2021-460 Bijlage 3 Stichting Robijn statuten oud.pdf
Tekst van het document
2021-460 Bijlage 3
Versie A, tekst van de huidige statuten Naam Artikel 1 De stichting draagt de naam: Stichting Regionaal Openbaar Basisonderwijs IJsselstein en Nieuwegein. Begripsbepalingen Artikel 2 In deze statuten wordt verstaan onder: a. gemeenten: de gemeenten IJsselstein en Nieuwegein; b. gemeenteraden: de gemeenteraden van IJsselstein en Nieuwegein; c. GMR: de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de stichting; d. scholen: de scholen voor openbaar primair onderwijs, die door de stichting in stand worden gehouden; e. stichting: de Stichting Regionaal Openbaar Basisonderwijs IJsselstein en Nieuwegein. f. toezichthoudend orgaan: het gemeenschappelijk orgaan, dat door de gemeenteraden op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen is ingesteld; g. wet: de Wet op het primair onderwijs. Zetel en tijdsduur Artikel 3 1. De stichting is gevestigd in de gemeente Nieuwegein. 2. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd. Doel Artikel 4 1. Het doel van de stichting is het in stand houden van openbare scholen voor primair onderwijs in de gemeenten IJsselstein en Nieuwegein zoals bedoeld in artikel 48 van de wet. Om haar doel te bereiken kan de stichting gebruik maken van alle wettelijk geoorloofde middelen die daaraan dienstbaar zijn. 2.
De door de stichting in stand gehouden scholen dragen bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden, zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. Het openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. 3. De scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing. Vermogen Artikel 5 Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt gevormd door: 1. de rijksbekostiging; 2. vergoedingen voor de door de stichting verleende diensten; 3. subsidies, giften en donaties; 4. hetgeen verkregen wordt door erfstellingen of legaten, met dien verstande dat erfstellingen slechts kunnen worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving; 5. hetgeen op andere wettelijk geoorloofde wijze verkregen wordt.
Organen Artikel 6 1. De stichting kent de volgende organen: − de raad van toezicht; − het bestuur. 2. Zowel de raad van toezicht als het bestuur kunnen, al dan niet uit hun midden, commissies instellen, die onder verantwoordelijkheid van de raad van toezicht respectievelijk het bestuur belast kunnen worden met aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het betreffende orgaan behoren. 3. Het instellende orgaan stelt nadere regels vast voor de werkwijze en de samenstelling van de commissies. Bestuur; samenstelling, benoeming, schorsing en ontslag, belet en ontstentenis Artikel 7 1. De stichting wordt bestuurd door een bestuur, bestaande uit één bestuurder. 2. Het bestuur wordt benoemd door de raad van toezicht, met inachtneming van de voordrachtsrechten als hierna bepaald. 3. De competenties van de te benoemen leden van het bestuur worden vastgesteld door de raad van toezicht in een profielschets. De raad van toezicht kan - indien overgegaan moet worden tot de vervulling van een vacature - besluiten tot een aanvulling dan wel een nadere detaillering van de profielschets. 4. De raad van toezicht stelt een benoemingsadviescommissie in, die een voordracht opstelt voor de benoeming van een lid van het bestuur. In de benoemingsadviescommissie hebben in elk geval zitten twee leden van de raad van toezicht en een lid van de GMR.
De samenstelling en werkwijze van deze benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement nader uitgewerkt. 5. Een lid van het bestuur kan te allen tijde worden geschorst door de raad van toezicht. De raad van toezicht motiveert het schorsingsbesluit. De schorsing van het lid van het bestuur vervalt, indien de raad van toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of verlenging van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, met ingang van de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 6. Een lid van het bestuur kan te allen tijde worden ontslagen door de raad van toezicht in het geval een lid naar het oordeel van de raad van toezicht in ernstige mate door handelen of nalaten de belangen van de stichting heeft geschaad. De raad van toezicht motiveert het ontslagbesluit. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin het ontslag aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 7.
