstuk bespreekt de voorgenomen ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door dit nieuwe planologische regime.
3.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt aan de zuidkant van de stad Nieuwegein in de oksel van de afrit Nieuwegein langs de A2. Het gebied ligt een paar meter lager dan de omringende wegen. In het plangebied is momenteel geen bebouwing aanwezig. Wel is in het plangebied een carpoolplaats gelegen. Het initiatief wordt aan de oostzijde van deze carpoolplaats opgericht. Op het moment zijn deze gronden begroeid met houtopstanden en hoogopgaande beplanting. Op navolgende figuren zijn enkele beelden van het plangebied weergegeven.
Figuur. Plangebied gezien vanaf zuidwestzijde met carpoolplaats op de voorgrond.
19
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Figuur. Plangebied gezien vanaf noordzijde vanaf afrit snelweg.
3.2
Toekomstige situatie
Programma Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een politiebureau met de bijbehorende voorzieningen op een kavel naast de rijksweg A2. Aan de westzijde wordt de grens van het bouwvlak mede bepaald door de aanwezige gasleiding, waarover in paragraaf 4.6 (Externe veiligheid) van deze toelichting meer. Op het moment van terinzagelegging van het voorontwerp bestemmingsplan, was de concrete invulling van het terrein nog niet duidelijk. Binnen de vastgestelde kaders waren op dat moment nog drie varianten denkbaar voor de positionering van de bebouwing. In Bijlage 1 (Massastudie) bij deze toelichting zijn de varianten uitgewerkt. Naar aanleiding van de inspraakreacties is bij het ontwerp bestemmingsplan gekozen het bouwvlak te baseren op bouwenveloppe 2. en aan de oostzijde van het perceel een tuinbestemming op te nemen. Binnen de bouwenveloppe is ruimte om een gebouw tot 4 lagen te realiseren met een totaal BVO van 3.000 m². Het volume staat terug van het kruispunt, waardoor hier ruimte voor groen blijft behouden. Het terrein voor dienstwagens ligt aan de noordzijde, met een calamiteitenuitrit richting de afrit van de snelweg. Het parkeren is deels onder het gebouw geplaatst om de parkeervraag op te lossen. In het zuidelijk deel van het bouwvlak, dichter bij bestaande bebouwing, is een lagere bouwhoogte toegestaan.
Deze aanpassing is gedaan naar aanleiding van de inspraakreacties en de bezonningsstudie die vervolgens is uitgevoerd. Deze bezonningsstudie is opgenomen in Bijlage 9. Naast het hoofdgebouw wordt ook een onderzoeksruimte c.q. werkplaats gerealiseerd voor in beslag genomen voertuigen, voorzien van brug en magazijnruimte. Dit moet op de begane grond worden gerealiseerd en gemakkelijk te bereiken zijn met een wagen waarbij 5 meter vrije hoogte in rekening moet worden gehouden. De beoogde grootte voor de ruimte is 265 vierkante meter. Met het gevraagde programma zijn er vanuit de gemeentelijke parkeernorm, waarover in paragraaf 4.10 (Verkeer & Parkeren) van deze toelichting meer, 70 parkeerplaatsen nodig. Daarnaast zijn er plekken voor dienstvoertuigen nodig. Vandaar dat in totaal 118 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
20
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Gebruik Het te huisvesten programma in Nieuwegein bestaat uit Basisteam Lekpoort, met uitzondering van de opkomstlocaties in Houten en Vijfheerenlanden, DRIO, DROS en D-Infra. Het te bouwen complex van de Politie zal meerdere functies hebben die allemaal passen bij de uitvoering van de taken van de betreffende teams. Het gaat dus om zowel gebruik als kantoor als politiebureau vanuit waar uitrukken plaatsvinden. Ten
21
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
aanzien van de kantoorfunctie geldt dat ter plaats 228 personen aanwezig zullen zijn. De personen die werkzaam zijn doen dit echter op basis van 0,5 fte. Overdag zullen om die reden gemiddeld 114 personen aanwezig zijn. In de avond zal maximaal circa 10 fte aanwezig zijn. Deze personen verrichten verschillende functies. De werkzaamheden vinden vrijwel allemaal inpandig plaats. Aanvullend recherchewerk aan voertuigen of het inbouwen van apparatuur kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de werkplaats. Uitruk Voorliggend plan voorziet in een politiebureau vanuit waar ook de uitrukken zullen plaatsvinden. Uitrukken betreffen de ritten die de politie uitvoert als met spoed (zwaailicht en sirene) gereden moet wordt om richting een calamiteit of anderszins te gaan. Zulk soort ritten vinden naar verwachting gemiddeld 100 keer per dag plaats. Sirene worden daarbij echter pas aangezet na het plangebied verlaten te hebben. Uitgangspunt is dat de sirene pas gehanteerd wordt als het verkeerstechnisch noodzakelijk is. Uitrukken die plaatsvinden waarbij de sirene direct aanstaat zullen slechts 1 tot 2 keer per dag plaatsvinden. Ten aanzien van de nacht geldt dat in de basis voertuigen al onderweg zijn en de locatie dus verlaten zonder sirene. Alleen bij incidentele gevallen kan sprake zijn van extra inzet.
