2021-184 STV Bijlage 3 Tekst wijzigingen in ROOD Algemene plaatselijke verordening juni 2021.pdf
Tekst van het document
Strekt ter vervanging 2021-184
Bijlage 3
Tekst wijziging Algemene plaatselijke verordening (wijzigingen zijn in het rood aangegeven) Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
openbare plaats: plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening Nieuwegein; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen.
Toelichting De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990.
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting De aanpassing betreft een redactionele verbetering.
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan 1.
Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; 1
Strekt ter vervanging 2021-184
b. c. 2. a. b. c. d. e. f. 3.
4.
5. a. b. c. d. e. 6.
7.
het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van: uitstallingen; bouwcontainers, bouwsteigers en andere bouwmaterialen, met dien verstande dat voorafgaand aan de plaatsing daarvan het aan het college wordt gemeld; c. reclameborden die gevestigd zijn aan openbare verlichting op of aan de weg; oplaadpalen voor elektrische voertuigen; andere objecten, met uitzondering van objecten zoals bloembakken, straatmeubilair die door de gemeente zijn geplaatst. over bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie bij de uitvoering van bouwprojecten op door het college aangewezen plaatsen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, met dien verstande dat in het geval dat het plaatsen van gedenktekens betreft de Regeling gedenktekens gemeente Nieuwegein van toepassing is. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k.
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij het tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; terrassen als bedoeld in artikel 2:27, onder b; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; spandoeken boven de weg, voor zover de plaatsing wordt gedaan in overleg met de gemeente; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, de Wet Milieubeheer, de Woningwet of de Wegenverordening provincie Utrecht 2004. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Toelichting: In dit onderdeel wordt artikel 2:10 gewijzigd. In het tweede en derde lid wordt telkens ‘bevoegd bestuursorgaan’ vervangen door: college. De burgemeester wordt in artikel 156 van de Gemeentewet niet genoemd als mogelijke delegataris van regelgevende bevoegdheid. Algemeen wordt aangenomen dat hij hooguit gebiedsaanwijzingen mag doen of aanwijzingen van categorieën inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt (dat zijn besluiten van algemene strekking die op regelgeving lijken, maar het niet zijn) en dat hij geen zelfstandige normstelling mag plegen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus alleen het college kan hier worden genoemd, ook voor de gevallen waarvoor burgemeester bevoegd gezag is. Immers, de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet betreft toezicht en uitvoering van verordeningen, niet het vaststellen van regelgeving. In het tweede lid is onderdeel f toegevoegd. Dit onderdeel bepaalt dat het college bevoegd is om nadere regels op te stellen over de bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie in verband met de uitvoering van bouwprojecten. In deze nadere regels kunnen ook regels worden opgenomen die betrekking hebben op het beheersen/voorkomen van geluidsoverlast. In het (nieuwe) artikel 4:5c (geluidhinder in de openlucht) is de wettelijke grondslag daarvoor vastgelegd.
Verwezen wordt naar de toelichting bij onderdeel P. De aanpassing in het zevende lid is van redactionele aard.
2
Strekt ter vervanging 2021-184
Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een klein evenement zoals een straatfeest of buurtbarbecue op 1 dag; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. (vervallen). Toelichting Het betreft een redactionele aanpassing in verband met de aanpassing in artikel 2:25.
Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen tegelijkertijd; b. het evenement tussen 08.00 en 23.00 uur plaatsvindt, met dien verstande dat op vrijdag en zaterdag het evenement plaatsvindt tussen 08.00 en 24.00 uur en op zondagen tussen 13.00 en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement of na 23.00 uur; d. overmatige geluidsoverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen; e. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad, parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. slechts kleine bouwsels worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 m² per bouwsel, springkussens alleen voor zo ver wordt voldaan aan het Besluit attracties speeltoestellen; 3
Strekt ter vervanging 2021-184
g. er een organisator is; h. de buurt wordt geïnformeerd over het eendaagse evenement; i. direct na het eendaagse evenement dient opgeruimd te worden. De kosten voor het ophalen van achtergebleven vuil, worden verhaald op de organisator; j. bij gebruik van een barbecue: - dient een goedgekeurde brandblusser van minimaal zes kg te worden geplaatst of twee emmers water. - bij een gasgestookte barbecue mag de oranje slang niet ouder zijn dan twee jaar en het drukventiel niet ouder dan vijf jaar. - de gasfles mag niet binnen een afstand van drie meter van een straatkolk staan. k. de organisator tenminste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. Onverminderd het derde lid kan de burgemeester aanvullende voorschriften verbinden aan een klein evenement. 5. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 7. Op de aanvraag voor de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Toelichting Zesde lid: Redactionele verbetering. Zevende lid: Aanpassing conform jurisprudentie.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting In dit onderdeel worden het tweede en derde lid (nieuw) toegevoegd aan artikel 2:26. Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten. Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.
Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers. 4
Strekt ter vervanging 2021-184
Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak. Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een verbodsbepaling opgenomen in de APV.
Deze bepaling houdt in dat het verboden is om bij evenementen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid). Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.
Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
b.
c. d.
horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. leidinggevende: leidinggevende zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van de Drank- en Horecawet. openbare inrichting: een bedrijf waar andere dienstverlenende of detailhandelsgerichte activiteiten plaatsvinden al dan niet met horeca gerelateerde activiteiten als bedoeld in een horecabedrijf. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een internetwinkel en -café, een massagesalon, een shishabar, een smart-, head- of growbar dan wel –shop. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden;
Toelichting Doordat een buurthuis onder het begrip horecabedrijf valt is een buurthuis verplicht om een horeca-exploitatievergunning aan moet aanvragen, terwijl dit haaks staat op artikel 2.28 lid 6 onder c. Hierin wordt juist bepaald dat kantines bij stichtingen en dorpshuizen etc. als ondergeschikte horeca moeten worden beschouwd. Een buurthuis is in principe altijd een vereniging of stichting met een maatschappelijke functie. Daarom wordt nu in de definitie van het begrip horecabedrijf het woord ‘buurthuis’ geschrapt.
5
Strekt ter vervanging 2021-184
Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf of openbare inrichting 1. Het is verboden een horecabedrijf of een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf of de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit of een beheersverordening. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt hierbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf of de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf of de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie; b.
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; c. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. e. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit; 5. Voor het horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Voorts geldt het eerste lid niet voor een horecabedrijf in: a. zorginstellingen en ziekenhuizen; b. musea, theaters, bioscopen en andere inrichtingen voor vermaak, waarvan de horeca alleen tijdens reguliere openingstijden of rondom voorstellingen geëxploiteerd wordt; c. kantines bij kerken, stichtingen, dorpshuizen etc. waarvan de horeca in eigen beheer is en niet verpacht; d. stationsrestauraties en benzinepompen; e. bedrijfsrestaurants en schoolkantines; f. slijterijen; g.
koffiehuizen, ijssalons, tearooms of lunchrooms etc. voor zover deze behoren bij een (banket)bakkerij of broodjeszaak, dan wel inpandig of behorend bij een inrichting van andere aard, alwaar geen alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt. 7. Voor het verkrijgen van een horeca-exploitatievergunning of een exploitatievergunning openbare inrichting moeten leidinggevenden aan de volgende eisen voldoen: a. zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet zijn; b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt. 8. Het bepaalde in het zevende lid geldt niet ten aanzien van horecabedrijven waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Drank- en Horecawet.. 9. De burgemeester stelt beleidsregels vast voor het beoordelen van aanvragen voor een horeca exploitatievergunning of een exploitatievergunning openbare inrichting. 10. Op de aanvraag om een horeca-exploitatievergunning en de exploitatievergunning openbare inrichting of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
6
Strekt ter vervanging 2021-184
Toelichting De aanpassing van de aanhef in het derde lid van artikel 2:28 is van redactionele aard. In het derde lid wordt een weigeringsgrond toegevoegd. De toegevoegde weigeringsgrond is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het noodzakelijk dat de burgemeester beleidsregels vaststelt, waaruit voldoende duidelijk blijkt hoe hij deze weigeringsgrond invult. In de toelichting op dit artikel vermelden wij de jurisprudentie. De aanpassing in het tiende lid is van redactionele aard.
Artikel 2:48a Messenverbod 1.
2. 3.
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. Het verbod geldt niet voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.
Toelichting Landelijk zien we de tendens dat jongeren steeds vaker met messen rondlopen en dat er steekincidenten zijn waarbij een aantal keren jongeren ernstig gewond raken of zelfs dodelijk slachtoffer worden. De messenproblematiek speelt ook in Nieuwegein en dan met name de problematiek rondom “niet strafbare wapens”. Het aantal steekincidenten in Nieuwegein is beperkt, maar op basis van een analyse is wel vast te stellen dat het messenbezit is toegenomen. De herijking is aanleiding geweest om wat gerichter te kijken op welke wijze messenproblematiek een rol speelt in Nieuwegeinse feiten. De afgelopen 3 jaar is er een toename te zien in de processen verbaal van de politie waarbij er sprake is van messen. Daarbij is gekeken naar de zoektermen mes in combinatie met bedreiging, fouillering of aantreffen. Deze analyse is breed uitgezet en niet alleen gericht op jeugd. Uit deze zoekopdracht komen 75 treffers in 2018, 107 in 2019 en 135 in 2020. Er zijn geen specifieke hotspots aan te wijzen. Het is verspreid over heel Nieuwegein. Dit maakt het lastig om een specifieke locatie aan te wijzen. De regering heeft aangekondigd dat er een landelijk verbod komt op het dragen van niet strafbare wapens.
