CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-507 STV Herstelbesluit bestemmingsplan Zuidoostelijke Stadsrand.pdf

Raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Voorstel over Herstelbesluit bestemmingsplan Zuidoostelijke stadsrand28.810 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Landschap Het zuidelijk deel van het plangebied valt binnen de kaart 16 (Cultuurhistorie en landschap kaart 2) Landschap onder het Rivierengebied (figuur 3.8). Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten, zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten landschap van de Interim Omgevinsverordening. Een strook langs het Amsterdam‐Rijnkanaal is aangeduid voor 'gebied landschappelijke waarden'. Ingevolge Artikel 7.12 Interim Omgevingsverordening gelden specifieke regels voor het plaatsen en behouden van borden, spandoeken, vlaggen, informatiezuilen en vergelijkbare objecten. Deze worden in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

36

Figuur 3.8: Uitsnede kaart Cultuurhistorie en landschap kaart 2 Doorwerking bestemmingsplan In de als Rivierengebied aangemerkte delen van het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats. Hiermee wordt de kwaliteit van het landschap zoals deze is, behouden. Tevens maakt het bestemmingsplan geen objecten mogelijk die het gebied met landschappelijke waarden aantast. Landbouw Op de kaart landbouw valt een deel van het plangebied onder 'Agrarische bedrijven'. Tevens is het gebied aangeduid als 'glastuinbouw niet toegestaan'.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

37

Figuur 3.9 Uitsnede kaart Landbouw Interim Omgevingsverordening Samengevat gelden in dit gebied de volgende instructieregels voor agrarische bedrijven: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen bestemmingen en regels die voorzien in: a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden landbouwbedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en b. een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet‐grondgebonden veehouderij. 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat bestemmingen en regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing: b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c.

de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid. 4. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel;

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

38

5.

c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en d. omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Doorwerking bestemmingsplan ad. 1 In het bestemmingsplan worden geen nieuwe agrarische percelen toegevoegd, enkel de bestaande percelen worden in dit plan opgenomen. Het bestemmingsplan maakt omschakeling niet mogelijk. ad. 2 In het bestemmingsplan zijn de vigerende bouwvlakken opgenomen. Het plan bevat geen mogelijkheden voor verruiming van bouwvlakken tot 2,5 ha. Hiervoor zal een afzonderlijke planologische procedure voor moeten worden doorlopen indien een dergelijke situatie zich voordoet. ad. 3 N.v.t. ad. 4 Het bestemmingsplan zal waar mogelijk ruimte bieden aan nevenfuncties binnen de kaders van de Omgevingsverordening. In paragraaf 3.4 is hier op ingegaan. ad. 55 In paragraaf 3.4 is nader ingegaan op het thema landbouw. Wonen, werken en recreëren Op kaart 19 Interim Omgevingsverordening (Wonen, werken en recreëren kaart 2) valt het plangebied binnen het stedelijk gebied. Binnen het stedelijkgebied gelden instructieregels voor de vestiging van bedrijventerreinen.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

39

Figuur 3.10: Uitsnede kaart Wonen, werken en recreëren kaart 2 1.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor bedrijventerreinen mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de uitbreiding bedrijventerrein past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de revitalisering, herstructurering en efficiënter gebruik van bestaande bedrijventerreinen zijn verzekerd; c. de uitbreiding bedrijventerreinen vindt plaats in aansluiting op een bestaand bedrijventerrein; en d. de uitbreiding bedrijventerreinen leidt niet tot extra bodemdaling.

Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Doorwerking bestemmingsplan ad a. In dit geval gaat het om de afronding van het nieuwe bedrijvenpark Het Klooster: fase 4. Deze locatie is opgenomen in het provinciaal programma Wonen en Werken en afgestemd in het Regionaal Convenant Bedrijventerreinen Regio Utrecht 2011‐2020. Het Klooster fase 4 is als 'hard plaanaanbod' benoemd. Daarbij is ook rekening gehouden met de herstructureringsopgave die binnen de bestaande bedrijventerreinen in Nieuwegein plaatsvindt. ad. b De nieuwvestiging van Het Klooster fase 4 vindt plaats in samenhang met de herstructurering van Bedrijventerrein de Liesbosch. De gemeente is sinds 2007 in gesprek met de eigenaren en gebruikers van het vastgoed op bedrijventerrein de Liesbosch. Het doel is een opwaardering en intensivering van het meer dan 100 ha grote terrein door middel van herstructurering. Na een lange voorbereiding en vele gesprekken met de Provincie, Rijkswaterstaat, gemeente Utrecht en Houten over de ontsluiting van het gebied is er in 2018 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld (bestemmingsplan Ravenswade e.o). Dit

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

40

bestemmingsplan maakte de weg vrij voor herstructurering, omdat hiermee noodzakelijke maatregelen aan het wegennet plaats kunnen vinden. Ondertussen is de nieuwe infrastructuur in aanleg. Het oude veilingterrein met braakliggende grond en oude gebouwen is vervangen door een gloednieuw JUMBO DC (fase 1) met BREAAM outstanding certificaat. Er volgen nog een fase 2 en 3. Daarmee is dan 23 ha geherstructureerd. Deze opwaardering heeft er ook toe geleid dat diverse pandeigenaren opnieuw investeren in hun pand door verbouw of zelfs sloop nieuwbouw. De eerste ontwikkelingen zijn ondertussen zichtbaar. ad. c De uitbreiding van het Klooster vindt plaats in aansluiting op het stedelijk gebied. De uitbreiding en landschappelijke inpassing zal in lijn zijn met de kwaliteit van het reeds gerealiseerde deel van bedrijvenpark Het Klooster, hiermee draagt dit bij aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone. Omdat het bestemmingsplan voor bedrijventerrein de Liesbosch reeds onherroepelijk is, is in dit plan afgezien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting. Deze herstructurering is immers al planologisch geregeld. Tevens is dit niet meer vereist volgens het meest actuele provinciale beleid (Interim Omgevingsverordening).