Een lid van het bestuur wordt benoemd voor een periode gelijk aan de duur van zijn aanstelling. 8. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt: a. door overlijden; b. door vrijwillig aftreden (bedanken); c. door ontslag door de rechtbank; d. door ontslag verleend door de raad van toezicht; en e. door het verstrijken van de duur van de aanstelling. 9. In een vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Bij ontstentenis of belet van het bestuur wordt het bestuur waargenomen door één persoon die daartoe door de raad van toezicht is of wordt aangewezen op grond van nader bij reglement vast te stellen regels. Gaat de raad van toezicht niet binnen twee weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de
2
stichting statutair is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt aangewezen. 10. De raad van toezicht is belast met het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden, bezoldiging en onkostenvergoedingen van de leden van het bestuur. Bestuur; taak en bevoegdheden Artikel 8 1. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt het bestuur zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving. 2. Het bestuur heeft al die taken en bevoegdheden met betrekking tot het bestuur van de stichting die niet bij of krachtens deze statuten aan anderen zijn toegekend. 3. Het bestuur formuleert concrete doelstellingen van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden, daarbij rekening houdend met de belangen van hen die bij de scholen zijn betrokken en rekening houdend met de eisen die de samenleving aan openbaar onderwijs stelt. Het bestuur legt in het jaarverslag verantwoording af over de mate waarin de vastgestelde missie en de doelstellingen worden gehaald. 4. Het bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen.
Hieronder zijn tevens begrepen besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een ander verbindt. De in de vorige volzin bedoelde besluiten zijn onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van toezicht. 5. Voorts heeft het bestuur voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor het nemen van besluiten met betrekking tot: a. de vaststelling van de begroting en de meerjarenbegroting; b. de vaststelling van een strategisch meerjarenplan; c. het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en waarvan het belang meer bedraagt dan een door de raad van toezicht vastgesteld bedrag; d. een aanvraag tot faillissement of van surséance van betaling; e. het doen van een voorstel aan de gemeenteraad tot stichting, opheffing, fusie of afsplitsing van (een deel van) de door de stichting in stand gehouden scholen; f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting of de in stand te houden scholen. 6.
Het bestuur zend binnen twee weken na vaststelling de (meerjaren)begroting aan de gemeenteraden. 7. De raad van toezicht stelt een reglement vast, waarbij een regeling wordt gegeven omtrent de wijze van besluitvorming van het bestuur en het intern toezicht op het bestuur. 8. Tegen de achtergrond van de benodigde deskundigheid draagt elk lid van het bestuur zorg voor voortdurende persoonlijke ontwikkeling. Het functioneren van een lid van het bestuur wordt periodiek door de raad van toezicht beoordeeld. Vertegenwoordiging Artikel 9 1. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. 2. Het bestuur kan besluiten tot de verlening van volmacht aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen. 3. Wanneer de stichting een tegenstrijdig belang heeft met het bestuur of met een lid van het bestuur, wordt de stichting vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van toezicht of door een door de voorzitter van de raad van toezicht aan te wijzen persoon
3
Toezicht op de stichting door de gemeenteraden Artikel 10 1. De gemeenteraden oefenen toezicht uit op de stichting in de zin van de wet door - wanneer zulks naar het oordeel van de gemeenteraden geboden is - de bevoegdheden te gebruiken die aan de gemeenteraden zijn toegekend bij deze statuten en de wet. De gemeenteraden kunnen besluiten een of meer bevoegdheden, zoals genoemd in lid 2 van dit artikel op grond van de vigerende wet- en regelgeving over te dragen aan een ander bestuursorgaan in welk geval de uitoefening van deze bevoegdheden niet door de gemeenteraden maar door het bedoelde bestuursorgaan geschiedt. 2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegdheden omvatten: a. het besluit tot opheffing van (een deel van) de school; b. het goedkeuren van een besluit tot wijziging van de statuten van de stichting; c. het goedkeuren van een besluit tot ontbinding van de stichting; en d. het voorzien in het bestuur in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur van de stichting of functioneren in strijd met de wet. 3. Het bestuur en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente stellen vóór 1 januari tweeduizend veertien een overeenkomst vast, waarin in ieder geval nadere afspraken worden gemaakt over: a. het verstrekken van informatie aan de gemeenten door de stichting; b. het voeren van periodiek overleg tussen de gemeenten en de stichting; c.
de wijze waarop het overleg genoemd onder b. plaatsvindt. Toezicht op het bestuur door de raad van toezicht Artikel 11 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 van deze statuten is het toezicht op het bestuur opgedragen aan de raad van toezicht. 2. De raad van toezicht staat het bestuur met raad ter zijde. 3. De raad van toezicht is belast met: a. het goedkeuren van de besluiten, zoals genoemd in artikel 8 lid 4 en 5 van deze statuten; b. het aanwijzen van een accountant; c. het goedkeuren van een statutenwijziging, zoals genoemd in artikel 16 lid 1 van deze statuten; d. het goedkeuren van een besluit tot ontbinding van de stichting, zoals genoemd in artikel 17 lid 1 van deze statuten; e. het toezien op de naleving door het bestuur van de code goed bestuur, zoals genoemd in artikel 171 van de wet; f. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de scholen en de stichting verkregen op grond van de wet; g. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke verplichtingen. 4. De raad van toezicht legt in het jaarverslag verantwoording af over de uitvoering van haar toezichthoudende taken en bevoegdheden. De raad van toezicht bepaalt bij reglement op welke wijze zij haar functioneren evalueert. Raad van toezicht; samenstelling, benoeming en ontslag Artikel 12 1.
