CConstaterende datNieuwegein
Koppel je AI →
Document · PDF

1-8 Bijlage 1 Juridisch memo 80% criterium (2026-02-04)

Raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente NieuwegeinBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken3.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

-8 Bijlage 1

MEMORANDUM Onderwerp: Juridische duiding arrest HvJ EU 15 januari 2026 inzake 80%-criterium Aan: De Afvalvergroeners Datum: 4 februari 2026

1. INLEIDING & MANAGEMENTSAMENVATTING 1.1.1. Recent heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: “HvJ EU”) een uitspraak gedaan over (quasi-)inbesteden. In de uitspraak heeft het HvJ EU uitleg gegeven aan het 80%-criterium dat geldt om overheidsopdrachten zonder aanbestedingsprocedure te mogen gunnen. 1.1.2. Wij begrijpen dat de gemeente Utrecht voornemens is aandeelhouder te worden van N.V. HVC en de verwerking van het gemeentelijk huisafval aan haar te gunnen op basis van (quasi)inbesteding. Of het mogelijk is de opdracht via quasi-inbesteding aan N.V. HVC te gunnen, hangt onder meer af van het 80%-criterium waarover het HvJ EU uitleg heeft gegeven. 1.1.3. HVC Groep, waarvan N.V. HVC de moedermaatschappij is, is een publiek energie- en afvalbedrijf in eigendom van 52 gemeenten en 8 waterschappen. De activiteiten van HVC Groep en gerelateerde vennootschappen omvatten onder meer het inzamelen en verwerken van afval, het afvangen en leveren van CO2 aan de glastuinbouwsector, de productie van aardwarmte en de exploitatie van zonne- en windparken. Tevens produceert de HVC Groep energie uit afvalenergiecentrales en levert deze aan verschillende private partijen. De HVC Groep levert bijvoorbeeld 400.000 ton stoom van haar Dordtse afvalenergiecentrale aan chemiebedrijf Chemours. Dit is 2/3 van de totale energie die HVC opwekt in de regio Dordrecht en Alkmaar. 1.1.4.

De Afvalvergroeners, een initiatief van (private) afvalbedrijven AVR, Attero en EEW, hebben ons gevraagd om een eerste, algemene en simpele juridische duiding te geven van het recente arrest van het HvJ EU en de gevolgen daarvan voor de beoogde quasi-inbesteding aan N.V. HVC en de voorliggende stemming van de gemeenteraad over eventuele deelneming in N.V. HVC, met het oog om deze aan de gemeenteraad toe te sturen voor de vergadering van donderdag 5 februari 2026. 2. JURIDISCHE CONTEXT 2.1 Artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012: voorwaarden voor (quasi-)inbesteden 2.1.1. Hoofdregel is dat alle overheidsopdrachten op grond van de Aanbestedingswet worden aanbesteed. Een uitzondering hierop is het onderhands gunnen van diensten aan rechtspersonen die onder toezicht van een of meerdere aanbestedende diensten staan; het zogenaamde (quasi)inbesteden. 2.1.2. De voorwaarden voor toepassing van deze uitzondering zijn opgenomen in artikel 2.24b van de Aanbestedingswet: “1. In afwijking van de artikelen 2.1 tot en met 2.6a is het bepaalde bij of krachtens deel 2 van deze

wet niet van toepassing op overheidsopdrachten die door een aanbestedende dienst aan een andere rechtspersoon worden gegund, indien: a.

de aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten op die rechtspersoon toezicht uitoefent zoals op hun eigen diensten,

1

b.

c.

meer dan 80% van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering van taken behelst die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere, door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen, en er geen directe participatie van privékapitaal is in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van vormen van participatie van privékapitaal die geen controle of blokkerende macht inhouden, die vereist zijn krachtens nationale regelgeving welke verenigbaar is met het Verdrag betreBende de Europese Unie en het Verdrag betreBende de werking van de Europese Unie en door middel waarvan geen beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de gecontroleerde rechtspersoon. ”