In de concept Omgevingsvisie voor de gemeente Nieuwegein wordt naast het bovenstaande ingezet op toekomstbestendige bedrijventerreinen door onder andere in te zetten op verdichting, herstructurering en vernieuwing van bestaande bedrijventerreinen. De gemeente zet in op onder meer het verbeteren van de ontsluiting van de bedrijventerreinen, de aansluiting op snelwegen en de doorstroming. De bedrijventerreinen moeten schoon, heel en veilig zijn en blijven. Daarbij wordt gestuurd op hoogwaardige architectuur en goede stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing. ad. d Uitgangspunt is dat het regenwater binnen het plangebied wordt opgevangen en vervolgens via het oppervlak wordt afgevoerd en infiltreert in het watersysteem. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk droogte en bodemdaling voorkomen.

4.4

Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie: Nieuwegein verstedelijkt en vergroent (2020) In de omgevingsvisie staan strategische langetermijnkeuzes voor de fysieke leefomgeving. geeft op hoofdlijnen antwoord op de volgende vragen: 1. Welke uitdagingen en ruimtelijke ontwikkelingen kent Nieuwegein? 2. Welke ambities hebben we voor het toekomstig Nieuwegein? 3. Hoe willen we dat Nieuwegein er in 2040 uitziet? 4. Welke keuzes maken we vandaag om het toekomstige Nieuwegein vorm te geven?

De visie

Toetsing In de omgevingsvisie is deelgebied 4 van Bedrijvenpark Het Klooster aangeduid als duurzaam, innovatief bedrijventerrein (zie figuur 3.11). De gemeente zet in op toekomstbestendige economische kerngebieden: Plettenburg, De Wiers‐Zuid, Het Klooster en de Liesbosch. Hiervoor is onder andere een goede bereikbaarheid nodig. De gemeente richt zich onder meer op het verbeteren van de ontsluiting van de bedrijventerreinen, de aansluiting op snelwegen en de doorstroming. Bij herontwikkeling zet de gemeente in op het beter gebruiken van de ruimte op deze bedrijventerreinen. Specifiek voor het Klooster wordt aangegeven dat het merendeel van de kavels op Het Klooster is uitgegeven. Daarom zet de gemeente in op parkmanagement op Het Klooster. Door het mogelijk maken van Het Klooster deelgebied 4 is het bestemmingsplan in lijn met de Omgevingsvisie.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

41

Figuur 3.11 Uitsnede kaart Nieuwegein 2040 Economische Visie Nieuwegein (2017) De gemeente Nieuwegein wil de werkgelegenheid in de stad behouden en nieuwe bedrijven aantrekken. Ze streeft naar een gezonde lokale en regionale economie waar iedereen aan kan meedoen. Een economie die goed is voor ondernemers, werkgevers én werknemers. Werken aan verbinding en vertrouwen staat daarbij centraal. De gemeente brengt ondernemers en werkgevers met elkaar in verbinding zodat kansen in beeld worden gebracht en er nieuwe initiatieven, innovaties en partnerschappen ontstaan. De gemeente zorgt ook dat het ondernemersklimaat zich blijvend kan verbeteren. Van grote waarde is de centrale ligging, bereikbaarheid en ondernemers en werkgevers. Er wordt gewerkt vanuit de leidende principes van een "ja, mits houding" en het feit dat ondernemers recht hebben op snelle en duidelijke besluitvorming. Onduidelijkheid remt het innovatie‐ en investeringsvermogen en daarmee de werkgelegenheid. Er zijn vier thema's geformuleerd binnen de economische visie: 1. De werknemer centraal Hierin wordt aandacht besteed aan het samenbrengen van werkgevers met voldoende en geschikte werknemers. Dit thema gaat ook over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. 2. Regionaal is het nieuwe lokaal Dit thema gaat over lokaal en regionaal samenwerken. 3. Profileren Hoe een gemeente zich profileert is zeer belangrijk.

De centrale ligging, de bereikbaarheid en betaalbaarheid van Nieuwegein zijn de belangrijkste kwaliteiten. Ook wordt Nieuwegein aangeduid als logistieke hotspot. Bedrijvenpark het Klooster is een zeer aantrekkelijke vestigingsplaats voor grootschalige en landelijk opererende namen. 4. Innoveren De gemeente moet op diverse vlakken blijven innoveren om een aantrekkelijke vestigingsplaats te blijven. Dit kan zijn op het gebied van duurzaamheid, zoals nieuwe vormen van mobiliteit of innovatieve vormen van bouwen, maar ook op het gebied van regelgeving. Gemeenten moeten blijven streven naar beperking in (ruimtelijke) regelgeving en optimale dienstverlening om startende ondernemers te stimuleren. Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

42

Toetsing Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van het laatste deel van bedrijvenpark het Klooster mogelijk gemaakt. Dit bedrijvenpark is een belangrijke trekker voor grote bedrijven en de noordelijke afronding sluit daar bij aan.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

43

Hoofdstuk 5

5.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Zoals hiervoor beschreven, bestaat het plangebied uit twee verschillende delen. Het noordelijk deel maakt de verdere ontwikkeling van het bedrijvenpark Het Klooster mogelijk. Het zuidelijk deel legt voornamelijk de huidige situatie vast.

5.2

Milieueffectrapportage

Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan‐m.e.r.‐plichtig, project‐m.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.‐beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Onderzoek en conclusie In het verleden is voor bedrijvenpark Het Klooster een milieueffectrapportage opgesteld. In dit milieueffectrapport is uitgegaan van een oppervlak van 125 ha (bruto). Het m.e.r. was onderdeel van het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Het Klooster' dat in 2002 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd. Vervolgens is de gemeente Nieuwegein alsnog van start gegaan met bestemmingsplannen voor de verschillende deelgebieden en is het oorspronkelijke m.e.r. geactualiseerd en aangevuld. Op basis van deze aanvullingen heeft de Commissie m.e.r.

