CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-507 Herstelbesluit bestemmingsplan Zuidoostelijke Stadsrand.pdf

Raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Voorstel over Herstelbesluit bestemmingsplan Zuidoostelijke stadsrand28.770 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

2021-507

ZUIDOOSTELIJKE STADSRAND Bestemmingsplan, herstelbesluit 16 januari 2022

1/3

DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER

16 januari 2022 drs. W. Kraaijeveld

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR Mw. Ing. I. Penning, W. Timmermans, MSc, drs. W. Kraaijeveld STATUS Ter vaststelling

2/3

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Waarom een nieuw bestemmingsplan?

7

1.2

Herstelbesluit

7

1.3

De ligging van het plangebied

8

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

8

1.5

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Inhoud Herstelbesluit

11

2.1

Inleiding

11

2.2

Aanpassingen

11

Hoofdstuk 3

Bestaande situatie en planontwikkeling

15

3.1

Inleiding

15

3.2

Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur

15

3.3

Planontwikkeling

17

3.4

Landbouw

19

3.5

Tracébesluit A27 Houten ‐ Hooipolder

24

Hoofdstuk 4

Beleidskader

27

4.1

Inleiding

27

4.2

Rijksbeleid

27

4.3

Provinciaal en regionaal beleid

32

4.4

Gemeentelijk beleid

40

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

43

5.1

Inleiding

43

5.2

Milieueffectrapportage

43

5.3

Archeologie

44

5.4

Cultuurhistorie

49

5.5

Verkeer en parkeren

55

5.6

Bedrijven en milieuzonering

58

5.7

Bodemkwaliteit

59

5.8

Ecologie

61

5.9

Externe veiligheid

66

5.10

Luchtkwaliteit

74

5.11

Waterhuishouding

76

5.12

Geluid

85

5.13

Planologisch relevante leidingen

87

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

4

Hoofdstuk 6

Juridische opzet

89

6.1

Wettelijk kader

89

6.2

Opzet van de bestemmingsregeling

89

6.3

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

90

6.4

Algemene regels

96

6.5

Overgangsrecht en slotregels

97

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

99

7.1

Economische uitvoerbaarheid

99

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

99

Bijlagen bij de toelichting

101

Bijlage 1

Verkeerskundige analyse Bedrijvenpark Het Klooster

Bijlage 2

Verantwoording groepsrisico A27

Bijlage 3

Beeldkwaliteitsplan Klooster deelgebied 4

107

Bijlage 4

Samenvatting bodemonderzoeksrapporten

109

Bijlage 5

AERIUS berekening

111

Bijlage 6

Ontheffing Wet Natuurbescherming

113

Bijlage 7

Groepsrisicoberekening LNG Tankstation Het Klooster

115

Bijlage 8

Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten

117

Bijlage 9

Notitie beantwoording vooroverlegreacties

119

Bijlage 10

Notitie beantwoording inspraak

121

Bijlage 11

Aanmeldnotitie m.e.r.‐beoordeling

123

Bijlage 12

Uitvoeringsnota geluidbeleid bedrijvenpark Het Klooster

Bijlage 13

Notitie beantwoording zienswijzen

Bijlage 14

Uitspraak voorlopige voorziening Raad van State

127

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

TOELICHTING

6

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Waarom een nieuw bestemmingsplan?

Het Klooster is een modern bedrijvenpark dat momenteel volop in ontwikkeling is. Vanaf de A27 is Het Klooster een belangrijk visitekaartje voor Nieuwegein. In 2017 is een nieuw bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan vastgesteld voor fase 1 tot en met 3 van het bedrijvenpark, alsmede voor de zone rond het Lekkanaal. De in uitvoering zijnde verbreding van het Lekkanaal en de aanleg van een nieuwe kolk ter plaatse van de Prinses Beatrixsluis, in combinatie met de ontwikkeling van het bedrijvenpark, maakt dat sprake is van een dynamisch gebied. De wens is nu om ook om fase 4, aan de noordzijde van het bedrijvenpark tot ontwikkeling te brengen. In het verleden is voor het gehele bedrijvenpark ‐ inclusief fase 4 ‐ een milieueffectrapport uitgevoerd. Voor fase 4 is echter nog geen bestemmingsplan opgesteld dat de planologische mogelijkheid biedt voor de ontwikkeling van een bedrijvenpark. Dat betekent dat hiervoor een nieuw bestemmingsplan vastgesteld moet worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Naast het bovenstaande maken de (agrarische) gronden langs de randen van het bedrijvenpark en de A27 ook onderdeel uit van het plangebied. In het gebied zijn nog enkele (agrarische) bedrijven aanwezig. De wens is om deze bedrijven zoveel dezelfde mogelijkheden te bieden als de andere (agrarische) bedrijven op het Eiland van Schalkwijk (grondgebied gemeente Houten).

Daarbij wordt ingespeeld op actuele ontwikkelingen in de agrarische sector. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een integraal planologisch kader geschapen voor de zuidoostelijke stadsrand van Nieuwegein.

1.2

Herstelbesluit

Tegen het raadsbesluit van 10 december 2020 is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep heeft hoofdzakelijk betrekking op 'De Driehoek' in het noorden van het plangebied. Naast het beroep is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Raad van State heeft op 17 juni 2021 uitspraak gedaan in de voorlopige voorziening en heeft een gedeelte van het bestemmingsplan geschorst omdat er een aantal gebreken zijn geconstateerd (zie bijlage 14). Hangende de bodemzaak is daarom voorliggend herstelbesluit opgesteld waarin de geconstateerde gebreken worden hersteld. Een toelichting op de inhoud van het herstelbesluit is opgenomen in Hoofdstuk 2.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

8

1.3

De ligging van het plangebied

Het plangebied ligt in het zuidoosten van de gemeente Nieuwegein en bestaat uit twee deelgebieden. Het noordelijke gebied is het terrein de Klooster fase 4. Dit gebied wordt begrensd door:  in het noorden: Amsterdam‐Rijnkanaal;  in het zuiden: bedrijventerrein het Klooster;  in het westen: de Vuilcop. Het zuidelijke gebied bestaat uit een deel van de A27, verzorgingsplaats De Kroon en enkele agrarische percelen. Dit gebied wordt begrensd door:  in het oosten: de gemeentegrens met Houten;  in het zuiden: Lekdijk‐Oost;  in het westen: een deel van de Lekdijk‐Oost en de waterstrook. Figuur 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer.

