2021-121 Bijlage 4 Achtergrondinformatie Energie WKO en regeneratie.pdf
Tekst van het document
Elektriciteitskosten Onderhoudskosten Totale exploitatiekosten
Droge koelers € 10.100 € 4.400 € 14.500
PVT-panelen1 € 3.000 € 17.600 € 20.600
Hoewel het elektriciteitsgebruik van de PVT-panelen veel lager is dan bij droge koelers, is als gevolg van de hogere onderhoudskosten het toch het concept met de hoogste exploitatiekosten.
7.3
Conclusie financiële analyse
Regeneratie door middel van PVT-panelen is zowel duurder qua investeringskosten als qua exploitatiekosten dan regeneratie via droge koelers. Puur financieel gezien zijn droge koelers dus de meest voor de hand liggende oplossing. Daarmee wordt echter wel dakoppervlak bezet waar anders PV-panelen zouden kunnen worden toegepast (indicatief 500 m2, waarmee met PV-panelen jaarlijks circa 70.000 kWh zou kunnen worden opgewekt). Daarnaast is het een minder duurzame oplossing door het hogere elektriciteitsgebruik.
27
Voor de toepassing van zowel droge koelers als PVT-panelen als regeneratievoorziening, zijn helaas geen subsidieregelingen beschikbaar. De subsidie SDE++ (Stimulering Duurzame Energieproductie) is niet van toepassing op deze technieken. Voor de warmtepompen zelf zou mogelijk wel gebruik gemaakt kunnen worden van de ISDE (InvesteringsSubidie Duurzame Energie), waarmee aan een deel van de aanschafkosten van een warmtepomp (bij relatief kleine installaties) kan worden tegemoetgekomen.
28
8 Advies vervolgstappen en marktbenadering Om tot de realisatie van een duurzaam en comfortabel energiesysteem te komen, wordt advies gegeven over de vervolgstappen. Uit energetisch en financieel perspectief is een collectief systeem het meest wenselijk, maar dit biedt wel uitdagingen op het gebied van planning en organisatie. Vanwege de bodemcapaciteit is een collectief systeem niet noodzakelijk en kan er ook gedacht worden aan een collectief systeem per deelgebied (semicollectief) of eventueel zelfs per gebouw/eigenaar. Geadviseerd wordt om vanuit de gemeente een faciliterende rol aan te nemen voor het realiseren van (semi-)collectieve systemen. Hiertoe kan de gemeente in gesprek gaan met de verschillende ontwikkelende partijen. Vooral bij deelgebied B1 is het wenselijk zo vroeg mogelijk te peilen of er interesse in een collectief systeem bestaat en op welke manier, omdat deze ontwikkeling het verst in het proces is. Hierbij gaat het om vragen zoals: -
Is er bereidheid deel te nemen aan een collectief WKO-systeem? Wil de gebouweigenaar zelf energie aan de bewoner afrekenen of wil hij/zij dit uit handen geven aan een exploitant? In hoeverre wil de eigenaar invloed op het gekozen energiesysteem, zoals ondergronds (het WKO-systeem) als bovengronds (de warmtepompen die daarop worden aangesloten)?
Als die interesse er van alle partijen is, kan de gemeente haar rol verder invullen door het faciliteren van gesprekken en wellicht ondersteuning te bieden in de uitwerking naar een ontwerp van het systeem en/of een zoektocht naar een mogelijke exploitant. Als die interesse er niet van alle partijen is, wordt aanbevolen in te zetten op semicollectief systeem per deelgebied. Parallel hieraan dient te worden geborgd dat, in het geval van semicollectieve of individuele systemen, voldoende potentie in de bodem is voor elke partij. Er wordt geadviseerd vanuit de gemeente hier regie op te nemen, door een bodemenergieplan op te stellen. Hiermee wordt de ordening van bronnen vastgelegd en kunnen toekomstige ontwikkelingen ook voldoende energie uit de bodem halen. Hoewel in deze studie naar alleen City-West is gekeken, is het mogelijk ook raadzaam dit bodemenergieplan voor een groter gebied op te stellen (bijv. geheel City) waar ook ontwikkelingen worden voorzien. Naast een bodemenergieplan waarin de ordening van bronnen is geborgd, is het aan te bevelen vanuit de gemeente kaders te stellen op het gebied van energieprestatie e.d. om zo tot een duurzaam systeem te komen. Bij gebieden waar de gemeente geen eigendomspositie heeft (zoals bij deelgebied B1), kan de gemeente dit eventueel sturen bij een bestemmingsplanwijziging.