een positief advies afgegeven. Fase 4 is onderdeel van de voorgenomen activiteiten die in het MER zijn onderzocht en beoordeeld. Er kan opnieuw een m.e.r.‐procedure aan de orde zijn wanneer:  niet uitgesloten kan worden dat de ontwikkeling van fase 4 leidt tot significante negatieve effecten waardoor een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Een passende beoordeling brengt automatisch een planm.e.r.‐plicht met zich mee;  het bestemmingsplan voor fase 4 kaderstellend is voor m.e.r.‐(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Passende beoordeling vanwege effecten op Natura 2000? In paragraaf 5.8 is ingegaan op de mogelijke effecten op Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐ gebied betreft Uiterwaarden Lek op circa 7,4 km afstand. Gezien deze afstand kunnen voor de meeste criteria significante negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Uitzondering vormen de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Er is een berekening uitgevoerd om de toename ten gevolge van de ontwikkeling van fase 4 in beeld te brengen. Hieruit blijkt dat de maximale toename zeer beperkt is (0,03 mol/ha/jaar). In het onderzoek is geen rekening gehouden met

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

44

eventuele ontwikkelingen binnen de agrarische bouwvlakken. Om in de planregels te borgen dat geen significante negatieve effecten optreden ten gevolge van de eventuele realisatie van dierverblijven binnen de agrarische bouwvlakken is vastgelegd dat de stikstofdepositie ter plaatse van verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000 niet mag toenemen. Kaderstellend bestemmingsplan? Het is niet aannemelijk dat zich binnen fase 4 bedrijven zullen vestigen die in het kader van de omgevingsvergunning m.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. In de C en D‐lijst bij het Besluit m.e.r. zijn met name bedrijfsactiviteiten opgenomen die onderdeel kunnen zijn van chemische bedrijven, grootschalige productiegerichte bedrijven en energieopwekkende bedrijven. Fase 4 richt zich met name op het faciliteren van logistieke bedrijven. Ook op het bestaande bedrijventerrein zijn vooral logistieke bedrijven en middelgrote en kleine bedrijven gevestigd. Het bestemmingsplan staat bedrijfsactiviteiten toe uit ten hoogste categorie 4.1 en staat de vestiging van grote lawaaimakers en risicovolle inrichtingen niet toe. Hiermee is de vestiging van zware bedrijven binnen het plangebied uitgesloten. gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat het bestemmingsplan kaderstellend is voor m.e.r.‐plichtige of m.e.r.‐beoordelingsplichtige vervolgbesluiten.

Herstelbesluit Op basis van het voorgaande is in het vastgestelde bestemmingsplan door de raad geconcludeerd dat er in het kader van het bestemmingsplan Zuidoostelijke Stadsrand geen sprake is van (nieuwe) m.e.r.‐ verplichtingen. Op basis van de uitspraak van de voorzieningenrechter (rechtsoverweging 6.2) is het echter wel noodzakelijk om een afzonderlijk m.e.r. beoordelingsbesluit te worden nemen. Om dit gebrek te herstellen en ter onderbouwing van dit besluit is in bijlage 11 een aanmeldnotitie toegevoegd waarin een vormvrije m.e.r. beoordeling heeft plaatsgevonden.

5.3

Archeologie

Toetsingskader Erfgoedwet De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads‐ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

45

Gemeentelijk archeologiebeleid Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen, is een gemeentelijk archeologiebeleid met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader opgesteld. De bij het beleid horende archeologische verwachtingskaart geeft op perceelsniveau inzicht in het voorkomen van bekende en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast bevat de kaart een informatielaag met mogelijke diepteligging van de te verwachten archeologie en bodemverstoring. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor een archeologische beleidskaart: aan de verwachtingen worden voorschriften gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is en waar wel. Deze beleidskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van bouw‐ en aanlegvergunningen. Het archeologiebeleid van Nieuwegein onderscheidt tien verschillende waarden archeologie. Onderzoek archeologie Bedrijvenpark Het Klooster deelgebied 4 Bureau RAAP heeft in het kader van de ontwikkeling van bedrijvenpark het Klooster een aantal archeologische onderzoeken naar de archeologische verwachtingen en waarden in het gebied uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn weergeven op de (advies)kaarten (figuur 4.1a en figuur 4.1b). Voor het uiterst zuidelijke deel van het plangebied worden weinig archeologische waarden verwacht.

In het noordelijke deel, deelgebied 4, werden wel archeologische waarden verwacht. Hier hebben, ter plaatse van de bouwkavels, drie archeologische opgravingen plaatsgevonden die vindplaatsen uit de Steentijd en de Middeleeuwen hebben opgeleverd (figuur 4.1b). Een gedeelte van dit deelgebied 4 is niet opgegraven en wordt groenzone, en krijgt op de plankaart daarom een bescherming met de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 1' en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde'. Het gaat hierbij om de niet te bebouwen gedeeltes in de zuidelijke helft van deelgebied 4, langs de Vuilcopse Kanaaldijk. De andere dubbelbestemmingen zijn gerelateerd aan ridderhofstad Heemstede dat zich grotendeels aan de overzijde van de Vuilcop bevindt, en aan de Jutphaas stroomgordel die zich in de noordelijke punt van het plangebied bevindt. Tot slot heeft de Houtense Wetering een dubbelbestemming archeologie. Hier geldt code JF0.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

46

Figuur 4.1.a: Beleidsadvieskaart archeologie (bron: RAAP‐adviesdocument 815 Bedrijvenpark het Klooster in Nieuwegein)

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

47

Figuur 4.1.b: De middeleeuwse vindplaats op basis van de uitgevoerde opgraving en het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek. (bron: Programma van Eisen 2324. Plangebied Het Klooster, deelgebied 4 te Nieuwegein. Gemeente Nieuwegein. Opgraving vroegmiddeleeuwse visvangstlocatie en laatmiddeleeuwse vindplaats. RAAP 2020) Overig plangebied Voor het overige plangebied geldt de gemeentelijke beleidsadvieskaart. Volgens deze kaart gelden meerdere archeologische verwachtingen (figuur 4.2)

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

48

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

49

Figuur 4.2 Uitsnede gemeentelijke beleidsadvieskaart

In het overig plangebied zijn vijf verschillende archeologische verwachtingswaarden aanwezig: AWV 2, AWV 3, AWV 4, AWV 5 en AWV 6. De verschillende archeologische verwachtingswaarden worden door middel van een passende dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 2' op de verbeelding weergegeven. Indien een aangevraagde omgevingsvergunning voor een activiteit de bij de verwachtingswaarde behorende vrijstellingsgrens overschrijdt, dient de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek uit te voeren. Een archeologisch onderzoek is verplicht wanneer beide waarden overschreden worden (grootte plangebied en diepte van de bodemingreep).