2.1.3. Dit is een implementatie van artikel 12, lid 3 Aanbestedingsrichtlijn.1 Bij de implementatie is door de wetgever onder ogen gezien dat de Richtlijn ruimte liet om in nationale wetgeving aanvullende regels te stellen aan inbesteding van overheidsopdrachten.2 De wetgever heeft van deze ruimte geen gebruik gemaakt. Dit betekent dat voor de vraag of de overheid een opdracht op deze manier mag inbesteden, bepalend is of aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 2.24b Aanbestedingswet wordt voldaan. 2.1.4. Om te toetsen of aan de 80%-voorwaarde in Artikel 2.24b lid 1 onderdeel b Aanbestedingswet is voldaan, wordt volgens artikel 2.24b lid 3 jo. artikel 2.24a lid 4 Aanbestedingswet bij het bepalen van het percentage gekeken naar de gemiddelde totale omzet over de laatste drie jaren voorafgaand aan de gunning van de overheidsopdracht. 2.1.5. Tot het recente arrest van het HvJ EU bestond onduidelijkheid over welke omzet meegenomen moet worden in de beoordeling van de 80%-voorwaarde wanneer de gecontroleerde rechtspersoon onderdeel is van een groep met verbonden vennootschappen, waarvan sommige activiteiten (deels) buiten de publieke taakuitvoering vallen. In dit geval betrof het specifiek een moedermaatschappij van een groep met dochterondernemingen. Deze vraag is voorgelegd aan het HvJ EU, die daarover op 15 januari 2026 uitspraak heeft gedaan. 2.2.

Uitspraak HvJ EU (zaak C-692/23) 2.2.1. In het arrest van 15 januari 2026 heeft het HvJ EU in de eerste plaats de vraag beantwoord of het in de beoordeling van de 80%-voorwaarde vereist is om, naast de omzet van de gecontroleerde rechtspersoon, ook rekening te houden met de omzet van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan deze rechtspersoon de moedermaatschappij is. Het HvJ EU heeft deze vraag bevestigend beantwoord: “Om te bepalen welk deel van zijn activiteiten de gecontroleerde rechtspersoon verricht ten gunste van de aanbestedende diensten die toezicht op hem uitoefenen, moet derhalve, wanneer het erom gaat met welk criterium wordt vastgesteld of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24 is voldaan, rekening worden gehouden met de activiteiten van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan hij de moedermaatschappij is en dus met de omzet van die entiteiten.”3

2.2.2. In de tweede plaats beantwoordt het HvJ EU ook de (praktische) vraag hoe de omzet van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is, moet worden bepaald, en over de relevantie van de geconsolideerde omzet (zoals bedoeld in de Richtlijn Jaarrekening4) in dat verband. 1

Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betre@ende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB2014, L 094). 2 Rb Zeeland-West-Brabant 23 november 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:8185, r.o. 5.3. 3 HvJ EU (Vijfde kamer) 15 januari 2026, AVR-Afvalverwerking v NV BAR-Afvalbeheer e.a., C-692/23, ECLI:EU:C:2026:4, par. 56. 4 Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betre@ende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn

2

2.2.3. Daarvoor is relevant dat de in dit arrest beantwoorde vragen door het gerechtshof Den Haag aan het HvJ EU zijn gesteld in een procedure tussen AVR-Afvalverwerking B.V. (“AVR”) en de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk. Het geschil ging over de (on)rechtmatigheid van inbesteding van de verwerking van huishoudelijk restafval aan N.V. Irado en Afvalsturing Friesland N.V. (“AF”). 2.2.4. AVR stelt zich in die procedure op het standpunt dat de uitzondering voor inbesteden in artikel 12 van Richtlijn 2014/24 (artikel 2.24b Aanbestedingswet) ten onrechte was toegepast, omdat bij de toets van de 80%-voorwaarde uitsluitend was gekeken naar de omzet van de gecontroleerde rechtspersoon zelf. Nadat haar vordering door de rechtbank Den Haag was afgewezen, heeft AVR hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het gerechtshof Den Haag besloot daarop prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de reikwijdte van de omzet- en activiteitencriteria bij de toepassing van die uitzondering. 2.2.5.

