CConstaterende datNeder-Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels bestemmingsplan

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Neder-BetuweBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Dodewaard, Welysestraat naast 23’17.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NL.IMRO.1740.DOwelysestrnaast23-ont1

Bestemmingsplan Dodewaard, Welysestraat naast 23

21 oktober 2021

2

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3 7.4

5 Inleiding Aanleiding en doel van het plan Ligging plangebied Geldende plannen Leeswijzer Planbeschrijving Bestaande situatie Toekomstige situatie Beeldkwaliteit Beleidskader Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie Omgevingsaspecten Verkeer & parkeren Bodem Geluid Bedrijven en Milieuzonering Luchtkwaliteit Geur Externe veiligheid Waterhuishouding Ecologie Archeologie & cultuurhistorie Leidingen Explosieven Spuitzonering Juridische planbeschrijving Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure Overleg Inspraak Ontwerpfase Vaststellingsfase

Dodewaard, Welysestraat naast 23

7 7 7 7 8 9 9 10 11 13 13 14 15 17 18 18 19 20 21 22 24 25 28 30 32 33 33 34 35 35 35 35 36 37 38 38 38 39 39 39 39 39

3

Bijlagen bij de toelichting

41

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

43 45 47 49 51 53

Bodemonderzoek oostzijde Briefrapportage actualisatie bodemonderzoek oostzijde Bodemonderzoek westzijde Akoestisch onderzoek Watertoets Voortoets stikstofdepositie

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11

55 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Agrarisch Wonen Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Parkeren Algemene afwijkingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

57 57 60 61 61 62 65 65 65 65 65 65 68 68 68

Bijlagen bij de regels

69

Bijlage 1

71

4

Landschappelijk inpassingsplan

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Toelichting

Dodewaard, Welysestraat naast 23

5

6

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel van het plan

De initiatiefnemer is voornemens om twee vrijstaande woningen te realiseren op een onbebouwd perceel aan de Welysestraat naast nr. 23 in het buitengebied van Dodewaard. Binnen het geldende bestemmingsplan zijn op deze locatie drie wooneenheden verplicht. De beoogde ontwikkeling past daarmee niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen naast Welysestraat 23 in het buurtschap Wely, ten oosten van de kern Dodewaard. De onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Afbeelding 1.1: globale ligging plangebied

1.3

Geldende plannen

Voor de in het bestemmingsplan begrepen gronden vigeert thans het bestemmingsplan ‘Welysestraat 33a Dodewaard’, vastgesteld op 15 september 2011. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Agrarisch' en ‘Wonen’. Binnen de bestemming 'Wonen' ligt een bouwvlak met de maatvoeringen: aantal wooneenheden 3, maximum goothoogte 4 meter, maximum bouwhoogte 9 meter en maximum volume 1.200 m³. Onderstaand een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Dodewaard, Welysestraat naast 23

7

Ter plaatse van het plangebied ligt momenteel tevens het bestemmingsplan 'Aanpassing Woonbestemmingen Buitengebied' ter inzage.

Uitsnede bestemmingsplan '‘Welysestraat 33a Dodewaard’

Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Binnen de bestemming 'Wonen' geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal wooneenheden', het aantal woningen niet meer, danwel minder, mag bedragen dan aangegeven. Daarmee zijn in het bouwvlak drie wooneenheden verplicht. Met voorliggend plan worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd, waarmee het plan strijdig is met het geldende bestemmingsplan. Tevens is één woning beoogd ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch'. Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn geen woningen toegestaan.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