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: ArcGIS luchtfoto 2016)

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Het bestemmingsplan Zuidoostelijke Stadsrand, herstelbesluit vervangt de volgende bestemmingsplannen:  Het Klooster 2004, Correctieve Herziening, vastgesteld 17 februari 2005;  Windpark Nieuwegein, vastgesteld 29 mei 2013 (gedeeltelijk);  Streektransferium Linieland, vastgesteld 27 maart 2013;  Het Klooster 1983.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

9

1.5

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit twee gedeelten: de toelichting en de regels. Het eerste gedeelte betreft de toelichting van dit bestemmingsplan. Hierin wordt na de inleidende paragrafen van Hoofdstuk 1, in Hoofdstuk 2 ingegaan op de wijzigingen aan die ten opzichte van het vastgestelde bestemmingsplan doorgevoerd zijn. In Hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en de beoogde ontwikkeling. In Hoofdstuk 5 worden de diverse omgevingsaspecten onderbouwd. Hoofdstuk 4 geeft de relevante beleidskaders weer. De juridische opzet van het plan wordt in Hoofdstuk 6 uiteengezet en ten slotte wordt in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid verantwoord. De Regels behorende bij dit bestemmingsplan staan in het tweede deel.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

10

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

11

Hoofdstuk 2

2.1

Inhoud Herstelbesluit

Inleiding

Dit bestemmingsplan is hersteld naar aanleiding van het ingestelde beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan. De Raad van State heeft op 17 juni 2021 uitspraak gedaan in de voorlopige voorziening en heeft een gedeelte van het plan geschorst omdat er een aantal gebreken zijn geconstateerd. Hangende de bodemzaak is daarom voorliggend herstelbesluit ex. artikel 6.19 Awb opgesteld waarin de geconstateerde gebreken worden hersteld. In dit hoofdstuk is aangegeven op welke punten het bestemmingsplan gewijzigd is ten opzichte van het vastgestelde plan. De indieners van de beroepen zijn van mening de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende recht heeft gedaan aan de bezwaren die in de zienswijze naar voren zijn gebracht (zie bijlage 13). In dit hoofdstuk is opgenomen tot welke wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde plan dit heeft geleid.

2.2

Aanpassingen

Voorliggend plan bevat aanpassingen als gevolg van de uitspraak van de voorlopige voorziening en aanpassingen naar aanleiding van overige zaken uit het beroepsschrift. 2.2.1 Aanpassingen naar aanleiding van uitspraak voorlopige voorziening 1. Rechtsoverweging 6.2 ‐ m.e.r.‐beoordelingsbesluit De voorzieningenrechter constateert dat er een m.e.r. beoordelingsbesluit had moeten worden genomen. Dat er in 2001 een milieueffectrapport is opgesteld voor het gehele bedrijvenpark Het Klooster, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat er in het kader van de voorbereiding van het besluit van 10 december 2020 geen m.e.r.‐beoordelingsbesluit behoefde te worden genomen. Om dit besluit te kunnen nemen is een vormvrije m.e.r. noodzakelijk. In bijlage 11 is een aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r. opgenomen. Dit is beschreven in paragraaf 5.2. Aanvullend hierop is in artikel 6.4 onder j een gebruiksverbod opgenomen voor activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage. . 2. Rechtsoverweging 7.2 ‐ Provinciale Verordening inzake 'Nieuwe Hollandse Waterlinie' Volgens indieners van de beroepen leidt het bedrijventerrein tot aantasting van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW).

De voorzieningenrechter stelt vast dat de raad er in de toelichting bij het plan, bij de beoordeling van de gevolgen van het bedrijventerrein voor de NHW, van is uitgegaan dat het plangebied in de definitieve UNESCO aanwijzing geen deel meer zal uitmaken van de NHW en dat de raad er kennelijk ook op heeft geanticipeerd dat het deel van het plangebied, waarop het verzoek om een voorlopige voorziening

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

12

betrekking heeft, in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht niet langer als onderdeel van de NHW zal worden aangemerkt. De raad diende bij de vaststelling van het plan echter te toetsen aan de PRV, zoals die toen gold. Inmiddels is de Intermim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht in werking getreden. In paragraaf 4.3 is daarom een nieuwe toetsing opgenomen aan artikel 7.2 van de Interim Omgevingsverordening. 3. Rechtsoverweging 8.2 ‐ Provinciale Verordening inzake 'toekomstig bedrijventerrein' De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan niet in overeenstemming is met artikel 3.20 tweede lid van de PRV inzake de verplichting tot herstructurering bij aanleg van nieuwe bedrijventerreinen. Net als bij punt 2 is het toepasselijk recht bij het Herstelbesluit de Interim Omgevingsverordening. Het nieuwe recht voor uitbreiding van bedrijventerreinen in stedelijk gebied is opgenomen in artikel 9.16 Interim Omgevingsverordening In paragraaf 4.3 is een nieuwe toets aan artikel 9.16 van de Interim Omgevingsverordening opgenomen. 2.2.2 Aanpassingen naar aanleiding van overige zaken in het beroepsschrift 1. Door indieners van het beroep wordt aangegeven dat ter plaatse van het noordelijke bedrijfsperceel met de bestemming 'Bedrijf' ten onrechte een aanduiding maximum goot‐ en bouwhoogte en een bebouwingspercentage op de planverbeelding ontbreekt.

Deze constatering is juist en betreft een omissie. Dit is in voorliggend plan aangepast. Ter plaatse is een bebouwingpercentage opgenomen van 20% en een maximum goot‐ en bouwhoogte van 6 m, respectievelijk 10 m. Voor bedrijfswoningen geldt een maximum goothoogte van 4,5 m. Het bebouwingspercentage is berekend aan de hand van het percentage van de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak met een mogelijkheid om daar nog maximaal 10% aan toe te voegen. 2. In artikel 19.2.3 ontbreekt volgens indiener de adviesplicht voor cultuurhistorie overeenkomstig artikel 20.2.3. Dit is in voorliggend plan hersteld. In artikel 19.2.3 is sub b toegevoegd. 3. Indienders hebben bezwaar tegen de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het verhogen van de bouwhoogte binnen de bestemming Bedrijventerrein. In de toelichting, paragraaf 3.3 is hiervoor een aanvullende motivering opgenomen. Tevens zijn 4 kavelpaspoorten toegevoegd aan het beeldkwaliteitsplan als aanvullende concretisering. 4. Indieners stellen dat de maximale geluidsemissie per bedrijfskavel zoals die is gemaakt voor bedrijvenpark Het Klooster niet is opgenomen in het bestemmingsplan. Tevens is volgens indieners niet inzichtelijk gemaakt hoe deze geluidverdeling inzichtelijk is gemaakt. Naar aanleiding van het beroep is de Uitvoeringsnota geluidbeleid geactualiseerd en toegevoegd aan het bestemmingsplan.

Hierin is tevens de geluidsemissie voor fase 4 inzichtelijk gemaakt. Tevens is per bedrijfskavel een maximum geluidsemissie dB(A) per m2 opgenomen op de planverbeelding en in de regels. Dit is toegelicht in paragraaf 5.6. 5. In het beroepsschrift worden diverse punten aangehaald waarop het stikstofdepositie onderzoek onvolledig zou zijn. De stikstofberekeningen in Bijlage 5 zijn aangepast op basis van de meest actuele wet‐ en regelgeving en rekenmodellen. Tevens is de toelichting in paragraaf 5.8 aangevuld. Daarnaast is de maximale emissie zoals vastgelegd in de planregels binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' (artikel 6.4) geactualiseerd. Met het vastgelegde emissieplafond NOx kg/jaar per bedrijfskavel treden geen significant negatieve effecten op ter plaatse van Natura2000 gebieden. 2.2.3 Ambtshalve aanpassingen 1. Het noordelijke perceel met de bestemming 'Bedrijf' wordt in de toekomstige situatie ontsloten via de nog aan te leggen wegenstructuur op bedrijvenpark Het Klooster, deelgebied 4. Ter plaatse ligt tussen de ontsluitingsweg op Het Klooster en het noordelijke bedrijfsperceel een sloot met de bestemming 'Water'. Omdat ontsluitingen ten behoeve van het naastgelegen bedrijfsperceel niet mogelijk zijn binnen deze bestemming, wordt de aanduiding 'ontsluiting' toegevoegd op de planverbeelding.