In die procedure was voordat vragen aan het HvJ EU werden gesteld al komen vast te staan – op basis van een door het gerechtshof Den Haag ingewonnen oordeel van een deskundigeaccountant – dat aan deze voorwaarde wel wordt voldaan als alleen de omzet van AF in aanmerking wordt genomen, maar niet indien die omzet wordt beoordeeld aan de hand van de geconsolideerde omzet van de groep waarvan AF de moedermaatschappij is.5 2.2.6. Het HvJ EU oordeelt dat (in dit geval) op basis van de geconsolideerde omzet van de groep kan worden vastgesteld dat niet aan het 80%-criterium wordt voldaan: “Gelet op de door deze rechter verstrekte informatie kan namelijk op basis van een dergelijke geconsolideerde omzet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, ervan.” 6

2.2.7. Daarbij oordeelt het HvJ EU ook dat het – gelet op de omstandigheden van deze casus – namelijk dat op basis van de geconsolideerde omzet van de groep waarvan AF de moedermaatschappij is, niet aan het 80%-criterium is voldaan – niet nodig was om over de rol van andere (omzet)criteria een uitspraak te doen: “Hieruit volgt dat het voor een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter niet nodig is om in te gaan op de relevantie van andere criteria, zoals het criterium van het bestaan van een economische eenheid in de zin van het begrip „onderneming” in het mededingingsrecht van de Unie, waarnaar de verwijzende rechter eveneens verwijst.” 7

2.2.8. Dat betekent dat naast het criterium van de geconsolideerde omzet dat in elk geval relevant is ook andere criteria, zoals het bestaan van een economische eenheid in de zin van het begrip „onderneming” in het mededingingsrecht van de EU, nog steeds relevant kunnen zijn in de beoordeling van het 80%-criterium. Vanwege de brede impact van het arrest op de afbakening van de inbestedingsuitzondering wordt nog een reactie vanuit het Rijk op het arrest verwacht. 2.3. Implicaties arrest voor HVC-casus 2.3.1. Dit arrest heeft belangrijke implicaties voor de HVC-casus. Immers, in het arrest verduidelijkt het HvJ EU in elk geval dat niet alleen de omzet van N.V. HVC moet worden meegenomen bij de 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182). 5 HvJ EU (Vijfde kamer) 15 januari 2026, AVR-Afvalverwerking v NV BAR-Afvalbeheer e.a., C-692/23, ECLI:EU:C:2026:4, r.o. 29. 6

HvJ EU (Vijfde kamer) 15 januari 2026, AVR-Afvalverwerking v NV BAR-Afvalbeheer e.a., C-692/23, ECLI:EU:C:2026:4, r.o. 62.

7

HvJ EU (Vijfde kamer) 15 januari 2026, AVR-Afvalverwerking v NV BAR-Afvalbeheer e.a., C-692/23, ECLI:EU:C:2026:4, r.o. 62.

3

toetsing aan het 80%-criterium, maar dat de omzet van de gehele HVC-groep moet worden meegewogen. Dit zal in de eerste plaats op basis van de geconsolideerde omzet van de groep zijn, maar niet is uitgesloten dat ook andere criteria daarvoor relevant kunnen zijn. Het is op basis van dit arrest in elk geval niet voldoende om alleen af te gaan op de geconsolideerde omzet van de HVC-groep bij de vaststelling of is voldaan aan het 80%-criterium. 3. CONSEQUENTIES TEN ONRECHTE QUASI-INBESTEDEN 3.1. Verantwoordelijkheid gemeenteraad 3.1.1. De (bestuurlijke en juridische) verantwoordelijkheid voor de toetsing aan het 80%-criterium ligt in de eerste plaats bij de gemeente en haar bestuursorganen, waaronder de gemeenteraad. Op grond van de ‘Nota Verbonden Partijen’ moet de gemeenteraad stemmen over iedere voorgenomen deelneming, en dus ook de voorgenomen deelneming in N.V. HVC. In de voorbereiding op deze stemming en bij de stemming zelf zal de gemeenteraad moeten voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. 3.1.2. Volgens het zorgvuldigheidsbeginsel heeft ook de gemeenteraad – kort gezegd – de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een zorgvuldige voorbereiding van besluiten.