De raad van toezicht bestaat uit een door de gemeenteraden te bepalen aantal leden van minimaal vijf en maximaal zeven natuurlijke personen. 2. De gemeenteraden benoemen: a. twee leden van de raad van toezicht op bindende voordracht van de oudergeleding van de GMR; b. de overige leden van de raad van toezicht op voordracht van de raad van toezicht. De benoeming geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht en GMR opgestelde en openbaar gemaakte profielschets waarin de noodzakelijke competenties van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden van de raad van toezicht worden beschreven.
4
3.
4.
5. 6.
7.
8.
9.
Alvorens deze profielschets of een wijziging daarvan vast te stellen voert de raad van toezicht overleg over de inhoud van de profielschets met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten. De in dit lid genoemde voordrachten worden voorbereid door een benoemingsadviescommissie. In de benoemingsadviescommissie hebben twee leden van de raad van toezicht, een lid van de oudergeleding van de GMR en een lid van de personeelsgeleding van de GMR zitting. De werkwijze van deze benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement nader uitgewerkt. Bij het doen van de bindende voordracht is de oudergeleding van de GMR niet gehouden aan de voorbereidingen van de benoemingsadviescommissie. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftreden geschiedt volgens een oor de raad van toezicht op te stellen rooster van aftreden. Een volgens rooster aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar. Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk. Het lid dat in een tussentijdse vacature wordt benoemd, neemt op het rooster de plaats in van degene in wiens vacature hij werd benoemd. Leden van de raad van toezicht kunnen niet zijn personen die: a. in dienst zijn van de stichting alsmede hun partner en bloed- en aanverwanten tot de tweede graad; b.
lid zijn of gedurende de afgelopen twee jaren lid zijn geweest van het bestuur; c. lid zijn van het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad van de gemeenten; d. lid zijn van een medezeggenschapsraad van een of meer van de scholen of van de GMR; e. als advocaat procureur, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de stichting dan wel ten behoeve van een wederpartij van de stichting; f. als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de stichting; g. rechtstreeks betrokken zijn bij het leveren van goederen of diensten aan of door de stichting die direct vallen onder de doelstelling van de stichting en daarbij de omvang, aard en vergoeding van de te leveren goederen of diensten kunnen vaststellen of daarop aanmerkelijke invloed kunnen uitoefenen. De raad van toezicht wijst uit zijn midden een voorzitter aan. De gemeenteraden zijn - na overleg met de raad van toezicht - te allen tijde bevoegd een lid van de raad van toezicht te ontslaan. Het betrokken lid van de raad van toezicht wordt in de gelegenheid gesteld zich ten overstaan van de gemeenteraden en de raad van toezicht te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. De gemeenteraden kunnen een lid van de raad van toezicht schorsen.
De schorsing van het lid van de raad van toezicht vervalt, indien de gemeenteraden niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluiten tot opheffing of verlenging van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, ingaande op de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het lid van de raad van toezicht wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de gemeenteraden waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. Eventuele toekenning van vacatiegelden aan leden van de raad van toezicht en onkostenvergoedingen aan leden van het bestuur en de raad van toezicht geschiedt op basis van een door de raad van toezicht vastgesteld - en op hoofdlijnen in het jaarverslag openbaar gemaakt reglement. Bij de vaststelling van deze bedragen volt de raad van toezicht eventuele richtlijnen die binnen de sector van het primair onderwijs als leidraad zijn vastgesteld. Jaarlijks wordt door het bestuur uitdrukkelijk in de jaarrekening verantwoord welke bedragen op grond van deze regeling aan het bestuur en de raad van toezicht zijn uitgegeven. Het bestuur verschaft de raad van toezicht tijdig voor de uitoefening van diens taken en bevoegdheden noodzakelijke gegevens en voorts aan ieder lid van de raad alle inlichtingen
5
betreffende de aangelegenheden van de stichting die deze mocht verlangen. De raad van toezicht is bevoegd om - met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving op het terrein van de bescherming van persoonsgegevens - inzage te nemen en te doen nemen van alle boeken, bescheiden, overige gegevensdragers en correspondentie van de stichting; het door de raad van toezicht aangewezen lid van de raad heeft te allen tijde toegang tot alle bij de stichting in gebruik zijnde ruimten en terreinen. 10. De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen. 11. Het lidmaatschap van de raad van toezicht eindigt: a. door overlijden; b. door vrijwillig aftreden (bedanken); c. door het verstrijken van de termijn vermeld in het rooster van aftreden; d. door ontslag verleend door de rechtbank; of e. door ontslag verleend door de gemeenteraden. 12. In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet-voltallige raad van toezicht behoudt zijn bevoegdheden.