In de planregels wordt bepaald dat tevens een ontsluiting ten behoeve van het naastgelegen bedrijfsperceel mogelijk is.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

13

2.

In paragraaf 4.4 is de tekst over de structuurvisie vervangen door de inmiddels vastgestelde Omgevingsvisie van de gemeente Nieuwegein. Het bestemmingsplan is in lijn met de Omgevingsvisie.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

14

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

15

Hoofdstuk 3

3.1

Bestaande situatie en planontwikkeling

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke en functionele situatie van het plangebied beschreven.

3.2

Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur

3.2.1 Ruimtelijke structuur Zoals in paragraaf 1.3 beschreven, bestaat het plangebied uit twee delen; het noordelijke en het zuidelijke deel. Deze delen verschillen ruimtelijk en functioneel veel van elkaar, daarom worden ze apart behandeld. Noordelijk deel Het noordelijk deel ligt tussen het bedrijf Van Wijk Beheer en het bedrijventerrein het Klooster in. Dit gebied wordt begrenst door de Vuilcop, de voormalige Heemsteesche weg die naar Kasteel Heemstede in Houten liep, en het Amsterdam‐Rijnkanaal die bij haar aanleg deze en andere landschappelijke structuren doorsneed. Aan de westzijde ligt een natuurcompensatiegebied dat is aangelegd in verband met de uitbreiding van de waterstaatkundige voorzieningen in het Lekkanaal.

Figuur 2.1

Houtensche‐ en Vuilcopse wetering

Zuidelijk deel Het zuidelijk bestaat uit de verzorgingsplaats de Kroon met aan de zuidkant daarvan enkele agrarische percelen. Ook bevat dit deel een gedeelte van de Schalkwijkse Wetering: de wetering die zeer belangrijk was voor de afwatering van het gehele eiland op het Merwedekanaal. De bodem van de komgronden ligt laag, is nat en bestaat voornamelijk uit rivierkleigronden die zijn opgedeeld in een regelmatige strookverkaveling vanuit ontginningsassen met een netwerk van sloten en weteringen. De Waalseweg, die in het oosten van dit deel van het plangebied ligt, is zo'n ontginningsas.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

16

3.2.2 Functionele structuur De ruimtelijke opbouw van Nieuwegein kent een duidelijke scheiding van wonen en werken, de scheiding van verkeerssoorten, een optimale wegenstructuur aangesloten op het rijkswegennet en een verbinding met de stad Utrecht. Door de aanwezige infrastructuur met een directe aansluiting op de A27 kent het plangebied een goed ontsloten ligging. Daarnaast ligt het plangebied nabij twee brede waterwegen, het Amsterdam‐Rijnkanaal en de Lek, die zijn verbonden door het Lekkanaal. Noordelijk deel Het plangebied grenst in het noorden aan het Amsterdam Rijnkanaal. Langs het kanaal ligt de Vuilcopsekanaaldijk. Ter hoogte van de watergang langs de A27 ligt een gemaal van het Hoogheemraadschap. In het uiterste noorden van het plangebied is een bouw‐ en aannemingsbedrijf met bedrijfswoning aanwezig Het deel van dit gebied ten zuiden van het bestaande bedrijf is in de huidige situatie landbouwgrond. Dit bestaat uit enkele percelen die van elkaar worden gescheiden door smalle sloten. Aan de zuidkant van deze percelen ligt een onverharde weg. Zuidelijk deel Het zuidelijk deel bestaat uit een deel van de A27 en verzorgingsplaatsen 'de Kroon' en 'de Knoest'. Op beide verzorgingsplaatsen zijn tankstations aanwezig. Op verzorgingsplaats de Kroon bevinden zich tevens een snellaadstation voor elektrische auto's en twee horecagelegenheden.

De Kroon is verbonden met de Knoest door middel van een voetgangersbrug. De Knoest heeft geen andere faciliteiten dan het tankstation. Aan de westzijde van de A27 staan vijf windmolens, waarvan één binnen het plangebied staat. Aan de oostzijde van de autosnelweg ligt het streektransferium Linieland. Dit transferium is bedoeld voor automobilisten die hier hun auto kunnen laten staan om te voet, per fiets of per kano het waterliniegebied in te gaan. Ook worden ter plaatse streekproducten verkocht. Ten zuiden van dit transferium liggen agrarische percelen, net als het deel ten zuiden van de Achterweg. Aan de Achterweg liggen enkele agrarische percelen. Vanwege de besloten ligging (als gevolg van de A27) staat het agrarische gebied tussen de A27 en het Lekkanaal landschappelijk gezien op zichzelf. In het gebied is één agrarisch bedrijf aanwezig en een perceel met een burgerwoning. Het gebied ten oosten van de A27 heeft vanwege de landschappelijke aansluiting met het Eiland van Schalkwijk en gezien de aanwezige landschappelijke elementen, zoals de oude boomgaarden en fraaie laanbeplanting langs de gemeentegrens een sterkere landschappelijke waarde dan het gebied ten westen van de A27. Aan de oostkant van de A27 ligt een burgerwoning met agrarische gronden. Op het perceel daarnaast is een fruitteeltbedrijf met een bedrijfswoning aanwezig.

Aan de Lekdijk Oost 1 ligt een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

17

Figuur 2.2 Functionele structuur

3.3

Planontwikkeling

Het noordelijk deelgebied voorziet in de verdere ontwikkeling van het bedrijvenpark Het Klooster. Het zuidelijke deelgebied legt voornamelijk de bestaande situatie vast. Op het aspect 'landbouw' is in de hiernavolgende paragraaf ingegaan. In verband met de provinciale verordening gelden hier specifieke eisen. Noordelijk deel De agrarische percelen tussen het genoemde bedrijfsperceel en de Vuilcop zullen deel gaan uitmaken van bedrijvenpark het Klooster; dit is fase 4. Momenteel is het bedrijvenpark in aanleg en hebben zich zowel grote logistieke bedrijven als middelgrote en kleine bedrijven gevestigd. Qua verkaveling zal fase 4 aansluiten bij de voorgaande fases. Er worden vier relatief grote bouwkavels voor logistieke bedrijven uitgegeven welke in noord‐zuid richting gescheiden zullen worden door de verlengde Waterliniedok en in oost‐west richting door een groenstrook die tevens bedoeld voor langzaam verkeer. De opzet van deelgebied 4 is naast de verkavelingsrichting voornamelijk bepaald door de landschappelijke lijn van de Houtense wetering. Dit is een restant van een crevasse in de ondergrond. Daarnaast hebben de randen van de kavels verschillende landschappelijke waarden: aan de oostzijde het Amsterdam Rijnkanaal, aan de zuidkant de Vuilcopse wetering en aan de westzijde de Vuilcop.