8

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen in het kleinschalig oeverwallenlandschap. Het is van oudsher een licht glooiend landschap met een kleinschalige grillige verkaveling. De oeverwallen hebben een tamelijk besloten landschap in contrast met de open komgronden die vaak dicht tegen de oeverwallen aan liggen. Het plangebied en de directe omgeving ervan worden gekenmerkt door bebouwing langs de Welysestraat afgewisseld met bouwlanden weidegronden, boomgaarden en populierenbosjes. De laatste jaren is de oppervlakte aan boomgaarden afgenomen, maar het snelgroeiend areaal aan boomkwekerijen vult de vrijkomende ruimte snel op. De Welysestraat is een oude onderstraat van de Waalbandijk, waarlangs verspreide bebouwing voorkomt, die vanouds een agrarisch karakter heeft. Inmiddels hebben zich ook tal van burgerwoningen in dit lint gevoegd. Aan beide zijden van de weg staat laanbeplanting en er komt ook vaak een sloot voor. Nabij de entree van het buurtschap Wely is sprake van enige verdichting in het bebouwingspatroon, waarbij ook het aandeel burgerwoningen toeneemt. Naast enkele arbeiderswoningen uit de periode van de Wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog gaat het (overwegend) om vrijstaande woonhuizen en kleinere villa's.

Het gebied waar de nieuwe woningen zijn geprojecteerd, ten westen van de woning aan de Welysestraat 23, is op dit moment voor een klein deel in gebruik voor de boomteelt, en verder is het een open weiden. Het perceel wordt deels omzoomd door een elzensingel en langs de Welysestraat is een sloot gelegen. Het bebouwingspatroon rond het plangebied is lintvormig en de woningen zijn georiënteerd op de weg en volgen de diepterichting van het perceel. De afstand tot aan de straat is wisselend maar niet meer dan 25 meter. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied.

Luchtfoto van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Dodewaard, Welysestraat naast 23

9

2.2

Toekomstige situatie

In september 2011 is het huidig bestemmingsplan vastgesteld waarbij sprake was van de sanering van bedrijfsbebouwing bij het bedrijf aan de Welysestraat 33a. Op grond van de regeling voor vrijkomende agrarische bebouwing is destijds een woonbestemming toegekend op de locatie naast Welysestraat 23. Er is destijds gekozen voor één bouwvlak ten behoeve van drie kleine wooneenheden. Echter hiervoor is de afgelopen 10 jaar geen animo geweest, ook is het beleid voor het toevoegen van kleinere wooneenheden in het buitengebied is los gelaten. Hierdoor is gekozen om in plaats van 3 wooneenheden in 1 gebouw, 2 vrijstaande woningen te realiseren. De woningen worden op enige afstand van de weg geplaatst in de enigszins variabele rooilijn van de Welysestraat. Het bebouwingscluster van de twee nieuwe woningen sluit aan op een bestaand woonhuis (Welysestraat 23) op de hoek met de Steeg. Door de positionering zal het bebouwingslint doorgezet worden en blijft ten westen van de woningen de openheid behouden zodat de zichtlijnen naar het achterliggende landschap behouden blijven. Met betrekking tot de hoogtes voor de nieuwe woningen wordt voor de woning aan de oostzijde aangesloten bij de bestaande naastgelegen woning. Deze woning krijgt een bouwhoogte van 9 meter. De woning die aan de westkant beoogd is, staat verder van de Welysestraat af.

Hierbij is een hogere bouwmassa voorstelbaar om daarmee het gedifferentieerde beeld te versterken en de entree van de kern Wely te benadrukken. Het plan wordt landschappelijk ingepast door middel van elementen die voortkomen uit het landschappelijk ontwikkelingsplan van Neder-Betuwe. Om hierop aan te sluiten is het plan ingepast met een reeks landschappelijke elementen die passend zijn bij het oeverwallenlandschap. Zo is voor de westelijke woning een sier fruitboomgaard gepland en ligt er om de beslotenheid te bevorderen een houtsingel tussen de twee woningen. De achterzijden van de percelen liggen niet in één lijn passend bij het kleinschalige grillige verkavelingspatroon. De kavelgrenzen zijn op de achterzijde na overal beplant met streekeigen soorten, de westelijke kavelgrens is beplant met een bomenrij en geschoren haag. De bomenrij met naastgelegen greppel voor waterberging zorgt ervoor dat de westzijde niet als tuin wordt ingericht, maar kan dienen als doorzicht of behouden als grond voor bomenteelt. Ook aan de oostzijde is een greppel gemaakt als begrenzing van de nieuwe woonkavel en de bestaande woning aan Welysestraat nr. 23. Naast het open doorzicht blijven andere belangrijke waarden in het gebied behouden. Zo zullen onder andere de laanbomen behouden blijven en zal de watergang tussen het plangebied en de Welysestraat behouden blijven.