Aangenomen wordt dat zulke uitrukken ruim minder dan 12 keer per jaar in de nacht zullen plaatsvinden.
22
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Hoofdstuk 4
Onderzoek
In dit hoofdstuk worden de (onderzoeks)aspecten behandeld die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. Per aspect is aangegeven wat het wettelijk kader is en wat de consequenties zijn voor het bestemmingsplan.
4.1
Archeologie
Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De Erfgoed wet betreft een integrale regeling voor de zorg voor ons erfgoed. Ons cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving bestaat uit bebouwde omgeving en landschappen, zowel onder als boven de grond. Buiten het terrein van de fysieke leefomgeving ziet de Erfgoedwet ook op cultuurhistorische of wetenschappelijke cultuurgoederen en verzamelingen. De archeologische monumentenzorg heeft als kern dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten.
Voorzover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze archeologische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Voor de ligging van cultuurhistorische en archeologisch waardevolle plekken in het plangebied zijn de Archeologische beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Nieuwegein geraadpleegd. Toetsing Eind 2012 is een Beleidsnota archeologie opgesteld voor de gemeente Nieuwegein. Binnen deze nota is een beleidsadvieskaart opgenomen. Het plangebied is aangewezen als 'Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 4' waarbij de beleidsnota aangeeft dat bij bodemingrepen dieper dan driehonderd centimeter -Mv en plangebieden groter dan 2.500 vierkante meter vroegtijdig inventariserend onderzoek noodzakelijk is. Met voorliggend plan is daarvan geen sprake, zoals ook blijkt uit paragraaf 3.2 (Toekomstige situatie) van deze toelichting. In dit geval zijn het alleen de heipalen die de bodem dieper verstoren dan 300 cm -Mv. De heipalen beperken zich tot 2% van het gehele plangebied. De bodem wordt afgegraven tot 30 cm -Mv, en vervolgens met 1 meter opgehoogd. Deze ophoging betekent dat het relevante archeologische niveau dieper onder maaiveld komt te liggen en dus beter beschermd blijft. Het bouwvlak wordt circa 1.400 m groot.
Dat is minder dan de vrijstellingsgrens. Om die reden is archeologisch onderzoek voor deze ontwikkeling niet nodig. Ter bescherming van de archeologische waarden is wel een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 opgenomen.
23
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Figuur. Archeologische beleidsadvieskaart. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan en het bestemmingsplan is op dit onderdeel als uitvoerbaar te achten.
4.2
Cultuurhistorie
Toetsingskader De Erfgoedwet geeft aan dat ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied dient te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook te worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden rekening wordt gehouden. Voor de ligging van cultuurhistorische waardevolle plekken in het plangebied zijn de cultuurhistorische waardenkaarten van de gemeente Nieuwegein geraadpleegd. Toetsing Om adequaat invulling te kunnen geven aan de nieuwe taak van de gemeente om rekening te houden met binnen het bestemmingsplan aanwezige cultuurhistorische waarden, heeft de gemeente een cultuurhistorisch onderzoek laten uitvoeren (RAAP-rapport 2538 Jonge stad, oude kwaliteiten). Het betreft een interdisciplinaire studie naar het aardkundig, historisch-geografisch, historisch-bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein. Het onderzoek is gemeentebreed opgezet. Hierdoor kunnen onder meer waardevolle structuren optimaal in beeld worden gebracht.