De hoofdontsluiting van het gebied heeft een karakteristiek en hoogwaardig vormgegeven profiel. Belangrijk hierbij is dat de middenberm overrijdbaar is om het vrachtverkeer de kavels te kunnen laten opdraaien.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

17

Figuur 2.2 Functionele structuur

3.3

Planontwikkeling

Het noordelijk deelgebied voorziet in de verdere ontwikkeling van het bedrijvenpark Het Klooster. Het zuidelijke deelgebied legt voornamelijk de bestaande situatie vast. Op het aspect 'landbouw' is in de hiernavolgende paragraaf ingegaan. In verband met de provinciale verordening gelden hier specifieke eisen. Noordelijk deel De agrarische percelen tussen het genoemde bedrijfsperceel en de Vuilcop zullen deel gaan uitmaken van bedrijvenpark het Klooster; dit is fase 4. Momenteel is het bedrijvenpark in aanleg en hebben zich zowel grote logistieke bedrijven als middelgrote en kleine bedrijven gevestigd. Qua verkaveling zal fase 4 aansluiten bij de voorgaande fases. Er worden vier relatief grote bouwkavels voor logistieke bedrijven uitgegeven welke in noord‐zuid richting gescheiden zullen worden door de verlengde Waterliniedok en in oost‐west richting door een groenstrook die tevens bedoeld voor langzaam verkeer. De opzet van deelgebied 4 is naast de verkavelingsrichting voornamelijk bepaald door de landschappelijke lijn van de Houtense wetering. Dit is een restant van een crevasse in de ondergrond. Daarnaast hebben de randen van de kavels verschillende landschappelijke waarden: aan de oostzijde het Amsterdam Rijnkanaal, aan de zuidkant de Vuilcopse wetering en aan de westzijde de Vuilcop.

De hoofdontsluiting van het gebied heeft een karakteristiek en hoogwaardig vormgegeven profiel. Belangrijk hierbij is dat de middenberm overrijdbaar is om het vrachtverkeer de kavels te kunnen laten opdraaien.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

18

In het gebied worden middelgrote en grote volumes gebouwd. Langs het Amsterdam Rijnkanaal en de A27 presenteren de bedrijven en het terrein zich als een geheel wat vraagt om een aantrekkelijke en hoogwaardige uitstraling.

Figuur 2.3: Zones bedrijvenpark het Klooster Bouwhoogten deelgebied 4 Deelgebied 4 sluit direct aan op deelgebied 3 van Het Klooster. In beide delen is ruimte voor grote bedrijfskavels voor onder andere handel en logistiek. In aansluiting op de bouwhoogten in deelgebied 3 is ook in deelgebied 4 gekozen voor een bouwhoogte van 12 m. Dit komt ongeveer overeen met 3 een hoogte van verdiepingen bij bedrijfsbebouwing. In het algemeen hebben bedrijven van de beoogde aard en omvang deze hoogte nodig. Gezien de ontwikkelingen in met name de logistiek en efficiëntere interne productieprocessen kan een hogere bouwhoogte worden gevraagd ten behoeve van een efficiënte en duurzame bedrijfsvoering. Andere functies zoals wonen en horeca liggen minimaal 150 m vanuit de grens van het bestemmingsvlak voor bedrijven in deelgebied 4. Deze andere functies liggen aan de overzijde van de grote infrastructurele lijnen van het kanaal of de rijksweg. Deze barrière werking zorgt voor een zeer duidelijke ruimtelijke scheiding van de verschillende landschappen. Daarnaast staat langs het kanaal een dubbele rij hoge bomen die het zicht op de bedrijfsbebouwing deels zullen wegnemen.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

19

Ook aan de noordzijde van het kanaal staat beplanting die er voor zorgt dat vanuit verschillende plekken er nauwelijks zicht is op het bedrijventerrein deel 4. De gemeente Nieuwegein is bereid onder voorwaarden een verhoging van de bouwhoogte toestaan mits dit voor de grotere omgeving geen ruimtelijk significante nadelige gevolgen heeft. Gezien de grote afstand tot andere functies vanuit het bedrijventerrein, de schaal van de overige bebouwing op het terrein en de hoge bomen langs het kanaal is een maximale hoogte van 18 meter voorstelbaar. Daarom is een bepaling opgenomen in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de maximum toegestane bouwhoogte van 12 m. tot een hoogte van maximaal 18 m. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om af te wijken indien dat in bedrijfsmatig opzicht noodzakelijk wordt geacht. Als voorwaarde geldt daarnaast dat er geen stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren zijn, er geen onevenredige hinder/overlast ontstaat op aangrenzende percelen en dit niet ten koste gaat van de beeldkwaliteit van het bedrijvenpark. In Bijlage 3 is het Beeldkwaliteitsplan toegevoegd waarin de randvoorwaarden staan ten aanzien van de inrichting van Bedrijvenpark Het Klooster fase 4. Hierin zijn tevens kavelpaspoorten opgenomen. Zuidelijk deel In dit gebied worden geen ontwikkelingen voorzien, maar wordt de huidige situatie vastgelegd.

Wel worden er aan de agrarische bedrijven mogelijkheden voor neven‐ en vervolgfuncties geboden. Nevenfuncties zijn activiteiten die naast de agrarische bedrijfsvoering kunnen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld een bed‐and breakfast of theetuin. Vervolgfuncties betreffen functies na opheffing van de agrarische activiteiten. Ook onderdeel van dit gebied is het streektransferium linielanding. De Linielanding is onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Reparatie bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Het Klooster' Langs de Waterliniedok ligt een groenstrook die in het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Het Klooster' per abuis bestemd is voor 'Natuur'. Figuur 2.4 geeft de ligging van deze groenstrook weer. Deze groenstrook wordt ingericht als fietspad. Dit is onderdeel van de optimalisatie van de ontsluiting van het bedrijventerrein op de A27. In voorliggend bestemmingsplan is dit deel toegevoegd aan het plangebied en bestemd voor 'Groen'.

Figuur 2.4: Ligging groenstrook

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

20

3.4

Landbouw

Het zuidelijk deel van het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Nieuwegein. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de ontwikkelingen binnen het thema landbouw en hoe hiermee in dit bestemmingsplan is omgegaan. Grondgebruik De landbouw is de belangrijkste economische drager en beheerder van het agrarische cultuurlandschap. In het plangebied komen de volgende productietakken voor. Grondgebonden veehouderij Grondgebonden veehouderij betreft het houden van melk‐ en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond. Onder grondgebonden veehouderij wordt tevens verstaan het houden van schapen en geiten en het fokken van paarden, indien dit (nagenoeg) geheel op open grond plaatsvindt. Paardenhouderijen, maneges en daarmee vergelijkbare bedrijven worden hiertoe niet gerekend. Fruitteelt Onder fruitteelt wordt verstaan de teelt van fruit op open grond. Bouwmogelijkheden Bouwvlak In het nieuwe bestemmingsplan wordt aan de in het plangebied aanwezige agrarische bedrijven een bouwvlak toegekend. Uitgangspunt daarbij is in beginsel de vigerende regeling. Alle bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning en overige bijgebouwen, dienen binnen het bouwvlak te worden gesitueerd. Ook teeltondersteunende voorzieningen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden.

Wel kan via afwijking een omgevingsvergunning worden verleend voor de realisatie van tijdelijke hoge boogkassen en kuilvoerplaten en sleufsilo's buiten het bouwvlak. Bedrijfswoning Het aantal bedrijfswoningen is gebaseerd op de mogelijkheden in de vigerende bestemmingsplannen. Deze zijn specifiek aangeduid. Nieuwe tweede bedrijfswoningen worden in lijn met de Provinciale Verordening Ruimte niet mogelijk gemaakt. Paardenbakken Paardenbakken zijn rechtstreeks alleen binnen het bouwvlak toegestaan. Voor het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak is een afwijking in het bestemmingsplan opgenomen. De voorwaarden waaronder een paardenbak buiten het bouwvlak is toegestaan zijn:  de paardenbak dient gesitueerd te worden direct grenzend aan het betreffende agrarische bouwvlak;  indien een paardenbak wordt gerealiseerd ten behoeve van een (bedrijfs)woning binnen de bestemming Bedrijf of Wonen, dient deze gesitueerd te worden op gronden met de bestemming Agrarisch direct grenzend aan het betreffende bestemmingsvlak Wonen;  de paardenbak mag niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden;  er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;  de omvang van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 20 bij 40 m;  lichtmasten bij de paardenbak zijn niet toegestaan.