De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het landschappelijke inpassingsplan. In bijlage 1 bij de regels is de landschappelijke inpassing met beplantingsplan te vinden.

10

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Impressie toekomstige situatie

2.3

Beeldkwaliteit

Voor onderhavig plan zijn een aantal beeldkwaliteitseisen geformuleerd in het kader van stedenbouw/verkaveling, architectuur en erfinrichting. Stedenbouw karakter rooilijn massa

bouwhoogte

goothoogte frontbreedte bouwdiepte inhoud oriëntatie

Twee vrijstaande landelijke woningen De woningen moeten onderling qua rooilijn verspringen. Relatief eenvoudige hoofdvorm, in bijvoorbeeld T-vorm. De woningen verschillen onderling in massaopbouw (geen symmetrie), maar vormen wel een architectonische familie. Bouwhoogteverschil tussen beide woningen. De maximale bouwhoogte van de rechter woning is 9 meter. De maximale bouwhoogte van de linker woning is 11 meter. De goothoogte verschilt eveneens. De maximale goothoogte van de rechter woning is 4 meter. De maximale goothoogte van de linker woning is 6 meter. Frontbreedte van de woning is tussen de 8-15 meter. De lange gevel staat haaks op de Welysestraat. Maximaal 15 meter De maximale inhoudsmaat van het hoofdgebouw is 750 m3. De woningen hebben de voorkant aan de Welysestraat.

Dodewaard, Welysestraat naast 23

11

Referentiebeelden van beoogde architectuur

Architectuur karakter dakvorm

detaillering materiaal- en kleurgebruik entree Erfinrichting inrichting inritten erfscheiding en bergingen

parkeren

12

Landelijke architectuur: verwijzing naar boerderijen en woningen in de omgeving. Forse kap met dakoverstek samengestelde kap, schilddak of zadeldak toepassing riet en/of antraciet kleurige pannendak Ingetogen detaillering: gemetselde schoorstenen, dakkapellen mee ontworpen, erker toegestaan, roedeverdeling in de ramen. Rood/bruin baksteen of (gedeeltelijk) wit stucwerk. In mindere mate toepassing hout of metaal Entree aan de Welysestraat.

Perceel landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting (zie bijlage) Iedere woning een eigen oprit op Welysestraat. Lage hagen voorzijde en achterzijde aansluitend op landschap Beperkt aantal losse bijgebouwen, bijvoorbeeld door schuur te integreren in/of geschakeld aan het hoofdgebouw. Bijgebouw minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn Minimaal 3 parkeerplaatsen Groen inpassen

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid meer bij provincies en gemeenten komen te liggen. Het Rijk zal zich alleen bezig houden met de zaken die prioriteit hebben. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De structuurvisie is juridisch vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.1.2. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de SVIR.

In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Ten behoeve van voorliggend plan is het Barro niet van belang. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, lid 2, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Dodewaard, Welysestraat naast 23

13

3.1.4 Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Voorliggend initiatief betreft het mogelijk maken van twee vrijstaande woningen. Uit jurisprudentie blijkt dat er pas vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet nodig.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. 3.2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.

Deze ambities worden hieronder kort samengevat:  Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;  Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;  Een voortvarend en innovatief circulair beleid;  Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;  Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;  Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;  Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. 3.2.3 Omgevingsverordening De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. 3.2.4 Conclusie Het plan betreft het mogelijk maken van twee vrijstaande woningen. De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening stellen geen specifieke eisen aan voorliggende locatie.