Tot die tijd is er in het kader van openbare orde en veiligheid behoefte om een norm vast te stellen waarmee duidelijk wordt dat het dragen messen en andere steekobjecten niet getolereerd wordt. Om dit regelen is een wettelijke basis in de APV nodig. Daarnaast ontbreekt er nu een grond om deze niet strafbare wapens in beslag te nemen. Door het messenverbod te regelen in de APV ontstaat er de mogelijkheid om nu ook bestuursrechtelijk te handhaven en niet alleen strafrechtelijk. Dit geeft meer slagkracht om het problematische bezit van messen en andere voorwerpen die als wapens worden gebruikt, aan te pakken. Messen die onder de reikwijdte van artikel 2:48a APV vallen kunnen in beslag worden genomen door de politie. Hierdoor kunnen gewelddadige incidenten worden voorkomen. Handhaven door middel van een last onder dwangsom heeft niet de voorkeur. Door het karakter van de last onder dwangsom bij dergelijke overtredingen, het voorkomen van herhaling in de toekomst, voelt de overtreder pas bij een tweede geconstateerde overtreding de sanctie. Pas op dat moment verbeurt de dwangsom en kunnen wij invorderen. De kans dat wij dezelfde persoon een tweede keer treffen met een voorwerp die onder het verbod valt zal zeer klein zijn.
Handhaving door middel van een bestuursrechtelijke strafbeschikking op basis van het toe te voegen APVartikel voor het messenverbod is het meest geschikt en efficiënt. De overtreder wordt ter plaatse beboet en daarmee bestraft. Indien er sprake is van minderjarige overtreders worden de ouders geïnformeerd en volgt mogelijk verwijzing naar HALT. Strafbaarheid op grond van de Wet Wapens en Munitie gaat voor
7
Strekt ter vervanging 2021-184
op de werking van artikel 2:48a APV. Als er strafrechtelijk kan worden opgetreden kan dus niet daarbovenop ook bestuursrechtelijk worden opgetreden. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd om te motiveren in welk(e) gebied(en) het messenverbod van kracht moet worden.
Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting In dit onderdeel wordt na artikel 2:50 ingevoegd artikel 2:50b (nieuw). Zie hiervoor de toelichting op het tweede en derde lid van artikel 2:26. In artikel 2:50b wordt een verbod ingesteld voor openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (tweede lid).
Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. b. c.
binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen openbare plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. 3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Toelichting Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’.
8
Strekt ter vervanging 2021-184
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken. Toelichting Dit verbod dient ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen te gelden. Uit VNG toelichting in artikel 1:1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Toelichting Dit betreft een redactionele aanpassing.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Toelichting Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Een aantal gemeenten heeft daarom al enkele jaren een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. De rechtspraak is een aantal jaren wisselend geweest, waarbij in een aantal gevallen zo’n bepaling onverbindend werd geacht omdat de rechter van oordeel was dat door de overlap met de Opiumwet (men kan immers verboden substanties niet gebruiken zonder deze – in strijd met de Opiumwet – voorhanden te hebben) de bovengrens van de gemeentelijke regelgevende bevoegdheid werd geschonden. Maar inmiddels is er een rechterlijke consensus ontstaan waarbij zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht.
Zie over de betekenis van ‘daarop gelijkende waar’ het gestelde bij de toelichting op artikel 2:74* *de toelichting op artikel 2:74 APV Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs. Het is dan van belang dit goed te motiveren. 9
Strekt ter vervanging 2021-184
Lachgas Niet alleen overmatig drankgebruik, ook oneigenlijk gebruik van lachgas (als roesmiddel) leidt landelijk vaak tot overlastsituaties. Ook in Nieuwegein treffen politie en handhaving geregeld personen aan die lachgas vervoeren, gebruiken of plekken waar gebruikerssporen zijn achtergelaten. In Nieuwegein worden Blokhoeve, Galecop, Lekboulevard en centrum gezien als hotspots. In 2021 zijn in de eerste twee maanden 81 unieke registraties bekend bij politie van lachgasproblematiek. Het kabinet is voornemens om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst II van het Opiumbesluit. Een specifieke bepaling over lachgas brengt met zich dat moet worden aangetoond dat de hinder of overlast inderdaad is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. In de praktijk kan het lastig zijn om dit concreet aan te tonen. Lachgasgebruik brengt ook erge gezondheidsrisico’s met zich mee. Ook de boa’s zien toename lachgasgebruik.
Artikel 3:4 Seksinrichtingen 1. 2.
3.
Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Toelichting Dit betreft een redactionele aanpassing.