Teeltondersteunende voorzieningen In het bestemmingsplan wordt een regeling voor teeltondersteunende voorzieningen (TOV's) opgenomen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen de duur van de TOV (permanent of tijdelijk) en de hoogte van de TOV (laag of hoog).

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

21

tijdelijk of permanent laag of hoog Tijdelijk (maximaal 6 maanden laag: < 1,2 m per jaar) hoog: > 1,2 m Permanent (minimaal 6 laag: < 1,2 m maanden per jaar) hoog: > 1,2 m

Overig

voorbeeld afdekfolies, insectengaas, acryldoek, lage tunnel‐ of boogkassen hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen containervelden bakken op stellingen (met regenkappen), teeltondersteunende kassen, hoge tunnel‐ of boogkassen stellages met en voor regenkappen bij grondgebonden teelt van zacht fruit, boomteelthekken, vraatnetten, palen en masten voor gewasbescherming

Binnen het bouwvlak mogen alle vormen van teeltondersteunende voorzieningen rechtstreeks gerealiseerd worden. Buiten het bouwvlak zijn alleen lage, tijdelijke TOV's rechtstreeks toegestaan. Voor de realisatie van hoge, tijdelijke TOV's en voor overige TOV's buiten het bouwvlak is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Permanente TOV's zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan. Nieuwvestiging Onder nieuwvestiging wordt de oprichting van een nieuw of de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf verstaan, waarvoor een nieuw bouwvlak wordt gerealiseerd. De kans op nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf binnen de planperiode is zo goed als uitgesloten. Dit heeft ermee te maken dat in Nederland jaarlijks 2 tot 3% van de agrarische bedrijven stopt. Nieuwvestiging wordt daarom binnen het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Hiermee wordt tevens een verdere verstening van het landelijk gebied voorkomen. Verbreding De landbouw is van groot belang voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarom is het van belang om de bestaande grondgebonden agrarische bedrijven zoveel mogelijk te behouden. In de eerste plaats worden hiertoe passende agrarische ontwikkelingsmogelijkheden geboden, rekening houdend met de aanwezige belangen van natuur, landschap en cultuurhistorie.

Om een duurzame ontwikkeling van agrarische bedrijven mogelijk te maken, biedt het bestemmingsplan mogelijkheden om op agrarische bedrijven een niet‐agrarische nevenfunctie te ontwikkelen. Niet‐ agrarische en agrarisch verwante nevenfuncties vormen steeds vaker een wezenlijk onderdeel van een duurzame en toekomstgerichte agrarische bedrijfsvoering. Ook bieden nevenfuncties mogelijkheden voor extra inkomensverwerving en daarmee tot het behoud van agrarische bedrijven. De afname van het aantal agrarische bedrijven kan hierdoor worden vertraagd en het agrarische karakter van de (cultuurhistorisch waardevolle) bedrijfsgebouwen blijft behouden. Tabel 2.1 Toegestane nevenfuncties nevenfunctie

Rechtstreeks toegestane nevenfuncties verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten inpandige opslag en stalling van agrarische producten (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering) veearts/hoefsmederij/KI‐station ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet‐ en vlechtwerk, klompenmakerij)

max. m² aan bestaande bebouwing in gebruik

max m² aan gronden in gebruik

100 300

100 ‐

100 100

100 100

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

22

inpandige statische volumineuze opslag en stalling van niet‐ agrarische producten/werktuigen/ voertuigen in bestaande gebouwen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, geen detailhandel rondleidingen op het agrarische bedrijf

300

‐

100

kano‐, boot of fietsenverhuur kleinschalige kinderopvang in de bedrijfswoning Toegestane nevenfunctie via afwijking veehandelsbedrijf, foeragehandel agrarisch loonbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten hoveniersbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten overige bedrijven behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten dierenpension agrarisch verwante sociale functies (resocialisatie, therapie, zorgboerderij) bed & breakfast/gastenverblijf recreatief nachtverblijf/ kampeerboerderij kleinschalig kamperen tot maximaal 25 kampeermiddelen

100 ‐

alle bij het bedrijf behorende gronden 100 ‐

300 300

500 500

300

500

100

100

200 200

500 alle bij het bedrijf behorende ronden 100 100 2500 binnen het bouwvlak 200 alle bij het bedrijf behorende gronden 500 500

middelgrote kinderopvang rondleidingen op het agrarische bedrijf (voorzieningen hiertoe als ontvangstruimte) galerie/atelier/museum/tentoonstellingsruimte horeca‐activiteiten voorzover ten dienste aan de hoofdactiviteit en deze behoren tot de categorieen 1 en 4 van de van deze regels deel uitmakende 'Staat van Horeca‐ activiteiten rechtsreeks toegestane nevenfuncties (indien geurgevoelig)

100 100 200 200 n.v.t. 100 100

zie rechtstreeks zie rechtstreeks toegestane toegestane nevenfuncties nevenfuncties

In tabel 2.1 is weergeven welke agrarisch verwante en niet‐agrarische functies als nevenfunctie aanvaardbaar zijn, zowel rechtstreeks als via een afwijkingsbevoegdheid. De gezamenlijke omvang van de niet‐agrarische nevenfuncties moet een ondergeschikt deel (minder dan de helft) blijven vormen van de totale productieomvang van het betreffende agrarisch bedrijf. Om het begrip ondergeschiktheid toetsbaar te maken, zijn waar mogelijk per nevenfunctie maximale oppervlaktematen voor in gebruik te nemen bebouwing en in gebruik te nemen gronden opgenomen. Omdat het vooraf niet met zekerheid is te zeggen welke nevenfuncties in de toekomst worden ontwikkeld, is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor nevenfuncties die naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de nevenfuncties zoals genoemd in de tabel. De toelaatbaarheid van nevenfuncties wordt in belangrijke mate bepaald door de effecten die nevenfuncties (kunnen) hebben op hun omgeving. Daarnaast kan de bestaande omgeving ook effecten hebben op de nieuwe nevenfunctie. Het begrip omgeving wordt hier breed opgevat. Zo zijn in de afweging de effecten van nevenfuncties op de volgende aspecten meegewogen bij de toelaatbaarheid:  natuur en landschap;  het erf;

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

23

  

omliggende agrarische bedrijven; de verkeersaantrekkende werking; de woon‐ en leefomgeving.