Daarnaast is er ook nog enige sturing mogelijk door het toestaan van gebruik van openbaar gebied, alleen onder bepaalde voorwaarden. Bijvoorbeeld voor de realisatie van leidingen in openbaar gebied dient de ontwikkelaar toestemming van gemeente te krijgen, waardoor de gemeente hier een sturingsmogelijkheid heeft. Verder kan eventueel ook nog gedacht worden aan de eis om het systeem zo te realiseren dat het later gekoppeld kan worden aan een ander gebiedsenergiesysteem. Exploitanten kunnen hier een commerciële kans in zien. Wanneer de gemeente wel eigenaar van het te ontwikkelen gebied is, kunnen meer kaders en eisen worden meegegeven aan de ontwikkelende partij. Belangrijke kaders waar op gelet moeten worden zijn: - De energetische prestatie van het systeem (waarmee richting een WKO-systeem kan worden gestuurd omdat dit zeer efficiënt is); - De aanwezigheid van koeling met een zeer goed rendement en/of die geen warmte uitstoot; - Koppelkansen van het WKO-systeem met warmtepompen, laadpalen en PV-panelen om pieken in het elektriciteitsnet te reduceren; - Aandacht voor tarieven van de toekomstige bewoners (met een korting op de warmtewet); - Ruimtelijke inpassing; - Geluid. Hiermee kan richting een efficiënt en duurzaam WKO-systeem gestuurd worden, maar ook nog enige vrijheid voor innovatie aan de exploitant gelaten worden.
Op basis van dit kader, kan later het programma van eisen voor het energiesysteem worden opgesteld. En op basis daarvan kan de ontwikkelende partij een concessie aan een marktpartij verlenen om het energiesysteem te realiseren en te exploiteren. De gemeente 29
kan hier wellicht ook nog een faciliterende rol aannemen om collectiviteit te stimuleren, bijvoorbeeld tussen Zadelstede en West. Vanwege de potentie in de bodem waardoor volledige collectiviteit niet noodzakelijk is, wordt niet geadviseerd om vanuit de gemeente zelf een bodemenergiesysteem te realiseren of daartoe concessie te verlenen. De risico’s die daarbij horen zijn in onze ogen niet nodig bij de realisatie van City-West, omdat er voldoende mogelijkheden lijken te zijn per deelgebied een goede oplossing te vinden en als gemeente daarin sturing te geven. Samenvattend worden de volgende vervolgstappen geadviseerd: 1. Peilen van interesse in een collectief energiesysteem bij ontwikkelende partijen (met name bij deelgebied B1); 2. Een bodemenergieplan laten opstellen om goed gebruik van bodemenergie te borgen; 3. Zo veel mogelijk sturen (afhankelijk van grondpositie gemeente) op een duurzaam en goed systeem (energetische prestatie, koeling, koppelkansen/smart grid, betaalbaarheid voor de bewoners, ruimtelijke inpassing, geluid, etc.); 4. Eventueel faciliteren bij verdere uitwerking van het (semi-)collectieve bodemenergiesysteem.
30
Bijlage 1 – Kentallen warmte- en koudevraag Om de warmte- en koudevraag zowel aan de gebouwzijde als de bodemzijde (met tussenkomst van warmtepomp) te bepalen, zijn de volgende uitgangspunten gebruikt. Uitgangspunt Gemiddelde woninggrootte Warmtevraag woning per jaar Tapwatervraag woning per jaar Koudevraag woning per jaar Warmtevraag kantoren per jaar Koudevraag kantoren per jaar Warmtevraag winkels per jaar Koudevraag winkels per jaar Tapwatervraag utiliteit COP warmtepomp verwarming COP warmtepomp tapwater COP/EER koude Regeneratiecapaciteit PVT per jaar
Waarde 71 m2 GBO 7 GJ 5 GJ 3 GJ 0,0522 GJ/m2 0,0238 GJ/m2 0,1008 GJ/m2 0,0259 GJ/m2 Lokaal elektrisch opgelost 5,5 3,0 10 3 GJ/m2
31
Bijlage 2 – Bodempotentieelstudie door IF Technology Deze bijlage wordt separaat bij dit rapport gevoegd.
32
Bijlage 3 – Uitgangspunten financiële analyse De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd voor de financiële analyse: € 0,10 per kWh 2% van de investeringskosten 4% van de investeringskosten
Elektratarief grootverbruik Onderhoudskosten PVT-panelen Onderhoudskosten droge koeler
33
34