5.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader Besluit ruimtelijke ordening Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen het aspect cultuurhistorie expliciet moeten meewegen. Het besluit regelt dat de effecten van een initiatief op cultuurhistorische waarden in een gebied inzichtelijk worden gemaakt en ruimtelijk worden afgewogen. Eventuele waarden kunnen, door middel van specifieke regels, worden vastgelegd in het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

50

Gemeentelijk beleid cultuurhistorie Om adequaat invulling te kunnen geven aan de nieuwe taak van de gemeente om rekening te houden met binnen het bestemmingsplan aanwezige cultuurhistorische waarden, heeft de gemeente Nieuwegein een cultuurhistorisch onderzoek laten uitvoeren (Jonge stad, oude kwaliteiten, Een interdisciplinaire studie naar het aardkundig, historisch‐geografisch, historisch‐bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein, RAAP, 2013). Het betreft een interdisciplinaire studie naar het aardkundig, historisch‐geografisch, historisch‐bouwkundig en stedenbouwkundig erfgoed in de gemeente Nieuwegein. Het onderzoek is gemeentebreed opgezet. Hierdoor kunnen onder meer waardevolle structuren optimaal in beeld worden gebracht. Op basis van deze inventarisatie zal de gemeente haar cultuurhistorische beleid vormgeven en vaststellen. Onderzoek Aardkundige elementen In het noordelijk deel van het plangebied liggen de Jutphaas‐ en Blokstroomgordels relatief dicht aan het maaiveld. Als gevolg van reliëfinversie zijn de oeverwallen en rivierbedding als hoger gelegen gebieden zichtbaar in het buitengebied. Hier kunnen ook restgeulen waarneembaar zijn in het microreliëf. Voor de herkenbaarheid van deze stroomgordels is het van belang dit microreliëf te behouden.

Op basis van het kadastraal minuutplan uit de periode 1811‐1832 blijkt een duidelijk verband te bestaan tussen de spreiding van ondiep gelegen stroomgordels en de grootte van het verkavelingspatroon. Algemeen genomen zijn percelen groter op de ondiep gelegen stroomgordelafzettingen, omdat deze hoger gelegen gronden minder ontwatering behoefden en er dus minder sloten zijn gegraven. Het is wenselijk dergelijke verkavelingspatronen zoveel mogelijk herkenbaar te houden. In de polder Het Klooster is een deel van een fossiele rivierloop nog herkenbaar aan een kronkelende sloot. Het betreft een zogenaamde crevassegeul, een erosiegeul die is ontstaan bij het doorbreken of overstromen van de oeverwal van een rivier bij hoog water. Deze crevasse heeft in het verleden dienst gedaan als doorvaarroute tussen IJsselstein en Houten. Voor de herkenbaarheid van deze crevasse is het van belang dit specifieke verkavelingspatroon te behouden evenals het eventueel voorkomende microreliëf. Historische geografie en landschap Het plangebied bestaat in de huidige situatie ‐ naast de infrastructuur en voorzieningen langs de A27 ‐ hoofdzakelijk uit landbouwgebied met uitzondering van het uiterste noorden van het plangebied. Het oude, in de middeleeuwen ontgonnen landschap is in het agrarische gebied nog goed herkenbaar.

De onbebouwde gronden waar deelgebied 4 van bedrijvenpark Het Klooster is beoogd, heeft een geheel eigen perceelsstructuur. Door de aanleg van het Amsterdam‐Rijnkanaal werd een deel van de gemeente Houten afgesneden, dat in de jaren 60 bij Jutphaas werd gevoegd. Het betrof delen van de ontginning Heemstede‐Wulven, die waarschijnlijk ouder was dan de cope Jutphaas. De percelen waren hier, anders dan in Jutphaas, oost‐west gericht. Ook al door de aanwezigheid van twee oude weteringen, de Houtense Wetering en zuidelijk daarvan de Hoonwetering, was de perceelstructuur minder regelmatig. De percelering en de weteringen zijn nog in het landschap te zien. In het zuidelijk deel van het plangebied, ten zuiden van de Achterweg, zijn de strokenontginningen nog zichtbaar. Vanaf de vanouds bewoonde gebieden, werden in de middeleeuwen de lagere en nattere delen van het rivierkleigebied ontgonnen. Dit gebeurde vanaf de Lekoever, maar ook vanuit andere bewoonde gebieden, zoals de Wiers. De duidelijke strokenstructuur verraadt een gepland karakter. De strokenontginningen bestonden in de 19e eeuw uit strookvormige percelen die als akker, grasland of boomgaard in gebruik waren. Vrij veel percelen waren met bos beplant, vaak in de vorm van griend (hakhout en snijhout van wilg en es) of als hakhout van els. De sloten liepen in rechte lijnen door tot aan de Lekdijk,

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

51

Ten zuiden van de Achterweg is de richting en vorm van de stroken nog goed herkenbaar en ook de relatie met de Lekdijk is goed zichtbaar. De richting wordt bovendien geaccentueerd door greppels en ruggen in de lengterichting van de percelen. Hier ligt ook het omgrachte erf Het Haagje. Nog steeds worden de graslanden afgewisseld met boomgaarden. Direct ten oosten van de A27 ligt nog een deel van de hoogstamboomgaard. Er is iets meer bebouwing gekomen ten opzichte van de situatie in de 19e eeuw. Ten oosten van de A27 zijn tunnelkassen verschenen. Dit gebied is van belang als onderdeel van een grote open ruimte die zich van de A27 uitstrekt tot aan Wijk bij Duurstede over het Eiland van Schalkwijk. Stedenbouwkundige ontwikkeling en bebouwingskarakteristiek Het bestemmingsplangebied omvat ‐ naast de infrastructuur en voorzieningen van de A27 ‐ het nog intacte agrarische gebied ten oosten van het Lekkanaal. Het gebied wordt begrensd en doorsneden door een aantal belangrijke historische (water)structuren: de Lek met de Lekdijk bevindt zich aan de zuidzijde, het Lekkanaal uit 1936 aan de westzijde, en het Amsterdam‐Rijnkanaal (voltooid 1952) aan de noordzijde. Het gebied is voornamelijk agrarisch in gebruik geweest. Aan het agrarische verleden herinneren enkele boerenerven, met name langs de Lekdijk en aan de parallel hieraan lopende Achterweg.