Bouwmogelijkheden nevenfuncties De activiteiten die in de tabel zijn genoemd, dienen zoveel mogelijk binnen het bouwvlak plaats te vinden. Voor zover relevant, is per nevenfunctie aangegeven wat de maximale toegestane oppervlakte is die hiervoor bebouwd c.q. gebruikt mag worden. Door deze maximum maat wordt bewerkstelligd dat de nevenfunctie ondergeschikt is en de ruimtelijke uitstraling beperkt blijft. In het bestemmingsplan worden geen beperkingen opgenomen waar de nevenactiviteiten (bijvoorbeeld uitsluitend binnen hoofdgebouw) uitgeoefend mogen worden. Voorwaarde blijft dat naast de nevenfunctie nog op een volwaardige en duurzame wijze agrarische activiteiten uitgeoefend dienen te worden. Het kan in de praktijk voorkomen dat agrariërs een combinatie van neventaken bij hun agrarisch bedrijf willen oprichten. Ook dit wordt aan een maximum oppervlak gekoppeld, om het ondergeschikte karakter te waarborgen. Bij een combinatie van nevenfuncties wordt het gebruik van maximaal 300 m² bebouwing en 4.000 m2 aan gronden toegestaan.

Bedrijfsbeëindiging en vervolgfuncties Gezien de te verwachten ontwikkelingen in de agrarische sector, is het waarschijnlijk dat ook in de komende planperiode een aantal agrarische bedrijven wordt beëindigd. De vrijkomende bedrijfsgebouwen in het plangebied zijn onder andere gewild voor bewoning (woonboerderijen) en niet‐ agrarische bedrijfsactiviteiten. Deze aantrekkingskracht heeft verschillende oorzaken:  goedkope vestigingslocatie (vergeleken met bedrijventerreinen);  situering in een landschappelijke en cultuurhistorisch interessante omgeving met de mogelijkheid van landelijk wonen;  meer ruimte ('vrijheid') en minder milieubelemmeringen dan in stedelijke gebieden. Voor het toestaan van vervolgfuncties is het van belang te kijken naar de impact op de landschaps‐ en natuurwaarden, het aantrekken van verkeer over de wegen in het buitengebied en parkeer‐ en milieuaspecten. Om ongewenste situaties te voorkomen voeren het Rijk en de provincie een terughoudend beleid ten aanzien van functies die niet thuishoren in het buitengebied. Om tegemoet te komen aan de behoefte om passende vervolgfuncties mogelijk te maken, zijn mogelijkheden opgenomen voor niet‐agrarische vervolgfuncties na beëindiging van agrarische bedrijven. In tabel 2.2 opgenomen, waarin staat aangegeven welke vervolgfuncties wenselijk zijn.

Tabel 2.2 Toegestane vervolgfuncties Vervolgfunctie veehandelsbedrijven, foeragehandel agrarische handels‐ en exportbedrijf agrarisch loonbedrijf inpandige opslag en stalling van agrarische producten in de bestaande bebouwing veearts/hoefsmederij/KI‐station ambachtelijke be‐ en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet‐ en vlechtwerk, klompenmakerij) hoveniersbedrijf in categorie 1, 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten huisdierenpension/hondenfokkerij sociale functie (resocialisatie, therapie, zorgboerderij) inpandige statische volumineuze opslag en stalling van niet agrarische

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

24

producten/werktuigen/voertuigen in bestaande bebouwing, behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten horeca‐activiteiten behorende tot de categorieën 1 en 4 van de Staat van Horeca‐activiteiten galerie/atelier/museum/tentoonstellingsruimte dagrecreatieve functies met een directe link met het landelijk gebied (zoals een kinderboerderij, poldersport, excursiebedrijf, boerengolf, survivalactiviteiten dierenpension kampeerboerderij recreatief nachtverblijf Via planwijziging kan de bestemming Agrarisch worden gewijzigd in een passende bestemming, waarbij op de plankaart de bouwaanduiding 'voormalige bedrijfsbebouwing' (sba‐vbb) wordt aangegeven. Nevenfuncties die deel uitmaken van het agrarische bedrijf dat wordt opgeheven kunnen ook als meer zelfstandige voorziening van betekenis voor het plangebied zijn. De blijvende aanwezigheid van deze nevenfuncties zal door middel van een specifieke functieaanduiding op de plankaart en in de regels worden opgenomen. Wanneer voormalige bedrijfscomplexen in gebruik worden genomen voor het wonen, is het ter plaatse uitoefenen van een beroep‐aan‐huis ook toegestaan. Nieuwbouw ten behoeve van een vervolgfunctie is niet toegestaan.

Wanneer bestaande vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen niet of minder geschikt zijn voor een vervolgfunctie, kan in het kader van een gewenste kwaliteitsverbetering gebruikgemaakt worden van een saneringsregeling. Deze saneringsregeling houdt in dat voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt wordt, waarna 50% van het voormalige bebouwingsoppervlak met een maximum van 300 m² teruggebouwd mag worden. Ruimte voor Ruimte In de Interim Omgevingsverordening is een Ruimte voor Ruimte‐regeling opgenomen die het mogelijk maakt buiten de bebouwingscontouren nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Op basis van deze Ruimte voor Ruimte‐regeling mogen ter compensatie van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen dan wel sanering van sierteelt onder voorwaarden één of meerdere compensatiewoningen worden gebouwd.

Daarbij gelden de volgende voorwaarden:  alle bedrijfsgebouwen dienen gesloopt te worden, met dien verstande dat monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet mogen worden gesloopt;  de wijzigingsbevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast indien het agrarisch gebruik beëindigd is en is aangetoond dat op het betreffende perceel het uitoefenen van een agrarisch bedrijf niet meer mogelijk is;  de functie wonen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings‐ en ontwikkelingsmogelijkheden);  indien 1.000 tot 2.500 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, mag er één nieuwe woning worden gebouwd;  indien 2.500 tot 4.000 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, mogen er twee nieuwe woningen worden gebouwd;  indien meer dan 4.000 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, mogen er drie nieuwe woningen worden gebouwd;  indien 5.000 m² aan kassen wordt gesloopt, mag er één nieuwe woning worden gebouwd;  de compensatiewoning wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing;  de compensatiewoning dient op het betreffende bouwvlak gebouwd te worden of elders indien dit leidt tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. 

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

25

3.5

Tracébesluit A27 Houten ‐ Hooipolder

Het tracébesluit A27 Houten ‐ Hooipolder (vastgesteld op 20 december 2018) is sinds 26 augustus 2020 onherroepelijk en werkt rechtstreeks door in het ruimtelijk beleid van de gemeente Nieuwegein. Binnen een jaar ná de genoemde datum dienen de betrokken gemeenten een bestemmingsplan conform het tracébesluit vast te stellen. Dit is voorgeschreven in de Tracéwet. In het deelgebied Houten‐Everdingen ‐ waar het plangebied deel van uitmaakt ‐ wordt de weg richting Breda verbreedt naar 4 reguliere rijstroken. De verbreding heeft ook gevolgen voor de bruggen op dit traject. Ten hoogte van het Amsterdam Rijnkanaal wordt de Houtensebrug gerenoveerd en verbreedt en ten hoogte van de Lek wordt de bestaande Hagesteinsebrug vervangen voor 2 nieuwe bruggen. Aan de westkant van de nieuwe Hagesteinsebrug komt een vrijliggend 2‐richtingenfietspad. Daarnaast vindt lanschappelijke inpassing plaats. Bovengenoemde wijzigingen zijn ‐ voorzover binnen het plangebied ‐ vertaald in de juridische regeling van dit bestemmingsplan. Tevens is de aanleg van een tijdelijk werkterrein bij de Houtensebrug mogelijk gemaakt. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan de voorgeschreven eisen in de Tracéwet.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

26

Figuur 2.5 Visualisatie deelgebied Houten ‐ Everdingen ter hoogte van het plangebied (bron: Rijkswaterstaat)

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

26

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

27

Hoofdstuk 4

4.1

Beleidskader

Inleiding

In het kader van het bestemmingsplan is de ontwikkeling getoetst aan de relevante beleidsstukken op rijks‐, provinciaal en gemeentelijk niveau.