24
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Figuur. Landschappelijke eenhedenkaart met bekende vindplaatsen.
Figuur. Cultuurhistorische waardenkaart Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Ten aanzien van de planlocatie geldt dat er geen cultuurhistorische waarden meer aanwezig zijn. Ten tijden van de aanleg van de wijk Hoog-Zandveld in de jaren '60 van de vorige eeuw is het plangebied dusdanig omgewoeld en veranderd van karakter dat van enige cultuurhistorische waarden geen sprake meer is. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.
25
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet men aantonen dat een goed leefmilieu mogelijk blijft. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mag men omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden aantasten door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het aspect milieuzonering is dus tweeledig. Bedrijven worden ingedeeld in categorieën met behulp van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Deze publicatie biedt een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau en geeft informatie over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven.
Tabel. Richtafstanden volgens VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009. Op basis van de milieukenmerken van de verschillende typen bedrijven en inrichtingen wordt een indicatie van de afstanden gegeven, die als gevolg van deze kenmerken moeten worden aangehouden tussen de diverse omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. De informatie heeft geen betrekking op individuele bedrijven, maar op bedrijfstypen. Dit betekent dat een concrete situatie altijd in de context moet worden bekeken: binnen bepaalde bedrijfstypen kunnen zich grote verschillen voordoen; concrete milieu-informatie over een specifiek bedrijf heeft meer waarde dan algemene informatie; de afstanden hebben betrekking op de afstand tot een rustige woonwijk; bij andere gebiedsfuncties kunnen dus andere afstanden mogelijk zijn; afdoende milieuhygiënische maatregelen bij de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger, kunnen een kortere afstand eventueel mogelijk maken.
De onderstaande toetsing bevat een onderdeel dat aandacht besteedt aan bedrijven en functies in de omgeving die al dan niet hinder kunnen ondervinden van dit project alsook in hoeverre het project al dan niet hinder kan ondervinden als gevolg van bedrijven en functies in de omgeving. Toetsing Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving De eerste vraag betreft of in of nabij het plangebied bedrijven aanwezig zijn die een belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan zouden kunnen betekenen. Omdat dit bestemmingsplan niet voorziet in gevoelige functies zoals woningen, behoeft deze vraag geen verdere beantwoording. De bedrijven in de omgeving veroorzaken dus geen milieuhinder die tot onaanvaardbare situaties leidt op het grondgebied van dit bestemmingsplan. Hinder als gevolg van het onderhavige project
26
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Tweede vraag betreft of in of nabij het plangebied functies aanwezig zijn die als gevolg van het onderhavige projectvoornemen hinder zouden kunnen ondervinden. Voor die vraag is het van belang om helder te hebben in welke planologische mogelijkheden dit project voorziet": een politiebureau. De VNG-brochure kent hiervoor geen specifieke categorie. Wel kent het de categorie 'Openbaar bestuur (kantoren e.d.)' (SBI-2008-84) en 'Brandweerkazernes' (SBI-2008-8425). Een brandweerkazerne valt onder milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van vijftig meter wanneer wordt uitgegaan van een rustige woonwijk. Gelet op de variëteit aan functies in en om het plangebied en de ligging nabij hoofdinfrastructuur is het gebied aan te merken als gemengd gebied. Dit betekent dat uitgegaan mag worden van een richtafstand van 30 meter. Daarbij is geluid het maatgevende aspect. De dichtbijzijnde gevoelige functies zijn de woningen aan de Bakenmonde. Deze zijn gelegen op een afstand van circa 38 meter van het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de minimale richtafstanden. Om eventuele hinder in beeld te brengen is tevens akoestisch onderzoek vanwege de inrichting uitgevoerd, hier wordt in paragraaf 4.7 (Geluid) verder op ingegaan. Conclusie Op basis van de bovenstaande analyse is het plan wat betreft het aspect milieuzonering uitvoerbaar.
4.4
Bodem
Toetsingskader In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd. Toetsing Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 2 (Verkennend bodemonderzoek) bij deze toelichting. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als 'heterogeen verdacht, niet lijnvormig' kan , op basis van de onderzoeksresultaten, worden bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en zijn er verder vanuit milieuhygiënisch oogpunt géén belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.