Volgens artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”), dat via artikel 3:14 BW van toepassing is op het besluit tot inbesteding, moet de gemeente bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen opsporen. 3.1.3. Daarnaast moet volgens artikel 3.47 Awb een besluit rusten op een draagkrachtige motivering (het zgn. motiveringsbeginsel). De feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn. 3.1.4. Uit bijlagen van de ‘Raadsbrief Reactie voorhangprocedure Aandeelhouderschap HVC’ blijkt dat de gemeente Utrecht zich beseft dat de raad hier een verplichting heeft. Zo verwijst het College ter verantwoording aan de Raad onder meer naar een externe, juridische toets over de rechtmatigheid van de voorgenomen afspraken. 3.1.5. Uit deze stukken blijkt ook dat de gemeenteraad bekend is met de zorgen en twijfels van marktpartijen bij de vraag of de HVC Groep voldoet aan de 80%-eis, omdat zij de omzet van de HVC Groep niet kennen of kunnen kennen en sterk vermoeden dat aan die eis niet is voldaan. De HVC Groep zelf weigert vooralsnog inzicht te geven of en, zo ja, op welke wijze zij voldoet aan de 80% regel, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe van onder meer AVR. 3.1.6.

Het College heeft – voorafgaand aan het arrest van het HvJ EU – meerdere adviezen ingewonnen (die het vertrouwelijk acht en die daardoor niet voor derden beschikbaar zijn). Het juridische due dilligence onderzoek van AKD in opdracht van het College is niet beschikbaar, maar uit de beperkte samenvatting van dit advies blijkt dat er door AKD niet is gekeken naar de voorwaarden voor inbesteding. Dit advies kan dus niet voldoende zijn. In antwoord op vraag 30 in het document ‘Reactie op wensen en bedenkingen voorhangprocedure HVC’ wordt daarnaast verwezen naar een ‘geheime risicobijlage’. De inhoud daarvan is ook onbekend, maar deze is eveneens opgesteld voor de uitspraak van het HvJ EU. Op deze plaats wordt ook genoemd dat bij een extern, juridische toets al rekening zou zijn gehouden met de uitkomsten van het arrest van het HvJ EU. Dat kan niet het geval zijn; in het recht zijn woorden en bewoordingen van doorslaggevend belang, zodat alleen met het arrest van het HvJ EU in de hand tot een daadwerkelijke beoordeling van de gevolgen van dat arrest kan worden gekomen.

4

3.1.7. In het licht van de uitspraak van het HvJ EU is een juridische toets daarnaast in elk geval onvoldoende om zeker te stellen dat aan de voorwaarden voor (quasi-)inbesteding is voldaan. Er zal door middel van een financiële toets bevestigd moeten worden dat ook aan artikel 24b lid 1 onder b Aanbestedingswet is voldaan, zoals ook in de zaak waar het daar om ging is gedaan, waarbij de volledige omzet van de HVC-groep moet worden meegewogen – op basis van de geconsolideerde omzet en eventueel op basis van andere (omzet)criteria. 3.1.8. De resultaten en de inhoud van de opdracht voor de financiële onderzoeken die PWC en Zanders in opdracht van het College hebben uitgevoerd zijn ook niet openbaar. Zij dateren echter van voor het arrest van het HvJ EU, waardoor het onmogelijk is dat er rekening is gehouden met de specifieke uitkomst van dit arrest. 3.1.9. Voor alle onderzoeken geldt overigens dat de gemeenteraad een eigen verantwoordelijkheid heeft om eigen onderzoek te doen, bijvoorbeeld als zij vragen heeft over de volledigheid van het advies. Overigens is het de vraag of de volledige vertrouwelijkheid van de ingewonnen adviezen zich ten volle verhoudt met de Woo en de uitgangspunten van de Woo, bij een dergelijk (belangrijk) besluit. 3.1.10.