Artikel 3:13 Weigeringsgronden 4. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of – veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e). Toelichting Dit betreft een redactionele aanpassing.
10
Strekt ter vervanging 2021-184
Artikel 4:5a Geluidhinder door vrachtauto’s 1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 te laden of te lossen in het door het college bepaalde gebieden en op het door het college vastgestelde venstertijden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Toelichting Het laden en lossen door vrachtwagens bij winkelcentra/bedrijven in woongebieden is een activiteit die regelmatig overlast veroorzaakt voor omwonenden. Dit is zeker het geval als het laden en lossen in de vroege ochtend en de late avond gebeurt. Daarom is het wenselijk om (ruime) venstertijden voor het laden en lossen te hanteren. Het uitgangspunt hierbij is dat deze venstertijden gelden gedurende de hele week wanneer (supermarkten bij) winkelcentra/overige bedrijven in het stadsgebied geopend zijn/in bedrijf zijn. Daarbuiten is het in principe niet toegestaan, tenzij een ontheffing hiervoor wordt verleend. Het verbod kan door het college ook van toepassing verklaard worden in de transitiegebieden waar bedrijventerreinen (deels) omgezet worden naar woongebieden.
Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht bij bouwprojecten als bedoeld in artikel 2:10, tweede lid, onder f, een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het college kan nadere regels stellen over de voorschriften bedoeld in het derde lid. 6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013.
Toelichting Dit verbod is bedoeld voor activiteiten die geluidshinder in de openlucht veroorzaken en waarbij het nodig is om regels te stellen die niet al zijn geregeld in de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013. De bepaling is specifiek bedoeld voor geluidhinder bij de uitvoering van bouwprojecten zoals genoemd in artikel 2:10. Op grond van dit artikel kunnen (aanvullende) voorschriften worden opgesteld. Het college kan deze voorschriften bij nadere regeling regelen.
11
Strekt ter vervanging 2021-184
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 6. Dit artikel geldt niet voor zover door in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de geldende Parkeerbelastingverordening, Parkeerverordening en het geldend Besluit uitgifte parkeervergunningen.
Toelichting In dit artikel wordt geregeld dat de regels over vrachtwagen parkeren op de aangewezen vrachtwagenparkeerplaatsen niet van toepassing zijn op de vrachtwagenparkeerplaatsen waar een parkeervergunning voor is verleend, aangezien voor deze parkeerplaatsen de geldende Parkeerverordening en Parkeerbelastingverordening van toepassing zijn.
Artikel 5:17 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:22 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Toelichting Dit onderdeel betreft een correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet in de artikelen 5:17 en 5:22.
12
Strekt ter vervanging 2021-184
Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Toelichting Soms wordt er in de gemeente (in het buitengebied incidenteel een paar uurtjes gecrost met brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast is het het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd.
Artikel 6:1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikel 2.6, 2.7 en 2.10, artikel 2:41 tot en met 2:44a, artikel 2:51 tot en met 2:60, artikel 2:12 tot en met artikel 2:74a, artikel 2:78, hoofdstuk 3, artikel 4:2 tot en met 4:5, afdeling 4:2, 4:4 tot en met 4:5b,
afdeling 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.7 en 5.8. 2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: Afdeling 2.1, 2.2 2.3, artikel 2:9, artikel 2:47, 2:48 en 2:50, 2:62, 2:65, 2:75, 2:76, 2:77, Artikel 4:6 en afdeling 5.6. 3. In het geval van overtreding van artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, lid 1, van die wet.
13
Strekt ter vervanging 2021-184
Toelichting In dit onderdeel wordt de strafmaat voor de nieuwe verboden bepaald. De raad kan overtreding van het bij of krachtens gestelde verboden en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen straffen met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de 2e categorie (€ 4.150,=) opleggen. Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede categorie wordt gesteld. In onderstaand schema is een overzicht van de nieuwe verboden en de daarbij behorende strafmaat opmaat opgenomen:
verboden 2:26 Ordeverstoring
strafmaat
toelichting
e
2 categorie
Conform de algemene lijn voor strafbaarstelling.
2:48a messenverbod 2:48b lachgasverbod 2:50b verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 4:5a geluidhinder door vrachtauto’s 4:5b geluidhinder in de openlucht
De verboden op grond van 2:26, 2:48a, 2:48b en 2:50b vallen reeds onder de opsomming die is opgenomen in het eerste lid. De verboden onder 4:5a en 4:5b zijn opgenomen in de opsomming in het eerste lid. Het lid is daarop aangepast. In de opsomming van de strafbepaling was abusievelijk een doublure opgenomen: artikel 2:41 tot en met 2:44a was apart opgesomd, terwijl die artikelen al in de opsomming van artikel 2:12 tot en met 2:74a zijn opgenomen. De doublure is geschrapt.
14