Van grote cultuurhistorische waarde is de boerderij Lekdijk‐Oost 1, een langhuisboerderij met zadeldak en markante rondboogvensters uit 1876. Op het erf bevinden zich nog een veeschuur en een hooiberg. Ook bij enkele andere, overigens sterk vernieuwde boerenerven bevinden zich nog hooibergen, meestal uit het midden van de 20e eeuw. De hiervoor beschreven en cultuurhistorische en landschappelijke waarden zijn op de gemeentelijke cultuurhistorische doorvertaald naar verschillende typen waarden, zie figuur 4.3.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

52

Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Nieuwegein

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

53

Nieuwe Hollandse Waterlinie Het plangebied ligt binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). Deze linie bestaat uit een systeem van dijken, kanalen, sluizen, militaire werken en gebieden die onder water gezet konden worden (inundatiekommen). De NHW is een verdedigingslinie voor westelijk Nederland van de 19e eeuw tot de jaren zestig van de 20e eeuw en is aangelegd tussen Muiden en de Biesbosch. Veel objecten, landschappelijke structuren en inundatiekommen zijn nog aanwezig in het huidige landschap en grotendeels beschermd als rijksmonument. De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) staat op de nominatie voor UNESCO Werelderfgoed. In de Statement of Outstanding Universal Value (sOUV) zijn 3 kernkwaliteiten van de NHW benoemd 1. het strategisch landschap; 2. de waterstaatkundige werken; 3. de militaire versterkingen; Deze vormen de basis voor de uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. ad. 1 Strategisch landschap De Hollandse Waterlinies gaven het cultuurlandschap een militair‐strategische functie. De hoofdverdedigingslijn van de Nieuwe Hollandse Waterlinie laat de grens van hoog naar laaggelegen Nederland zien. Onder het Strategisch Landschap worden de volgende onderdelen gevat: hoofdverdedigingslijn, komkering, inundatiekommen, accessen, Verboden Kringen en tenslotte de houten huizen. ad.

2 Waterstaatkundige werken Bij een onderwaterzetting werden de functies ‘bescherming tegen watersnood’ en ‘bemaling voor landbouw’ omgedraaid; polderland werd, in plaats van drooggemalen, gecontroleerd onder water gezet voor het militaire doel waardoor een tijdelijke barrière ontstond. Bestaande waterwerken en speciaal aangelegde militaire inundatiewerken zorgden hiervoor. Dijken en kaden waren nodig om het water te keren en kanalen lieten sneller extra water in. Sluizen, dammen, duikers en gemalen waren nodig om de onderwaterzettingen nauwkeurig te kunnen regelen. ad. 3 Militaire versterkingen De militaire versterkingen zijn gebouwd op plaatsen waar de vijand het water kon ontwijken. Dit was op hoger gelegen delen van het landschap en kruisende infrastructuur, zoals wegen, spoorwegen en rivieren. De militaire werken bestaan uit forten, batterijen, schuilplaatsen en geschutskoepels. Situatie plangebied Er zijn geen militaire objecten in het plangebied te vinden, die bewaard moeten worden of waarop qua inrichting op aangehaakt kan worden. Het plangebied fungeerde wel als inundatiegebied. Het voormalig inundatiegebied wordt in de huidige situatie echter niet of nauwelijks nog als zodanig beleefd.

De voorstelbaarheid is verdwenen door aantasting door allerlei ontwikkelingen: waaronder de aanleg van het Amsterdam Rijnkanaal (incl Plofsluis), de aanleg van de snelweg A27 en het aan de zuidkant al aangelegde deel van het Bedrijvenpark Het Klooster. De realisatie van het bedrijvenpark Het Klooster deelgebied 4 valt dan ook niet binnen de UNESCO aanwijzing (zie figuur 4.4).

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

54

Figuur 4.4 Uitsnede kaart 3 kernkwaliteiten NHW (bron: programma Nieuwe Hollandse Waterlinie) Om de beleving van de Nieuwe Hollandse Waterlinie toch een plek te geven is in het plan rekening gehouden met een zone van 50 meter langs het Amsterdam‐Rijnkanaal die vrij van bebouwing wordt gehouden. De bedrijfskavels respecteren dus deze zone. De genoemde maat sluit aan bij de breedte, die als attentiezone aangehouden is langs de 'veilige' westzijde van de weerstandslijn langs het Lekkanaal. Deze zone dient dus als 'aandacht‐zone' voor de beleving van de vroegere openheid en om de werking van de Plofsluis te kunnen uitleggen. Deze sluis was nodig om de negatieve rol van de aanleg van het Amsterdam‐Rijnkanaal in de Nieuwe Hollandse Waterlinie‐zone en de waterhuishouding te compenseren. Daarnaast wordt met deze zone (vooral vanuit recreatief oogpunt) de visuele relatie gehandhaafd en beleefbaar gemaakt tussen de NHW‐zone langs het Lekkanaal en het nog wèl als zodanig herkenbare voormalige inundatiegebied ten oosten van de A27 (Eiland van Schalkwijk). Tot slot is door de aansluiting van het toekomstige bedrijventerrein op de 'klare lijn' rekening gehouden met aspect cultuurhistorie. Het betreft de Vuilcop (westzijde) en de Schalkwijksewetering (zuidzijde).