Geconcludeerd wordt dat het plan passend is binnen het provinciale beleid.

14

Dodewaard, Welysestraat naast 23

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 Op 31 mei 2018 heeft de gemeenteraad van Neder-Betuwe de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 vastgesteld. Doel van deze structuurvisie is het bieden van een actueel en integraal ruimtelijk kader, dat voor de langere termijn als toetsingskader op hoofdlijnen dient voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De structuurvisie is het strategisch document in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor andere overheden kan de structuurvisie duidelijk maken hoe de gemeente het beleid van Rijk en provincie uitwerkt op gemeentelijk schaalniveau. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van bestuursovereenkomsten. Tevens is de visie leidraad bij de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven.

De gemeente streeft nog steeds naar het zoveel mogelijk benutten van inbreidingslocaties en daarmee een efficiënt gebruik van de (open) ruimte in de kernen, mits het landelijk karakter (lees: de kwaliteit) van de kern niet verloren gaat. De ontwikkeling en het behoud van compacte dorpskernen bespaart waar mogelijk uitbreiding aan de randen en ongewenste realisatie van bebouwing in het buitengebied. Hoewel het voorliggende bestemmingsplan conserverend is en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, dient bij eventuele toekomstige ontwikkelingen in de kernen gezocht te worden naar inbreidingsmogelijkheden. Naast de beoogde gemeentelijke ambities, is in de structuurvisie een toetsingskader voor particuliere initiatieven opgenomen. Initiatieven worden in eerste instantie getoetst aan de visie. Indien het initiatief past binnen de uitgangspunten van de visie, wordt onderzocht of het initiatief inpasbaar is in de directe omgeving. Hiermee dragen particuliere initiatieven in belangrijke mate bij aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. In aanvulling op het voorgaande is in de structuurvisie per kern een ontwikkelingsrichting geschetst. Deze ontwikkelingsrichting dient als leidraad voor toekomstige ruimtelijke initiatieven. Planspecifiek De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de Structuurvisie Neder-Betuwe 2018 met het plangebied rood omcirkeld.

Het plangebied is aangeduid als 'teeltrijke oeverwallen' (groene kleur) en 'ontwikkeling laanboomteelt' (groene strepen). Met voorliggend plan worden enkel twee woningen mogelijk gemaakt. De Structuurvisie stelt hier geen specifieke eisen aan. Het plan is passend binnen de Structuurvisie.

Uitsnede Structuurvisiekaart

Dodewaard, Welysestraat naast 23

15

3.3.2 Woonvisie 2016-2021 'Vitale kernen in een sterke gemeente' Op 1 februari 2016 is de woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad van Neder-Betuwe. Hierin is het beleid met betrekking tot de woningmarkt, kansen, aanbod en behoefte opgenomen. Om richting te geven aan de ontwikkeling van de gemeente, biedt deze visie belangrijke handvatten voor de gemeente zelf, maar ook de partners met wie zij op het brede speelveld van het wonen samenwerkt. Het geeft een kwalitatieve inkleuring aan de woningbouwontwikkeling van zowel nieuwbouw als bestaande bouw in de gemeente en alle facetten die hiermee samenhangen. Binnen het Regionale Woningmarktonderzoek en de Regionale Woonagenda worden de kaders van de nieuwbouwopgave met de regiogemeenten afgestemd. Hiermee wordt gezorgd dat de nieuwbouwproductie past binnen de regionale behoefte. De gemeente wil het woonklimaat de komende jaren verder versterken en verbeteren zodat Neder-Betuwe een sterke gemeente met vitale kernen blijft. Dit wil de gemeente bereiken door actief woonbeleid te voeren op de volgende aandachtspunten: 1. Toevoegen van duurzaam aantrekkelijke woningen De vergrijzing van Neder-Betuwe zet zich voort, maar zit rond 2035 op haar hoogtepunt. De veranderende bevolkingssamenstelling vraagt om een aanpassing van de woningvoorraad. Levensloopgeschiktheid is daarin een belangrijk criterium.