Conclusie Op basis van de bovenstaande analyse is het plan wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.
4.5
Ecologie
4.5.1
Inleiding
Een onderzoek naar de effecten op de natuurwaarden in het kader van natuur wet en -regelgeving is een verplicht onderdeel van een planologische procedure. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Er moet onder meer worden aangegeven of er als gevolg van het plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden. Om de uitvoerbaarheid van dit plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting. Het doel van deze inventarisatie is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb)
27
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Tevens is het plan getoetst aan het Groenstructuurplan Nieuwegein 2017. Hiertoe is een veldbezoek uitgevoerd door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs en is de Nationale Database Flora en Fauna geraadpleegd. Het bezoek heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. De weersomstandigheden waren geheel bewolkt, droog, matige wind en tien graden Celsius. Dit rapport geeft de bevindingen en conclusies weer. 4.5.2
Soortenbescherming
Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat mogelijk heikikker en ringslang voorkomen in het plangebied. Nader onderzoek naar aan- of afwezigheid van deze soorten is noodzakelijk. Aan de hand van het nader onderzoek kan bepaald worden of het aanvragen van een ontheffing van de Wnb nodig is en of deze in voorkomend geval verkregen kan worden. Om bovenstaande reden is vervolgens nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 (Nader onderzoek heikikker & ringslang) bij deze toelichting. Uit het onderzoek komt naar voren dat ter plaatse geen heikikker of ringslang aanwezig is. Een ontheffing is om die reden dan ook niet noodzakelijk. Van de overige soortgroepen is een voldoende beeld ontstaan. Een ontheffing voor deze soorten is niet nodig. Wel moet bij de planning van de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels en adviseren we om bij de aanleg vestiging van rugstreeppad te voorkomen. 4.5.3
Gebiedsbescherming
Door de planontwikkeling treedt een negatief effect op ten aanzien van het functioneren van de ecologische verbinding ter plaatse: er gaat oppervlakte leefgebied verloren, en de mogelijkheid voor soorten om via deze zone te verspreiden vermindert. Om negatieve effecten te voorkomen of te compenseren kan worden gedacht aan verbetering van de ecologische kwaliteit binnen het gebied, het compenseren van verloren gegane oppervlakte elders, en aan het verbeteren van de ecologische uitwisseling met de omgeving. Verbetering van de kwaliteit binnen het gebied tussen de afrit A2 en Zandveldseweg is niet goed mogelijk. Het groen in dit gebied levert nu al een ecologische waardevolle combinatie van biotopen met veel bloemen, houtige beplanting en ruigte, en variatie in vochtomstandigheden. Eventueel kan het creëren van meer permanent oppervlaktewater de kwaliteit binnen de lus verbeteren, maar dit is ook vooral zinvol in combinatie met passages onder de wegen aan de noord- en zuidkant door. De ecologische verbinding kan vooral in kwaliteit verbeteren door tegelijk met de ontwikkeling van het politiebureau faunapassages te realiseren aansluitend op het rietveld binnen de lus, ten westen van het plangebied. Eventuele compensatie in oppervlakte zal buiten dit gebied moeten worden gerealiseerd.
Hiermee kan wel ecologische waarde elders worden gecreëerd maar niet binnen deze schakel in de ecologische verbinding. Het Groenstructuurplan geeft aan dat de EV in principe bestaat uit een combinatie van water, natuurvriendelijke oever, kruidenrijk grasland en streekeigen heesters en bomen. De watercomponent is in dit gebied heel beperkt (enkele kleine beschaduwde poelen, en moeras dat niet permanent waterhoudend is). Het is de vraag of dit water op deze plaats ook zo belangrijk is. Als dat belangrijk wordt geacht voor dit gebied, dan is verbinding met het omringend gebied juist ook weer essentieel. Om effect van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan te onderzoeken is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie Bijlage 5 (Stikstofdepositie-onderzoek) bij deze toelichting. Voor zowel de aanlegfase (bij gebruik van STAGE IV-werktuigen) als de gebruiksfase bedraagt de maximale bijdrage 0,00 stikstof per hectare per jaar. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het project. Er is daarmee voor het aspect stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht voor het project in het kader van de Wet natuurbescherming. Gezien de afstand zijn andere effecten ook uit te sluiten.