Het doel van de klare lijn om een heldere, waterrijke identiteit aan de nieuwe rand van Het Klooster te verschaffen blijft hierdoor behouden. Conclusie Het bestemmingsplan houdt voldoende rekening met het aspect 'Cultuurhistorie'. De Nieuwe Hollandse Waterlinie, voorzover gelegen binnen het plangebied, heeft de dubbelbestemming Waarde ‐ Cultuurhistorie 1. Gebieden met een middenwaarde (CHW 3), hoge waarde (CHW 4) en zeer hoge waarde (CHW 5) hebben ‐ afgezien van het bedrijvenpark Het Klooster deelgebied 4 ‐ een

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

55

dubbelbestemming 'Waarde ‐ Cultuurhistorie 2' en/of Waarde ‐ Landschap ten behoeve van een zorgvuldige omgang met de cultuurhistorische waarden. De dubbelbestemming is in de regels nader gespecificeerd. De cultuurhistorische waarden in Het Klooster fase 4 verdwijnen gedeeltelijk door de uitbreiding van het bedrijventerrein. In dit gebied blijft de Houtense wetering met een kleine groene buffer behouden en wordt daarnaast een bebouwingsvrije buffer van 50 meter breed gehanteerd vanaf het acces Amsterdam Rijnkanaal. De invulling van deze bufferzone heeft een nadere uitwerking in het beeldkwaliteitsplan.

5.5

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte berekend volgens de parkeernormen die zijn opgenomen in de 'Nota parkeernormen 2011 ‐ 2015' van de gemeente Nieuwegein. De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 381, 2018). De parkeernorm en het kencijfer worden bepaald aan de hand van het stedelijk karakter van de gemeente en de ligging ten opzichte van de stad. Aangezien het plangebied in Nieuwegein ligt, wordt aansluitend met het parkeerbeleid een sterk stedelijk karakter gehanteerd en ligt het plangebied in de rest bebouwde kom/overig gebied van Nieuwegein. Binnen de bandbreedte van het CROW‐kencijfer wordt het gemiddelde gehanteerd. Gemeentelijk Mobiliteitsplan+, 2030 (2013) Het Gemeentelijk Mobiliteitsplan (GMP+) schetst de visie op het gebied van verkeer en vervoer voor Nieuwegein tot 2030.

Verkeer bestaat echter uit verschillende vervoerswijzen met verschillende belangen die elkaar soms versterken, maar elkaar soms ook in de weg zitten. De 'plus' van het GMP ligt op het terrein van milieu; specifiek lucht en geluid. Een integrale visie zoals verwoord in het GMP+ moet bijdragen aan het nemen van de juiste maatregelen in het omvangrijke en complexe verkeerssysteem. De doelen van dit GMP+ zijn dan ook: 1. het formuleren van verkeer‐ en vervoerbeleid vanuit een integrale visie die zoveel mogelijk rekening houdt met andere beleidsvelden; 2. het voorstellen van maatregelen bij knelpunten in de afweging tussen verkeer, vervoer en milieu. Het GMP+ bevat acties die een nauw verband hebben met de beleidsuitgangspunten die in de door de gemeenteraad vastgestelde startnotitie zijn neergelegd. Deze acties laten zien hoe de gemeente het beleid zichtbaar wil maken met als doel mensen te verleiden andere, duurzamere vervoerswijzen te kiezen dan de auto. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het noordelijk deel van het bedrijvenpark wordt ontsloten via het Waterliniedok, een gebiedsontsluitingsweg (momenteel nog ingericht als industrieweg) waar een maximum snelheid van 50 km/h geldt (ter hoogte van de snelweg 80 km/u). In zuidelijke richting verbindt het Inundatiedok (eveneens een gebiedsontsluitingsweg, 50 km/u) deze weg met het kruispunt Waterliniedok – Inundatiedok.

Door op dit met verkeerslichten geregelde kruispunt in westelijke richting te rijden, wordt het centrum van Nieuwegein bereikt. In oostelijke richting liggen op korte afstand een tweetal rotondes naar de op‐ en afritten van de A27. Deze rijksweg verbindt Nieuwegein met onder andere Utrecht en Breda.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

56

Langzaam verkeer Langzaam verkeer is gescheiden van de rijbaan en kan via het Inundatiedok en het Waterliniedok het centrum van Nieuwegein bereiken. Daarnaast is er een fietsverbinding richting het Amsterdam‐ Rijnkanaal en de Plofsluis, van waar Houten en de oostzijde van Utrecht kan worden bereikt. Binnen Het Klooster fase 4 wordt een nieuwe fietsverbinding aangelegd richting de Vuilcop en de Vuilcopsekanaaldijk. Openbaar vervoer Het bedrijvenpark wordt per bus ontsloten door lijn 65, welke halteert op de Ravelijndok. De halte ligt op loopafstand (circa 5 minuten) van het plangebied en rijdt tussen Utrecht CS en het bedrijvenpark. Deze buslijn heeft een frequentie van 2 maal per uur. Verkeersgeneratie Voor de berekening van de verkeergeneratie ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijvenpark Het Klooster fase 4 is uitgegaan van de CROW kengetallen voor een hoogwaardig bedrijvenpark. Dit zijn 174 lichte mvt/etmaal per ha bedrijventerrein en 34 zware mvt/etmaal per ha bedrijventerrein. Het bedrijvenpark bestaat uit 10 hectare uitgeefbaar terrein. De toekomstige verkeersgeneratie komt hiermee op 1.740 mvt/etmaal licht verkeer en 340 mvt/etmaal zwaar verkeer. De totale verkeersgeneratie is dus 2.080 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag.

Verkeersafwikkeling De verkeerstoename van en naar het bedrijvenpark ten behoeve van de ontwikkeling dient te worden afgewikkeld over het Waterliniedok en het Inundatiedok. Verkeer van en naar het deel van het bedrijvenpark ten zuiden van het plangebied wordt eveneens ontsloten over deze wegen. Dit betekent dat de intensiteiten op de ontsluitingswegen en kruispunten flink toeneemt wanneer het gehele bedrijvenpark (fase 1 tot en met 4) is gerealiseerd. Verkeerskundige analyse bedrijventerrein Het Klooster fase 1 t/m 3 (Witteveen+Bos) Om deze reden heeft de gemeente Nieuwegein een verkeerskundige analyse laten uitvoeren door ingenieursbureau Witteveen+Bos. (zie bijlage 1). Er is onderzocht hoeveel extra verkeer de ontwikkeling van 75 hectare aan kavels op bedrijventerrein Het Klooster (exclusief het in dit bestemmingsplan geregelde gebied) zal opleveren en wat de gevolgen zullen zijn voor de doorstroming en verkeersafwikkeling op toeleidende wegen. In de analyse is onderzocht of de bestaande verkeersinfrastructuur voldoende capaciteit biedt op het moment dat alle te verwachten ontwikkelingen op Het Klooster zijn gerealiseerd.