Binnen de ambitie om tot een gevarieerde, levensloopgeschikte woningvoorraad te komen, worden enkele doelgroepen iets meer ondersteund: starters en senioren. Naast de bovengenoemde grote doelgroep zijn er een aantal kleine doelgroepen die ook aandacht vragen: mensen in scheiding, statushouders/vluchtelingen en mensen met een lichte zorgvraag. 2. Inzetten op een realistische nieuwbouwambitie Het hanteren van een realistische woningbouwambitie is belangrijk om ervoor te waken dat het woningaanbod goed aansluit bij de woningbehoefte. Op basis van het regionale woningbehoefteonderzoek wordt tot 2025 uitgegaan van een jaarlijkse productie van 60 tot 80 woningen voor de gemeente NederBetuwe. 3. Woningbouw in elke kern, volwaardige afronding van huidige plannen Om de kernen vitaal te houden is het belangrijk dat elke kern de mogelijkheid behoudt om nieuwe woningen aan de voorraad toe te voegen, als hier voldoende behoefte aan is. Het is belangrijk dat de plannen die in de afgelopen jaren zijn voorbereid -en waarvan de behoefte is bewezen- nu ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. In Kesteren betekent dit een grotere woningbouwprogramma om de uitleglocatie Casterhoven goed te kunnen afronden.

Binnen de woonvisie is het geplande woningbouwprogramma van de verschillende kernen gecategoriseerd in plannen die goed aansluiten bij de marktvraag voor de korte/middellange termijn (tot 2020) en plannen die minder goed aansluiten of op een langere termijn spelen. Deze zijn afgewogen tegenover de ontwikkeling van afgelopen jaren en de wensen van de gemeente. Hiermee is gekomen tot een 'streefprogramma 2015-2025' per kern.

Voor de gemeente Neder-Betuwe zijn de volgende segmenten als kansrijk benoemd: grondgebonden sociale huurwoning, tweekamer huurappartement in de vrije sector, goedkope grondgebonden koopwoning, rij/hoekwoning in het middensegment (levensloopbestendig) en luxe grondgebonden koopwoning in dure segment.

16

Dodewaard, Welysestraat naast 23

4. Verder verduurzamen van de woningvoorraad De komende jaren wil de gemeente verder met het energiezuiniger en levensloopgeschikter maken van de bestaande woningvoorraad. In de nieuwbouw houden we vast aan de energieprestatienorm uit het Bouwbesluit. De belangrijkste opgave ligt in de bestaande voorraad. Daar wil de gemeente eigenaar-bewoners stimuleren om hun woning te verduurzamen. Om ervoor te zorgen dat mensen met een zorgvraag zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, is het belangrijk dat alle nieuwbouw 'maximaal aanpasbaar te ontwikkelen. 5. Betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen Er zal voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare doelgroepen moeten worden gerealiseerd. Kwetsbare doelgroepen zijn doelgroepen die niet zonder extra maatregelen aan passende woonruimte kunnen komen. Hierbij richt men op huishoudens met lage inkomens en lage middeninkomens (sociale huur). Om de voorraad de komende jaren te consolideren moeten er minimaal 75 woningen in de periode 2015-2020 gebouwd worden om aan de verwachte vraag te voldoen (ter compensatie van sloop en verkoop). Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft de realisatie van twee vrijstaande in het buitengebied van Dodewaard. In de woonvisie wordt dit segment als kansrijk benoemd. Voorliggend plan levert met twee nieuwe woningen een kleine bijdrage aan het invullen van de woningbehoefte van de gemeente Neder-Betuwe.

Het plan sluit daarmee aan op de uitgangspunten van de Woonvisie 2016-2021.