Bij de belangenafweging die de gemeenteraad zal maken, zal de gemeenteraad in elk geval ook de belangen moeten betrekken dat een eventueel onterecht besluit tot inbesteding en de daarbij behorende deelneming in N.V. HVC marktpartijen ernstig kan benadelen, terwijl de gemeenteraad voldoende tijd en mogelijkheden heeft om grondig te onderzoeken of aan alle criteria voor inbesteding is voldaan. Marktpartijen hebben die mogelijkheden niet/minder, omdat zij – zonder rechterlijke tussenkomst – geen toegang hebben tot de financiële gegevens van de HVC Groep (zie ook hoofdstuk 4 hierna). 3.1.11. Met andere woorden: het voorgaande betekent dat de gemeenteraad verplicht is om, voordat er besloten wordt over de punten in het raadsvoorstel ‘Deelneming in publiek warmte- en afvalbedrijf HVC’, gehouden is (zelf) onderzoek te doen naar de omzet van de gehele HVC Groep met betrekking tot de 80%-voorwaarde voor inbesteding. Hierbij moet de juiste interpretatie van nationale en EU-wetgeving worden toegepast. 3.1.12. Uit het ‘Raadsvoorstel Deelneming in publiek warmte- en afvalbedrijf HVC’ blijkt dat, in reactie op zorgen vanuit marktpartijen over de quasi-aanbesteding, er al stappen zijn ondernomen om een uitsluitend recht toe te passen op de verwerking van afvalstromen bij HVC. Dat lijkt juridisch geen houdbare route.

Een alleenrecht wordt soms verleend met het doel om een opdracht buiten een aanbestedingsprocedure te houden. De uitzonderingsbepaling is daar echter niet voor bedoeld. Zij ziet met name op situaties waarin het alleenrecht reeds vooraf door een andere partij is toegekend. Bij het verlenen van een alleenrecht voor afval moet daarom zorgvuldig worden beoordeeld of de onderbouwing toereikend is en of het alleenrecht niet uitsluitend wordt ingezet om de aanbestedingsplicht te omzeilen. Aangezien alleenrecht slechts is opgebracht in de stukken van de Gemeente binnen de context van marktpartijen die de inbesteding in twijfel trekken, lijkt dit hier het geval. 3.2. Juridische en financiële consequenties 3.2.1. Los van de bestuursrechtelijke mogelijkheden om een besluit van de gemeenteraad aan te vechten, is partijen die niet hebben kunnen deelnemen aan de aanbesteding die eigenlijk had moeten plaatsvinden, ten onrechte een mogelijkheid op gunning onthouden. Als niet vast komt te staan dat de HVC-groep aan de 80%-criterium voldoet, dan had immers een aanbesteding moeten plaatsvinden die ten onrechte niet heeft plaatsgevonden. 3.2.2. Dit betekent concreet dat een onterechte inbesteding mogelijk een jarenlange, kostbare juridische nasleep tot gevolg kan hebben. De procedure waarin het HvJ EU het bovengenoemde

5

arrest heeft uitgesproken is daar een goed voorbeeld van. Dit geschil van AVR met de betrokken gemeenten loopt al sinds 2019. 3.2.3. Dit betekent dat er grote consequenties voor de Gemeente verbonden kunnen zijn aan het doorzetten van een quasi-inbesteding zonder voldoende zekerheid over of er wel is voldaan aan de criteria van artikel 2.24b Aanbestedingswet. 3.2.4. Wanner een inbesteding gecorrigeerd moet worden tegenover zowel N.V. HVC als benadeelde marktpartijen leidt dit tot aanzienlijke vertraging. Dit heeft ook aanzienlijke financiële gevolgen. Herhaaldelijke juridische kosten bij gerechtelijke procedures en/of deskundigenkosten bij de inschakeling van adviescommissies kunnen hoog oplopen. Hier bovenop komt dat deze gerechtelijke procedures kunnen leiden tot aanzienlijke vorderingen tot schadevergoedingen, zowel vanuit de HVC groep als benadeelde marktpartijen, op basis van bijvoorbeeld artikel 6:162 jo. artikel 6:97 e.v. BW. 3.2.5. Aangezien deze kosten en schadevergoedingen nu al te voorzien zijn als er geen duidelijk inzicht wordt gegeven in het voldoen aan de 80%-voorwaarde, zal de gemeenteraad ook deze risico’s nu al moeten meenemen in een belangenafweging. 4. RECHTSMIDDELEN MARKTPARTIJEN TEGEN TEN ONRECHTE QUASI-INBESTEDEN 4.1.1.