Het studiegebied voor het onderzoek betreft:  het kruispunt Waterliniedok ‐ Defensiedok ‐ Inundatiedok (1a);  het kruispunt Inundatiedok ‐ Bolwerkdok ‐ Vestingdok (1b);  het kruispunt Weg van de Binnenvaart ‐ Hollandhaven ‐ Ambachtsweg (2);  de 2 rotondes die aansluiten op de A27 (3a en 3b), inclusief toe‐ en afritten. Geconcludeerd wordt dat er in de huidige situatie geen tot weinig afwikkelingsproblemen zijn. Enkel de westelijke rotonde zit in de avondspits regelmatig aan zijn capaciteit, wat resulteert in lange wachtrijen op de Waterliniedok. De verkeerstoename die de ontwikkeling van het bedrijvenpark ten noorden van het Waterliniedok met zich meebrengt, is berekend op circa 14.791 mvt/etmaal, waarvan 3.327 vrachtvoertuigen. Dit is, samen met de ontwikkeling ten zuiden van het Waterliniedok, dusdanig veel dat de kruispunten Waterliniedok ‐ Inundatiedok, Inundatiedok ‐ Bolwerkdok en de westelijke en oostelijke enkelstrooksrotondes, bij behoud van de huidige vormgeving, het verkeer niet meer op een goede manier kunnen afwikkelen. Daarnaast liggen de rotondes en het kruispunt Inundatiedok ‐ Bolwerkdok in

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

57

het invloedsgebied van het kruispunt Waterliniedok ‐ Inundatiedok. Dit betekent dat de wachtrijen regelmatig tot op het naastgelegen kruispunt/rotonde komen te staan. In het rapport worden verkeersmaatregelen benoemd die uitgevoerd moeten worden om de bereikbaarheid van Bedrijvenpark Het Klooster zeker te stellen. De verkeersmaatregelen bestaan uit:  het aanpassen van het kruispunt Waterliniedok ‐ Inundatiedok;  het aanpassen van het kruispunt Vestingdok ‐ Bolwerkdok;  het vervangen van de twee rotondes bij de A27 voor met verkeerslichten geregelde kruispunten;  het aanleggen van een by‐pass vanaf de A27 vanuit de richting Utrecht die direct naar het bedrijvenpark Het Klooster gaat;  het aanleggen van een viaduct ter hoogte van de Waterliniedok waardoor het noordelijke gebied en het zuidelijke gebied van Het Klooster voor het langzame verkeer met elkaar worden verbonden;  het aanleggen van bushaltes waardoor beide gebieden van Het Klooster te bereiken zijn met het Openbaar Vervoer. Deze maatregelen leiden tot een robuuste verkeersoplossing. Zonder de voorgestelde verkeersaanpassingen staat het verkeer bij Het Klooster in 2020 vast. Er zijn andere varianten bekeken en met Rijkswaterstaat besproken waaronder een variant van een verkeersoplossing voor het langzaam verkeer op maaiveldniveau ter hoogte van het kruispunt Waterliniedok ‐ Inundatiedok.

Echter, die leiden er toe dat de robuustheid van de verkeersmaatregelen sterk afneemt en die daardoor niet op draagvlak kunnen rekenen bij Rijkswaterstaat. Ontsluiting plangebied (fase 4) De verkeersafwikkeling is een belangrijk aandachtspunt. In de verkeerskundige analyse ten gevolge van fase 1 t/m 3 is de noodzaak van infrastructurele aanpassingen beschreven. Er is een passende oplossing gevonden om de verkeersstructuur aan te passen. Fase 4 leidt tot een extra verkeerstoename van circa 2.080 mvt/etmaal. In verhouding met het gehele bedrijvenpark is deze verkeerstoename relatief beperkt. Fase 4 zal na dan ook niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling leiden na realisatie van de voorkeursvariant. Parkeren Voor parkeren is het uitgangspunt dat alle parkeerplaatsen op de kavel worden gerealiseerd en niet in de openbare ruimte. Hierbij is parkeren aan de voorzijde van de kavel aan de hoofdweg niet wenselijk. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen dient te worden getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Voor arbeidsintensieve en bezoekersextensieve bedrijven (bijv. industrie, werkplaatsen, etc.) geldt per 100 m² bvo een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. Voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven (bijv. loodsen, opslag, transportbedrijven) geldt een parkeernorm van 1,0 per 100m² bvo.

Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed voor de verschillende vervoerswijzen. De ontwikkeling van het gehele bedrijvenpark zal leiden tot een significante verkeerstoename ten opzichte van de huidige situatie. Voor de verkeersontsluiting is dan ook een verkeerskundige analyse uitgevoerd. Er is een passende oplossing gevonden om de verkeerstructuur aan te passen. Hiermee is een goede en veilige verkeersafwikkeling gewaarborgd. Parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden en het aantal te realiseren parkeerplaatsen moet voldoen aan de geldende gemeentelijke parkeernormen.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

58

5.6

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Bij de ontwikkeling van woningen of andere gevoelige bestemmingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van de gevoelige bestemmingen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de VNG‐ publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

Onderzoek Omgevingstype Binnen het meest noordelijke deel van het plangebied zijn een burgerwoning en bedrijfswoning aanwezig. Vanwege de aanwezige bestaande bedrijfsactiviteiten en het kanaal (en het daarmee samenhangende verhoogde achtergrondniveau) wordt voor deze woningen uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Bestaand bedrijfsperceel Op basis van de bijbehorende richtafstanden loopt de toegestane milieucategorie op het bestaande bedrijfsperceel op van maximaal categorie 2 op korte afstand van de woningen tot maximaal categorie 4.1 op een afstand van minimaal 100 meter vanaf de woningen. De bedrijfsactiviteiten van Van Wijk vallen in categorie 3.2 (aannemersbedrijf met een oppervlakte > 2.000 m2). Omdat deze activiteiten niet overal op het perceel passen binnen de milieuzonering zijn de activiteiten van Van Wijk met een specifieke aanduiding positief bestemd. Omschakeling van het bedrijf naar een andere activiteit dan in de bestemming is vermeld, kan alleen plaatsvinden wanneer deze activiteit past binnen de algemeen toelaatbare categorieën van bedrijfsactiviteiten. Bij bedrijfsbeëindiging of ‐verplaatsing kan zich alleen nog een gelijksoortig bedrijf vestigen, of een bedrijf dat past binnen de algemene toelaatbaarheid.