3.4

Conclusie

Het bestemmingsplan is passend binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Neder-Betuwe.

Dodewaard, Welysestraat naast 23

17

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer 4.1.1.1 Regelgeving De gemeenteraad stelde op 8 maart 2018 het Neder-Betuws Verkeer- en Vervoerplan (NBVVP) vast. Dit geeft de visie tot 2025 weer hoe de gemeente Neder-Betuwe nu en in de toekomst om gaat met vraagstukken op het gebied van verkeer en vervoer dan wel de mobiliteit. Het plan bestaat uit twee onderdelen:  Beleidsrapportage met daarin de visie van de gemeente tot 2020. Belangrijk onderdeel hierin is ook het Uitvoeringsprogramma, waarin staat welke projecten de gemeente de komende jaren wil uitvoeren en voor welke projecten geld beschikbaar is.  Achtergrondrapportage met daarin achtergrondinformatie bij de beleidsrapportage. In de achtergrondrapportage zijn de resultaten van de inventarisatie en (knelpunt)analyse opgenomen. 4.1.1.2 Doorwerking bestemmingsplan Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, is de verkeersaantrekkende werking bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. Met voorliggend plan worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. Hierdoor zal het aantal verkeersbewegingen met maximaal 17,2 (2 x 8,6) verkeersbewegingen per etmaal toenemen. Beide woningen worden met een eigen inrit ontsloten via de Welysestraat.

De Welysestraat heeft voldoende capaciteit om deze beperkte toename aan verkeersbewegingen op te vangen. 4.1.2 Parkeren 4.1.2.1 Regelgeving De Nota Parkeernormen Neder-Betuwe (11 mei 2017) en het 'Parapluplan Parkeren' (26 april 2018) zijn van toepassing op nieuwe ontwikkelingen in de gemeente Neder-Betuwe. Hierin worden onder andere parkeernormen gesteld op basis van de toe te voegen functies. 4.1.2.2 Doorwerking bestemmingsplan Met het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' is voor het gehele plangebied van de gemeente NederBetuwe het aspect 'parkeren' ten aanzien van bouwen en gebruik geregeld. De strekking van de parkeerregeling uit het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' is overgenomen in onderhavig plan. De gemeente heeft de parkeernormen ontleend aan de landelijke kencijfers van CROW. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,8, is afgerond 3 parkeerplaatsen. Bij allebei de woningen is voldoende ruimte om minimaal 3 auto's op eigen terrein te parkeren. 4.1.3 Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van verkeer.

18

Dodewaard, Welysestraat naast 23

4.2

Bodem

4.2.1 Regelgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). 4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan Voorliggend plan betreft het realiseren van twee woningen. Het oostelijk deel van het plangebied heeft reeds een woonbestemming. In het kader van het geldende bestemmingsplan is eerder een bodemonderzoek in dit deel van het plangebied uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 1. Hierin wordt geconcludeerd dat er in de bovengrond slechts enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten verontreinigingen gemeten. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Gelet op het voorgaande is geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar is tegen het gebruik van de locatie voor wonen. In het kader van voorliggend plan is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. De briefrapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat er enkele verhoogde gehaltes verontreinigingen zijn aangetroffen. Aangezien de verhoogde gehaltes (in geringe mate) boven de achtergrondwaarde liggen behoeft dit geen verdere aandacht.

De kwaliteit van de bodem is dusdanig dat er bodemkundig milieuhygiënisch geen beletselen zijn voor de geplande nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Voor het westelijk deel van het plangebied is een apart bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. PM bodemonderzoek westzijde 4.2.3 Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

Dodewaard, Welysestraat naast 23

19

4.3

Geluid

4.3.1 Regelgeving Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde "dove" gevel heeft. Een "dove gevel" is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning.