4.2

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk‐ economische structuur van Nederland;  het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven. De regio Utrecht is onderdeel van de Noordvleugel van de Randstad. Er geldt geen specifiek beleid voor het plangebied. Meer in het algemeen wordt aangegeven dat de economische kracht van Utrecht voornamelijk zit in de hoog opgeleide bevolking, de kennisintensieve en creatieve sectoren, de zakelijke en financiële dienstverlening en Life Sciences & Health (Utrecht Science Park). Maar ook de centrale ligging en landschappelijke en cultuurhistorische waarden dragen bij aan de economische kracht. De economie en het aantal huishoudens zullen in Utrecht naar verwachting tot 2040 blijven groeien.

Vanwege de complexiteit en de omvang van de binnenstedelijke opgave en de relatie van deze opgave met het functioneren van de draaischijf Utrecht maken het Rijk en de regio hierover afspraken. Toetsing Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het bedrijvenpark. Deze ontwikkeling heeft geen raakvlakken met de nationale belangen uit de SVIR. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, Regeling algemene regels ruimtelijke ordening(2012) Het Barro en Rarro bevatten inhoudelijke regels van de Rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen met ruimtelijke onderbouwing moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart) en Erfgoed (Unesco). Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen uit het Barro relevant:  Rijksvaarwegen;  Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

28

Toetsing Rijksvaarwegen (titel 2.1) Voor het bestemmingsplan is relevant dat de gronden deels zijn gelegen binnen de begrenzing van een rijksvaarweg of een vrijwaringszone. Het betreft het Amsterdam‐Rijnkanaal. Titel 2.1 geeft aan dat voor de wijziging van bestemmingsplannen waarbinnen rijksvaarwegen zijn gelegen, rekening dient te worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor:  de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;  de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;  het contact van de scheepvaart met bedienings‐ en begeleidingsobjecten;  de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; en  het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Vanwege de CEMT‐klasse VIb geldt er op basis van Barro artikel 2.1.2 lid 2 onder c een vrijwaringszone van 25 meter breed vanaf de begrenzing van de rijksvaarweg. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw bedrijventerrein ten zuiden van het Amsterdam‐Rijnkanaal. Er wordt ruim meer dan 25 meter afstand aangehouden tussen de toekomstige bedrijfskavels en het kanaal, mede vanwege de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Op deze gronden geldt geen bouwvlak waardoor belemmeringen voor de scheepvaart niet zullen optreden.

Om de waterstaatsdoeleinden in de vorm van de waterhuishouding, het verkeer te water en de afvoer van hoog oppervlaktewater, sediment en ijs in stand te houden is de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterstaatkundige functie' opgenomen. Titel 2.13 Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde worden beschreven in titel 2.13. Eén van de erfgoederen die aangewezen is als erfgoed van uitzonderlijke waarde betreft de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze is gelegen ter plaatse van het plangebied. Provinciale Staten hebben de opdracht de begrenzing van de erfgoederen nader uit te werken. In het kader van de toetsing aan de provinciale ruimtelijke verordening komt dit onderwerp daarom aan bod, zie paragraaf 4.3. Besluit ruimtelijke ordening (2012) Aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 1 oktober 2012 in artikel 3.1.6 de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. De wijziging van artikel 3.1.6 Bro is van toepassing op alle ruimtelijke besluiten die door overheden worden genomen, omdat zorgvuldige benutting van ruimte de grondslag moet zijn van alle ruimtelijke besluiten. Gevraagd wordt om standaard en gemotiveerd stappen te zetten ('de treden van de ladder') wanneer een nieuwe ontwikkeling of nieuwe ontwikkelingen om ruimtelijke inpassing vragen.

Toetsing De behoefte aan bedrijventerrein in de provincie is onderzocht in het rapport Vraagraming Provincie Utrecht t/m 2027: bedrijventerreinen, stec 2016.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

29

Figuur 3.1 Prognose bedrijventerreinenbehoefte (bron: Vraagraming Provincie Utrecht t/m 2027) De historische uitgifte is in het rapport leidend als verdeelsleutel van de vraag per regio. De helft van de vraag in de provincie Utrecht komt in de regio Utrecht terecht. Het Programma bedrijventerrein 2013 t/m 2028 (in netto hectare) is vastgelegd in de Provinciale structuurvisie en mede op basis van bovenstaand onderzoek in 2016 herijkt. Het bedrijventerreinenprogramma voor de Regio Utrecht is afgerond 21 hectare netto. Binnen de regio Utrecht is nog een grote restcapaciteit aan bedrijventerreinen vastgelegd in bestemmingsplannen, onder andere op de locaties De Meerpaal in Houten, Het Klooster in Nieuwegein, De Wetering en Haarrijn in Utrecht en Gaasperwaard in Vianen.

Figuur 3.2 Bedrijventerreinenprogramma regio Utrecht, bron: provinciale structuurvisie Utrecht, herijking 2016 Voor Nieuwegein is uitbreiding met circa 10 hectare netto bedrijventerrein nog steeds actueel. Hiervoor is ruimte gereserveerd. Het gebied is in de provinciale structuurvisie aangemerkt als 'toekomstig bedrijventerrein' (figuur 3.3).

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

30

Figuur 3.3 Uitsnede Provinciale structuurvisiekaart Wonen en werken Bij de Herijking PRV/PRS 2016 is geconstateerd dat op regionaal niveau in het stedelijk programma nog voldoende ruimte beschikbaar is voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen op basis van de regionale convenanten. Echter heeft de provincie recent (Statenbrief uitvoering motie “Regionaal draagvlak voor ontwikkelingen bedrijventerreinen, mei 2018) geconstateerd dat door de economische groei de vraag naar bedrijventerreinen is toegenomen. Beschikbaar aanbod Uit gegevens van IBIS blijkt dat er in de regio Utrecht in 2018 nog 72 ha netto bedrijventerrein beschikbaar is. gemeente terstond uitgeefbaar (netto ha) Bunnik 0 De Bilt 1 Houten 12 Nieuwegein 28 (Het Klooster) Stichtse Vecht 1 Utrecht 29 Vianen 1 Zeist 0 Totaal regio Utrecht 72 Figuur 3.4 uitgeefbaar bedrijventerrein, bron: IBIS, april 2019 In Nieuwegein is alleen op bedrijvenpark Het Klooster nog bedrijventerrein beschikbaar. Begin 2018 was nog 27, 8 ha netto bedrijventerrein terstond uitgeefbaar (Bron: IBIS 2019). 11,4 hectare is niet terstond uitgeefbaar en betreft het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

31

Figuur 3.5 Kavelkaart per 23 april 2019 (bron: gemeente Nieuwegein) Uit de projectsite blijkt echter dat op dit moment nog maar ongeveer 4,3 ha beschikbaar is, verdeeld over 16 grotendeels kleine kavels. Een fors deel van het bedrijventerrein is sinds 2017 inmiddels verkocht of gereserveerd. Er is veel vraag naar ruimte op het terrein door de goede bereikbaarheid en centrale ligging. De ruimte in het plangebied is vooruitlopend op de bestemmingswijziging in de markt gezet. Hier is nog 1 kavel beschikbaar met een oppervlakte van iets meer dan 2,7 ha. De andere drie kavels zijn al gereserveerd. Conclusie De berekende jaarlijkse regionale vraag tot en met 2027 is circa 10 hectare. Met de huidige plancapaciteit per 1 januari 2018 zou er dan in theorie voldoende uitgeefbare grond zijn voor circa 7 jaar. De vraag is in 2017 en 2018 echter fors toegenomen. Een groot deel van de plancapaciteit op Het Klooster is al verkocht of gereserveerd. Op basis van de huidige uitgiftesnelheid mag worden verwacht dat Het Klooster eind 2019 volledig is verkocht. De 3 van de 4 grotere kavels op het niet terstond