Benadeelde marktpartijen hebben verschillende vormen van rechtsbescherming tot hun beschikking als de Gemeente in strijd met de Aanbestedingswet overgaat tot inbesteding. Daarbij zullen deze partijen niet (alleen) HVC, maar zeker ook de Gemeente aanspreken. 4.1.2. In de eerste plaats kunnen marktpartijen klachtenprocedures starten. Hiervoor heeft de gemeente Utrecht zelf een klachtenregeling. Daarnaast heeft de Minister van Economische Zaken ook een Commissie van Aanbestedingsexperts ingesteld, waar tevens klachten over het ten onrechte niet aanbesteden van overheidsopdrachten kunnen worden ingediend. 4.1.3. Daarnaast kunnen marktpartijen naar de civiele rechter stappen om bijvoorbeeld een verbod te vorderen en schadevergoeding te vragen. 4.1.3.1. Als de gemeenteraad niet, niet juist of onvoldoende vaststelt dat aan het 80%criterium is voldaan, kunnen marktpartijen bijvoorbeeld de rechter vragen om inzage in de financiële stukken van de HVC-groep, en de rechter vragen een deskundige te benoemen deze stukken te beoordelen.

Uit de tussenuitspraak in hoger beroep van de achterliggende procedure van de procedurele vragen aan het HvJ EU, blijkt dat marktpartijen een gerechtvaardigd belang kunnen hebben bij het inzien van stukken, waaronder geconsolideerde jaaropgave, van partijen waarmee een quasiinbestedingsovereenkomst is aangegaan wanneer er gegronde reden zijn voor twijfel aan het voldoen aan de 80%-voorwaarde.8 4.1.3.2. In een kortgedingprocedure kan een voorzieningenrechter onder meer een uitspraak doen met een bevel tot aanbesteding of een (voorlopig) verbod op het sluiten van een inbestedingsovereenkomst. 4.1.3.3. In een verdere (bodem)procedure kan een rechter een bevel doen tot een verbod om (verdere) uitvoering te geven aan een overeenkomst of een gebod om de overeenkomst op te zeggen dan wel te beëindigen.

8

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9896.

6

4.1.3.4. Ook kunnen benadeelde marktpartijen in een bodemprocedure schadevergoeding vorderen. 4.1.3.5. Wanneer de opdracht ten onrechte zonder aanbesteding wordt gegund aan HVC en de aanbestedende partij niet kan aantonen dat de gehele HVC-groep meer dan 80% van de omzet uit de participerende overheden haalt, kan ook de (quasi)inbestedingsovereenkomst worden aangevochten bij de bevoegde rechter. 4.1.4. Naast deze bestaande middelen is er op 22 december 2025 een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd tot Wijziging van de Aanbestedingswet in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden. Het wetsvoorstel heeft als doel om de rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures te verbeteren. Hiermee zal ook de motiveringsplicht bij beslissingen van aanbestedende diensten over uitsluiting van en gunning aan ondernemers worden aangescherpt. Dit benadrukt het belang van het uitvoeren van een gegronde afweging van de feiten, gebaseerd op alle relevante informatie en de juiste toepassing van het aanbestedingsrecht, voordat een besluit wordt genomen. 5. CONCLUSIES & AANBEVELINGEN VOOR BESLUITVORMING GEMEENTERAAD 1. Stem voorlopig niet definitief in met de voorgenomen deelneming van de gemeente Utrecht in N.V. HVC als onderdeel van de voorgenomen inbesteding aan N.V. HVC.

Gezien de recente rechtspraak van het HvJ EU ten aanzien van de 80%-toets is het van belang dat de Gemeente eerst voldoende verifieert of er ook wordt voldaan aan de voorwaarde dat meer dan 80% van de activiteiten ten behoeve van de controlerende overheden plaats hebben gevonden in de afgelopen drie jaar. Zonder deze verificatie bestaat het risico dat de gemeente Utrecht in strijd handelt met het aanbestedingsrecht wat kan leiden tot substantiële juridische en financiële gevolgen. 2. Indien er wel wordt gestemd over de voorgenomen deelneming, stem dan alleen in met (opschortende) voorwaarde(n). Als de gemeenteraad toch wil stemmen over de voorgenomen deelneming, zou zij daaraan bijvoorbeeld de (opschortende) voorwaarde kunnen verbinden dat eerst voldoende wordt vastgesteld of aan het 80%-criterium wordt voldaan. ***

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Nieuwegein&id=60600522-91b1-4c59-b847-86ff0bdef92e