De karakteristieke geluidwering van de gevel dient voor nieuwbouw zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. 4.3.2 Wegverkeerslawaai Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek te worden verricht (art.76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

Tabel 4.1: overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

20

Dodewaard, Welysestraat naast 23

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. 4.3.3 Railverkeerslawaai Regelgeving In de Wgh en het Bgh is de zonering van spoorwegen (en ook van tram en metro) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld. Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1300 meter. Binnen deze zone is de Wgh van toepassing. 4.3.4 Doorvertaling bestemmingsplan Voor voorliggend plan geldt dat industrielawaai niet aan de orde is. Het plangebied ligt aan de Welysestraat in het buitengebied van Dodewaard. De woningen komen te liggen in de geluidszones van de Welysestraat en de Betuwespoorlijn ten noorden van het plangebied. Om de gevolgen van wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai op de nieuwe woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 4. PM akoestisch onderzoek 4.3.5 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.4

Bedrijven en Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving Regelgeving Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek.

Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Naast de omgevingstypen 'rustige woonomgeving' en 'gemengd gebied' kent de VNG-publicatie ook het type 'gebied met functiemenging'. Het begrip 'gebied met functiemenging' heeft geen betrekking op de typering van een gebied maar op de toelaatbaarheid van hinderveroorzakende functies, zoals stadscentra,

Dodewaard, Welysestraat naast 23

21

dorpskernen, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en (delen van) woongebieden met kleinschalige dan wel ambachtelijke bedrijvigheid.

Tabel 4.2: richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Hiertoe wordt ten aanzien van het geluidsaspect gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie. Tijdens het inwerking zijn van inrichtingen zullen deze worden getoetst aan het Activiteitenbesluit. 4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan Met voorliggend plan worden twee vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Het plangebied heeft voor een deel al een woonbestemming. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig. In de onderstaande tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven en inrichtingen weergegeven. Adres

Inrichting

Toelaatbare Maatgevende milieucategorie aspect

Welysestraat 21b Welysestraat 21a De Steeg 1

Constructie Grondverzet Loonbedrijf

3.1 3.1 3.1

Geluid Geluid Geluid

Richtafstand Feitelijke (in m) afstand (in m) 100 100 50 200 50 130

Uit de tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Overige bedrijven en functies liggen op een nog grotere afstand van het plangebied. Er zal bij de woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en er worden met het initiatief geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering. 4.4.3 Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide

22

Dodewaard, Welysestraat naast 23

(SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO 2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderhavig plan betreft de realisatie van twee woningen en valt ook binnen de NIBM-regeling, waarmee onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied.

Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (A15, N233, N836) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020. Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Dodewaard, Welysestraat naast 23

23

Afbeelding 4.2.: NSL-monitoringstool 4.5.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.6

Geur

4.6.1 Regelgeving Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

Binnen bebouwde kom

diercategorieën Rgv andere diercategorieën

Buiten bebouwde kom

diercategorieën Rgv andere diercategorieën

Concentratiegebied max. 3 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 14 ouE/m³

Niet-concentratiegebied max. 2 ouE/m³ min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouE/m³

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

24

Dodewaard, Welysestraat naast 23

Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurgebiedsvisie gemeente Neder-Betuwe Op 15 september 2011 heeft de gemeenteraad de geurverordening en bijbehorende geurgebiedsvisie vastgesteld. Doelstelling van deze visie is het opstellen van een gemeentedekkend gebiedsgericht geurbeleid voor de gemeente Neder-Betuwe gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij, waarin een afweging is gemaakt tussen geurbelasting en geurbeleving. De gebiedsvisie brengt de geurknelpunten in beeld en geeft de mogelijkheid om maatwerk te leveren in de (nog te bepalen) deelgebieden.