28
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
4.5.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is ten aanzien van de soorten- en gebiedsbescherming niet in strijd met de Wnb en de Provinciale Ruimtelijk Verordening. Het bestemmingsplan kan om die reden voor het aspect ecologie als uitvoerbaar worden geacht. Het negatieve effect op de ecologische verbindingszone dient zoveel als mogelijk opgeheven te worden dan wel gecompenseerd te worden.
4.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 /jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 /jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Naast het feit dat vanuit de Rijksoverheid risiconormen zijn gesteld, laat de wet- en regelgeving ook ruimte aan gemeenten (en provincies) om eigen veiligheidsambities te formuleren. In de Beleidsvisie externe veiligheid (raadsbesluit 2007-403) is aangegeven hoe de gemeente Nieuwegein met deze beleidsvrijheid omgaat. Zo is onder andere in de visie aangegeven dat de gemeente zich het recht houdt voor om bij nieuwe situaties af te zien van het zogenaamde “stand still"-beginsel voor het groepsrisico, zolang aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan.
Toetsing Risico's als gevolg van de inrichting De ontwikkeling voorziet niet in enige risicovolle inrichting. Het planvoornemen betreft het realiseren van een politiebureau. Risico's als gevolg van de omgeving Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (riscokaart.nl), waarvan hieronder een uitsnede, blijkt dat in de nabije omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Uit de kaart blijkt dat de meest nabijgelegen risicovolle inrichting zich (aan de noordoostelijke zijde) op meer dan vijfhonderd meter afstand bevindt. Vanwege die afstand vormt die risicobron geen belemmering voor het planvoornemen. Overige risicovolle inrichtingen bevinden zich op een grotere afstand.
29
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Figuur. Uitsnede risicokaart met in het blauwe kader het plangebied (bron: risicokaart, januari 2021). Buisleidingen Behalve eventuele risicovolle inrichtingen in de omgeving, is het ook noodzakelijk om te kijken naar risico's als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen en of stoffen in buisleidingen. Uit de risicokaart volgt dat er in het plangebied zelf een transportroutes aanwezig is. Het gaat daarbij om een aardgasleiding W-518-05 van de Gasunie. Vanwege de aanwezigheid van de gasleiding is een risicoberekening uitgevoerd. Deze risicoberekening is opgenomen in Bijlage 6 (Onderzoek externe veiligheid) bij deze toelichting. Uit die berekening blijkt dat het plaatsgebonden risico uitgaande van deze leiding geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. In de huidige situatie is ook geen sprake van een groepsrisico. In de toekomstige situatie neemt het groepsrisico toe tot onder 0,01 de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico is kleiner dan tien procent van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In die beperkte verantwoording van het groepsrisico moeten vier zaken aan de orde te komen, namelijk: 1. 2. 3. 4.
De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen De hoogte van het groepsrisico De bestrijdbaarheid De zelfredzaamheid
Deze verantwoording van het groepsrisico zal worden opgesteld na het vooroverleg, mede op basis van het advies van de veiligheidsregio. Transportroutes Tot slot moet ook gekeken worden naar transportroutes. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich de rijksweg A2. Ter plaatse van het plangebied is echter geen sprake van een PR 10-6 -contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico is in zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie kleiner dan 0,01 keer de oriëntatiewaarde. Conform artikel 8 van het Bevt hoeft voor dit lage groepsrisico van geen verantwoording te worden afgelegd. Wel dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied.
30
bestemmingsplan Politiebureau te Nieuwegein
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Geluid
Toetsingskader De eventuele verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Toetsing In het kader van de Wet geluidshinder is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Het gebruik zelf voorziet immers niet in een geluidsgevoelige functie. Het nieuwe gebruik kan echter wel leiden tot geluidsoverlast in de omgeving. Aan de overzijde van de Zandveldseweg, aan de Bakenmonde zijn namelijk meerdere woningen gesitueerd. Bij calamiteiten zal geluid worden geproduceerd door politievoertuigen met sirene. Om die reden is akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat van de woningen in de nabije omgeving. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 (Akoestisch onderzoek) bij deze toelichting. Er treden in de dag- en avondperiode overschrijdingen op ten gevolge van de sirene in de indirecte hinder op alle appartementenblokken.