Bij ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht of van het enige (overgebleven) lid worden de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht waargenomen door de perso(o)n(en) die daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de stichting is gevestigd, op verzoek van één of meer belanghebbende(n) is of wordt/en aangewezen. 13. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving. De leden van de raad van toezicht zijn niet onderworpen aan het gezag van de stichting. Raad van toezicht; werkwijze Artikel 13 1. In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. 2. De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden zich vóór het voorstel heeft verklaard.
Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. 3. Elk lid van de raad van toezicht is gelijkelijk bevoegd een vergadering van de raad van toezicht bijeen te roepen. 4. De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt schriftelijk op een termijn van ten minste zeven dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vier en twintig uur. De vergaderingen worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, bij voorkeur in de gemeenten IJsselstein of Nieuwegein, te bepalen door degene die de vergadering bijeen roept, dan wel deed bijeenroepen. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden vóór het tijdstip van de vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 5. Een lid van de raad van toezicht kan zich door een ander lid van de raad van toezicht ter vergadering schriftelijk doen vertegenwoordigen. Eén lid van de raad van toezicht kan slechts één medelid ter vergadering vertegenwoordigen. 6.
De voorzitter leidt de vergaderingen van de raad van toezicht; bij zijn afwezigheid voorziet de vergadering zelf in haar leiding.
6
7.
8.
9.
De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen, stemmingen over personen schriftelijk geschieden. Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet-schriftelijk vastgelegd voorstel. Van het verhandelde in de vergaderingen van de raad van toezicht worden notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering, door de voorzitter van de vergadering ondertekend en openbaar gemaakt.
Boekjaar, jaarstukken Artikel 14 1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar. 2. Jaarlijks vóór één december stelt het bestuur van de stichting een begroting voor het komende boekjaar en een meerjarenbegroting vast. 3. Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting stelt het bestuur een jaarverslag vast over dat boekjaar. het jaarverslag gaat vergezeld van een verslag van een door de raad van toezicht aangewezen accountant. Het jaarverslag behoeft de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het bestuur zendt het jaarverslag inclusief het verslag van de accountant binnen twee weken na vaststelling naar de gemeenteraden. 4. Het jaarverslag wordt ondertekend door alle leden van het bestuur en door alle leden van de raad van toezicht; ontbreekt de ondertekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt. 5. De raad van toezicht draagt het bestuur op het jaarverslag te doen onderzoeken door een door de raad van toezicht aangewezen accountant. Vrijwaring Artikel 15 1.
De stichting stelt iedere persoon die, vanwege het feit dat hij lid van het bestuur of lid van de raad van toezicht van de stichting is of was, als partij betrokken was of is of als een op diens betrokkenheid als partij uitlopende ontwikkeling aannemelijk is bij een op handen zijnde, aanhangige of beëindigde actie of procedure van welke aard dan ook, door of namens de stichting dan wel door derden ingesteld, schadeloos voor alle nadelige financiële gevolgen, daaronder begrepen kosten en boetes, die hij in werkelijkheid en redelijkheid heeft moeten dragen in verband met een dergelijke actie of procedure, mits hij heeft gehandeld op een wijze die hij redelijkerwijze kon beschouwen in het belang van of niet tegen de belangen van de stichting te zijn, en tenzij (en voor zover) het doen van een beroep op deze regeling in strijd zou zijn met de goede trouw. 2. Een schadeloosstelling door de stichting bedoeld in het vorige lid geschied na een vaststelling dat een lid van het bestuur of een lid van de raad van toezicht voldaan heeft aan de van toepassing zijnde gedragsnorm genoemd in lid 1 van dit artikel. Statutenwijziging Artikel 16 1. Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van toezicht.
Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraden. 2. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. 3. Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledig doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen op het kantoor van het door de de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister.
7
Ontbinding en vereffening Artikel 17 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding is onderworpen aan de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraden. 2. Voorts zijn de gemeenteraden, in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet als bedoeld in artikel 48 lid 11 van de wet, bevoegd zo nodig de stichting te ontbinden. 3. Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het bestuur met de vereffening belast. 4. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in het op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. 5. De raad van toezicht stelt de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast. 6. Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden ‘in liquidatie’. 7.
Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende de door het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven in het in lid 3 van het voorgaande artikel vermelde register.
8