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

32

uitgeefbare deel zijn ook al gereserveerd. De beschikbare ruimte op andere terreinen in de regio is onvoldoende om te kunnen voorzien in de berekende behoefte tot en met 2027. Er is daarom behoefte aan het toevoegen van 10 hectare bedrijventerrein bij bedrijvenpark Het Klooster, mede gelet op de goede bereikbaarheid en de centrale ligging in Nederland in de driehoek van de A2, A12 en A27. De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3

Provinciaal en regionaal beleid

Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (vastgesteld 10‐03‐2021) Gelijktijdig met de Omgevingsvisie is de Interim Omgevingsverordening vastgesteld. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen relevant:  Watersysteem;  Ondergrond en bodem;  Cultuurhistorie en landschap;  Landbouw;  Wonen, werken recreëren. Watersysteem Het plangebied valt volgens kaart 2 Interim Omgevingsverordening (Watersysteem kaart 1) binnen het overstroombaar gebied (figuur 3.6). Grote delen van de provincie liggen in overstroombare gebieden van Nederrijn, Lek en het Eemmeer. Het is belangrijk dat vitale en kwetsbare objecten, zoals elektriciteitscentrales en ziekenhuizen, woonwijken en bedrijventerreinen bestand zijn tegen overstromingen.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

33

Figuur 3.6 Uitsnede kaart 2 Interim Omgevingsverordening Doorwerking bestemmingsplan Gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen regels op te nemen ter bescherming van de vrijwaringszone versterking regionale waterkering. Dit wordt toegelicht in paragraaf 5.11 Het gehele plangebied valt binnen de aanduiding "overstroombaar gebied". Hier wordt ook beschreven hoe het plan rekening houdt met overstromingsgevaar. Ondergrond en bodem Op kaart 6 van de Interim Omgevingsverordening (Ondergrond en bodem kaart 1) valt een deel van het plangebied binnen de aanduiding 'matig kwetsbare drinkwatervoorraad'. Hier vinden geen ontwikkelingen plaats. Er zijn derhalve geen effecten op de matig kwetsbare drinkwatervoorraad. Tevens ligt binnen het plangebied een boringsvrije zone. Dit is nader toegelicht in paragraaf 5.11. Cultuurhistorie Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangewezen als militair erfgoed. Het militair erfgoed bestaat uit bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving. Het noordoostelijke deel van het plangebied valt binnen de (Voorlopige lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Binnen deze zone zijn in het bestemmingsplan geen bebouwingsmogelijkheden opgenomen. Het bestemmingsplan is afgestemd op de UNESCO begrenzing.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

34

Figuur 3.7 Uitsnede kaart Cultuurhistorie en landschap kaart 1 Doorwerking bestemmingsplan Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die de cultuurhistorische waarden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie aantasten. Daar waar het bestemmingsplan in de zone van de Nieuwe Hollandse Waterlinie valt, wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. Bij de begrenzing in het bestemmingsplan is rekening gehouden met de beoogde UNESCO begrenzing. In paragraaf 5.4 is hier nader op ingegaan. Het plan voldoet aan de regels voor cultuurhistorie. Ten aanzien van de cultuurhistorische hoofdstructuur zijn in artikel 7.7 Interim Omgevingsverordening de volgende regels gesteld: 1. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden 2. Als waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: a. de Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg‐Remmerstein; b.

het Militair erfgoed, dat bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap, dat bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen‐ Kamerik‐Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope‐ontginningscomplex Hei‐ en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. de Historische infrastructuur, die bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e. de Archeologisch waardevolle zone, die bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad.

Rho adviseurs voor leefruimte NL.IMRO.0356.BPKL2019HER001BPnw‐VA04

35

3.

De motivering van een bestemmingsplan bevat: een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden.

ad. 1 In het bestemmingsplan is een beschermingsregime opgenomen middels de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Cultuurhistorie 1' en 'Waarde ‐ Cultuurhistorie 2'. De bouwvlakken binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' hebben deze dubbelbestemming niet gekregen. In paragraaf 5.4 is een motivering opgenomen die is afgestemd met de provincie Utrecht. In deze motivering wordt aangegeven dat er zijn geen militaire objecten in het plangebied te vinden zijn, die bewaard moeten worden of waarop qua inrichting op aangehaakt kan worden. Het plangebied fungeerde wel als inundatiegebied. Het voormalig inundatiegebied wordt in de huidige situatie echter niet of nauwelijks nog als zodanig beleefd. De voorstelbaarheid is verdwenen door aantasting door allerlei ontwikkelingen: waaronder de aanleg van het Amsterdam Rijnkanaal (incl Plofsluis), de aanleg van de snelweg A27 en het aan de zuidkant al aangelegde deel van het Bedrijvenpark Het Klooster. De realisatie van het bedrijvenpark Het Klooster deelgebied 4 valt daarom ook niet binnen het UNESCO Werelderfgoed. Om de beleving van de Nieuwe Hollandse Waterlinie toch een plek te geven is in het plan rekening gehouden met een zone van 50 meter langs het Amsterdam‐Rijnkanaal die vrij van bebouwing wordt gehouden. De bedrijfskavels respecteren dus deze zone.

De genoemde maat sluit aan bij de breedte, die als attentiezone aangehouden is langs de 'veilige' westzijde van de weerstandslijn langs het Lekkanaal. Deze zone dient dus als 'aandacht‐zone' voor de beleving van de vroegere openheid en om de werking van de Plofsluis te kunnen uitleggen. Deze sluis was nodig om de negatieve rol van de aanleg van het Amsterdam‐Rijnkanaal in de Nieuwe Hollandse Waterlinie‐zone en de waterhuishouding te compenseren. Daarnaast wordt met deze zone (vooral vanuit recreatief oogpunt) de visuele relatie gehandhaafd en beleefbaar gemaakt tussen de NHW‐zone langs het Lekkanaal en het nog wèl als zodanig herkenbare voormalige inundatiegebied ten oosten van de A27 (Eiland van Schalkwijk). Tot slot is door de aansluiting van het toekomstige bedrijventerrein op de 'klare lijn' rekening gehouden met aspect cultuurhistorie. Het betreft de Vuilcop (westzijde) en de Schalkwijksewetering (zuidzijde). Het doel van de klare lijn om een heldere, waterrijke identiteit aan de nieuwe rand van Het Klooster te verschaffen blijft hierdoor behouden. ad. 2 Zoals onder punt 1 is in de planvorming van het bedrijvenpark het Klooster rekening gehouden met het Militaire Erfgoed en zijn compenserende maatregelen buiten het plangebied getroffen waardoor het Erfgoed beleefbaar blijft. ad. 3 Deze beschrijving is opgenomen in paragraaf 5.4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=206e927a-02bd-4a35-b5ac-0def4816581b