Met geurknelpunten worden situaties bedoeld waarbij de geurcontouren van agrarische bedrijven rond een bouwblok over geurgevoelige objecten reiken als zijnde voor grondwaarde, of een situatie waarbij verschillende agrarische bedrijven gezamenlijk een niet acceptabel hinderpercentage leveren als zijnde achtergrondwaarde. 4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan Onderhavig plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft een intensieve veehouderij (pluimveehouderij) op circa 500 meter afstand ten noorden van het plangebied, aan de Engelandstraat 2. Gezien de grote afstanden zijn er geen belemmeringen met betrekking tot geur van agrarische bedrijven. 4.6.3 Conclusie Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect geur.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen.

Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied). Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen

Dodewaard, Welysestraat naast 23

25

voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden met name bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden.

De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (“Wvgs”) ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, dient de minister maatregelen te nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden (200 meter). Buiten deze zone dient in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2018 Neder-Betuwe wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen en te werken. Dat stelt eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Externe veiligheidsrisico's zijn daar een onderdeel van. Externe veiligheid gaat over het beschermen van burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. De risico's - veroorzaakt door het werken met - opslaan van of vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn niet uit te sluiten. We kunnen ze wel beheersen door een adequate uitvoering van relevante taken en vooraf afspraken te maken hoe met de huidige en toekomstige risico's wordt omgegaan. Doel van deze beleidsvisie externe veiligheid is het bieden van een toetsingskader dat duidelijk maakt hoe om te gaan met externe veiligheidsrisico's. De ambities in deze visie zijn naast de wettelijke regels met name van toepassing bij het vaststellen van omgevingsbesluiten en de vergunningverlening voor risicobedrijven. Ook zijn in deze visie ambities met betrekking tot de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels opgenomen. Door toepassing van deze ambities worden ad hoc besluiten voorkomen. De gemeente past de uitgangspunten en ambities in deze visie verder toe bij andere gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbij externe veiligheid een rol speelt. De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie, waarbij: 1.

de externe veiligheidsrisico's goed in beeld zijn gebracht; 2. de gemeentelijke organisatie zich bewust is van de aanwezige risico's; 3. een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor de externe veiligheid; 4. beleidsuitvoering en handhaving zorgen voor de beheersbaarheid van bestaande en nieuwe EV risico's; 5. communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn bij een calamiteit.

26

Dodewaard, Welysestraat naast 23

4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen.

Afbeelding 4.3: uitsnede provinciale risicokaart Op de risicokaart is te zien dat ten noorden van het plangebied een gevaarlijke stof ligt opgeslagen (propaan). Met een afstand van circa 500 meter ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van deze inrichting, Verder bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen Bevi-inrichtingen. Wel is de ligging van transportroutes van belang. Ten noorden van het plangebied liggen op circa 930 meter afstand de A15 en de Betuweroute. Dit zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De plaatsgebonden risicocontour van de A15 en de spoorlijn geldt voor 30 meter rond deze infrastructuur, waarmee geconcludeerd wordt dat het plangebied op een ruimschoots afdoende afstand is gelegen. Een nadere verantwoording naar het plaatsgebonden risico kan hierdoor achterwege blijven. Groepsrisico Het plangebied ligt op circa 930 meter van de Betuweroute en daarmee wel binnen het invloedsgebied (of de 1% letaliteitsafstand). Het plangebied ligt echter ruimschoots buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico (de 200 meter zone). Hierdoor kan volstaan worden met een standaard verantwoording (bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid), zodat dit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.

Op grond van het Bevt is een GR-berekening en uitgebreide verantwoording alleen nodig bij ruimtelijke plannen binnen 200 m vanaf de buitenrand van een transportroute, waarbij het GR groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde én de toename groter is dan 10% dan wel de oriëntatiewaarde wordt overschreden. In dit geval is er van beide situaties geen sprake van. Beperkte verantwoording Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WASpalen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen,

Dodewaard, Welysestraat naast 23

27

deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. 4.7.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2009 - 2015, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Omgevingsvisie en -Verordening Gelderland;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 'Koers houden en kansen benutten', Nota riolering 'Samen door één buis' (2012) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden teneinde watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11748243/1