Bedrijvenpark fase 4 Binnen Bedrijvenpark Het Klooster fase 4 worden in het bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten uit ten hoogste categorie 4.1 toegestaan. De afstand tot gevoelige functies in de omgeving bedraagt (ruimschoots) meer dan 100 meter. Het bestemmingsplan staat geen nieuwe bedrijfswoningen toe. Binnenplanse afwijking De toelaatbaarheid zoals deze hierboven is beschreven, betekent niet dat de uitoefening van activiteiten uit een hogere categorie in alle gevallen onaanvaardbaar is. De Standaard SvB geeft namelijk een vrij grove indeling van de hinderlijkheid van bedrijven. De situatie bij een specifiek bedrijf kan daarvan afwijken. Met name komt het voor dat een bedrijf als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze, minder hinder veroorzaakt dan in de Standaard SvB is verondersteld. In dat geval kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de algemene toelaatbaarheid. Op die manier kan een dergelijk bedrijf voor de desbetreffende activiteit toe worden gelaten. Dit geldt alleen voor bedrijven uit maximaal twee categorieën hoger dan de in het bestemmingsplan toegestane categorie.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

59

Agrarische bedrijven Het bestemmingsplan staat binnen de bestemming Agrarisch grondgebonden agrarische activiteiten toe. Ook is het bestaande fruitteeltbedrijf positief bestemd. Het plan biedt geen ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van omliggende gevoelige functies met zich mee kunnen brengen. Conclusie In dit bestemmingsplan wordt door de gehanteerde milieuzonering, die in de bestemmingsplanregeling is opgenomen, zorggedragen voor een goed woon‐ en leefklimaat ter plaatse van de woningen en worden bestaande bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.

5.7

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij geschikt is voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Onderzoek Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Nieuwegein heeft het plangebied hoofdzakelijk de ontgravingsklasse 'landbouw/natuur' en 'niet gezoneerd' (figuur 4.4). De A27 is niet gezoneerd. De klasse 'landbouw/natuur' betreft grond dat geschikt is voor het meest gevoelig gebruik. Ten aanzien van het deel dat als 'niet gezoneerd' is aangemerkt geldt dat ontgravingskaarten uit de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel kunnen dienen voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Bij toepassing van grond uit niet gezoneerde gebieden moet de grond worden gekeurd conform het Besluit bodemkwaliteit.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

60

Figuur 4.4

Ontgravingsklasse plangebied. Bron: bodemkwaliteitskaart gemeente Nieuwegein

Volgens het bodemloket is het noordelijk deel (Bedrijvenpark het Klooster fase 4) van het plangebied deels voldoende gesaneerd/onderzocht (figuur 4.5). Dit geldt ook voor enkele percelen in het zuidelijk deelgebied. Omdat ter plaatse van het zuidelijk deel geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt vormt het aspect bodem geen belemmering. Ter plaatse van Bedrijvenpark Klooster fase 4 dient bij het verlenen van de omgevingsvergunning van beoogde bedrijven de bodemkwaliteit aangetoond te worden.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

61

Figuur 4.5 Uitsnede plangebied en omgeving, kaart Bodemloket Ook is de bodeminformatie van de gemeente Nieuwegein geraadpleegd. Ter plaatse van het noordelijke deel van het plangebied zijn diverse bodemonderzoeksrapporten aanwezig. Een samenvatting van deze rapporten is toegevoegd in Bijlage 4. De onderzoeken zijn uitgevoerd tussen 1996 en 2009. Deze gronden zijn voornamelijk voormalige agrarische gronden. Voor het grootste deel van deze gronden geldt dat de bodem licht verontreinigd is met zware metalen en PAK. Ook is bij sommige percelen sprake van lichte verontreiniging van het grondwater. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Bij de te verlenen omgevingsvergunningen van bedrijven ter plaatse van bedrijvenpark Het Klooster fase 4 dient actueel bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

5.8

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

62

Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

63

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Utrecht In de provincie Utrecht wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het in of op de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Gemeentelijk groenbeleid De gemeente Nieuwegein heeft in het groenbeleid vastgelegd in het Groenstructuurplan Nieuwegein 2017. Dit beleid heeft de volgende doelen:  Vastleggen wat het 'groene geraamte' van Nieuwegein is, welk groen vormt en ondersteunt de visueel en ecologisch samenhangende ruimtelijke structuur van Nieuwegein en ondersteunt de thema’s uit de structuurvisie.  Beschrijven welk beeld, welke uitstraling gewenst is bij de verschillende onderdelen van deze groenstructuur.  Kaders en uitgangspunten geven voor veranderingen van het openbaar gebied, gericht op behoud en verdere ontwikkeling van een kwalitatief goede en goed beheer(s)bare groenstructuur, waarin alle benodigde en gewenste functies een plaats krijgen.  De groenstructuurplankaart vervangt het 'overzicht kapvergunningplichtige gebieden' bij de eerstvolgende wijziging van de Bomenverordening. In de nota zijn drie functies benoemd die de 'ruggengraat' vormen van het groene geraamte: de ecologische verbindingen, de natuur en de stapstenen.

De lokale ecologische verbinding vormt een belangrijke schakel tussen de gebieden met de functie natuur (kerngebieden) in de gemeente Nieuwegein en daarbuiten. Die verbinding is van belang om een gezond netwerk te krijgen, dat bestand is tegen ziekten en plagen. Dat gezonde netwerk heeft ook zijn uitstraling naar de stapstenen/haarvaten in het 'Netwerk' en het openbaar groen in Nieuwegein dat buiten het 'Netwerk' valt. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft Uiterwaarden Lek op circa 7,4 km afstand (figuur 4.6).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=d080a664-97d6-4564-94c4-21e4eaf0cce2